Korte bio
Een kort overzicht over mijn leven
Daan Diederiks
Midden in de zomer, op 20 juli 1962, werd ik in Amsterdam geboren in het Centraal Israelitisch Ziekenhuis (CIZ). Tot mijn vijfde woonden we op de Prins Hendrikkade 24, naast de koffiehandel, schuin tegenover het station.
Mijn moeder, Hes André de la Porte, was schooljuf zonder vaste baan. Zij viel bij ziekte in. Over haar tijd in Amsterdam-noord kon zij smakelijk vertellen.
Mijn vader, Herman Diederiks, was zeven jaar jonger dan mijn moeder en studeerde geschiedenis aan de UvA. Niet lang na mijn geboorte studeerde hij af en ging eind jaren zestig aan de Universiteit van Leiden doceren.
In 1967 kochten mijn ouders een pand op de Herengracht, naast de in aanbouw zijnde Burghtschool. Veel kopers vreesden dat de bouw van de school de fundering zou aantasten, wat de prijs drukte en wat voor mijn vader een reden was om zijn slag te slaan.
In 1968 ging ik naar de naast ons gelegen Burghtschool. Toen ik in de derde zat kwam mijn moeder er werken. Mijn jongere zus en broer waren uit de luiers en zij wilde, heel modern, niet afhankelijk zijn van het inkomen van mijn vader.
Mijn territorium was de Herenmarkt en de speeltuin op de Droogbak, wat nu een kruispunt is. Mijn laatste jaar op de Burghtschool bracht ik daar ook door. Hier voerde ik met enkele klasgenoten mijn eerste politieke actie tegen grootschalige plannen. Het stadsbestuur wilde een snelweg aanleggen vanaf het centraal station, over de Droogbak, langs de Haarlemmerhouttuinen en dan dwars door het Westerpark. Wij voerden actie mede onder aanvoering van huidig Amnesty International activist Lars van Troost tegen de aanleg van de snelweg en daarmee voor het behoud van het Westerpark en het schoolgebouw.
De meeste kinderen uit mijn klas gingen een vak leren, enkele meisjes gingen naar het Amsterdams Lyceum, mijn ouders schreven mij in op het Barlaeus gymnasium. Een school die zwaar onder vuur lag omdat de Telegraaf een verhaal had geschreven over vermeend marijuana gebruik onder de leerlingen. Enkele jaren waren er maar twee eerste klassen. In 1974 meldden er zich voor het eerst weer zoveel leerlingen aan dat er vier eerste klassen kwamen.
De roerige jaren zeventig buiten de school kregen ook hun weerslag binnen de school en bij mij als puber.
Het waren de jaren van Vietnam, pacifisme, vrouwenbeweging, de neutronenbom, Den Uyl, de glorie jaren van Koot en Bie, het ontdekken van de stad, van hopeloze verliefdheden, school feestjes, `s middags glippen in Cinecenter, straatmuzikanten op het Leidseplein die eindeloos The Beatles speelden, het eerste bier en biljardstoot in café Reijnders, radio op mijn kamer, Parool krantenwijk, en film, steeds meer film. Paul Newman, Clint Eastwood, James Dean en Robert de Niro in Taxi driver waren mijn helden. Op school ging het niet meer zo vlekkeloos. Ik verloor concentratie en worstelde met het leven.
Blijven zitten bleek een recept voor verveling, die ik oploste door voor de filmclub op school heel veel 16 mm films te draaien. Legendarisch is nog steeds de eerste keer dat ik het apparaat zelf bediende in een vertoning van East of Eden met James Dean. Ik kreeg het geluid niet aan. Peentjes zwetend heb ik toen maar de eerste rol in stilte gedraaid. Om onverklaarbare redenen deed het geluid het toen ineens weer. De aula was inmiddels bijna leeg, alleen de diehards bleven over.
De klassieke talen schoten erbij in. Ik moest van school en belandde op het Lely Lyceum aan de Keizersgracht bij de Westertoren. De jaren zeventig liep op z´n einde. De jeugdwerkloosheid, punk, krakers en No Future deden hun intrede en het eerste stukje spacecake in coffeeshop Rusland, die op weg naar huis midden op de Dam in mijn hoofd explodeerde. Wonder boven wonder deed ik in 1982 met goed gevolg VWO eindexamen.
Onder invloed van pacifisten en terug-naar-de-natuur-hippies vertrok ik naar Frankrijk. Nabij Avignon ging ik druivenplukken, werd koeienknecht op een boerderij in de Pyreneën en manusje van alles in een hippie-commune, waar ik voor grote aantallen leerde koken en echt engels en frans leerde.
Even dacht ik erover om weg van het moderne leven verder te gaan. Maar boven op een berg bij zonsondergang realiseerde ik me dat blijven op het franse platte land ook een vorm van vluchten is voor de eigentijdse vraagstukken en problemen. Voor het voortdenderende echte leven. Ik miste de stad en ging in 1983 terug om te gaan studeren.
De twee fasen structuur was net ingevoerd. Ik begon met Russisch om Oblomov van Gontsjarov in het orgineel te kunnen lezen. Maar een taal was mij niet genoeg en onder invloed van de werkloosheidsdruk besloot ik in 1984 rechten te gaan studeren. Na drie jaar verplaatste mijn belangstelling zich naar de internationale politiek, politicologie (bij prof. Hans Daudt) en sociologie, maar daar was binnen de rechten faculteit niet veel ruimte voor.
Mijn studentenleven was zeer studieus. Ik werd daarom lid van een serieuse studentenvereniging, het SIB (Studentenvereniging Internationale Betrekkingen). Al snel belandde ik in het bestuur en richtte het vereningingsblad Het Verdrag op. Door een uitwisseling in maart 1988 met poolse studenten uit Krakow voelde ik me blijvend betrokken met de gang der Europese ontwikkelingen.
De jaren negentig zijn niet de gelukkigste jaren in mijn leven. Vlak voor de val van de muur trof mij een identiteits- en bestaanscrisis. De geboorte van mijn dochter Emma in 1990 was weliswaar een groot lichtpunt, maar niet lang daarna, in 1992, gingen haar moeder en ik uit elkaar. Ik concentreerde mij op haar opvoeding. Al deze jaren hielden we een regelmatig week-op, week-af schema vol.
In augustus 1995 verongelukte mijn vader dodelijk. Hij stierf in een Frans ziekenhuis. Een jaar later bleek mijn moeder erg ziek. Na een kort ziekbed stierf ook zij. Ik voelde mij als een groggy geslagen boxer in de hoek van de ring en vroeg mij af wat het leven nog allemaal in petto had, of ik wel weer het strijdtoneel opwilde, of ik niet liever verdween naar het arcadische platteland.
In de winter van 1997 was ik assistent van vriend en tegendraads kunstenaar Simcha Roodenburg. Hij kreeg een grote opdracht van het Nisa in Lelystad en vroeg mij om hem te helpen. Van enorme ruwhouten planken bouwden we een constructie dat door verwering in wind en regen een bizar staketsel zal worden.
In deze rouw retraite besloot ik docent maatschappijleer en geschiedenis te worden. Ik schreef mij in bij de Efa aan de Wibautstraat en werd weer student, ditmaal aan een hogeschool. Ik ervoer nu dat het niveauverschil van een lerarenopleiding en de universiteit vrij groot is.
Ondertussen had ik internet ontdekt en bekwaamde ik mij in het bouwen van websites. Ik bouwde The Amsterdam Post. Een "irregular daily", die ik uitbouwde tot een nieuwsportal en gestaag vulde en nog steeds vul met artikelen, waarbij ik grote verwachtingen koester over de functie van internet in het onderwijs. De ervaring die ik daarbij opdeed bleek goed van pas te komen.
In 2000 kreeg ik de opdracht om bij het COA als consultant een intranet-site te bouwen en anderhalf jaar een nieuwsbrief te verzorgen. Een zeer leerzame twee jaar in de Haagse ambtelijke burelen.
Toch hield ik mij aan het oorspronkelijke plan om les te gaan geven. In december 2002 werd ik aangenomen als maatschappijleraar aan het Keizer Karel College in Amstelveen. Het daarop volgende jaar kreeg ik ook twee geschiedenis klassen. Hoewel ik na anderhalfjaar niet geheel uit leraarshout gesneden bleek, was het een zeer goede en leerzame ervaring eens midden tussen de veeleisende pubers te staan. Als docent ben je toch meer opvoeder en regelaar dan mij lief is. De inhoudelijke kant glipte me teveel door de vingers.
Ik besloot er niet meer omheen te draaien en mijn aandacht geheel op schrijven te richten. Schrijven voor de website, in de journalistiek en met een ambitieus boeken project, alle drie projecten in uitvoering.
Lange tijd na mijn scheiding bleef ik een vrijgezelle vader, tot ik in 2000 weer goed verliefd werd op Marjolein. Inmiddels wonen wij al drie jaar samen en beleefden vele avonturen.
<< Home