donderdag, januari 06, 2005
 
jagers en verzamelaars



(3000 vC)
Terug naar index


Jagers en verzamelaars -
Definitie:

agers en verzamelaars zijn mensen die in kleine groepen leven en zich in leven houden door in de natuur hun voedsel te verkrijgen door het te verzamelen of er op te jagen.

Zij jagen op groot en klein wild, gevogelte en vangen vis, zij verzamelen schelpdieren en aas dat door andere dieren is gedood. Verder verzamelen zij wilde vruchten, wortels, bladeren en ander plantaardig voedsel.

Toelichting:

Jagers en verzamelaars hebben een relatief gering draagvermogen. Zij zijn daarom meestal nomaden.

Het draagvermogen (carrying capacity) is het maximale aantal mensen dat in een bepaald gebied kan leven zonder het milieu uit te putten. Als er te veel mensen in een belaald gebied leven raakt het voedsel uitgeput en zal door vermindering van de aantallen mensen er een nieuw evenwicht ontstaan.

Een oplossing hiervoor is het trekken van plaats naar plaats. Jagers en verzamelaars waren daarom veelal nomaden. De omvang van de groepen konden niet heel groot zijn en men kon ook niet veel werktuigen en huisraad met zich meedragen.

Men verbleef veelal in grotten of in takken hutten of men leefde in tenten van dierenhuiden. Werktuigen maaktte men ter plaatse.

Kennis

Naar gelang het seizoen trok men rond. Het verondersteld wel dat men nauwkeurige kennis had waar men moest zijn in welk seizoen. Wat men waar en wanneer kon jagen en vinden. Men was ook niet geheel overgeleverd aan wat een gebied aan voedsel te bieden had. Men conserveerde al vlees en vis door het te roken of door zaden te roosteren of door vlees onder water in moerassen op te slaan. Men jaagde ook selectief op jong en oud wild, om de soort niet uit te putten. Ook de groei van sommige planten werd bevorderd door het platbranden van stukjes grond. Wellicht de eerste vorm van landbouw.

De Lage Landen

Uit onderzoek van vuurstenen is gebleken dat er groepen waren die na de winter vanuit grotten in de Ardennen, langs de Maas, naar 120 km noordelijke gebieden in Nederland trokken. Men trof daar in het voorjaar grote rivieren waar veel planten en dieren te vinden waren. Hier ontmoette men andere kleine groepen en vormden zo tijdelijke grotere nederzettingen. Als de winter eraan kwam splitste men zich weer en trok naar het zuiden, waar men weer verspreid in kleinere nederzettingen leefde.

Bron
+
Uit: Pre- & protohistorie van de lage landen, J.H.F. Bloemers & T. van Dorp (red.), P. Bitter, Het Technologisch Subsysteem, p. 83-86.


© The Amsterdam Post, D. Diederiks

Powered by Blogger