Thursday, October 28, 2004
Nederlands buitenlandsbeleid: Vredesmissies
Voor de val van de Berlinse muur in 1989 stonden gewapende conflicten in de wereld in het teken van de Koude Oorlog tussen het westelijke kapitalistische blok onder leiding van de Verenigde Staten en het oostelijke communistische blok aangevoerd door de Sovjet Unie.
Voor de Verenigde Staten was bijvoorbeeld de strijd tussen Noord- en Zuid Vietnam in de jaren zestig een voortzetting van het Sovjet- Russische uitbreidingsstreven. Zou Zuid- Vietnam in handen van de communistische Noord- Vietnamezen vallen, dan zou mogelijk heel Azië in communistische handen komen. Dit staat beter bekend als de domino theorie. Zuid- Vietnam zou de eerste domino steen zijn, vandaar dat opeen volgende Amerikaanse regeringen in de zestiger en zeventiger jaren Zuid- Vietnam met hand en tand verdedigden.
Na de val van de muur veranderde het karakter en de ideologische context van geweldadige conflicten. Ideologie werd veelal vervangen door nationalisme of etnicisme.
Na de val van de Berlijnse muur in 1989 verdween de tegenstelling tussen twee grote rivaliserende blokken. De Verenigde Naties konden nu een prominente rol gaan vervullen bij vredeshandhaving. Althans, dat hoopte men.
Klassieke vredesoperaties
Tijdens de Koude Oorlog voerde men de zogenoemde "klassieke" vredesoperaties uit. Bij deze vredesoperaties stonden onpartijdige VN soldaten, de "blauw helmen", tussen de partijen in. Zij hielden toezicht op de naleving van vredesakkoorden en wapenstilstanden.
Op Cyprus bijvoorbeeld, hielden blauwhelmen het Turkse deel en het Grieks cypriotische deel gescheiden. En in Zuid- Libanon verdroegen Nederlandse Unifil troepen lange tijd de raketgranaten die over hen heen werden afgevuurd door de Hezbollah naar dorpen in Noord- Israël.
Een van de meest succesvolle "klassieke" vredesoperaties, waar ook Nederland een belangrijke rol in speelde, was het toezicht houden op de bestandsgrenzen in het conflict tussen Ethiopië en Eritrea.
Failed States
In de loop van de jaren negentig werd steeds meer duidelijk dat "failed states" veel ellende veroorzaken. Falende staten zijn staten met weinig tot geen effectief staatsgezag. De regering van dergelijke staten is veelal in handen van bandieten, die meer aan zichzelf dan aan de bevolking denken. Het gebrek aan gezag leidt tot armoede, criminaliteit, extremistische bewegingen en kunnen, zoals in Afghanistan, de uitvalbasis worden van terroristische groeperingen.
De Internationale gemeenschap kan dergelijke wetteloze staten niet voort laten bestaan. Er ontstond daarom de noodzaak om in deze staten aan "nation building" te doen. De voornaamste taak daarbij is het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Voorbeelden hiervan zijn Combodja en Oost- Timor.
Rampjaar
Het rampjaar 1994/95 markeert een ommekeer in de wijze waarop de Internationale gemeenschap naar gewapende conflicten kijkt.
Voor ieders ogen werden in Rwanda naar schatting een miljoen Tutsie's en gematigde Hutu's afgeslacht. In Bosnië- Herzegovina stierven zo'n zevenduizend burgers van Srebrenica na de inval van het Bosnisch-servische leger onder leiding van generaal Mladic.
Het louter toekijken van zomersgeklede blauwhelmen met lichte bewapening voldeed niet meer, zoals vooral de Nederlandse militairen in Srebrenica tot hun schande ervoeren.
Na deze calamiteiten volgde een intensief zelfonderzoek bij o.a. de Verenigde Naties en ook in Nederland. VN Secretaris- Generaal Koffi Anan kwam al vrij vlot met het "Srebrenica Report". Ook de Nederlandse politiek herzag de manier waarop en de motieven waarom men aan vredesmissies wilde deelnemen.
Toetsingskader
Er kwam een "toetsingskader" aan de hand waarvan de regering en de kamer besluiten over deelname aan vredesmissies en de wijze waarop de kamer in het vervolg wordt ingelicht. De Tijdelijke Commissie Buitenlandse Uitzendingen (TCBU) evalueerde in 2000 het 'Toetsingskader'. De voornaamste aanbeveling van deze commissie onder leiding van D66'er Bert Bakker waren dat de kamer bij iedere wijziging in de operatie geinformeerd diende te worden. bovendien moest er een helder moment van besluitvorming bij uitzendingen zijn. Deelname moet volgens deze commissie niet stapsgewijs tot stand komen. De kamer heeft dan geen overzicht. De regering heeft de aanbevelingen van de TCBU grotendeels overgenomen. Uitzendingen dienen nu in Haags jargon ook wel "Bakker-proof" te zijn.
Burgeroorlogen
De regering constateert in de "Vredesmissie" notitie van dit voorjaar dat de meeste conflicten van dit moment burgeroorlogen zijn.
Burgeroorlogen zijn altijd zeer ingewikkeld. Het is vrijwel nooit een oorlog waarin twee legers tegenover elkaar staan, zoals bij Ethiopië en Eritrea het geval was. De strijdende partijen zijn veelal machtige (semi)privé- milities die het de machthebbers heel moeilijk maken door guerilla achtige operaties.
Criminaliteit in vele gedaanten tiert in zo'n omgeving welig. De milities zijn vooral betrokken bij wapen- en drugs handel en de smokkel van kostbare natuurlijke grondstoffen als olie en diamanten.
De afwezigheid van effectieve staatsinstellingen leidt veelal tot humanitaire catastrofe's als grote aantallen vluchtelingen, met als meest recente voorbeeld de Soedanese provincie Darfur, waar naar schatting een miljoen mensen dreigen om te komen.
Regionale verspreiding
Burgeroorlogen blijven vrijwel nooit tot een bepaald land beperkt. Het conflict verspreidt zich meestal over de hele regio.
Wapens worden aangevoerd, vluchtelingen worden afgevoerd en de smokkelroutes lopen daar weer doorheen. Buurlanden worden tegen wil en dank bij de burgeroorlog betrokken. En zo dreigt een binnenlands geweldadig conflict de politiek- economische stabiliteit in een hele regio te verruineren.
Om dit laatste te voorkomen wordt de noodzaak om van buiten in te grijpen alleen maar groter. Tegelijkertijd wordt het ook moeilijker voor de internationale gemeenschap om daadwerkelijk effectief de situatie te verbeteren.
Verschuiven beleid
Het paarse kabinet heeft bij monde van toenmalig ministers van Buitenlandse Zaken van Aartsen en Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking enkele notities gepresenteerd die deze problemen in een samenhangende beleidsvoorstellen gieten. Vlot achter elkaar verschenen er een notitie conflictpreventie (22 oktober 2001), mensenrechten (30 oktober 2001) en een notitie humanitaire interventie (30 oktober 2001).
Geïntegreerd buitenlands- en veiligheidsbeleid
Het kabinet Balkenende II verlegt het accent van het buitenlandsbeleid verder in de richting naar een geïntegreerd veiligheidsbeleid. Volgens de definitie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), het belangrijkste adviesorgaan op het terrein van buitenlands beleid, is geïntegreerd veiligheidsbeleid:"veiligheidsbeleid dat de nauwe relatie onderkent tussen de verschillende fasen in een conflict (preconflict, conflict, postconflict) en de verschillende actoren die in dezen 'fasen' betrokken zijn bij het zoeken naar een vreedzame oplossing, met inzet van zowel militaire als civiele middelen."
Belangrijk blijft de militaire inzet vooral in de conflict- en postconflict fasen. De instabiliteit veroorzakende milities of andere groeperingen moeten wellicht met geweld geneutraliseerd of verslagen worden.
Meestal gaat dit gepaard met grote misere voor de burgerbevolking. Burgers worden slachtoffer van geweld, verkrachting, armoede en verlies van zeggenschap in het bestuur. Daarom moet militaire daadkracht samengaan met de opbouw van de economie, de veiligheid op straat door het trainen van politieagenten en het opbouwen van een democratische staatsstructuur.
Om dit laatste te bewerkstelligen heeft het kabinet een "Stabilisatiefonds" ingesteld. Dit fonds heeft tot doel om snel en flexibel financiele ondersteuning te verlenen op het "snijvlak van vrede, veiligheid en ontwikkeling", aldus de minister in de notitie.
Internationale samenwerking
Nederland neemt steeds in internationaal verband deel aan vredesmissies. Alleen zo kunnen bij ingewikkelde crisisbeheersingsoperaties voldoende voortzettingsvermogen gewaarborgd blijven.
"Voortzettingsvermogen" is het vermogen om in een conflict- en een postconflict langdurig troepen ter plekke op de been te houden.
Het voortzettingsvermogen is het best gewaarborgd bij internationale samenwerkingsverbanden zoals de Navo en in toenemende mate de EU.
Vooral als de crisis situatie geweldadig is, blijkt de VN niet in staat een leidende rol te spelen. De VN veiligheidsraad moet dan volgens de regering een mandaat verstrekken en de uitvoering aan anderen overlaten.
In september 2003 sloot de EU zelfs een akkoord met de VN om de samenwerking een permanente basis te geven. De VN werkt al samen met de EU in Bosíë- Herzegovina en de Democratische Republiek Kongo.
Nederland neemt het liefst deel aan operaties die een Veiligheids Raad mandaat hebben en die door de Navo of de EU uitgevoerd worden. Vooral omdat de regering binnen deze organisaties zelf maximale invloed kan uitoefenen.
Ondanks de verbeteringen na het Brahimi rapport, heeft Nederland bij VN operaties weinig zeggenschap. Volgens de regering moeten landen die troepen en geld leveren meer zeggenschap krijgen.
De ontwikkeling naar meer multinationale eenheden zoals de Nato Response Force (NRF) doet de vraag rijzen naar de nationale zeggenschap van regering en parlement. De regering heeft hierover advies gevraagt van de AIV.
Motieven voor Nederlandse deelname
Het belangrijkste motief voor Nederland om met vredesoperaties mee te doen is de "handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde." Dit motief staat zelfs expliciet in de Grondwet. Iedere Nederlandse regering is grondwettelijk verplicht dit motief steeds in het oog te houden.
Instabiliteit in bepaalde regio's kan een motief vormen. Instabiliteit kan Nederlandse belangen schaden. Militair optreden kan dan volgens de regering gewenst zijn.
Aanwijzingen voor instabiliteit zijn bijvoorbeeld onbeheersbare migratie stromen en omvangrijke handel in wapens en drugs.
Volgens de regering is het besef doorgedrongen dat stabilitiet een essentiële voorwaarde is voor politieke, economische en sociale ontwikkeling.
Hieruit is te verklaren waarom de Nederlandse regering een voorkeur heeft voor operaties waar zij actief aan ontwikkelingssamenwerking doet. Het doel is dan om te voorkomen dat er "failed states" ontstaan. die zijn immers een bron voor instabilitiet en trekken terrorisme aan.
Omdat Nederlandse belangen zeer nauw verbonden zijn met een aantal internationale organisaties gaat de voorkeur van de regering in de notitie ervan uit om het in die organistaties uitgestippelde beleid te helpen uitvoeren. Het gaat hierbij dan om de Navo en de EU.
Nederlands ambitieniveau
In crisisbeheersingsoperaties wil de regering dat de krijgsmacht in staat moet zijn tot een "kwalitatief en technologisch hoogwaardige militaire bijdrage".
Dit betekent dat Nederland in Navo en EU verband in het "gehele geweldsspectrum" mee moet kunnen doen.
Per jaar één operatie in het hogere geweldsspectrum en drie opereaties in het lagere geweldsspectrum.
Daan Diederiks
Bronnen
+ Toetsingskader 1995 Kamerstuk 29 521 nr.1
+ Zoek Kamerstukken bij Parlando
Labels: Buitenlands beleid, Defensie
Friday, June 18, 2004
Speciale Operaties
Wat zijn speciale operaties?
Nederland zendt speciale eenheden uit op gevoelige en gevaarlijke missies. Volgens de Minister van Defensie gaat het hierbij niet om een "license to kill" zoals soms wel gesuggereerd wordt.
Informatie rond speciale operaties is over het algemeen geheim. De minister van Defensie, die hiervoor verantwoordelijk is, wil de veiligheid van de mensen die dergelijke missies uitvoeren, niet in gevaar brengen.
Men is bang dat als bekend wordt wie welke actie uitvoerde in bijvoorbeeld voormalig Joegoslavië, er vergeldingsacties kunnen volgen.
De regering wil uitdrukkelijk niet het bestaan van speciale eenheden en hun acties ontkennen. Regelmatig wordt de kamer immers in vertrouwen op de hoogte gesteld van acties van speciale eenheden.
Bij speciale operaties moet, volgens de regering in een brief uit augustus 2000, gedacht worden aan: bijzondere inlichtingen verzameling, bijzondere aanhoudingen, aanvallen op geselecteerde doelen, militaire steunverlening aan bondgenoten, evacuatie van landgenoten uit levensbedreigende situaties en internationale terreurbestrijding.
Kerngroep
In de brief van augustus 2000 maakte het toenmalige kabinet bekend hoe de besluitvorming bij speciale operaties verloopt. Bij het constituerend beraad van ieder kabinet wordt er een zogenaamde kerngroep gevormd, waarin over acties van speciale eenheden wordt besloten. Deze kerngroep bestaat uit de minister-president, de minister van Defensie en de minister van Buitenlandse Zaken, aangevuld met functionele ministers. In ieder geval zijn alle coalitiegenoten in de kerngroep vertegenwoordigd.
In deze kabinetsperiode (Balkenende II) zijn ook de twee vice- premiers lid van de kerngroep.
Verantwoording
De regering informeert het parlement zo spoedig als mogelijk over geheime acties. Dit kan vooraf zijn, maar ook achteraf is mogelijk. Dat hangt af van de aard van de operatie. Daarbij gaat de regering ervan uit dat er van de kant van het parlement "een mate van vertrouwelijkheid wordt gegarandeerd" die vergelijkbaar is met de zogenaamde inlichtingen commissie "stiekem".
Voor 2000 ging de verantwoording van de regering aan de kamer op "ad hoc" basis, zoals toenmalig minister van Defensie Frank de Grave het noemde tijdens de hoorzitting van de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen (TCBU). Hij nam het initiatief in het toenmalige kabinet om een "vaste procedure" af te spreken.
TCBU Voorzitter Bert Bakker(D66) zei op vragen van collegae kamerleden in september 2000 dat: "De commissie kan zich nu geen situaties indenken waarbij ook achteraf het parlement niet hoeft te worden ingelicht over speciale operaties." Gevraagd om een reactie stelt hij dat post 9/11 hij zich kan voorstellen dat een actie om Osama Bin Laden aan te houden toch geheim blijft.
Minister Kamp van Defensie meldt in het debat van 16 juni 2004 dat "alle operaties waarbij speciale eenheden zijn ingezet op de een of andere wijze kenbaar is gemaakt aan de Kamer. Daar is geen uitzondering op en daar zal ook geen uitzondering op komen."
Willekeurig procedure
Naar aanleiding van de affaire rondom marinier Erik O., eiste GroenLinks kamerlid Karimi op 17 juni 2004 regulier overleg over speciale operaties. Volgens Karimi is er tot nu toe "vrij willekeurig te werk gegaan. Daarom moeten er criteria worden vastgesteld en moeten er afspaken worden gemaakt over de vraag wanneer er op basis van welke afwegingen welk orgaan wordt geïnformeerd."
In de regel stelt de minister van Defensie de Kamervoorzitter op de hoogte. Dit zou ook anders kunnen.
"Als de Kamer van menig is dat dit op een andere manier moet gebeuren, dan worden wij daarvan op de hoogte gesteld. Dat is echter nooit gebeurd."
De heer Bakker van D66 ziet geen aanleiding om eindeloos te gaan "studeren" op criteria. Volgens hem: "Als een en ander in het openbaar kan, moet het in het openbaar gebeuren. Als het in verband met de veiligheid en de vertrouwelijkheid, nationaal en internationaal, niet kan, dan kan het niet en zoekt de minister een andere weg. Dat vind ik heel heldere criteria."
Zie ook AP Report GroenLinks eist regulier overleg over Speciale Operaties
Labels: Buitenlands beleid, Defensie
Tuesday, June 15, 2004
Het Toetsingskader
Het 'toetsingskader' regelt de verhouding tussen de kamer en de regering bij het zenden van Nederlandse militairen bij "internationale crisisbeheersingsoperaties". Het beschrijft ook een aantal kriteria waaraan zo'n missie moet voldoen.
Sinds het einde van de koude oorlog wordt aan de Nederlandse regering regelmatig de vraag gesteld troepen te leveren voor vredesmissies. De Nederlandse regering is hier vaak toe bereid.
Tot 1995 werd de Tweede Kamer in de wandelgangen geconsulteerd over de plannen van de regering. Bij internationale crises zaols in Bosnië drongen vele kamerleden aan op deelname van Nederlandse troepen bij de bescherming van weerloze burgers.
In het boek 'Manoevreren' verzucht de toenmalig minister van Defensie Relus Ter Beek bijvoorbeeld dat hij na Srebrenica vaak aan een overleg op 6 mei 1993 moest terugdenken. In dat overleg kwamen de kamerleden met de ene na de andere suggestie.
"Er moesten en zouden méér militairen naar het oorlogsgebied", aldus Ter Beek.
Na de chaotische besluitvorming rond de troepenzending naar Srebrenica wilden kamer en regering een gestroomlijnde besluitvorming en kwam het "toetsingskader" tot stand. In juni 1995 kwam de eerste notitie van het kabinet, een maand voor het drama in Srebrenica.
De Besluitvorming
Uitgangspunt bij de besluitvorming is sindsdien dat de regering allereerst een besluit neemt over uitzending van militairen. Daarna informeert zij vervolgens het parlement per brief over dat besluit. Als de kamer daar behoefte aan heeft kan over de brief overleg gevoerd worden. In de brief moet de regering uitvoerig ingaan op alle politieke- en juridische aspecten van de operatie, wat voor soort militairen de regering denkt in te zetten en hoeveel het gaat kosten. Dit geldt eveneens als de operatie van karakter verandert of als er van verlenging sprake is.
Wanneer geldt Het Toetsingskader?
Het toetsingskader heeft betrekking op de uitzending van militaire eenheden die het risico lopen wapengeweld toe te moeten passen en die niet verplicht ingezet hoeven te worden in het kader van bijvoorbeeld de West Europese Unie (Weu) of de Navo.
Ook het inzetten van troepen binnen Nederland of het Koninkrijk valt niet binnen het toetsingskader. Het gaat hierbij om "Out of Area" operaties, operaties buiten Europa en operaties die door Nederland vrijwillig binnen een bondgenootschappelijk verband ondernomen worden.
De Aandachtspunten
Het toetsingskader geeft dat Nederland uitsluitend militair op mag treden bij handhaving van de "internationale rechtsorde".
Dit betekent dat kan worden ingegrepen bij het voorkomen en beeindigen van ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten en bij humanitaire hulpverlening bij een gewapend conflict.
Politieke analyse
Het Toetsingskader eist ook een grondige politieke analyse op grond waarvan de internationale gemeenschap met wat voor middelen een vredesregeling of inperking van het conflict bereikt kan worden.
Het gaat dan om de politieke context van het conflict, de politieke en militaire opstelling van de partijen in het conflict, de inzet en motieven van partijen, het karakter en de risico's, de stand van onderhandelingen en de internationale bemoeienis, de naleving of juist niet van bestanden, de toekomstverwachting, de rol van de militaire operatie in het politieke proces en de humanitaire en economische omstandigheden.
Daarbij moet gedacht worden aan vluchtelingen problematiek, wederopbouw van de economie, het bewerkstelligen van rechtsorde en verkiezingen en het ontwapenen van milities.
Mandaat
De inzet van Nederlandse militairen moet in overeenstemming zijn met het internationale recht. Dit is het geval als een land Nederland vraagt om te hulp te schieten. Is dit niet het geval, dan moet er een mandaat zijn van "meestal" de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Internationaal Samenwerken
Het streven is een evenwicht te vinden tussen militaire doeltreffendheid en de wenselijkheid dat zoveel mogelijk landen bij de crisisbeheersing betrokken worden. Dit vooral als uitdrukking van een optreden van de internationale gemeenschap als geheel en niet van een afzonderlijke staat.
Militaire haalbaarheid
Of er van deelname van Nederland sprake zal zijn hangt in hoge mate of van de inhoud van het mandaat, dat immers de militaire doelstelling behelst. Het is een samenstel van elementen die bepalen wat voor soort operatie- en militairen nodig zijn. Van belang hierbij zijn; de militaire opstelling van de partijen, de mate van uitrusting van de Nederlandse inzet, de manier van optreden (concept of operations), de geweldsinstructie (rules of engagement) en de bevelstructuur.
Risico's
De risico's die verbonden zijn aan de operatie moeten ingeschat worden. Het gaat dan om militaire operationele risico's, klimatologische en medische risico's en de onvoorziene omstandigheden die zich voor kunnen doen.
Geschikte en beschikbare eenheden
Tenslotte moet Nederland nog geschikte en beschikbare eenheden voor de bepaalde missie in huis hebben en daarvoor voldoende middelen vrij kunnen maken.
Bronnen
+ Toetsingskader 1995 Kamerstuk 23 591 nr.7
+ Toetsingskader 2001 Kamerstuk 23 591 nr.5
+ Zoek Kamerstukken bij Parlando
Labels: Buitenlands beleid, Defensie
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
