Sunday, February 01, 2009
 
Allochtonen op achterstand

an onderwijsbeleid het verschil maken?

In het politieke discours wordt bij grote jeugdproblemen vrij snel gewezen naar het onderwijs. Daar zou de nieuwe mens opgevoed moeten worden. Deze manier van probleem oplossen zadelt het onderwijs met veel maatschappelijke problemen op, die lang niet allemaal door het onderwijs opgevangen kunnen worden. Het onderwijsveld hoeft dit niet primair zichzelf aan te rekenen. De maatschappij is immers groter dan de school.

Dit is anders bij onderwijsachterstanden van grote groepen leerlingen, zoals bij een aantal allochtone groepen het geval is. Het onderwijs moet zich dat juist wel aantrekken. Omdat het een onderwijstaak is alle leerlingen een gelijke kans te geven op een goede opleiding te volgen.

De socioloog Jaap Dronkers1 heeft zijn gedachten rond de vraag waar ongelijkheid in het onderwijs nu vandaan komt opgetekend in een recent rapport van de Wiarda Beckman Stichting, het wetenschappelijke bureau van de PvdA. In “Ruggengraat van ongelijkheid” analyseert Dronkers het onderwijssysteem op heldere wijze en komt met een beperkt aantal voorstellen om de ongelijkheid die het resultaat is van het onderwijssysteem tegen te gaan.

In de eerste plaats constateert Dronkers dat de centrale rol van ongelijkheid in het onderwijs is toegenomen, ondanks de toename van sociale stijging door middel van onderwijs. Het belang van prestaties is toegenomen en die van afkomst is verminderd. Tegelijkertijd constateert hij dat onderwijs het laatste bastion van ongelijkheid is juist door de toename van het belang van hoogwaardige wetenschappelijke kennis en de afhankelijkheid van hoogwaardige technische systemen. Voor de hogere strata in de samenleving is het verwerven van een gunstige uitgangspositie via het onderwijs een van de laatste mogelijkheden door het aanwenden van financieel en cultureel kapitaal. Zij zijn hiertoe beter in staat dan de lagere strata.

Oorzaken van ongelijkheid

Volgens Dronkers zijn de statistisch geconstateerde achterstanden in het onderwijs van een aantal allochtone groeperingen uit een aantal algemene en een aantal specifieke oorzaken te verklaren. Als belangrijkste oorzaak van algemene oorzaak van ongelijkheid in het onderwijs noemt hij de individuele (on)bekwaamheden van de leerling. Deze manifesteren zich al in het eerste jaar na de geboorte en worden primair door de ouders beïnvloed. Een stimulerende opvoedingsomgeving in de eerste jaren is gunstig voor de latere schoolloopbaan. In achterstandsgezinnen lopen kinderen in de eerste fase van hun leven zo al letterlijk een achterstand op.

Het ouderlijk milieu is dan ook het tweede belangrijkste element in het bestendigen van ongelijkheid. Naast de opvoedingsverschillen noemt hij nog nadrukkelijk de invloed van ouders bij de keuzes die gemaakt worden bij de overgangen in de schoolloopbaan. Bij de lagere strata is deze invloed groot op leerlingen bij het maken van keuzes bij de voortgang na het basisonderwijs en binnen het voortgezetonderwijs. Veelal pakt dit slecht uit voor de leerling omdat deze ouders de potentie van hun kinderen niet in kunnen schatten.

Een derde element is de segregatie tussen scholen en buurten. Deze bestendigt en vergroot ongelijkheid. Bovendien is er een zeer ingewikkelde en wederzijdse relatie tussen segregatie van scholen en buurten. Dronkers noemt een groot aantal van deze oorzaken.
Waar het voor het onderwijs op aankomt is dat het bestaan van “witte” en “zwarte” gesegregeerde scholen, op vele wijzen van nadelige invloed zijn op de schoolprestaties van allochtone minderheden.

Deze segregatie heeft voor zwarte scholen het gevolg dat (1) het curriculum niveau daalt, (2) de beoordeling van de eigen prestaties van de leerlingen lager is, (3) de reële onderwijs- en leertijd lager is, (4) er minder financiële, culturele en sociale hulpbronnen aanwezig zijn, (5) de kwaliteit van de leerkrachten gemiddeld lager is.

Van groot belang zijn, ten vierde, de onderwijscondities op scholen. Dronkers constateert dat een goed schoolklimaat ook ongelijk verdeeld is en dat deze nauw samenhangt met de samenstelling van de leerlingenpopulatie. Bovendien is er een sterke wisselwerking met het moreel van het docententeam. Een goede spirit is cruciaal bij de verbetering en in stand houding van een prettig en veilig schoolklimaat.

Tenslotte de doorstromingsproblematiek. Dronkers constateert dat de doorstroming sinds Jo Ritzen is stopgezet. Dit is voor trager startende leerlingen zeer nadelig en raakt allochtone minderheden extra.

Op grond van deze analyse komt Dronkers met het advies om in de eerste plaats geen grote system veranderingen door te voeren. Wel stelt hij een aantal kleinere maatregelen voor die op deelterreinen succes kunnen boeken.

In volgorde van belangrijkheid geeft hij aan dat de overheid beleid zou moeten voeren op de volgende terreinen:

Conclusie

Na de onderwijs debatten in het kader van de parlementaire enquête commissie Dijsselbloem is dit korte traktaat van Dronkers een krachtige verheldering. Er lijkt een consensus te ontstaan dat het onderwijs geen behoefte heeft aan opnieuw een uitvoerige en uitputtende vernieuwingsronde.

Dat wil uiteraard niet zeggen dat er niets hoeft te gebeuren. De enorme problematiek van de achterstanden van met name allochtone groeperingen vragen ingrijpen van het onderwijsveld en van de overheid.
Het voorstel van Dronkers om een hele reeks kleinere maatregelen te treffen die als het ware functioneel, pragmatisch en precies op een deeldoel gericht zijn werpt een frisse kijk op de hele problematiek en geeft ook het gevoel dat de veelheid van problemen hanteerbaar zijn, zonder dat er een verstikkende grand- design en ideologische deken over heen gegooid wordt.

Met de voorstellen rond de segregatie van scholen en buurten verbreedt Dronkers het onderwijs beleid naar een algemeen beleid rondom integratie. Het onderwijs wortelt in de samenleving en krijgt met de segregatie in buurten daar een tik van mee. Deze problematiek is daarmee niet vanuit Den Haag alleen op te lossen. Met name de grote steden zullen met hun hele stadsvernieuwing hier een grote rol in spelen. Het succes van allochtone groepen in het onderwijs is nauw verbonden met de mate van een succesvol integratiebeleid. Deze twee gaan in dit opzicht hand in hand.

Toch heeft het traktaat een schijnbaar sociaal- democratische invalshoek, door met name de bestaande ongelijkheid in het onderwijs opnieuw als uitgangspunt te nemen. Hij beargumenteert overtuigend dat de greep van de sociaal- democraten op het openbaar onderwijs zo groot is dat deze sociaal- democratische bestuurderen in het openbaar onderwijsveld, een deel van het probleem zijn en niet van de oplossing. Vandaar dat hij de nadruk legt op het open gooien van het schoolbestuur voor docenten en ouders.

Bovendien signaleert hij dat het met name de sociaal- democraten zijn geweest die nieuwe onderwijsvormen als montessori en het nieuwe leren hebben omarmd en dat juist deze vormen van onderwijs gunstig zijn voor leerlingen met van huis uit veel cultureel kapitaal en juist ongunstig voor leerlingen uit achterstandsgroepen. Daarmee de ongelijkheid juist vergrotend. Dronkers herijkt zo de sociaal- democratische onderwijspolitiek naar oude uitgangspunten, waarbij hij het streven naar een gelijke uitgangspositie nadrukkelijk voorop stelt, nu alleen niet door een ideologische bril, maar met nadruk vanuit een wetenschappelijk pedagogische invalshoek.

De uitgangspunten en maatregelen die hij voorstelt zijn op het eerste oog overtuigend. Enige twijfel blijft bestaan of in het plaatje van Dronkers individuele hoogvliegers wel de aandacht krijgen die ook zij verdienen. Als hij meent dat die zich wel redden omdat zij veelal uit de hogere strata komen, dan bestaat de mogelijkheid dat deze hogere strata het heft in eigen hand nemen voor hun kroost en privé gefinancierd onderwijs in de toekomst een normaal verschijnsel zal zijn. Een fenomeen die hij juist met de nadruk op gelijkwaardige financiering tegen wil gaan.

Daan Diederiks

Labels: , ,


Thursday, October 28, 2004
 
Nederlands buitenlandsbeleid: Vredesmissies

Voor de val van de Berlinse muur in 1989 stonden gewapende conflicten in de wereld in het teken van de Koude Oorlog tussen het westelijke kapitalistische blok onder leiding van de Verenigde Staten en het oostelijke communistische blok aangevoerd door de Sovjet Unie.

Voor de Verenigde Staten was bijvoorbeeld de strijd tussen Noord- en Zuid Vietnam in de jaren zestig een voortzetting van het Sovjet- Russische uitbreidingsstreven. Zou Zuid- Vietnam in handen van de communistische Noord- Vietnamezen vallen, dan zou mogelijk heel Azië in communistische handen komen. Dit staat beter bekend als de domino theorie. Zuid- Vietnam zou de eerste domino steen zijn, vandaar dat opeen volgende Amerikaanse regeringen in de zestiger en zeventiger jaren Zuid- Vietnam met hand en tand verdedigden.

Na de val van de muur veranderde het karakter en de ideologische context van geweldadige conflicten. Ideologie werd veelal vervangen door nationalisme of etnicisme.
Na de val van de Berlijnse muur in 1989 verdween de tegenstelling tussen twee grote rivaliserende blokken. De Verenigde Naties konden nu een prominente rol gaan vervullen bij vredeshandhaving. Althans, dat hoopte men.

Klassieke vredesoperaties

Tijdens de Koude Oorlog voerde men de zogenoemde "klassieke" vredesoperaties uit. Bij deze vredesoperaties stonden onpartijdige VN soldaten, de "blauw helmen", tussen de partijen in. Zij hielden toezicht op de naleving van vredesakkoorden en wapenstilstanden.

Op Cyprus bijvoorbeeld, hielden blauwhelmen het Turkse deel en het Grieks cypriotische deel gescheiden. En in Zuid- Libanon verdroegen Nederlandse Unifil troepen lange tijd de raketgranaten die over hen heen werden afgevuurd door de Hezbollah naar dorpen in Noord- Israël.
Een van de meest succesvolle "klassieke" vredesoperaties, waar ook Nederland een belangrijke rol in speelde, was het toezicht houden op de bestandsgrenzen in het conflict tussen Ethiopië en Eritrea.

Failed States

In de loop van de jaren negentig werd steeds meer duidelijk dat "failed states" veel ellende veroorzaken. Falende staten zijn staten met weinig tot geen effectief staatsgezag. De regering van dergelijke staten is veelal in handen van bandieten, die meer aan zichzelf dan aan de bevolking denken. Het gebrek aan gezag leidt tot armoede, criminaliteit, extremistische bewegingen en kunnen, zoals in Afghanistan, de uitvalbasis worden van terroristische groeperingen.

De Internationale gemeenschap kan dergelijke wetteloze staten niet voort laten bestaan. Er ontstond daarom de noodzaak om in deze staten aan "nation building" te doen. De voornaamste taak daarbij is het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Voorbeelden hiervan zijn Combodja en Oost- Timor.

Rampjaar

Het rampjaar 1994/95 markeert een ommekeer in de wijze waarop de Internationale gemeenschap naar gewapende conflicten kijkt.

Voor ieders ogen werden in Rwanda naar schatting een miljoen Tutsie's en gematigde Hutu's afgeslacht. In Bosnië- Herzegovina stierven zo'n zevenduizend burgers van Srebrenica na de inval van het Bosnisch-servische leger onder leiding van generaal Mladic.

Het louter toekijken van zomersgeklede blauwhelmen met lichte bewapening voldeed niet meer, zoals vooral de Nederlandse militairen in Srebrenica tot hun schande ervoeren.

Na deze calamiteiten volgde een intensief zelfonderzoek bij o.a. de Verenigde Naties en ook in Nederland. VN Secretaris- Generaal Koffi Anan kwam al vrij vlot met het "Srebrenica Report". Ook de Nederlandse politiek herzag de manier waarop en de motieven waarom men aan vredesmissies wilde deelnemen.

Toetsingskader

Er kwam een "toetsingskader" aan de hand waarvan de regering en de kamer besluiten over deelname aan vredesmissies en de wijze waarop de kamer in het vervolg wordt ingelicht. De Tijdelijke Commissie Buitenlandse Uitzendingen (TCBU) evalueerde in 2000 het 'Toetsingskader'. De voornaamste aanbeveling van deze commissie onder leiding van D66'er Bert Bakker waren dat de kamer bij iedere wijziging in de operatie geinformeerd diende te worden. bovendien moest er een helder moment van besluitvorming bij uitzendingen zijn. Deelname moet volgens deze commissie niet stapsgewijs tot stand komen. De kamer heeft dan geen overzicht. De regering heeft de aanbevelingen van de TCBU grotendeels overgenomen. Uitzendingen dienen nu in Haags jargon ook wel "Bakker-proof" te zijn.

Burgeroorlogen

De regering constateert in de "Vredesmissie" notitie van dit voorjaar dat de meeste conflicten van dit moment burgeroorlogen zijn.

Burgeroorlogen zijn altijd zeer ingewikkeld. Het is vrijwel nooit een oorlog waarin twee legers tegenover elkaar staan, zoals bij Ethiopië en Eritrea het geval was. De strijdende partijen zijn veelal machtige (semi)privé- milities die het de machthebbers heel moeilijk maken door guerilla achtige operaties.

Criminaliteit in vele gedaanten tiert in zo'n omgeving welig. De milities zijn vooral betrokken bij wapen- en drugs handel en de smokkel van kostbare natuurlijke grondstoffen als olie en diamanten.

De afwezigheid van effectieve staatsinstellingen leidt veelal tot humanitaire catastrofe's als grote aantallen vluchtelingen, met als meest recente voorbeeld de Soedanese provincie Darfur, waar naar schatting een miljoen mensen dreigen om te komen.

Regionale verspreiding

Burgeroorlogen blijven vrijwel nooit tot een bepaald land beperkt. Het conflict verspreidt zich meestal over de hele regio.

Wapens worden aangevoerd, vluchtelingen worden afgevoerd en de smokkelroutes lopen daar weer doorheen. Buurlanden worden tegen wil en dank bij de burgeroorlog betrokken. En zo dreigt een binnenlands geweldadig conflict de politiek- economische stabiliteit in een hele regio te verruineren.

Om dit laatste te voorkomen wordt de noodzaak om van buiten in te grijpen alleen maar groter. Tegelijkertijd wordt het ook moeilijker voor de internationale gemeenschap om daadwerkelijk effectief de situatie te verbeteren.

Verschuiven beleid

Het paarse kabinet heeft bij monde van toenmalig ministers van Buitenlandse Zaken van Aartsen en Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking enkele notities gepresenteerd die deze problemen in een samenhangende beleidsvoorstellen gieten. Vlot achter elkaar verschenen er een notitie conflictpreventie (22 oktober 2001), mensenrechten (30 oktober 2001) en een notitie humanitaire interventie (30 oktober 2001).

Geïntegreerd buitenlands- en veiligheidsbeleid

Het kabinet Balkenende II verlegt het accent van het buitenlandsbeleid verder in de richting naar een geïntegreerd veiligheidsbeleid. Volgens de definitie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), het belangrijkste adviesorgaan op het terrein van buitenlands beleid, is geïntegreerd veiligheidsbeleid:"veiligheidsbeleid dat de nauwe relatie onderkent tussen de verschillende fasen in een conflict (preconflict, conflict, postconflict) en de verschillende actoren die in dezen 'fasen' betrokken zijn bij het zoeken naar een vreedzame oplossing, met inzet van zowel militaire als civiele middelen."

Belangrijk blijft de militaire inzet vooral in de conflict- en postconflict fasen. De instabiliteit veroorzakende milities of andere groeperingen moeten wellicht met geweld geneutraliseerd of verslagen worden.

Meestal gaat dit gepaard met grote misere voor de burgerbevolking. Burgers worden slachtoffer van geweld, verkrachting, armoede en verlies van zeggenschap in het bestuur. Daarom moet militaire daadkracht samengaan met de opbouw van de economie, de veiligheid op straat door het trainen van politieagenten en het opbouwen van een democratische staatsstructuur.

Om dit laatste te bewerkstelligen heeft het kabinet een "Stabilisatiefonds" ingesteld. Dit fonds heeft tot doel om snel en flexibel financiele ondersteuning te verlenen op het "snijvlak van vrede, veiligheid en ontwikkeling", aldus de minister in de notitie.

Internationale samenwerking

Nederland neemt steeds in internationaal verband deel aan vredesmissies. Alleen zo kunnen bij ingewikkelde crisisbeheersingsoperaties voldoende voortzettingsvermogen gewaarborgd blijven.
"Voortzettingsvermogen" is het vermogen om in een conflict- en een postconflict langdurig troepen ter plekke op de been te houden.

Het voortzettingsvermogen is het best gewaarborgd bij internationale samenwerkingsverbanden zoals de Navo en in toenemende mate de EU.

Vooral als de crisis situatie geweldadig is, blijkt de VN niet in staat een leidende rol te spelen. De VN veiligheidsraad moet dan volgens de regering een mandaat verstrekken en de uitvoering aan anderen overlaten.

In september 2003 sloot de EU zelfs een akkoord met de VN om de samenwerking een permanente basis te geven. De VN werkt al samen met de EU in Bosíë- Herzegovina en de Democratische Republiek Kongo.

Nederland neemt het liefst deel aan operaties die een Veiligheids Raad mandaat hebben en die door de Navo of de EU uitgevoerd worden. Vooral omdat de regering binnen deze organisaties zelf maximale invloed kan uitoefenen.
Ondanks de verbeteringen na het Brahimi rapport, heeft Nederland bij VN operaties weinig zeggenschap. Volgens de regering moeten landen die troepen en geld leveren meer zeggenschap krijgen.

De ontwikkeling naar meer multinationale eenheden zoals de Nato Response Force (NRF) doet de vraag rijzen naar de nationale zeggenschap van regering en parlement. De regering heeft hierover advies gevraagt van de AIV.

Motieven voor Nederlandse deelname

Het belangrijkste motief voor Nederland om met vredesoperaties mee te doen is de "handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde." Dit motief staat zelfs expliciet in de Grondwet. Iedere Nederlandse regering is grondwettelijk verplicht dit motief steeds in het oog te houden.

Instabiliteit in bepaalde regio's kan een motief vormen. Instabiliteit kan Nederlandse belangen schaden. Militair optreden kan dan volgens de regering gewenst zijn.
Aanwijzingen voor instabiliteit zijn bijvoorbeeld onbeheersbare migratie stromen en omvangrijke handel in wapens en drugs.
Volgens de regering is het besef doorgedrongen dat stabilitiet een essentiële voorwaarde is voor politieke, economische en sociale ontwikkeling.

Hieruit is te verklaren waarom de Nederlandse regering een voorkeur heeft voor operaties waar zij actief aan ontwikkelingssamenwerking doet. Het doel is dan om te voorkomen dat er "failed states" ontstaan. die zijn immers een bron voor instabilitiet en trekken terrorisme aan.

Omdat Nederlandse belangen zeer nauw verbonden zijn met een aantal internationale organisaties gaat de voorkeur van de regering in de notitie ervan uit om het in die organistaties uitgestippelde beleid te helpen uitvoeren. Het gaat hierbij dan om de Navo en de EU.

Nederlands ambitieniveau

In crisisbeheersingsoperaties wil de regering dat de krijgsmacht in staat moet zijn tot een "kwalitatief en technologisch hoogwaardige militaire bijdrage".

Dit betekent dat Nederland in Navo en EU verband in het "gehele geweldsspectrum" mee moet kunnen doen.
Per jaar één operatie in het hogere geweldsspectrum en drie opereaties in het lagere geweldsspectrum.

Daan Diederiks

Bronnen

+ Toetsingskader 1995 Kamerstuk 29 521 nr.1
+ Zoek Kamerstukken bij Parlando

Labels: ,


Friday, June 18, 2004
 
Speciale Operaties

Wat zijn speciale operaties?

Nederland zendt speciale eenheden uit op gevoelige en gevaarlijke missies. Volgens de Minister van Defensie gaat het hierbij niet om een "license to kill" zoals soms wel gesuggereerd wordt.

Informatie rond speciale operaties is over het algemeen geheim. De minister van Defensie, die hiervoor verantwoordelijk is, wil de veiligheid van de mensen die dergelijke missies uitvoeren, niet in gevaar brengen.
Men is bang dat als bekend wordt wie welke actie uitvoerde in bijvoorbeeld voormalig Joegoslavië, er vergeldingsacties kunnen volgen.

De regering wil uitdrukkelijk niet het bestaan van speciale eenheden en hun acties ontkennen. Regelmatig wordt de kamer immers in vertrouwen op de hoogte gesteld van acties van speciale eenheden.

Bij speciale operaties moet, volgens de regering in een brief uit augustus 2000, gedacht worden aan: bijzondere inlichtingen verzameling, bijzondere aanhoudingen, aanvallen op geselecteerde doelen, militaire steunverlening aan bondgenoten, evacuatie van landgenoten uit levensbedreigende situaties en internationale terreurbestrijding.

Kerngroep

In de brief van augustus 2000 maakte het toenmalige kabinet bekend hoe de besluitvorming bij speciale operaties verloopt. Bij het constituerend beraad van ieder kabinet wordt er een zogenaamde kerngroep gevormd, waarin over acties van speciale eenheden wordt besloten. Deze kerngroep bestaat uit de minister-president, de minister van Defensie en de minister van Buitenlandse Zaken, aangevuld met functionele ministers. In ieder geval zijn alle coalitiegenoten in de kerngroep vertegenwoordigd.

In deze kabinetsperiode (Balkenende II) zijn ook de twee vice- premiers lid van de kerngroep.

Verantwoording

De regering informeert het parlement zo spoedig als mogelijk over geheime acties. Dit kan vooraf zijn, maar ook achteraf is mogelijk. Dat hangt af van de aard van de operatie. Daarbij gaat de regering ervan uit dat er van de kant van het parlement "een mate van vertrouwelijkheid wordt gegarandeerd" die vergelijkbaar is met de zogenaamde inlichtingen commissie "stiekem".

Voor 2000 ging de verantwoording van de regering aan de kamer op "ad hoc" basis, zoals toenmalig minister van Defensie Frank de Grave het noemde tijdens de hoorzitting van de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen (TCBU). Hij nam het initiatief in het toenmalige kabinet om een "vaste procedure" af te spreken.

TCBU Voorzitter Bert Bakker(D66) zei op vragen van collegae kamerleden in september 2000 dat: "De commissie kan zich nu geen situaties indenken waarbij ook achteraf het parlement niet hoeft te worden ingelicht over speciale operaties." Gevraagd om een reactie stelt hij dat post 9/11 hij zich kan voorstellen dat een actie om Osama Bin Laden aan te houden toch geheim blijft.

Minister Kamp van Defensie meldt in het debat van 16 juni 2004 dat "alle operaties waarbij speciale eenheden zijn ingezet op de een of andere wijze kenbaar is gemaakt aan de Kamer. Daar is geen uitzondering op en daar zal ook geen uitzondering op komen."

Willekeurig procedure

Naar aanleiding van de affaire rondom marinier Erik O., eiste GroenLinks kamerlid Karimi op 17 juni 2004 regulier overleg over speciale operaties. Volgens Karimi is er tot nu toe "vrij willekeurig te werk gegaan. Daarom moeten er criteria worden vastgesteld en moeten er afspaken worden gemaakt over de vraag wanneer er op basis van welke afwegingen welk orgaan wordt geïnformeerd."

In de regel stelt de minister van Defensie de Kamervoorzitter op de hoogte. Dit zou ook anders kunnen.
"Als de Kamer van menig is dat dit op een andere manier moet gebeuren, dan worden wij daarvan op de hoogte gesteld. Dat is echter nooit gebeurd."

De heer Bakker van D66 ziet geen aanleiding om eindeloos te gaan "studeren" op criteria. Volgens hem: "Als een en ander in het openbaar kan, moet het in het openbaar gebeuren. Als het in verband met de veiligheid en de vertrouwelijkheid, nationaal en internationaal, niet kan, dan kan het niet en zoekt de minister een andere weg. Dat vind ik heel heldere criteria."

Zie ook AP Report GroenLinks eist regulier overleg over Speciale Operaties

Labels: ,


Tuesday, June 15, 2004
 
Het Toetsingskader

Het 'toetsingskader' regelt de verhouding tussen de kamer en de regering bij het zenden van Nederlandse militairen bij "internationale crisisbeheersingsoperaties". Het beschrijft ook een aantal kriteria waaraan zo'n missie moet voldoen.

Sinds het einde van de koude oorlog wordt aan de Nederlandse regering regelmatig de vraag gesteld troepen te leveren voor vredesmissies. De Nederlandse regering is hier vaak toe bereid.

Tot 1995 werd de Tweede Kamer in de wandelgangen geconsulteerd over de plannen van de regering. Bij internationale crises zaols in Bosnië drongen vele kamerleden aan op deelname van Nederlandse troepen bij de bescherming van weerloze burgers.

In het boek 'Manoevreren' verzucht de toenmalig minister van Defensie Relus Ter Beek bijvoorbeeld dat hij na Srebrenica vaak aan een overleg op 6 mei 1993 moest terugdenken. In dat overleg kwamen de kamerleden met de ene na de andere suggestie.
"Er moesten en zouden méér militairen naar het oorlogsgebied", aldus Ter Beek.

Na de chaotische besluitvorming rond de troepenzending naar Srebrenica wilden kamer en regering een gestroomlijnde besluitvorming en kwam het "toetsingskader" tot stand. In juni 1995 kwam de eerste notitie van het kabinet, een maand voor het drama in Srebrenica.

De Besluitvorming

Uitgangspunt bij de besluitvorming is sindsdien dat de regering allereerst een besluit neemt over uitzending van militairen. Daarna informeert zij vervolgens het parlement per brief over dat besluit. Als de kamer daar behoefte aan heeft kan over de brief overleg gevoerd worden. In de brief moet de regering uitvoerig ingaan op alle politieke- en juridische aspecten van de operatie, wat voor soort militairen de regering denkt in te zetten en hoeveel het gaat kosten. Dit geldt eveneens als de operatie van karakter verandert of als er van verlenging sprake is.

Wanneer geldt Het Toetsingskader?

Het toetsingskader heeft betrekking op de uitzending van militaire eenheden die het risico lopen wapengeweld toe te moeten passen en die niet verplicht ingezet hoeven te worden in het kader van bijvoorbeeld de West Europese Unie (Weu) of de Navo.

Ook het inzetten van troepen binnen Nederland of het Koninkrijk valt niet binnen het toetsingskader. Het gaat hierbij om "Out of Area" operaties, operaties buiten Europa en operaties die door Nederland vrijwillig binnen een bondgenootschappelijk verband ondernomen worden.

De Aandachtspunten

Het toetsingskader geeft dat Nederland uitsluitend militair op mag treden bij handhaving van de "internationale rechtsorde".

Dit betekent dat kan worden ingegrepen bij het voorkomen en beeindigen van ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten en bij humanitaire hulpverlening bij een gewapend conflict.

Politieke analyse

Het Toetsingskader eist ook een grondige politieke analyse op grond waarvan de internationale gemeenschap met wat voor middelen een vredesregeling of inperking van het conflict bereikt kan worden.

Het gaat dan om de politieke context van het conflict, de politieke en militaire opstelling van de partijen in het conflict, de inzet en motieven van partijen, het karakter en de risico's, de stand van onderhandelingen en de internationale bemoeienis, de naleving of juist niet van bestanden, de toekomstverwachting, de rol van de militaire operatie in het politieke proces en de humanitaire en economische omstandigheden.

Daarbij moet gedacht worden aan vluchtelingen problematiek, wederopbouw van de economie, het bewerkstelligen van rechtsorde en verkiezingen en het ontwapenen van milities.

Mandaat

De inzet van Nederlandse militairen moet in overeenstemming zijn met het internationale recht. Dit is het geval als een land Nederland vraagt om te hulp te schieten. Is dit niet het geval, dan moet er een mandaat zijn van "meestal" de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Internationaal Samenwerken

Het streven is een evenwicht te vinden tussen militaire doeltreffendheid en de wenselijkheid dat zoveel mogelijk landen bij de crisisbeheersing betrokken worden. Dit vooral als uitdrukking van een optreden van de internationale gemeenschap als geheel en niet van een afzonderlijke staat.

Militaire haalbaarheid

Of er van deelname van Nederland sprake zal zijn hangt in hoge mate of van de inhoud van het mandaat, dat immers de militaire doelstelling behelst. Het is een samenstel van elementen die bepalen wat voor soort operatie- en militairen nodig zijn. Van belang hierbij zijn; de militaire opstelling van de partijen, de mate van uitrusting van de Nederlandse inzet, de manier van optreden (concept of operations), de geweldsinstructie (rules of engagement) en de bevelstructuur.

Risico's

De risico's die verbonden zijn aan de operatie moeten ingeschat worden. Het gaat dan om militaire operationele risico's, klimatologische en medische risico's en de onvoorziene omstandigheden die zich voor kunnen doen.

Geschikte en beschikbare eenheden

Tenslotte moet Nederland nog geschikte en beschikbare eenheden voor de bepaalde missie in huis hebben en daarvoor voldoende middelen vrij kunnen maken.

Bronnen

+ Toetsingskader 1995 Kamerstuk 23 591 nr.7
+ Toetsingskader 2001 Kamerstuk 23 591 nr.5
+ Zoek Kamerstukken bij Parlando

Labels: ,


Sunday, June 06, 1999
 
Onderwijs in Crisis of Onderwijs Vernieuwing?

Zolang het onderwijs bestaat wordt er nagedacht en gediscussieerd over vernieuwing van het onderwijs. Onderwijs onderwijzen bestaat voor een groot deel uit het openbaren van de onderwijs venieuwingsdiscussies die er in het verleden hebben plaats gevonden, wat het resultaat daarvan is voor de actuele toestand, welke nadelen er aan kleven en hoe er opnieuw veranderd en vernieuwd moet worden, of zou kunnen worden.

Deze debatten vinden nooit geïsoleerd plaats, maar altijd in een sociaal maatschappelijke, religieuze, historische en zelfs economische context. De posities die worden ingenomen zijn veelal sterk afhankelijk van de maatschappelijke positie van de discussiant.

De historisch, maatschappelijke en economische context is de laatste tien jaar drastisch gewijzigd. De koude oorlog is voorbij. De jaren zeventig en tachtig zijn in 'stemming' achter de rug en we zijn net over de drempel gestapt van de informatie maatschappij. Hoe staat de onderwijsvernieuwing er nu voor? Waarom 'zelfstandig leren' en het 'studiehuis'? En heeft die alleen betrekking op leerlingen of ontstaat er ook zoiets als een 'nieuwe leraar' en hoe beïnvloed dit de lerarenopleidingen?

Schoolstrijd

Het grote onderwijs debat vond in Nederland gedurende de tweede helft van de 19de eeuw plaats. De Liberalen en de schaarse socialisten stonden tegenover de verenigde confessionelen.

De protestanten wilden behoud van de orthodoxie, de katholieken wilden emanciperen, de liberalen wilden niet het privé wereldbeeld van gelovigen subsidieren en de socialisten wilden arbeiders bewust maken van hun maatschappelijke positie.

Het compromis dat uiteindelijk aan het begin van de 20ste eeuw gesloten werd opende de weg naar een zeer pluriform onderwijs stelsel, waar betrekkelijk vrij geëxperimenteerd kon worden. De lakmoesproef van het succes voor onderwijs soorten werd het aantal leerlingen dat de schoolsoort aan wist te trekken.

Onder invloed van dit grootse compromis konden de ideeën van een aantal internationale reform pedagogen in Nederland vaste voet aan de grond krijgen. Iedere reform pedagoog surfte mee op een maatschappelijke ontwikkeling. Belangrijke voorbeelden uit het interbellum zijn de spiritueel bewogen Vrije school van Steiner, de sociaal bewogen scholen geënt op Maria Montessori's ideeën, hierop voortbouwend de meer liberale Dalton Scholen van Helen Parkhurst en de socialistisch geïnspireerde Freinet scholen.

Een merkwaardig buitenbeentje zijn de in de jaren zestig opkomende Jena-plan scholen. Het Jena-plan concept was geïnspireerd op de ideeën van Peter Petersen, een zeer conservatieve en ten aanzien van het nazisme naïeve Duitser. Alleen zijn basis idee dat het kind moest ingroeien in de samenleving en dat hierop de school ingericht moest worden bleef overeind.

Wat de reform pedagogen gemeen hebben is dat het kind voorop stond en niet zozeer de eisen van de maatschappij. Kinderen moesten onderwezen worden vanuit hun eigen ervaring en kennisniveau. Emotionele, kunstzinnige en begripsontwikkeling werden heel belangrijk gevonden. Het kind moet uiteindelijk zijn of haar uniciteit bewaren en een autonoom functionerend wezen in het grotere maatschappelijk geheel worden.

De veranderingen in de maatschappij, de cultuur, de economie en de wetenschappelijke pedagogie drongen ook het onderwijs veranderingen op.

Crisis

Onder invloed van de vernieuwingsgolven van de jaren zestig en zeventig waarin zich een sterke hang naar gelijkheid manifesteerde, probeerden de progressieven de middenschool in te voeren en was de gedachte dat grootschaligheid in het onderwijs de emancipatie van de lagere klassen ten goede zou komen. Deze dromen zijn verzopen in een veelkoppig bureaucratisch monster. Op schoolniveau in kil schoolmanagement, op rijks niveau in een onderwijs apparaat dat iedere zelfregulering smoort in een stortvloed van circulaires. Daarbij komen de starre arbeidsverhoudingen, de eeuwige bezuinigingen, het in de loop van de decennia vergrijsde en vastgeroeste lerarenkorps, wat heeft geleid tot een suf, duf en pufloos imago dat jongeren voor het onderwijs alleen maar afstoot en de contouren van een toekomstige totale onderwijscrisis zijn in zicht.

Vernieuwing

De vernieuwing staat echter gelukkig niet stil. Er wordt weer volop nagedacht en gediscussieerd over vernieuwing in het onderwijs. Deze vernieuwing van het voortgezet onderwijs wordt samengevat onder de term 'Studie Huis' en 'Leren Leren'.

Meestal wordt deze vernieuwing gelegitimeerd door te verwijzen naar de modernisering in de samenleving, die volwassenen verlangt die zelfstandig probleemoplossend en een leven lang lerend hun maatschappelijke plichten vervullen en autonoom voor hun rechten op kunnen komen. Naast het verkrijgen van cognitieve kennis wordt het vooral belangrijk dat de leerling leert zich zelfstandig kennis eigen te maken en die verworven kennis zelf op kwaliteit kan beoordelen. Zo wordt vanuit de maatschappelijke omstandigheden geargumenteerd om een geheel nieuw didactisch concept te lanceren. Een concept dat een totaal andere houding van de leerling, de leraar en de school verlangt en dat dan ook voor veel traditioneel klassikale scholen als revolutionair te noemen is. Voor de scholen die zich baseren op met name de reform pedagogen Montessori en Parkhurst is de verandering minder groot. Het zelfstandig en taak gericht werken van de leerling zit bij hen in de gehele pedagogie ingebakken.

Montessori en later Parkhurst kwamen vanuit de onderwijspraktijk tot hun bevindingen. Het waren vrouwen uit de praktijk die met liefde, idealisme en praktisch inzicht zich afzetten tegen de autoritair klassikale onderwijsmethoden en vanuit het kind gingen denken.

Leerpsychologie

Volgens Tjipke van der Veen en Jos van der Wal in het boek 'Van leertheorie naar Onderwijspraktijk'1 is het Studiehuis en het Leren leren "uiteindelijk ingegeven door pedagogische motieven." Het zijn voor hen niet zozeer de maatschappelijke argumenten die de doorslag zouden moeten geven voor de invoering van het studiehuis, maar er zijn uiterst betrouwbare wetenschappelijke inzichten vanuit met name de cognitieve leerpsychologie zoals die ontwikkeld is in de Verenigde Staten en de Sovjet Unie die voor het zelfstandig leren pleiten.

De reform pedagogen gingen veelal van een bepaald wereld- en mensbeeld uit. Van hieruit redeneerden zij hoe een kind binnen dat beeld tot volle wasdom kon komen. Wetenschappelijke methoden gebruikten zij niet. Zij gingen uit van hun gevoel en common sense en wat zij in de praktijk zagen gebeuren.

In deze tijd echter behoort ieder idee, iedere wijziging in het bestaande gestaafd te worden aan de hand van de wetenschap, die zich deze eeuw ook op zeer veel terreinen explosief ontwikkeld heeft. Zo ook de psychologie en in het bijzonder de leer- psychologie.

Aan het begin van de eeuw verwierf de psychologie de eerste wetenschappelijk betrouwbare leerpsychologische inzichten. Het meest prominent was het behaviorisme van de Amerikaan Skinner. Het meest beroemd was de kwijlende hond van de Russische geleerde Pavlov. Het behaviorisme leerde dat je een dier of een mens met een bepaalde impuls of stimulus een bepaald gedrag kon ontlokken. Waarom en hoe dit gebeurde binnen de 'black box' vond men nog geen wetenschappelijk relevante vraag. Een belangrijke les was dat het belonen van gewenst gedrag effectiever was dan het afkeuren van ongewenst gedrag. Zo realiseerde men zich dat een gedragsverandering op een systematische en doelgerichte wijze plaats kon vinden. Ook in een klas vol kinderen.

De volgende belangrijke stap in de leerpsychologie was het betrekken van de Gestalt- psychologie in de leertheorieën, die zich in combinatie met het behaviorisme ontwikkelde tot de cognitieve leertheorieën. De theorieën die zich juist bezig hielden met de vraag wat er in de 'black box' plaatsvond bij het leren van gedrag of het verwerven van kennis en inzicht.

Het is met name Köhler geweest die het behaviorisme en de Gestalt- psychologie met elkaar verbonden heeft. Hij ontdekte op basis van probleemoplossingsproeven met apen dat het vinden van een oplossing een zaak is van (her)structureren en (her)interpreteren van de probleemsituatie. Als de oplossing zich aandient is dit inzicht. Inzicht is daarmee de uitkomst van een juiste (her)structurering en (her)interpretatie van het probleem. En het door inzicht verkregen antwoord zal niet snel vergeten worden en is veel makkelijker toepasbaar in andere situaties. Een nieuwe Gestalt is zo in de geest aanwezig. Een nieuw kader, waarop verder gebouwd en gesleuteld kan worden.

De auteurs bespreken het werk van in dit opzicht vijf belangrijke onderzoekers. De eerste, de Amerikaan Jerome Bruner, is in zijn werk sterk beïnvloed door de ontwikkelingspsycholoog Piaget. Hij wijst op een aantal positieve effecten van zelfontdekkend leren. De eigen ontdekking wordt beter onthouden. De ontdekkende leerling zal een positieve leerhouding aannemen. Door het zelf ontdekken zijn nieuwe probleemsituaties beter en gemakkelijker op te lossen.

De Amerikaan Ausubel verzet zich tegen Bruner. Hij meent dat externe sturing niet als hinderlijk ervaren wordt. Onder invloed van deze kritiek is Bruner uitgekomen op guided discovery. Hij denkt de docent een duidelijke rol toe bij het begeleiden van de leerling, om hem richting te geven in het zelfstandig ontdekken.

Ausubel legt in zijn theorie andere accenten. Zo is hij een voorstander van 'ontvangend' leren tegenover het 'ontdekkend' leren van Bruner, omdat dit efficiënter en effectiever zou zijn. Voorwaarde is wel dat dit leren 'Betekenisvol' moet zijn. Dat wil zeggen dat de nieuwe leerstof aan moet sluiten bij al bestaande kennis in de cognitieve structuur. Er moet al sprake zijn van een 'anker' in de cognitieve structuur waar de nieuwe kennis bij aansluit en door elaboratie of verwerking een nieuwe cognitieve structuur vormt. Effectief leren vindt juist dan plaats als er stabiele ankerbegrippen aanwezig zijn. Is dat niet zo, dan is het de taak van de leraar om eerst een kader, een structuur te scheppen die organisers bevat, die de leerling nodig heeft om nieuwe kennis te verwerken en in te passen in de al bestaande structuren.

De fransman Gagné gaat uit van categorieën leerresultaten, waarvan hij er vijf onderscheid. Voor de categorie intellectuele vaardigheden heeft Gagné een uitwerking in leertaken opgesteld. Zijn uitgangspunt daarbij is dat voor de beheersing van de meer complexe taken eerst de beheersing van de eenvoudige taak noodzakelijk is. Hierdoor ontstaat een leerhiërarchie, die weer bepalend is voor de leerweg van de leerling. Er moet daarbij met interne en externe factoren rekening gehouden worden. Het gewenste leerresultaat is slechts dan te bereiken als de vak- of disciplinestructuur vertaalt kan worden in een didactische structuur waardoor de verschillende stappen in onderwijsleersituaties genomen kunnen worden. De hoogste intellectuele vaardigheid die een leerling uiteindelijk kan leren is het adequaat oplossen van problemen. Gagné heeft zo bijgedragen tot de systematische lesplan ontwikkeling.

Eerder dan in de Angelsaksische wereld hielden twee door de auteurs besproken Russen Vygotsky en Galjperin zich al rond 1920 bezig met leer- en cognitieve processen. Het begrip 'handeling' bij leerprocessen stond bij hen centraal, waardoor hun theorie ook wel handelingspsychologie genoemd wordt.

Vygotsky ontwikkelde zijn theorie tegen de achtergrond van het communistisch revolutionaire klimaat van zijn tijd. Het marxistisch historisch- materialistische idee van bewustzijn is dan ook een belangrijk ideologisch uitgangspunt. Het bewustzijn van de mens wordt hierin beschouwd als door de maatschappelijke realiteit geschapen. De maatschappelijk- culturele achtergrond en opvoeding maakt de mens. Het bewustzijn is niet zozeer het gevolg van een passief individueel proces, maar een actief interactioneel proces met de omgeving.

Vygotsky probeerde een synthese tussen het historisch- materialisme en de psychologie tot stand te brengen. Hij maakte een onderscheid tussen een lager en een hoger bewustzijn. Het lagere bewustzijn komt overeen met het biologische en ontwikkeld zich door rijping. Het hogere bewustzijn staat voor het geestelijke en is een tabula rasa, gelijk in de oude Verlichtings ideeën, die door een interactief ontwikkelingsproces van verinnerlijking de sociale en culturele betekenissen in zich opneemt. Taal speelt hierbij de belangrijke sociaal- communicatieve rol die voor verinnerlijking noodzakelijk is. De taal is het scharnier bij de verinnerlijking van materieel handelen tot mentaal handelen.

Door zijn nadruk op interactie met de omgeving in het leerproces acht hij de omgang met volwassenen in opvoeding en onderwijs van wezenlijk belang. Het onderwijs neemt hierin een speciale plaats in omdat het de cultuur geïnstitutionaliseerd overdraagt. Vygotsky is in deze een tegenstander van volgend leren. Bij volgend leren wordt er met het aanbieden van cultuurinhouden gewacht tot het kind eraan toe is. Om de mentale groei te bevorderen is naar zijn mening ontwikkelend onderwijs nodig. Hij hanteert daarbij twee begrippen. De eerste is de zone van actuele ontwikkeling, dit is het feitelijke ontwikkelingsniveau van de leerling. Onderwijs dat zich hier op richt is passief. Het onderhoudt, perfectioneert en automatiseert door de leerling al beheerste vaardigheden. Het tweede is de zone van naaste ontwikkeling, waarbij de leerling open staat voor kennis en vaardigheden die het zou kunnen leren aan de hand van een docent. Het onderwijs is in deze steeds grensverleggend bezig, want na verloop van tijd wordt de zone van naaste ontwikkeling door oefening een zone van actuele ontwikkeling en kunnen nieuwe grenzen verlegd worden. Nadruk hoort dan te liggen op de algemene principes die in de leerstof besloten liggen. Het gaat dan om het onderkennen van redeneerfouten, het leggen van verbanden, het scheiden van hoofd- en bijzaken, het herkennen van soorten problemen en de oplossing die erbij hoort. Bij zowel handvaardige als intellectuele vakken moet de leerling de problemen overwinnen door daadwerkelijk probleemoplossend te handelen.

Tenslotte bespreken de auteurs Vygotsky's leerling Galjparin. Hij ontwikkelde de theorie van de trapsgewijze vorming van mentale handelingen. De eerste tree is de oriëntering op de handeling, als tweede stap wordt de handeling op materieel niveau uitgevoerd, bij de derde wordt de handeling tevens hardop geverbaliseerd, waarna in de vierde stap het denken door de taal wordt gestuurd door innerlijk te spreken, waarna in de laatste stap de handeling geheel is verinnerlijkt. De verbale handelingsstructuur is verkort tot een mentale handelingsstructuur.

Deze theorie is in de praktijk van het rekenonderwijs op de basisschool zeer succesvol gebleken. Volgens sommige onderzoekers is het ook in het volwassen onderwijs een niet te veronachtzamen theorie. Het overslaan van noodzakelijke stappen (verkorting) kan leiden tot leerproblemen of uiteindelijk gebrekkig inzicht door een slechte oriëntering.

In de oriënteringsfase moet de leerling overzicht hebben over de vragen wat hij moet doen, waarom, hoe en waarom juist zo. Deze oriënteringsbasis kan door de docent volledig aangereikt worden, maar daar bestaat bij verschillende onderzoekers grote bezwaren tegen. Zij zijn juist voorstanders van het geven van een onvolledige oriënteringsbasis. De leerlingen zijn bij het oplossen van problemen en creatief denken eerder gebaat bij het aanreiken van zoekregels dan van een volledige oriënteringsbasis. Zo wordt het zelfstandig leren gestimuleerd. Hetzelfde zelfstandig leren dat de basis vormt voor het studiehuis.

Het Studiehuis

In de eerste fase, in de onderbouw, van het voortgezet onderwijs moeten de leerlingen voorbereid worden op het studiehuis van de tweede fase. Zij moeten inzicht krijgen in de relevantie voor het dagelijks leven van de aangeboden vakken. Zij moeten vaardigheden leren als het zelf onderzoeken, daar schriftelijk en verbaal verslag van doen, het samenwerken en beoordelingscriteria hanteren. Daarnaast moeten zij ook inzicht krijgen in de samenhang van de vakken die zij doen. Daarom moeten vakken zoveel mogelijk geïntegreerd worden aangeboden.

In de tweede fase moeten de leerlingen zich volgens van der Veen en van der Wal in hun leerhouding gaan gedragen als autodidacten, waarin de werkvorm voornamelijk bestaat uit zelfwerkzaamheid en de leerlingen inzicht en overzicht hebben over de drie vormen van leeractiviteiten. De auteurs gaan ervan uit dat leerlingen zelfstandig kunnen leren als zij ook meer kennis over het fenomeen leren hebben en zij hierover in staat zijn te reflecteren. Dan zijn zij ook in staat 'leerfuncties' te vervullen. Wat wil zeggen dat zij in staat zijn hun aandacht te richten, hun eigen leerdoelen vast moeten en kunnen stellen en over de eigen resultaten een oordeel kunnen vellen, met de bedoeling daar voor een volgende taak uit te leren.

De grote vraag is wat de rol van de docent is in dit geheel. Wat zijn zijn taken en wat is zijn verhouding tot de leerling. Ofwel de vraag is, wie vervult de leerfuncties? De leerling of de docent?

Uitgangs- en in zekere zin eindpunt is dat hoe meer leerfuncties de leerling zelf vervult, des te meer is de leerling in staat zelfstandig te werken. Er is dus een geleidende schaal in het vervullen van leerfuncties. Het eerste 'regime' wordt aangeduid met de term docentgestuurd. In dit regime stelt de docent de leerdoelen en de leeractiviteiten vast en ontwerpt hij het leerproces. In het tweede regime is er sprake van een gedeelde sturing. De docent betrekt de leerling zoveel als mogelijk bij het stellen van de leerdoelen en de leer activiteiten. Voorwaarde is dat de leerlingen voorbereidings- en verwerkingsfuncties voldoende onder de knie hebben. Het derde regime is leerlinggestuurd onderwijs. De meeste leerfuncties worden door de leerling zelf vervuld. Alleen toetsing en kwaliteitscontrole worden nog door de docent gedaan. De voorwaarde is dat de leerling dit ook daadwerkelijk kan en wil.

Hiermee wordt duidelijk hoe de achterliggende doelstellingen van het studiehuis bereikt worden. Geleidelijk aan worden de leerlingen voorbereid op het zelfstandig kunnen leren, begrijpen en beoordelen van leerinhouden. Veel meer dan in oude onderwijssystemen worden zij aangesproken en getrokken in de wereld van de eigen verantwoordelijkheid. Zij worden niet meer benaderd als onderwijsconsument, maar er wordt verwacht dat zij interactief deelnemen. De leerlingen die als kinderen aankomen en zich nog steeds in een beschermd jeugdland wanen worden zo langzaamaan voorbereid op de vaardigheden die verantwoordelijkheid voor de eigen persoon en de samenleving in volwassenheid eisen. De oproep die Lea Dasberg deed in de laatste druk van haar klassieke werk 'Grootbrengen door kleinhouden' lijkt met het studiehuis in vervulling te gaan. Jeugdland wordt ten minste in theorie door het studiehuis en zelfstandig leren geleidelijk aan geïntegreerd in de wereld van de volwassenheid.

De Leraar

De docent is in de klas vakdeskundige, pedagoog, didacticus en groepsdynamicus. Met de introductie van het studiehuis zal de docent meer en op andere wijze van deze kwaliteiten gebruik moeten maken. De huidige docenten zullen zich aan moeten passen en wellicht nadere scholing behoeven. De nieuw aankomende docenten zullen op de 'nieuwe school' voorbereid moeten worden. Lerarenopleidingen zijn dan ook druk doende hun programma's aan te passen. Het pas opgerichte samenwerkingsverband van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool Holland, de Educatieve Faculteit Amsterdam of kortweg Efa is één van de voorlopers in dit proces. De Efa heeft inmiddels de status van 'experimentele leraren opleiding' gekregen.

Uit het stuk 'Naar een vormende leraren opleiding' van Douwe Wielinga blijkt dat de persoonlijke vorming van de student als geïntegreerd geheel in de opleiding van wezenlijk belang is. De leraren opleiding wordt zo in de visie van Wielinga een verlengd studiehuis. De student bereid zich daar voor om met meer vakkennis, didactische kennis en als rijper persoon naar het studiehuis terug te keren.

Eikpunt voor Wielinga is het beroepsprofiel van de leraar. De opleiding moet daarop toegesneden zijn en moet de beroepspraktijk ook nabootsen.

Volgens zijn beroepsprofiel is de leraar "iemand die zelfstandig, reflectief en in samenwerking met collega's vorm kan geven aan zijn beroep en aan innovaties binnen het beroep, die oog heeft voor kwaliteit van zijn eigen handelen en die zich laat drijven door een visie op het beroep en op de relatie met de omgeving. Zo iemand is in staat om het eigen handelen bij te sturen en de eigen bekwaamheid verder te ontwikkelen. Bovendien werkt de professional vanuit een eigen methodiek, wat betekent dat de werkwijze niet gebaseerd is op een aantal vastgestelde regels, maar hij/zij de situatie analyseert en op grond daarvan zijn handelen aanpast."

De student moet om dit te bereiken integreren met het beroep, tussen vakdisciplines en in de student zelf. Met dit laatste bedoelt hij dat de student uitgroeit tot een zelfstandig, kritisch en sociaal mens dat kan reflecteren over de eigen houding.

De leeromgeving moet hierop gericht zijn. Daarom introduceert Wielinga het 'producerend leren'. De student moet opdrachten vanuit de samenleving vervullen. In het uiteindelijke product moeten alle vaardigheden en kennis samengebald zijn. Na afloop moet de student samen met andere studenten en de docent reflecteren over het verloop en het resultaat. Niet alleen traint de student zo zijn vaardigheden en kennis, maar integreert hij/zij met de omgeving.

Hij laat zich hierbij inspireren door Jaques Delors, die oproept tot een hernieuwde nadruk op morele en culturele dimensie van onderwijs, om de eigenheid van andere volken in te voelen en de groei van volken naar meer eenheid te begrijpen. Dit proces moet volgens Delors beginnen met "self- understanding through an inner voyage whose milestones are knowledge, meditation and self- criticism."

Het hart van de opleiding is de meta-lijn. Het deel waar "knowledge, meditation and self- criticism" samenkomen. Onderwerpen die in de meta- lijn aan de orde komen zijn methodieken van onderzoek, besproken worden werken en overleven en wordt ervan literatuur voorzien. Daarbij komen kijken "aspecten van leerprocessen en van werkprocessen, leer- en werkstijlen, waardenverheldering, keuzen en alternatieven, groei en overleven, doelen en verlangens, essenties van een vakdiscipline, groei in overzicht over en vaardigheid in een vak." Het is het terrein waar persoonlijke vorming plaatsvindt. Vorming die nodig is om later anderen te vormen. Anderen een zelfstandige leerhouding aan te leren, of liever gezegd, zelf laten leren.

Debacle of Succes?

We staan op de drempel van de invoering van het studiehuis, dus het laatste zal er nog niet over gezegd zijn. Zo debatteerde de Gids erover. In het januari nummer van 1999 stond een bijdrage van Huib Schwab die niet zozeer negatief is over het 'scharnier begrip' studiehuis, zoals hij het noemt, maar hij is zeer afwijzend tegenover alle bureaucratische instellingen die een onderwijsvernieuwing omgeven. De invoering van het studiehuis is een uitdaging voor docenten om er weer wat moois van te maken. Om oude noties van een school als academie die voor het leven leert uit de kast te halen. Het is weer tijd om met hernieuwde energie cultuur over te dragen.

In theorie ziet de invoering van het studiehuis er veelbelovend uit. Er is een maatschappelijke noodzaak om adolescenten op te voeden tot zelfstandige probleemoplossers die hun hele leven kunnen leren. Bovendien zijn de wetenschappelijke inzichten zover gevorderd dat vanuit de leerpsychologie het studiehuis een zeer veel belovend concept is. Nog nooit eerder is er een stelsel ontworpen dat zozeer op harde wetenschappelijke argumenten rust.

Er is natuurlijk kritiek op het stelsel. De voornaamste daarvan is dat het hele concept is toegesneden op de midden- klasse. De kansarmen krijgen van huis uit niet die vaardigheden mee die tot een succes in het studiehuis met zijn nadruk op zelfstandigheid kan leiden. Dit leidt tot een toenemende ongelijkheid in de samenleving.

De eerste jaren na invoering zouden deze critici wel eens gelijk kunnen krijgen. Maar na enige jaren als het hele onderwijs van het zelfstandig leren en leren leren doortrokken is, vanaf de basisschool tot het eindexamen dan kan dit wel eens anders zijn.

Een groter gevaar is het dreigende tekort aan leraren. De oude garde verdwijnt de komende jaren met pensioen en de instroom van jonge leraren is nog maar mondjesmaat. De Efa presenteert zich wel als een modern en dynamische opleiding die niemand mag missen, feit is dat dit nog niet echt tot de schoolverlatende jeugd doordringt.

Bij de invoering van een nieuw stelsel zijn nieuwe enthousiaste leraren nodig. Komen die er niet dan valt de hele theorie in duigen. En dan heeft de minister van Onderwijs een groot probleem.

Van leertheorie naar Onderwijspraktijk,
Tjipke van der Veen en Jos van der Wal
ISBN 90 01 88661 2

Labels:


Friday, June 06, 1997
 
Een Pleidooi voor Druglegalisering

door Daan Diederiks

De internationale betrekkingen worden in toenemende mate bezwaard door de drugproblematiek. De parlementaire enquêtecommissie van Traa meent nog "dat de internationale betrekkingen de intensieve bestrijding van georganiseerde criminaliteit niet in de weg mogen staan."

De vraag is echter veeleer; ‘hoeveel schade moet de ‘War on Drugs’ nog aanrichten voordat de internationale gemeenschap erkent dat de oorlog onhoudbaar is en meer schade aanricht dan problemen oplost?

Er worden tussen staten over en weer zware beschuldigingen geuit. Frankrijk noemt Nederland bijvoorbeeld een "Narco-Etat", en Nederland verwijt de Fransen een irrationele en moralistische politiek te voeren ( De Frans-Nederlandse drugbetrekkingen, CEDRO). De verhoudingen tussenSuriname en Nederland worden door de drugs vergiftigd en de Amerikanen laten hun handelsbetrekkingen met hun achtertuin Zuid-Amerika regeren doorantidrugs ‘certificering’. Jaarlijks kent de Amerikaanse president landen in het Carraibisch gebied een certificaat van goed gedrag toe in het voeren van de "War on Drugs", hieraan worden vervolgens gunstige handelsregimes gekoppeld. Dit heeft onvermoede gevolgen.

Onlangs plaatste de Colombiaanse regering in hun jaarlijkse certificerings campagne een advertentie in de New York Times om de eigen antidrugsactiviteiten te etaleren. Een smeekbede met een offer van 20.000 doden die de oorlog het afgelopen jaar heeft gekost. Een macabere ‘bodycount’. Desondanks gaat de duim van president Clinton ferm naar beneden. Gaat de duim volgend jaar omhoog met een bodycount van 100.000?

Vlak voor het certificeringsbesluit kocht de grootste Mexicaanse drugsgeld witwasser zich uit de gevangenis. De Mexicaanse regering besloot het geheim te houden tot na een positief besluit. Zelden stond een president zo echt in zijn hemd.

Maar dit is nog niet alles. De door president Clinton geprezen Mexicaanse antidrugsgeneraal Guttièrez werd ontmaskerd als de handlanger van een drugskartel. Hij bestreed voornamelijk concurrerende kartels. De Mexicaanse antidrugsmacht bleek zo corrupt dat president Salinas, die zelf ook beschuldigd wordt van banden met drugskringen, zich genoodzaakt zag onder druk van de Amerikanen die dienst op te heffen. De Amerikaanse DEA mag nu in Mexico een nieuwe organisatie opzetten. Een groter paard van Troje kun je nauwelijks binnenhalen. Drugs waren samen met NAFTA dan ook de belangrijke onderwerpen van gesprek bij het recente bezoek van de Amerikaanse president aan Mexico.

De enorme stromen zwart geld (parlementair onderzoeksrapport van Traa IV.2.1.) die de handel in drugs genereren zijn van deze corruptiepraktijken de oorzaak. Het zwarte geld zoekt zich eenofficiële weg en kan dit alleen vinden met grootschalige corruptie. Zo dringen de criminelen steeds meer het reguliere economische en politieke leven binnen, hoewel dit fenomeen in Nederland nog beperkt is (rapport van Traa IV.2.2.). In de meeste Europese landen is er niet of nauwelijks systematisch onderzoek verricht. Over Italië meldt de parlementaire enquêtecommissie van Traa echter dat de verstrengeling van criminele groepen in het reguliere economische en politieke leven geen theorie meer is, maar een reële bedreiging (rapport van Traa VIII.1.). Het is daarom niet vreemd dat de Italiaanse Emma Bonino, EU Commmissielid,openlijk voor legalisering is.

Het zijn voornamelijk de Metropolitane gebieden die het meest te lijden hebben onder de illegaliteit van drugs en de daaruit voortvloeiende ‘War on Drugs’. In de Verenigde Staten leidt de uit de drugshandel voortkomende criminaliteit tot ‘no go areas’, waar geweld als de normale wijze van conflictoplossing gezien wordt. Na verloop van tijd slaat deze geweldscultuur ook over op naburige middenklasse wijken. De gevolgen van het verbod op drugs keren zich tegen de samenleving. De onbedoelde beleidseffecten worden steeds ernstiger. Gabriel García Márquez beschrijft de oorzaak van de Colombiaanse misére in ‘Ontvoeringsbericht’ als volgt: "Een drug die schadelijker was dan het meest kwalijke verdovende middel werd geïntroduceerd in de nationale cultuur: gemakkelijk geld. Steeds populairder werd het idee dat de wet het grootste obstakel vormt voor geluk, dat het nergens goed voor is om te leren lezen en schrijven, dat je beter en veiliger leeft als misdadiger dan als fatsoenlijk mens. Kortom: de toestand van sociale verdorvenheid die kenmerkend is voor elke latente oorlog." (Hfdst 6)

In New York, metropool bij uitstek, wordt hierom de roep om een beleidshervorming vanuit wetenschappelijke en juridische hoek dan ook steeds sterker. De door de New York County Lawyers Association in het leven geroepen Drug Policy Task Force, waar 5 rechters uit de New York State Supreme Court zitting in hebben, concludeert in haar rapport dat het krachtige vervolgingsbeleid zich keert tegen dat wat men probeert te beschermen.

In Amsterdam wordt al sinds de jaren zeventig met vallen en opstaan een liberaal drugbeleid gevoerd. Dit beleid is er de oorzaak van dat extremen als in New York en Colombia uitgebleven zijn. De grote verslavingsepidemieen zijn overwonnen. Alleen nieuwe grote klopjachten kunnen in Amsterdam voor hernieuwde problemen zorgen. In Europa staken in 1990 enkele grote steden de koppen bij elkaar en stelden een resolutie op, de zogenaamde Frankfurter Resolution. Deze verzamelde steden verklaarden dat het tot nu toegevoerde beleid op een dood spoor loopt. Het is niet gelukt drugs uit de samenleving te weren. Daarom is het zinniger het drugbeleid te concentreren op het voorkomen van schadelijke gevolgen voor de samenleving en de volksgezondheid.

Het beleid van de Europese Unie echter dreigt de andere kant op te gaan. Bij de top van 13 en 14 december 1996 in Dublin verklaarden de regeringsleiders in de slotresolutie dat criminaliteits bestrijding voorrang heeft. De bevoegdheden van Europol zouden uitgebreid moeten worden, de politiediensten moeten meer samenwerken en het drugtoerisme moet tegengegaan worden. Niets wijst erop dat de regeringsleiders de weg in slaan zoals neergelegd in de Frankfurter Resolution. In feite betekent dit het opvoeren van de ‘War on Drugs’ op Europese schaal.

De ommezwaai in Nederland begint zich ook af te tekenen. De Nederlandse minister van justitie Sorgdragersprak in 1994 liever niet over legalisering maar over verdergaande‘liberalisering’. Er leek eindelijk gezond verstand in het drugbeleid te komen. Onder druk van Chirac dreigt Sorgdrager inmiddels, net als Robert S. McNamara, een geniale oorlogsarchitekt te worden. De tijden kunnen verkeren. Of wordt het nu met Jospin allemaal anders?

Om de betekenis van de eigen woorden bij voorbaat al te bagataliseren citeerden verschillende politici onlangs met instemming Luther;" Jede Konsequenz führt zum Teufel." Iedere handeling of gedachte heeft gevolgen. Als die allen naar de duivel leiden kunnen we wel ophouden politiek te bedrijven. Want, zou Thorbecke gemeend hebben een duivelse grondwet te ontwerpen toen hij zijn voorstellen voor een liberale rechtstaat in de kamer verdedigde? Of leidt het streven naar het goede per definitie naar het slechte, of kan dit alleen het geval zijn? Of is het een gedachteloze dooddoener voor onwelgevallige redeneringen?

De tweede kamerleden Korthals en van der Camp (resp. VVD en CDA) bepleitten in januari van dit jaar het hele Nederlandse beleid op z'n kop te zetten door het gedogen van het kweken van vijf weedplanten in huis te verbieden. Voor Amsterdam bijvoorbeeld zou dit betekenen dat om dit beleidsvoorstel te effectueren de koffiehuizen dicht moeten, de politiemacht sterk uitgebreid dient te worden en de politie door middel van razia's de stad uit dient te kammen.Als zij alleen de Fransen naar de mond wilden praten is dit nogal doorzichtig, als zij meenden dat hun uitspraak binnendslands geen gevolg zou hebben, dan is dit nogal dom, want het heeft al snel radicalisering van de reactie en tegenreactie tot gevolg. Of dachten zij even niet na?

In ieder geval weigert dit soort politici te luisteren naar de ‘generaals’ die de ‘War on Drugs’ moeten voeren. De Haagse Hoofdcommissaris J. Brand verklaarde in juni 1995 namens alle politiechefs: "Het almaar opvoeren van de jacht op drugs leidt er alleen maar toe dat de criminelen steeds rijker worden." De Amerikaanse politieman Michael Hennessy schreef onlangs: "We hebben ons, na Vietnam, opnieuw gecommiteerd aan een uiterst kostbare en niet te winnen oorlog die de structuren, die onze samenleving bijeenhoudt, aan flarden scheurt."

Maar Brussel gaat het nog een keer proberen. Dat alle verzamelde politiediensten in de Verenigde Staten niets, maar dan ook niets, aan de verkrijgbaarheid van drugs op straat hebben kunnen uitrichten is voor cynische machtspolitici die Brussel en omstreken frequenteren kennelijk irrelevant. Zelfs als dit expliciet in een parlemenair onderzoeksrapport staat als dat van de commissie van Traa. (Link VII.3.) "De Amerikaanse controle-instanties hebben de strijd enorm opgevoerd, maar in de wapenwedloop die is ontstaan en waarin zelfs doorzichtige onderzeeboten en straalvliegtuigen zijn ingezet door de smokkelaars, hebben de Amerikanen het geenszins kunnen winnen."


De nieuwe golf van repressie die nu is ingezet dringt de vraag op hoe het nu verder zal gaan. We naderen een kruispunt, een ‘point of no return’. We moeten kiezen. Er zijn drie mogelijkheden.

Het gaat er in deze om hoe je de staatsmacht wilt hanteren. Is die, met het oog op het goede, uiteindelijk in zijn consequenties destructief?
Of houd je rekening met de reëel bestaande werkelijkheid en geef je die verantwoord vorm.
De Amerikanen bedrijven drugpolitiek in de eerste vorm. Europa moet in staat zijn een eigen beleid te formuleren.

De Europese Unie begaat een fatale vergissing
in deze de Amerikanen te volgen.
D Day
published: 6 juni 1997
Updated: july 1 1997
Republished: 22 maart 2005


Labels:


Thursday, June 22, 1995
 
De Informatie Revolutie

Het klassieke en dominante economisch denken gaat er vanuit dat de productie van tastbare goederen de belangrijkste bron van economische groei en welvaart is.

Om deze reden mist de macro- economische analyse de belangrijkste economische trend:

De gevolgen van Informatie Technologie op productiviteit en werkgelegenheid, aldus Charles Goldfinger in The Wallstreet Journal Europe van 25 feb.'95.

Volgens Goldfinger is een nieuw economisch paradigma noodzakelijk. Het begrip 'diensten economie' is hiervoor te beperkt. Omdat de belangrijkste bron van welvaart in de ontwikkelde economiën niet meer de productie van tastbare goederen be-treft, maar het scheppen en hanteren van onstoffelijke zaken, stelt hij het begrip 'economie van het ontastbare-' voor.

Ontastbare stromen als finance, beelden, data en berichten zijn de bloedvaten van de internationale economie. Goldfinger onderscheidt een aantal verschijningsvormen.

Ontastbare Assets als naamsbekendheid etc. en Ontastbare Menselijke Maaksels als audiovisuele media, entertainment, kennis, vrijetijd en finance.

De multimedia en informatie technieken hebben de inhoud van producten, diensten en kennis losgemaakt van de fysieke verschijningsvormen.

Er ontstaat de logica van de- materialisatie, het proces waarmee productie en consumptie zich van het tastbare afkeren. De ongrijpbare goederen negeren geografische en tastbare grenzen. De ontastbare menselijke maaksels kunnen onbeperkt gekopieerd en opgeslagen worden, waarna nieuwe menselijke bewerkingen weer een nieuw en verhandelbaar maaksel opleveren.

Daarmee wordt, volgens Goldfinger, de ontastbare economie niet voortgedreven door schaarste, zoals de klassieke economie het beschouwt, maar door een overvloedige hoeveelheid. De steeds toenemende productie capaciteit en het achterblijvende vermogen van consumenten het aanbod te absorberen leidt tot een vecht economie waar succes de uitzondering zal zijn.

Deze steeds sterker wordende economische trend vraagt om aanpassingen van bedrijfsstrategi‰n, van organisaties en van het economische beleid van overheden.

De politiek beschouwde vroeger de ontastbare economie als marginaal maar politiek belangrijk. Geldhandel, media en telecommunicatie werden stringend geregeld. De open ontastbare economie staat dat niet meer toe, met als gevolg dat op die terreinen flink gedereguleerd wordt. Hierbij ontstaat, volgens Goldfinger, een groot gevaar.

Met de vorming van de Informatie Snelweg moet de blik opnieuw op concentraties en monopolies gericht worden. Bij de productie van tastbare goederen leidt monopolie vorming tot economische inefficientie, met als gevolg verlies van welvaart. Maar in de Informatie Maatschappij schuilt het gevaar dat monopolies zich ontfermen over beelden, ideeën en kennis. En dit gevaar bedreigt de vrije samenleving, want de monopolist kan bepalen welke beelden, idee‰n en kennis toelaatbaar en transportabel zijn door verbod of door een hoge prijs.

Om dit te omzeilen is er verscheidenheid nodig en die krijg je door competitie en een stringent mededingings beleid. Competititie op de Informatie Markt moet kleinschalig zijn. Dit garandeerd een grote verscheidenheid, lage prijzen voor diensten en voor 'ontastbare' consumptie en schept flexibele werkgelegenheid op menselijke maat. Omdat het 'ontastbare' aanbod groot zal zijn en de vraag kleiner leidt dit tot een vechteconomie waar falen de regel zal zijn en succes de uitzondering. De Informatie Markt leidt tot steeds meer specialismen, specialismen waar bedrijven en overheden niet continue behoefte aan hebben, maar op freelance basis wel. In zo'n economisch bestel is het nodig iedereen een inkomen te geven als basis, waar bovenop eenieder kan opereren.

Het traditionele sociaal- democratisch economisch denken is altijd gericht geweest op de tastbare productie. Het verbeteren van werktijden, lonen, ontslagrecht, het garanderen van een inkomen na ontslag en het in gemeenschapshanden geven van nutsbedrijven, die staatsmonopolisten werden. Om aansluiting te vinden bij de open wereld economie is het essentieel de staatsmonopolies op verschillende terreinen, zoals de telecommunicatie, op te geven. Om het individu tegen de macht van grote kapitaal intensieve bedrijven te beschermen komen een nieuwe reeks zaken op de politieke agenda. De belangrijkste zijn;1) privacy bescherming, 2) herziening intellectuele eigendom, 3) de toegankelijkheid tot de (Informatie) markt, 4) het inpassen van freelance arbeid op grote schaal, 5) permanente educatie en 6) het garanderen van een basis bestaan waarop het individu flexibel kan opereren. Het uiteindelijke doel is een open en vrije samenleving waarin iedereen in gelijkwaardigheid samenleeft. Vrijheid(economische-) in de moderne samenleving is niet meer Onafhankelijkheid, maar moet gezien worden als kontrole van het individu over datgene waar hij/zij afhankelijk van is (C.Wright Mills, Power, Politics & People,p.191).

Met de opkomst van de Informatie Markt en de zich daarbij ontwikkelende vechteconomie moet er een maatschappelijk raamwerk komen dat het individu in staat stelt gekontroleerd te opereren binnen alle afhankelijkheden die ons omringen. De sociaal- democratie is ontstaan om de problemen die de Indu-stri‰le Revolutie bracht het hoofd te bieden. Nu staan we aan het begin van de Informatie Revolutie en zal de sociaal- democratie op de komende problemen en kansen een helder en samenhangend antwoord moeten vinden. Dat moet lukken.

Daan Diederiks

Eerder verschenen in Het Binnenblad in 1995, blad van PvdA Binnenstad Amsterdam

Powered by Blogger

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.