donderdag, april 15, 2004
Spring, summer, fall, winter ...
In Spring, summer, fall, winter .... van de jonge koreaanse filmer Ki-duk Kim keert alles telkens weer terug. Het leven verloopt niet langs een lijn van tijdstip nul tot het einde, het einde is steeds een nieuw begin.
Het grote leven in de maatschappij gaat aan de film voorbij, lijkt het aanvankelijk.
Wat we zien is een tijdloos leven van een monnik en zijn jonge leerling op een drijvend huis, in een meer, in een bergdal, met aan de oever een eeuwen oude boom en een toegangspoort in het niets voor de mens naar het kleine paradijs.
De natuur bepaald het ritme, de mens volgt. De meester leert de leerling wat leven is.
In de lente is de leerling jong en onbedorven, tot het kind een wreed spel bedenkt. Hij bindt een steentje aan een vis, een kikker en een slang. De meester ziet het van een afstand aan.
´s Nachts bindt hij zijn leerling een steen op de rug. Hij zal hem pas weer los maken als hij alle dieren van hun last bevrijd heeft. Als hij er één dood treft, zal die voor altijd als een steen op zijn hart liggen, zegt de meester hem. De vis en de slang zijn dood en het jongetje huilt onbedaarlijk, gadegeslagen door de meester. Het wrede spel is een levenslast geworden.
Als het zomer is en het kind een jongeman is geworden komt er een depressief meisje om te genezen. Zij verstoort de rust bij de jongeman, want zij wekt zijn begeerte op.
Als zij vertrekt, vertrekt hij ook, zijn grote liefde achterna.
De meester waarschuwt nog tegen de liefde: "Lust wakkert het verlangen naar bezit aan. En bezit het verlangen naar moord."
De leerling vertrekt toch uit de rustige en veilige poel. Hij trekt de wijde wereld in. Het leven van de monnik gaat verder in het kalme tempo van weleer.
In de herfst komt de leerling in wanhoop terug. Hij is man geworden. De voorspelling is uitgekomen. Meditatie brengt hem rust. Twee agenten komen hem toch halen.
Als het winter wordt zit de levenstaak van de monnik erop. Het paradijs blijft even onbemand. De leerling keert na de gavangenschap terug. Op zijn beurt beheert hij het paradijs, hij wordt monnik.
Een gesluierde vrouw brengt hem een kind. Zij bidt en bidt en vertrekt alleen, en verdwijnt onder het ijs van het bevroren meer. De monnik vindt het kind en later de vrouw van onder het ijs. Hij ontsluiert haar en ontdekt de waarheid en zichzelf.
Als boete sleurt hij een grote steen en een boedha hoog de berg op.
Pas dan is hij de meester van het kleine jochie dat hem gebracht werd en dat zijn evenbeeld is.
Daan Diederiks
Spring, summer, fall, winter ...
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
