maandag, februari 21, 2005
Afzien in de Ardennen: buiten slapen in een bivakzak
Daan Diederiks sliep afgelopen weekend buiten in een koude zak in de Ardennen, tijdens een bivaktocht, terwijl de Belgen carnaval vierden
Opgezweept door overheidspropaganda over de te dikke buik en de te luie kont sloot ik me na jaren weer eens aan bij de Koninklijke Nederlandse klim- en bergsportvereniging (www.nkbv.nl). De NKBV organiseert van alles. Er zijn Ronald Naar-achtige expedities, maar ook bergwandeltochten in Noorwegen, Schotland en de Andes. Het toppunt voor gezinnen met pubers zijn de bergsportkampen in de Alpen, de Pyreneën en in Scandinavië. Met zo'n kamp verzamelen een aantal gezinnen zich op een camping, waarna het groepsproces in de bergen, al dan niet onder leiding van een gids, kan beginnen. Voor pubers een geweldige manier om de bergen en elkaar te vinden.
Als jongeling deed ik er ooit twee cursussen in de hoge Alpen. Een onvergetelijke ervaring, die ik nu goed kon gebruiken om wat ouder vet los te wrikken. Daar leek de bivak het meest geschikt voor, een berucht initiatief van de plaatselijke NKBV-afdeling Amsterdam. De bivaktocht wordt twee keer per jaar gehouden, in december en begin februari. Het is de sport om, ongeacht eventuele sneeuwstormen of hoosbuien, in twee dagen vijftig kilometer te lopen volgens een route die met coördinaten is aangegeven, en twee nachten onder de blote hemel in een donker Ardennenbos door te brengen. De doorsnee deelnemer is dan ook een high-tech-uitrustingsfreak, die alles weet van Goretex en superfleece en in zijn likkebaardend alle gadgets uit winkels als Demmenie- of Beversport voorbij ziet komen. Voor de bivak is er bijvoorbeeld de bivakzak, een grote plastic zak, liefst ademend, waar je met fiber slaapzak en rugzak in zijn geheel inkunt. Het beschermt tegen kou en nattigheid. Ik heb er wel eens een geweldig onweer in overleefd.
DEBUTANTEN IN HET AFZIEN
De februaribivak was dit jaar een afscheidsrondje voor organisator Cor Schoon. Cor had zeventien jaar, twee keer per winter, een bivak uitgestippeld, georganiseerd en uitgelopen. Zo'n 2.000 kilometer had hij in de benen, en een stuk of 70 nachten onder de koude winterhemel.
Volgens de kenners kun je pas na drie keer beoordelen of het afzien in je bloed zit. In mijn groepje was alleen Himalayagangster Mira veel vaker meegeweest. Bankier Peter was de vorige tocht voor het eerst en liep nu zonder blaren, en studente fysische geografie Suzanne leek niets anders te doen dan verre excursies. Ik was debutant, samen met marathonloopster Jolien, die hardlopen wat saai begon te vinden. Vrijdag stipt om zeven vertrokken we vanaf het Amstel.
Vertrek- en eindpunt van de bivak in engere zin was Stavelot, België, waarbij de tocht om Malmedy heenliep, over hoge heidegronden. Halverwege verrasten de vrienden van de club Cor en de dertig deelnemers met een pitstop langs een riviertje. Er was kaas, worst en warme glühwein. Hoewel de Belgen een verdrietig volk schijnen te vormen, merk je daar doorgaans in België weinig van. Passerende Belgen vermaakten zich kostelijk met lezende Hollanders, aan een tafel met fleurige parasol, klepperend van de kou, wachtend op de bivakdeelnemers. Toen die aankwamen troffen zij een totaal verkleumd ontvangstcomité. De zon brak door. Het wit in de vallei ontdooide een beetje.
SMURF MET BIER
Het begon op te vallen dat het bij de Belgen carnaval was. Aan de meeste wandelaars ging dit eerst voorbij. Tot er, bij het zwoegen een steile helling op, langs de kant een jongen op een krat bier zat met een blauw gekromde puntmuts op, een wit jakje en een blauwe broek aan. Hij leek ons, rugzak-pakezels, geheel niet op te merken. Hij keek reikhalzend uit naar vier exact dezelfde figuren die uit het bos te voorschijn kwamen. Zij smurften lichtvoetig en gezwind achter elkaar aan naar beneden, terwijl wij met zware rugzakken vol warme kleding, slaapzak, kookgerei en voedsel naar boven stampten. Het was als een fata morgana van kapitein Haddock die Kuifje voor een fles aanzag in de woestijn.
Tegen alle genetische wetten in had Mira, een kleine en tanige vrouw met een in verhouding enorme rugzak, zich opgeworpen als leider van mijn groepje. Zij logenstrafte de hele dag de theorie dat vrouwen geen kaart kunnen lezen. Alleen 's avonds in het schemerdonker ging het fout. Als laatsten kwamen we in het afgesproken café aan, net op tijd om de feesttoespraken ter ere van Cor nog mee te maken en getuige te zijn van het uitreiken van het cadeau: een steen. Met de bijgeleverde opdracht deze de volgende dag heelhuids mee terug te nemen naar Stavelot. Cor aanvaardde het zware kleinnood in dankbaarheid. Het idee kwam van één van zijn trouwste en snelste volgers, een man die zich in het dagelijks leven naar alle tevredenheid op onvervalst Hollandse klompen voortbeweegt.
Het weer is ingewikkeld. Waarschijnlijk is het daarom dat er altijd meerdere goden zijn die zich ermee bemoeien. Zij waren ook de zondag met ons. Het was kraakhelder en koud. Valeien en bergen lagen er in al hun schittering Bob Ross-achtig bij. Na zo'n vijftig kilometer stevig doorstappen voelden mijn voeten aan als klompen. Zo strompelde ik Stavelot binnen, smachtend naar een warme chocomel in de plaatselijke koek en zopie (Belgen noemen het café).
Terwijl wij onszelf moed indronken om de terugweg te aanvaarden en vooruit te zien naar een inspirerende werkdag, en nadat we net hadden uitgerekend dat zo'n prachtig weekeinde voor 30 euro niet duur was, zwierden in het wit gekleedde monniken met neuzen zo lang als stijve piemels de hoek om. Zij lachten ons vrolijk toe en vertelden dat de Bisschop hen verboden had te hoeren en snoeren en dat zij het bier moesten laten staan.
Achter de maskers was alles mogelijk. Het maakte hen, als met een sluier, onherkenbaar anoniem en toch nog vrolijk Belg.
Daan Diederiks
Versie zoals in het NRC Handelsblad verschenen op 12 februari 2005
