vrijdag, juni 30, 2006
 
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN
30 559
De situatie rondom de nationaliteit van mw. A. Hirsi Ali

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2006

Hierbij informeer ik u over de conclusie die ik heb getrokken ten aanzien
van het Nederlanderschap van mevrouw Ayaan Hirsi Ali en over de
uitvoering van de moties (TK 2005–2006, 30 559, nr. 1 en TK 2005–2006,
30 559, nr. 3) die zijn aangenomen in het debat van 16 mei jongstleden.
Daarop volgend zijn er tijdens de regeling van werkzaamheden op 23 mei
jongstleden aan de minister-president en mij, door de leden Halsema
(GroenLinks), Van der Vlies (SGP) en Nawijn (Groep Nawijn) vragen
gesteld (Handelingen II, 2005–2006, blz. 81–5002). Voorts heeft de vaste
commissie voor Justitie in haar procedurevergadering van 24 mei 2006
een aantal vragen gesteld in relatie tot de naturalisatiekwestie van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali. In deze brief zal ik achtereenvolgens op de
hierboven genoemde onderdelen ingaan.
Beslissing ten aanzien van het Nederlanderschap van mevrouw
Ayaan Hirsi Ali en uitvoering van de moties (TK 2005–2006,
30 559, nr. 1 en TK 2005–2006, 30 559, nr. 3)
Op 15 mei jongstleden heb ik aan mevrouw Ayaan Hirsi Ali meegedeeld
dat, gelet op haar publieke uitlatingen, met name die in de Zemblauitzending
van 11 mei jongsleden, waarin zij te kennen gaf over haar
naam en geboortejaar te hebben gelogen, vooralsnog moest worden
aangenomen dat zij door het naturalisatiebesluit van 1997 geen Nederlander
was geworden. Haar mededeling hield in, dat zij ten onrechte de
naam Ayaan Hirsi Ali, geboren op 13 november 1967, voerde, terwijl zij in
werkelijkheid Ayaan Hirsi Magan heette en geboren is op 13 november
1969.
Ik heb met de brief van 15 mei gehandeld zoals ik in alle vergelijkbare
gevallen handel. Steeds wanneer er reden is om aan te nemen dat iemand
die zich op een naturalisatiebesluit beroept een andere naam en/of
geboortedatum blijkt te hebben dan in het naturalisatiebesluit is opgenomen,
wordt door mij een brief van deze strekking geschreven, met het
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2005–2006
KST99016
0506tkkst30559-6
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2006 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 1
doel duidelijkheid te verkrijgen over de identiteit en over de naturalisatie,
in overeenstemming met de strekking van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Ik heb betrokkene, zoals in alle andere gevallen, uitgenodigd om binnen
zes weken op mijn mededeling te reageren, zodat daarna definitief vastgesteld
zou kunnen worden of zij inderdaad Nederlander was geworden.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft daarop in zijn reactie
verklaard, dat
– Zij de naam Ayaan Hirsi Ali kon voeren, omdat haar vaders vader bij
geboorte de naam Ali heeft verkregen en de naam Magan pas later
heeft verworven;
– Zij gedwaald heeft in haar uitlatingen dat zij over haar identiteit heeft
gelogen.
Ik onderschrijf de stelling, dat, als de naam van de grootvader inderdaad
Ali is, zij de naam Ayaan Hirsi Ali kon voeren. Dit is door deskundigen
bevestigd. Volgens het Somalisch namenrecht, zoals dat bekend is uit de
tekst van de Codice civile Somalo en uit wat meer in het algemeen bekend
is uit het Islamitisch namenrecht, is de namenreeks een geaccepteerde
wijze van identificeren en wordt een persoon in dat geval aangeduid met
de eigennaam, de naam van de vader en de naam van de vaders vader.
Volgens de regels die als bestendige beleidspraktijk daarvoor worden
gehanteerd, kan de naam van de grootvader in Nederland als geslachtsnaam
worden geregistreerd.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali voert daarnaast aan, dat
zijn cliënte ook de naam Ali mocht voeren, omdat ook twee andere voorvaders
die naam droegen. Ook uit het ambtsbericht dat ik aan de minister
van Buitenlandse Zaken heb gevraagd blijkt dat het acceptabel kan zijn om
een naam van één van de voorvaderen te gebruiken. Ik teken daarbij aan
dat voor het gebruiken van deze naam in het algemeen nodig zal zijn het
voorkomen van deze naam in het geslachtsregister aan te tonen. Vanwege
het gebrekkige bestuurlijke en juridische systeem ter plaatse, is dat in dit
geval echter niet mogelijk, nog daar gelaten dat niet is vast te stellen of
deze handelwijze in het ter plaatse geldende recht in de desbetreffende
tijd ook werkelijk geldig was.
Om de waarde van de argumenten van de gemachtigde te kunnen
toetsen, heb ik zowel de gemachtigde om ondersteunende bewijsstukken
gevraagd, als zelfstandig onderzoek gedaan door een ambtsbericht aan de
minister van Buitenlandse Zaken te vragen.
Ook in andere gevallen, waarin twijfel over de identiteit bestaat van
personen waarvan de geldigheid van het naturalisatiebesluit ter discussie
staat pleeg ik nader onderzoek te doen.
Nu er twijfel is ontstaan over de identiteit van mevrouw Ayaan Hirsi Ali,
niet in het minst door toedoen van betrokkene, heb ik het nodig geoordeeld
materiaal te verkrijgen dat de verklaringen van de gemachtigde
geloofwaardig ondersteunt.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft naar aanleiding van
mijn verzoek om onderbouwing van zijn stelling omtrent de naam van de
grootvader een aantal verklaringen van familieleden overgelegd, waaronder
één van de broer en één van de schoonzuster van betrokkene,
waarin wordt aangegeven, dat de grootvader van mevrouw Ayaan Hirsi
Ali bij geboorte de naam Ali kreeg en dat deze later de naam Magan heeft
gekregen. Deze getuigen maken, naar mij door de minister van Buitenlandse
Zaken is bericht, een betrouwbare indruk.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 2
In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken is een verklaring
van de broer van mevrouw Ayaan Hirsi Ali opgenomen waarin hij
uiteenzet dat de grootvader bij geboorte de naam Ali droeg en vanaf
± 1870 tot aan zijn dood in 1945 de naam Magan heeft gevoerd. Om deze
reden komt deze laatste naam in de namenreeks van de volgende generaties
voor.
Gezien het feit dat het mij niet mogelijk is om langs andere weg zekerheid
te verkrijgen over naam of geboortejaar van betrokkene, ben ik genoodzaakt
af te gaan op het materiaal dat mij door betrokkene is geleverd en
het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. Ik ben bereid
dit als voldoende ondersteunend te aanvaarden.
In mijn onderzoek zijn geen betekenisvolle blijken van het tegendeel
gebleken. Dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse
Zaken blijkt dat de familie in de registers in Kenia uitsluitend onder de
naam Magan geregistreerd staat, doen niet af aan het gegeven, dat als de
grootvader de naam Ali heeft gedragen, mevrouw Ayaan Hirsi Ali deze
naam mocht voeren.
Betrokkene heeft inmiddels verklaard, dat haar mededeling dat zij over
haar identiteit heeft gedwaald, niet de werkelijkheid weergeeft, omdat zij
naar Somalisch recht en gewoonte de naam Ali mocht voeren (bijlage 1)1.
Daarom ben ik van mening dat er voldoende reden is om thans in rechte
aan te nemen dat het naturalisatiebesluit de juiste naam bevat.
Bij acceptatie van de juistheid van de naam Ali, acht ik de onjuistheid van
het geboortejaar op zichzelf onvoldoende om de identificatie van betrokkene
in twijfel te stellen. Hoewel een onjuist geboortejaar in voorkomende
gevallen wel kan leiden tot onderzoek naar de identiteit van betrokkene, is
ook in andere gevallen waarin alleen het geboortejaar onjuist was, niet
definitief door de rechter vastgesteld dat het Nederlanderschap niet
verkregen is.
Alles in aanmerking nemende ben ik tot de conclusie gekomen, dat het
naturalisatiebesluit van 1997 mevrouw Ayaan Hirsi Ali voldoende identificeert
en dat zij daarom het Nederlanderschap inderdaad heeft verkregen.
Ik stel vast dat zonder de door mij gevolgde procedure de feiten die voor
de conclusie die ik thans heb getrokken doorslaggevend zijn geweest, niet
op tafel waren gekomen.
Toezegging lid Van der Vlies
Nu de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali bekend zijn, kan met de uitvoering van de
toezegging aan het lid Van der Vlies tijdens het debat van 16 mei jongstleden,
om het wettelijk systeem betreffende nationaliteit en identiteit aan
een onderzoek te onderwerpen, worden gestart. Ik hoop u in het najaar
daarover verder te berichten. De reden dat dit enige tijd neemt is, dat een
eventuele herziening van het wettelijk systeem verregaande consequenties
kan hebben en dus zorgvuldig in kaart moeten worden gebracht en na
overleg met de nodige deskundigen tot stand zal moeten komen.
Vragen lid Halsema e.a.
Het lid Halsema heeft op een drietal onderdelen vragen gesteld.
Het eerste onderdeel betreft uitlatingen van de minister van Buitenlandse
Zaken in het programma Kamerbreed.
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt
Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 3
Deze uitlatingen moeten worden gezien in het licht van de toezeggingen
die ik tijdens het debat heb gedaan en er wordt mee bedoeld dat gelijke
gevallen, gelijk dienen te worden behandeld. Dit is steeds de lijn die ik in
mijn beleid hanteer.
Het tweede onderdeel betreft de vraag of ik een afspraak met de ministerpresident
en vice-premier Zalm heb geschonden toen ik maandag 15 mei
jongstleden de antwoorden op de kamervragen van de heer Nawijn over
mevrouw Ayaan Hirsi Ali naar de Kamer stuurde. Mede namens de
minister-president bericht ik u in antwoord op vraag 2 dat er geen
concrete afspraken zijn gemaakt in het telefoongesprek dat ik op
maandagochtend 15 mei jongstleden met de minister-president voerde.
De minister-president vroeg mijn bijzondere aandacht voor een zorgvuldige
afweging en vroeg mij ervoor zorg te dragen dat goede afstemming
zou plaatsvinden. Eerst na verzending van de brieven aan mevrouw Ayaan
Hirsi Ali en aan de Tweede Kamer terzake de beantwoording van de
vragen van de heer Nawijn heb ik de minister-president geïnformeerd. In
het gesprek op de daaropvolgende dag heb ik de minister-president geïnformeerd
omtrent de toedracht van mijn beslissing en is vastgesteld dat
de afstemming met de minister-president onvoldoende zorgvuldig heeft
plaatsgevonden, zoals door mij in het debat van 16 mei jongstleden met
Uw Kamer is aangegeven. Ook met vice-premier Zalm heb ik gesproken,
ondermeer op maandagavond 15 mei jongstleden. Ook in dat gesprek is
geen afspraak omtrent het tijdstip van verzending van de brief en de
antwoorden op de kamervragen gemaakt.
Ten derde vraagt het lid Halsema of mijn belofte d.d. 19 mei jongstleden,
dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali haar Nederlanderschap behoudt of terugkrijgt,
in de Ministerraad is besproken en of dit staand kabinetsbeleid is. In
de Ministerraad van 19 mei jongstleden is intensief gesproken over de
consequenties van de aangenomen moties tijdens het debat van 16 mei
jongstleden. Uitgangspunt van het recht en dus van het kabinetsbeleid is
dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Mijn uitlating tijdens het
lijsttrekkersdebat van de VVD op 19 mei jongstleden stemt hiermee
overeen.
Zowel het lid Halsema als het lid Nawijn hebben gevraagd naar het door
mij toegezegde feitenrelaas over de gang van zaken in 2002, onder andere
gebaseerd op de memoranda van de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND). In bijlage 21 van deze brief treft u het feitenrelaas aan. Ook de meer
specifieke vragen over de gang van zaken op het ministerie van Justitie
worden hiermee beantwoord.
Vragen vaste commissie voor Justitie
Per brief van 26 mei jongstleden (kenmerkt 06-JUST-B-51), heeft de vaste
commissie voor Justitie naar aanleiding van de naturalisatiekwestie van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali mij verzocht om het volgende:
a. een overzicht van alle zaken van identiteitsfraude in relatie tot naturalisatie
sinds 2000 en de gevolgen daarvan voor betrokkenen;
b. informatie of sinds 2003 een wijziging in het beleid terzake heeft
plaatsgevonden en indien dat het geval is, wat daarvan de gevolgen
zijn geweest;
c. inzicht in de positiebepaling van de Staat bij de uitspraak van de rechtbank
Den Haag d.d. 28 april 2005 waartegen de Staat cassatie heeft
aangetekend;
d. informatie over of er mij op dit moment identiteitsfraudezaken in
relatie tot naturalisatie bekend zijn en welke gevolgen dit voor betrok-
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- kenen heeft.
tiepunt Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 4
Op deze verzoeken zal achtereenvolgens worden ingegaan.
Ad a: een overzicht van alle zaken van identiteitsfraude in relatie tot
naturalisatie sinds 2000 en de gevolgen daarvan voor betrokkenen
In 74 zaken hebben onjuiste identiteitsgegevens geleid tot een (voorlopig
of definitief) oordeel dat geen rechtsgevolg kan worden verbonden aan de
verlening van het Nederlanderschap vanaf 2000. Deze 74 zaken kunnen als
volgt worden onderverdeeld:
• In 11 zaken is een voorlopig oordeel omtrent het Nederlanderschap
toegezonden aan de betrokkene, maar is door de IND nog niet
gekomen tot een definitief oordeel omtrent het Nederlanderschap,
omdat nog wordt gewacht op de zienswijze van de betrokkene, omdat
nog onderzoek plaatsvindt of omdat de zaak wordt aangehouden (zie
ad d);
• In 63 zaken is gekomen tot een definitief oordeel omtrent het Nederlanderschap.
In 58 van deze zaken is definitief geoordeeld dat de betrokkene
geen Nederlander is en in 5 van deze zaken is geconcludeerd dat
de betrokkene wel Nederlander is geworden.
Hierop zijn 22 procedures gevolgd ex artikel 17 van de Rijkswet op het
Nederlanderschap. Deze civielrechtelijke procedure houdt in dat een direct
belanghebbende de rechtbank kan verzoeken vast te stellen of hij al dan
niet Nederlander is. Ik benadruk dat het hier geen bestuursrechtelijke
bezwaar- of beroepsprocedure betreft; de rechter toetst de vraag of de
betrokkene Nederlander is ten volle, niet alleen de rechtmatigheid van de
beslissing. In dit totaal van 22 procedures:
• zijn 15 verzoekschriften afgewezen;
• zijn 2 verzoekschriften toegewezen;
• is 1 verzoekschrift ingetrokken; en
• staan 4 verzoekschriften open.
In 52 gevallen staat derhalve vast dat betrokkene geen Nederlander is
geworden.
Alle voorgaande cijfers betreffen het aantal meerderjarige personen
waarvan is geconcludeerd dat zij het Nederlanderschap wegens het
gebruik van een onjuiste identiteit niet hebben verkregen. In een aantal
gevallen zijn gezinsleden in hetzelfde dossier opgenomen, die in geval
van fraude van de hoofdpersoon ook het Nederlanderschap niet hebben
verkregen. Deze gezinsleden zijn in bovenstaand overzicht niet meegeteld.
Ook de zaak van mevrouw Ayaan Hirsi Ali is niet meegeteld.
In een korte tijd is het merendeel van de zaken boven water gehaald.
Echter, het is mogelijk dat een beperkt aantal zaken aan mijn aandacht is
ontsnapt.
Ten aanzien van de gevolgen voor deze betrokkenen kan ik u het volgende
meedelen. Op grond van de redenering zoals deze is vervat in de
uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2005, die de vaste bestuurspraktijk
steunt, moeten de betrokkenen geacht worden nooit Nederlander
te zijn geworden.
Dat de betrokkenen nooit Nederlander zijn geworden, betekent dat zij
steeds vreemdeling zijn gebleven en dat de Vreemdelingenwet 2000
derhalve bij voortduring op hen van toepassing is geweest.
Er kunnen zich hierbij drie situaties voordoen:
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor onbepaalde duur, kan deze geacht worden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 5
nog altijd voort te bestaan. De IND beziet in deze gevallen of de
verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor bepaalde duur en de geldigheidsduur van
deze verblijfsvergunning is nog niet verstreken, dan kan deze worden
geacht nog steeds voort te bestaan. De IND beziet in deze gevallen of
de verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor bepaalde duur en de geldigheidsduur van
deze verblijfsvergunning is verstreken, dan is de vreemdeling niet
meer in het bezit van die verblijfstitel en verblijft hij onrechtmatig in
Nederland. Een eventueel in te dienen verblijfsaanvraag zal aan de
hand van de merites van het individuele geval beoordeeld worden.
Uiteraard is bij een verblijfsaanvraag van belang dat de identiteit
ondubbelzinnig vaststaat.
Wanneer de betrokken vreemdeling de identiteit heeft rechtgezet met
gebruikmaking van de daarvoor passende documenten en in het bezit is
gesteld van een verblijfsvergunning kan een verzoek om naturalisatie of
een optieverzoek ingediend worden. Wanneer aan alle geldende voorwaarden
voor naturalisatie of optie wordt voldaan kan de betrokken
vreemdeling alsnog worden genaturaliseerd.
Ad b: informatie of sinds 2003 een wijziging in het beleid terzake heeft
plaatsgevonden en indien dat het geval is, wat daar de gevolgen van zijn
geweest
In de wijze waarop met onjuiste identiteit werd omgegaan is geen wijziging
gekomen in 2003 of daarna. Uitgaande van de vaste jurisprudentie
op dit punt is in de in april 2003 herziene Handleiding voor de toepassing
van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegelicht op welke wijze wordt
gehandeld indien is gebleken van de verkrijging van het Nederlanderschap
onder gebruikmaking van een valse identiteit.
Ad c: inzicht in de positiebepaling van de Staat bij de uitspraak van de
rechtbank Den Haag d.d. 28 april 2005 waartegen de Staat cassatie heeft
aangetekend
Op 28 april 2005 geeft de rechtbank ’s-Gravenhage een beschikking op
grond van artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), die
aanmerkelijk afwijkt van de bestendige jurisprudentielijn. Anders dan
voorheen gaat in deze uitspraak de rechtbank uit van het wél hebben
verkregen van het Nederlanderschap bij gebruikmaking van een valse
identiteit. Zij stelt dat de met de invoering van artikel 14, eerste lid, RWN
beoogde rechtszekerheid meebrengt dat het Nederlanderschap van
betrokkene met een beschikking zou moeten worden ingetrokken.
Tegen deze uitspraak is op 27 juli 2005 cassatie aangetekend. Op dat
moment was het de tweede zaak in cassatie; in de andere openstaande
cassatiezaak heeft de Hoge Raad op 11 november 2005 uitspraak gedaan.
In het verzoek van 27 juli 2005 tot cassatie, waarop nog geen uitspraak is
gedaan, voert de Staat aan dat, ook al is duidelijk dat betrokkene de
persoon is die het naturalisatieverzoek heeft ingediend, betrokkene desondanks
niet is genaturaliseerd, indien hij niet onder zijn juiste identiteitsgegevens
staat vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Wel
wordt daarbij de aantekening gemaakt, dat dit niet betekent dat élke
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 6
onjuiste gegevensverstrekking/vermelding op het besluit leidt tot het
zonder rechtsgevolg blijven van het naturalisatiebesluit.
Immers, in iedere administratie kunnen foutieve vermeldingen voorkomen
als gevolg van een vergissing of een verschrijving. Daarbij moet worden
bedacht dat veel namen die op een Koninklijk Besluit worden opgenomen
niet in oorsprong in het Latijnse alfabet zijn geregistreerd (maar bijvoorbeeld
in het Arabisch of het Chinees), zodat deze namen een transcriptie
naar het Latijnse alfabet hebben ondergaan. Het komt hierdoor voor dat
dezelfde naam verschillende transcripties heeft gekregen (bijvoorbeeld de
heer Al Amri is tegelijkertijd ook de heer El Amri1). Om vergissingen te
voorkomen is de Minister van Justitie gemachtigd correcties aan te
brengen in een Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Deze machtiging is
verleend voor het herstel van een aantal kennelijke administratieve
misstellingen in naturalisatiebesluiten die een gevolg zijn van een andere
interpretatie of onoplettendheid bij de vertaling of administratie van de
namen van een persoon. Vanzelfsprekend wordt in deze gevallen er wel
van uitgegaan dat het naturalisatiebesluit rechtsgevolg heeft gehad en
betrokkene het Nederlanderschap heeft verkregen.
Ad d: informatie over of er mij op dit moment identiteitsfraudezaken in
relatie tot naturalisatie bekend zijn en welke gevolgen dit voor
betrokkenen heeft
Naar aanleiding van de eerdergenoemde moties is besloten alle zaken
waarin sprake is van onjuiste persoonsgegevens en waarin nog geen
definitief oordeel is gevormd omtrent het Nederlanderschap, voorlopig
aan te houden, in elk geval tot het onderzoek naar aanleiding van de
toezegging aan het lid Van der Vlies tijdens het debat van 16 mei jongstleden
is afgerond.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M. C. F. Verdonk
1 De namen El Amri of Al Amri is uiteraard
niet de naam van de bij deze zaak betrokken
vreemdeling.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 7
 
FEITENRELAAS OMTRENT ONDERZOEK DOOR DE IND IN 2002
Het feitenrelaas is een chronologische beschrijving, toegespitst op de gang van zaken
rond mevrouw Ayaan Hirsi Ali in 2002 en 2003.
Het feitenrelaas is gebaseerd op drie interne memoranda van het toenmalige Bureau
Bijzondere Zaken van de IND. De drie memoranda dateren van 10 december 2002, 17
december 2002 en 15 januari 2003. Het betreft memoranda opgesteld door een
medewerker van genoemd Bureau, gericht aan het hoofd van dat Bureau. Voor de
betekenis van de memoranda is mede bepalend het doel waarvoor zij geschreven zijn.
Zij documenteren de voortgang en de besluitvorming in deze zaak. Daarnaast is de
context van de totstandkoming van de memoranda mede bepalend voor hun betekenis.
Om die reden is het onderstaande feitenrelaas tevens gebaseerd op het IND-dossier
van betrokkene, op een bespreking met de bij de totstandkoming van de memoranda
betrokken ambtenaren op 23 mei 2006, en op het curriculum vitae van betrokkene op
de site www.parlement.com (uitdraai van 12 mei 2006). Daarnaast is onlangs
informatie ingewonnen bij de toenmalig Hoofddirecteur van de IND, en bij de AIVD.
Feitenrelaas
Op 29 juli 1992 heeft betrokkene in Nederland een verzoek om toelating als
vluchteling ingediend. Bij beschikking van 19 augustus 1992 is betrokkene toegelaten
als vluchteling.
Op 16 mei 1997 heeft betrokkene in de gemeente Leiden een verzoek om naturalisatie
ingediend. Bij Koninklijk Besluit van 21 augustus 1997 is het Nederlanderschap
verleend aan Ali, Ayan Hirsi, met bepaling dat de geslachtsnaam wordt vastgesteld als
“Ali” en de voornamen als “Ayaan Hirsi”.
Op 11 september 2002 gaf betrokkene in het televisieprogramma ‘Barend en Van
Dorp’ aan dat zij bij haar asielaanvraag een onjuiste identiteit heeft opgegeven, aldus
het memorandum van 10 december 2002. In hetzelfde memorandum staat dat volgens
een krantenbericht betrokkene zou zijn genaamd ‘Ayan Mahamoud’.
Vanaf oktober 2002 is betrokkene lid geworden van de VVD.
Op 16 november 2002 werd betrokkene medewerker van de Tweede-Kamerfractie
van de VVD.
Volgens informatie van de bij de totstandkoming van de memoranda betrokken
ambtenaren van Bureau Bijzondere Zaken is op 10 december 2002 de toenmalig
Hoofddirecteur van de IND middels een memorandum van het Bureau Bijzondere
Zaken geattendeerd op de ontwikkelingen rondom betrokkene. Uit het memorandum
van 10 december 2002 komt het volgende naar voren:
· Betrokkene is onlangs geplaatst op de kandidatenlijst van de VVD voor de
Tweede Kamer-verkiezingen;
· Onderkend is dat, wanneer sprake zou zijn van een onjuiste identiteit, dit zou
betekenen dat zij feitelijk niet is genaturaliseerd;
· Er is op dat moment geen andere informatie dan de eigen verklaring van
betrokkene bij ‘Ba rend en Van Dorp’;
· Geadviseerd wordt om betrokkene te doen aanschrijven met het verzoek
duidelijkheid te verschaffen over haar juiste identiteit, om haar om uitleg te
vragen en haar over de eventuele consequenties van de verstrekking van onjuiste
identiteitsgegevens in te lichten. Tevens wordt geadviseerd om, aan de hand van
hetgeen betrokkene alsdan bericht, te bezien of de IND nadere actie moet
ondernemen;
· De AIVD stelt op dat moment met de bij de IND bekende gegevens geen
onderzoek in.
Betrokkene is naar aanleiding van dit memorandum niet daadwerkelijk
aangeschreven.
Blijkens informatie van de AIVD en van de betrokken medewerker bij Bureau
Bijzondere Zaken, en blijkens het memorandum van 17 december 2002, heeft op 16
december 2002 een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het Bureau
Bijzondere Zaken van de IND en twee AIVD medewerkers. Het gesprek ging over
geruchten dat betrokkene onjuiste informatie zou hebben verstrekt en de mogelijke
consequenties daarvan. Volgens de betrokken medewerkers van het Bureau
Bijzondere Zaken is de problematiek rond de identiteit daarbij aan de orde geweest.
De twee AIVD-medewerkers hebben deze gesprekken teruggekoppeld aan de
dienstleiding van de AIVD.
Volgens informatie van de bij de totstandkoming van de memoranda betrokken
ambtenaren van Bureau Bijzondere Zaken is op 17 december 2002 door Bureau
Bijzondere Zaken over deze zaak gesproken met de hoofddirecteur van de IND. Uit
het memorandum van 17 december 2002 kan worden afgeleid dat naar aanleiding van
de signalen in het televisieprogramma ‘Barend en Van Dorp’ en krantenberichten
door de IND het vreemdelingen- en naturalisatiedossier van betrokkene is bezien. Uit
het memorandum komt het volgende naar voren:
· In de asielprocedure zelf zijn geen onregelmatigheden gevonden en is op grond
van de destijds bekende informatie conform het destijds geldende beleid beslist.
Ook in de naturalisatieprocedure zijn geen onregelmatigheden gevonden en is
conform het beleid beslist;
· Indien betrokkene onder een onjuiste of valse naam zou zijn genaturaliseerd, is
zij geen Nederlandse geworden;
· Er zijn inmiddels twijfels ontstaan over het asielrelaas. Betrokkene is door
journalisten hierover bevraagd, maar is onduidelijk gebleven;
· Objectief toetsbare gegevens zijn niet voorhanden en vergen nader onderzoek;
· Als de gegevens met betrekking tot de onjuistheid of valsheid van de naam meer
concreet worden, zal de IND nader onderzoek moeten doen en eventueel moeten
constateren dat het Nederlanderschap niet is verleend aan betrokkene;
· Het moment voor nader onderzoek is nu nog niet aangebroken;
· Op 16 december 2002 is door een medewerker van het toenmalige Bureau
Bijzondere Zaken met de AIVD gesproken over de ontstane situatie.
De dienstleiding van de AIVD heeft de kwestie op 18 december 2002 voorgelegd aan
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in het kader van de taken
van de AIVD met betrekking tot de bescherming van de integriteit van de openbare
sector. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft toen
besloten dat de AIVD – gezien zijn taak op het gebied van bescherming van integriteit
van de openbare sector en conform de nota “De BVD en integriteitsrisico’s met
betrekking tot (kandidaat) politieke ambtsdragers” uit 1998 – de voorzitter van de
VVD zou informeren. Verder was er, gezien de wettelijke taken van de AIVD, geen
aanleiding tot enig onderzoek. Dit is door de AIVD van meet af aan richting de IND
gecommuniceerd.
Het plaatsvervangend Hoofd AIVD heeft op 23 december 2002 de toenmalige
voorzitter van de VVD, de heer B. Eenhoorn, geïnformeerd. Volgens de AIVD lag de
nadruk in het gesprek op mogelijke consequenties voor haar lidmaatschap van de
Tweede Kamer en voor integriteitsrisico’s en op de eigen verantwoordelijkheid van
de partij in deze. De voorzitter van de VVD gaf te kennen deze consequenties
juridisch te laten onderzoeken.
In een verifiërend telefoongesprek op 14 januari 2003 tussen het plaatsvervangend
Hoofd AIVD en de VVD-voorzitter bleek dat de laatste zich had verstaan met de
Kiesraad en dat die geen problemen zag. Daarna is er geen contact meer geweest.
Op 14 januari 2003 is een medewerker van het Bureau Bijzondere Zaken van de IND
door een betrokken AIVD-medewerker geïnformeerd over het gesprek met VVDvoorzitter.
Volgens informatie van de bij de totstandkoming van de memoranda betrokken
ambtenaren van Bureau Bijzondere Zaken is op 15 januari 2003 door het Bureau
Bijzondere Zaken opnieuw over deze zaak gesproken met de toenmalige
Hoofddirecteur van de IND. Uit het memorandum van 15 januari 2003 komt het
volgende naar voren:
· Zowel in de asiel- als in de naturalisatieprocedure is gelet op de op dat moment
beschikbare gegevens juist beslist. Uit het dossieronderzoek in 2002 zijn geen
onregelmatigheden gebleken;
· Bij de AIVD en de IND is geen objectief toetsbare informatie bekend, die tot een
andere conclusie leiden, aldus het memorandum;
· Indien onjuiste informatie zou zijn verstrekt omtrent de reisroute en
gezinssamenstelling, dan heeft dat op zichzelf geen gevolgen voor het
Nederlanderschap;
· Indien onjuiste informatie is verstrekt over de naam, dan heeft dat wel gevolgen
voor het Nederlanderschap. Indien hiervoor alsnog concrete aanwijzingen worden
ontvangen, kan door het Bureau Bijzondere Zaken (in overleg met de ambtelijke
en politieke leiding) actie worden ondernomen;
· De IND heeft van de zijde van de AIVD vernomen dat de AIVD de VVDvoorzitter
heeft geïnformeerd omtrent de bevindingen van het INDdossieronderzoek
en de risico’s1;
· Geconstateerd is dat er ‘op dit moment voor de IND geen aanleiding is stappen
tegen Ayaan Hirsi Ali te ondernemen’.
Op het memorandum heeft het Hoofd van Bureau Bijzondere Zaken met de hand
aangetekend: “Zaak besproken met (toenmalig Hoofddirecteur IND) accoord”.
Het memorandum van 15 januari 2003 maakt geen melding van het informeren van de
minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Voor zover kan worden nagegaan is
de minister destijds niet geïnformeerd. Zoals hierboven aangegeven staat in het
memorandum vermeld, dat zodra er concrete aanwijzingen zijn die aanleiding geven
tot nadere stappen, dit zou gebeuren in overleg met de ambtelijke en politieke leiding.
Op 30 januari 2003 werd betrokkene Tweede-Kamerlid van de VVD.
1 Dit verwijst naar het gesprek op 23 december 2002 tussen de AIVD en de heer
Eenhoorn.
 
Verklaring van mevrouw Ayaan Hirsi Ali
Op 15 mei j.l. heb ik van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een brief
ontvangen waarin mij werd meegedeeld dat de uitlatingen die ik over mijn identiteit heb
gedaan zouden kunnen impliceren dat ik het Nederlanderschap nooit had verkregen.
Deze mededeling was gebaseerd op mijn verklaring, dat ik niet Ayaan Hirsi Ali, maar Ayaan
Hirsi Magan heet. Deze naam is samengesteld uit mijn eigen naam, de naam van mijn vader
en de naam van mijn vader’s vader. Deze wijze van naamsgebruik is in Somalië wettelijk en
traditioneel gangbaar. De naam Magan is ook altijd door mijn vader gevoerd en ik ben met
deze naam opgevoed. Bij mijn asielaanvraag en daarmee ook later bij mijn verzoek tot
naturalisatie, heb ik deze naam echter niet gebruikt. Ik heb, om redenen die er nu niet meer
toe doen, een andere naam gebruikt, te weten de naam Ali. Onder deze naam is mijn vader’s
vader daadwerkelijk geboren, zoals mijn familieleden getuigen. Hij heeft zich pas later Magan
genoemd. Anders dan ik in het verleden soms heb gezegd, hoort de naam Ali dan ook
wezenlijk bij mij. De naam Ayaan Hirsi Ali is de naam die ik naar Somalisch recht en
gewoonte mocht voeren en die daarmee ook uitgangspunt voor de Nederlandse
naamsaanduiding kan zijn. Mijn mededeling, dat ik over mijn identiteit heb gelogen, geeft dus
niet de werkelijkheid weer. Het gaat hier echter om feiten die de minister niet bekend konden
zijn en ik heb er volledig begrip voor, dat zij heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan. Ik betreur
het dat ik haar met mijn mededeling op het verkeerde been heb gezet. Ik zal als Ayaan Hirsi
Ali door het leven gaan.
w.g.
Ayaan Hirsi Ali
26 juni 2006
 
De Nacht van Lousewies
ONGECORRIGEERD STENOGRAM

(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)

*0: TK
*1: 2005-2006
*2: 96
*3: WordXP
*4: 96ste vergadering
*5: Woensdag 28 juni 2006
*6: 10.15 uur

**

Voorzitter: Weisglas

*N

De voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:

Jager, wegens bezigheden elders, voor de middag- en avondvergadering;

Karimi en Van Winsen, wegens verblijf in het buitenland, ook morgen;

Brinkel, wegens ziekte;

Kant, wegens familieomstandigheden.
**

Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen.

*
Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 19.53 uur tot 20.30 uur geschorst.

Voorzitter: Weisglas

*B
*!A. Hirsi Ali*!

Aan de orde is het debat over het kabinetsbesluit inzake de nationaliteit van mevrouw Hirsi Ali, en over:
- de Brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 27 juni 2006 over de naturalisatie van mevrouw Ayaan Hirsi Ali (30559, nr. 6).

De voorzitter: Wij hebben gisteren een spreektijd van vijf minuten per woordvoerder afgesproken. Als het zes minuten wordt, is dat te begrijpen, maar uitgangspunt is dat men zich aan de spreektijden houdt. Anders weten wij nu al hoe verschrikkelijk laat het vanavond wordt. Dat is volgens mij ook niet nodig.
**

*N

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Ik kom zonder inleiding onmiddellijk tot de kern van de kwestie Hirsi Ali. Vooralsnog komt de fractie van GroenLinks tot vijf constateringen. Ik wil van de minister weten of zij deze vijf constateringen kan weerleggen.
1. De minister is onvolledig geweest in de informatie die zij de Kamer op 16 mei 2006 verstrekte.
2. De minister is onzorgvuldig geweest in het onderzoek dat leidde tot de constatering dat Hirsi Ali nooit Nederlandse is geweest.
3. De minister is ontijdig geweest in het naar buiten brengen van deze constatering op 15 mei.
4. De minister is onjuist geweest in de inhoud van die constatering.
5. De minister is onbehoorlijk geweest, door van Hirsi Ali een politieke schuldverklaring te verlangen.
Voorzitter. Sta mij toe deze vijf punten toe te lichten. De minister was in het vorige debat onvolledig, toen zij stelde: "Het enige wat ik wist, was dat er twijfels waren bij haar vluchtverhaal." Uit het feitenrelaas blijkt dat IND-ambtenaren, waarvoor zij politiek verantwoordelijk is, al op 10 december 2002 opschreven dat Hirsi Ali bij Barend en Van Dorp in een uitzending op 11 september 2002 een onjuiste identiteit had opgegeven. In hetzelfde document, het feitenrelaas, staat: "Geadviseerd wordt om betrokkene te doen aanschrijven, met het verzoek duidelijkheid te verschaffen over haar identiteit, om haar om uitleg te vragen en haar over de eventuele consequenties van de verstrekking van onjuiste identiteitsgegevens" ...

De heer Van As (LPF): Voorzitter. Ik heb een feitelijke vraag.

De Voorzitter: Nee, ik bepaal dat mevrouw Halsema eerst haar toelichting op het eerste punt afmaakt.
**

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat was het advies van de IND. Opmerkelijk is dat betrokkene, mevrouw Hirsi Ali, destijds, in 2002, niet is aangeschreven door de IND. Wie nam eigenlijk dat besluit?
Nog opmerkelijker is dat deze procedure, namelijk het vragen van inlichtingen als er twijfels zijn over de identiteit, een standaardprocedure van de IND, niet alsnog is toegepast na de Zembla-uitzending van donderdag 11 mei 2006. Dat brengt mij tot mijn tweede constatering.

De voorzitter: Nu mevrouw Halsema aan haar tweede constatering komt, stel ik de heer Van As in de gelegenheid zijn vraag te stellen.
**

De heer Van As(LPF): Voorzitter. Nu wij het toch over feiten hebben: daar is mevrouw Halsema erg scherp in; althans dat hoop ik. Wie was er op 10 december 2002 minister?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Nawijn.

De heer Van As (LPF): Precies. Waarom spreekt mevrouw Halsema de huidige minister aan op dingen die gebeurden toen zij nog niet eens minister was?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De ministeriële verantwoordelijkheid werkt nu eenmaal zo dat kennis die voorhanden is geweest bij IND-ambtenaren vanaf eind 2002 behoort tot de kennis van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Op haar departement, bij haar ambtenaren, bij de IND, is die informatie aanwezig geweest vanaf 2002. Dat betekent dat de minister verantwoordelijk is voor die informatie. Een interessante vraag is overigens waarom de heer Nawijn destijds al niet, als minister, een onderzoek heeft ingesteld.

De heer Van As (LPF): Misschien is het goed dat de heer Nawijn daar dadelijk zelf antwoord op geeft.

De voorzitter: Hij heeft een termijn.
**

De heer Van As (LPF): Ik kom ook wel even terug op dit punt.

De voorzitter: Mevrouw Halsema gaat door met haar toelichting op haar tweede punt.
**

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De tweede constatering is dat de minister in haar onderzoek onzorgvuldig is geweest. Waarom is zij afgeweken van de standaardprocedure? Nu was plotseling de uitspraak in Zembla voldoende om vooralsnog tot het oordeel te komen dat Hirsi Ali nooit Nederlandse is geweest. Waarom telde die uitzending van Zembla zo zwaar? Ik heb hier een lijst van negen publicaties tussen de uitzending van Barend en Van Dorp in 2002 en Zembla in 2006 waarin Hirsi Ali zegt te hebben gelogen over haar identiteit en/of waarin de naam Magan opduikt. Is dat in die twee dagen onderzoek niet ook door de minister geconstateerd?
Zwaarder weegt voor mijn fractie nog dat de minister binnen een dag na 15 mei had kunnen weten dat de grootvader van Hirsi Ali bij geboorte Ali heette, als zij de moeite had gedaan om zelf navraag te doen bij mevrouw Hirsi Ali. Want op 16 mei, een dag na het zo omstreden besluit, komt Hirsi Ali met een verklaring, als toelichting op haar vertrek uit de Kamer. Uit de Engelse versie van die persverklaring komt het volgende citaat:
"And I was frightened that if I gave my real name, my clan would hunt me down and find me. So I chose a name that I thought I could disappear with – the real name of my grandfather, who was given the birth-name Ali."
De minister is dus onzorgvuldig geweest door niet eerst, zoals gebruikelijk, mevrouw Hirsi Ali om opheldering te vragen. Zij heeft gelijke gevallen dus niet gelijk behandeld. Die onzorgvuldigheid leidde, ten derde, tot het ontijdig naar buiten brengen van de constatering dat Hirsi Ali nooit Nederlandse is geweest. Op zijn minst een dag langer wachten en in alle rust contact opnemen met Hirsi Ali had een enorme commotie, haar aftreden en de internationale imagoschade voor Nederland, kunnen voorkomen. De minister erkent in haar brief nu wel dat de afstemming met de premier onvoldoende zorgvuldig is geweest, maar waarom niet ook andere fouten erkennen? Hoe kan het eigenlijk dat de premier in een Netwerk-uitzending van donderdag 18 mei 2006 letterlijk zegt: "Ik kreeg te horen: er zal geen brief uitgaan". De minister berichtte in de brief aan de Kamer mede namens de premier dat er op 15 mei nooit concrete afspraken zijn gemaakt. Ik verzoek om een gedetailleerde reconstructie van die dag en de besluitvorming die heeft plaatsgevonden in het overleg tussen de premier en de minister.
Sinds gisteren weten wij definitief dat de constatering van de minister over het Nederlanderschap onjuist was. Beide partijen, minister en Hirsi Ali, trekken de identieke conclusie dat haar grootvader bij de geboorte de naam Ali droeg en dat zij gerechtigd is die te dragen. Nu voor beide partijen deze onderbouwing acceptabel wordt bevonden, zullen wij nooit weten wat de rechter geoordeeld zou hebben.
Mij interesseert eerlijk gezegd eigenlijk vooral wat dit betekent voor vergelijkbare gevallen. Is de minister met mij van mening dat opnieuw naar alle gevallen gekeken moet worden, de 58 mensen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken en de 11 mensen die nog in behandeling zijn? Hoeveel kinderen moeten wij daar nog bij optellen? Is de minister het met mij eens dat er een nieuwe kans moet zijn op het terugkrijgen van het Nederlanderschap, bijvoorbeeld voor de Dominicaanse moeder met twee kinderen die gelogen zou hebben over haar achternaam, terwijl in de Dominicaanse republiek volgens het Spaanse naamrecht de familie onder twee achternamen bekend stond? Of wat te denken van de Iraanse man wiens roepnaam Reza is, maar de officiële voornaam Alireza? Door de omrekening van de islamitische jaartelling is een rekenfout gemaakt. De gemeenteambtenaar die de zaak beoordeelde zag geen probleem, maar de IND trok op gezag van de minister zijn Nederlanderschap en zijn verblijfsvergunning in.
Ten vijfde vind ik dat de minister onbehoorlijk is geweest. Zonder enige juridische noodzaak heeft zij van mevrouw Hirsi Ali verlangd dat zij een door de Staat opgestelde verklaring ondertekende. Daar waar juridische overeenstemming is, is geen andere dan een politieke reden denkbaar om dit te wensen: het dekken van de aftocht. Hoe bestaat het dat aan het behouden van een paspoort een prijskaartje wordt gehangen, in de vorm van een schuldverklaring, een aflaat voor de minister? De minister erkent zelf zowel in haar brief, op pagina 3, als bij Nova, gisteravond, dat de verklaring heeft meegewogen in haar beslissing over het Nederlanderschap. Hoe beoordeelt de minister-president deze verklaring, het onzekere moment waarop deze aan Hirsi Ali is voorgelegd ter ondertekening en de rol die de verklaring heeft gespeeld in de uiteindelijke beslissing door de minister?
Tot slot: dit gedrag en deze fouten kunnen, als zij niet grondig en overtuigend worden weerlegd, niet zonder politieke gevolgen blijven. Maar wat gebeurt er? Het kabinet, de premier voorop, neemt tot dusverre de volledige verantwoordelijkheid voor een minister die het eigen falen lijkt te willen toedekken en alle schuld verschuift naar degene die afhankelijk was van haar beslissing. Wat vindt de premier hier eigenlijk van? Is dit het nieuwe boegbeeld in de normen en waardencampagne? Wat vindt de VVD, die wel degelijk al die jaren op de hoogte was? Minister Zalm was op de hoogte, minister Remkes was op de hoogte. Wat vindt de fractie van de VVD ervan dat de minister haar voormalige collega zo offert voor de politieke geloofwaardigheid?

*N

De heer Wilders (Groep Wilders): Mijnheer de voorzitter. De kwestie Hirsi Ali wordt een steeds beschamender vertoning, een politiek spel van leugens en bedrog en politieke manipulatie. Er wordt gelogen over een naam, maar die leugen wordt met het Somalische wetboek in de hand achteraf goedgepraat. Er wordt gelogen over een geboortedatum, maar dat wordt ineens als onbelangrijk onder het tapijt geveegd. Er wordt onder druk een schuldbekentenis ondertekend, om het gezicht te redden van een zwabberende minister, met als tegenprestatie dat het Nederlandse paspoort mag worden behouden.
Tegelijkertijd zegt de een dat de ander overal de schuld van is en zegt de ander dat de een nog veel moet bijleren in de politiek. En dan zijn er nog andere ministers die, naar nu blijkt, wel degelijk van die eerdere leugens hebben geweten, maar er niets mee hebben gedaan, omdat zij dachten dat het allemaal niet zo'n vaart zou lopen.
Het is een gênante vertoning die, inderdaad, collega Bos, een bananenrepubliek niet zou misstaan. Dit soort zaken is de reden dat de mensen zich in grote massa's van de politiek afkeren. De mensen willen dat wij ons hier vooral bezighouden met het oplossen van hun problemen in de zorg, het geweld op straat, de criminaliteit, het onderwijs en ga zo maar door. Maar nee, het is een slechte soap, de ruzie tussen mevrouw Verdonk en mevrouw Hirsi Ali, waarop wij de mensen ook vanavond weer trakteren.
Ik ga even terug naar het debat van 16 mei. De Kamer heeft toen over de kwestie Hirsi Ali moties aangenomen die erop neerkwamen dat de regering nader onderzoek zou moeten doen naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden om tot een meer zorgvuldige besluitvorming te komen. Ook ik heb die moties gesteund, omdat de besluitvorming inderdaad -- ik druk mij nog voorzichtig uit -- toen al alles behalve zorgvuldig was. De brief die wij gisteren van de regering hebben ontvangen getuigt niet van meer zorgvuldigheid, maar is het gevolg van een uitkomst die er in politieke zin blijkbaar koste wat kost moest komen. Een flinterdunne juridische uitleg moet een politieke uitkomst maskeren.
De regering heeft als uitgangspunt genomen dat mevrouw Hirsi Ali sowieso koste wat kost Nederlandse moest blijven en heeft daar vervolgens zes weken lang argumenten bij gezocht. Dat is natuurlijk niet zoals het moet.
Laat ik een paar punten die ik al eerder noemde nader bespreken, om te beginnen de naam Ali. De minister verwijst naar de Somalische wet, de Codice civile Somalo. Je moet er maar opkomen; veel gekker kan het toch niet worden? Wij gaan Somalisch recht toepassen in Nederland. Is dat trouwens eerder gebeurd? Omdat je volgens Somalisch recht de naam van de vader van je vader mag gebruiken, mag dat hier nu ook, zelfs als je achteraf toegeeft dat je gelogen hebt. Mij dunkt, in Nederland gelden Nederlandse regels en geen andere, en dus ook geen Somalische. Maar zelfs als wij al zouden meegaan in de redenering dat je volgens het Somalische recht de naam van je voorvaders mag dragen, blijkt die in het geval Hirsi Ali niet uit de registers ter plaatse, maar slechts uit verklaringen van familieleden, die natuurlijk niet de meest objectieve getuigen zijn. Volgens een aantal hoogleraren die aan het woord komen in een avondkrant van vandaag, worden getuigenverklaringen van familieleden in migratierecht dan ook nooit als bewijs geaccepteerd. Waarom nu ineens wel? En wat betekent dat voor vergelijkbare gevallen? De regering betreedt hiermee een heilloze en dus verkeerde weg.
Dan het geboortejaar: mevrouw Hirsi Ali heeft bij haar naturalisatieverzoek opgegeven in 1967 geboren te zijn, terwijl zij in werkelijkheid in 1969 geboren is.
In de brief zegt het kabinet daarover nu ineens dat dit onvoldoende reden is om de identificatie van mevrouw Hirsi Ali, en dus ook de naturalisatie, in twijfel te trekken. Hoe is dat mogelijk? Liegen loont dus. Is dit zorgvuldig? Voorzitter, ik dacht het niet. Vanaf vandaag weet de gehele wereld dat liegen in Nederland over je geboortejaar mag en zonder gevolgen blijft.
Dan kom ik bij de verklaring van mevrouw Hirsi Ali zelf. Ik begrijp dat zij die heeft getekend om er maar vanaf te zijn. Maar wij weten inmiddels allemaal, en ik citeer haar, dat zij liever een andere verklaring had ondertekend. Passages uit de verklaring van mevrouw Hirsi Ali komen nu dan ook in een heel ander daglicht te staan. Zoals waar zij zegt volledig begrip te hebben voor het feit dat minister Verdonk heeft gehandeld zoals zij heeft gehandeld, en dat zij het betreurt dat zij de minister op het verkeerde been heeft gezet. In normaal Nederlands: hier klopt geen biet van.
Nog geen dag na de ondertekening van die verklaring, zegt mevrouw Hirsi Ali zelf dat zij de verklaring liever anders had gezien, dat zij liever een andere verklaring had ondertekend, dat zij moeite heeft met wat er in die verklaring staat en dat die niet meer dan een politiek compromis is dat onder druk is ondertekend. De deal was: de een de verklaring en een niet al te groot gezichtsverlies, de ander het paspoort.
Voorzitter, ik eindig mijn inbreng zoals ik hem begon: het is een beschamende vertoning. Ik heb slechts één verzoek aan het kabinet: houdt u alstublieft op met dit soort ongein, want u maakt de politiek hiermee ongeloofwaardig. Niemand in dit huis misgunt mevrouw Hirsi Ali een prachtige toekomst in de Verenigde Staten en ik misgun haar dat al helemaal niet. Maar de feiten en de flinterdunne argumenten van dit kabinet kunnen maar tot één conclusie leiden: het kabinetsbesluit dat mevrouw Hirsi Ali toch de Nederlandse nationaliteit behoudt, is een verkeerd besluit.

*N
De heer De Wit (SP): Voorzitter.
Ter voorbereiding van het debat heb ik het stenografisch verslag van het debat van 16 mei jl. nog eens doorgenomen. Zeker in combinatie met de brief die wij gisteren van de minister mochten ontvangen, biedt het verslag een intrigerend beeld van het gedraai, gemarchandeer en geritsel om een politiek probleem op te lossen dat deze minister in haar zucht naar dadendrang en duidelijkheid grotendeels zelf heeft gecreëerd. Centraal in het betoog van de minister stond: ik heb buitengewoon zorgvuldig onderzoek gedaan en dat leidde maar tot één conclusie: mevrouw Hirsi Ali is nooit Nederlandse geweest.
Feitelijk is de minister bij het vorige debat al door de knieën gegaan. Dat deed zij door een motie te aanvaarden die uitsprak dat zij ruimte had om bijzondere omstandigheden te wegen die zouden kunnen leiden tot de constatering dat Hirsi Ali wel degelijk de Nederlandse nationaliteit heeft verworven. En dat terwijl zij daarvoor in een zes uur durend debat had volgehouden dat zij die ruimte niet had. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er dan een brief komt, waarin staat dat die bijzondere omstandigheden bij nader inzien wel degelijk blijken te bestaan. Opvallend is dat de minister het niet zo noemt. Klaarblijkelijk wil zij de Kamer doen geloven dat zij ook zonder die motie met duidelijke opdracht tot deze conclusie zou zijn gekomen. Nou, dat lijkt mij niet.
De verklaring van mevrouw Hirsi Ali die bij de brief van gisteren is gevoegd, komt kort samengevat neer op de mededeling: ik had niet door dat ik eigenlijk niet loog over mijn naam, en dus kon de minister er helemaal niks aan doen dat zij in sneltreinvaart constateerde dat ik geen Nederlandse was. Dat is een verklaring die juridisch gezien volstrekt irrelevant is voor het oordeel van de minister over de nationaliteit van Hirsi Ali, en die is dus puur om politieke redenen opgesteld.
Als mevrouw Hirsi Ali de schuld op zich neemt voor de blamage die deze discussie voor Nederland heeft opgeleverd, kan de Kamer de minister niet veel meer verwijten, zo schijnt de redenering te zijn.
Hirshi Ali heeft inmiddels verklaard, dat zij die verklaring onder druk heeft afgelegd en dat zij eigenlijk niet meende wat zij heeft gezegd. Zij was bereid om mee te helpen het straatje van de minister schoon te vegen, omdat zij daarvoor werd beloond met een snelle afhandeling van deze zaak. Voor wat hoort wat. Een deal, zoals zij het zelf noemt. Mijn fractie neemt deze gang van zaken zeer hoog op. Het moge duidelijk zijn dat de verklaring van mevrouw Hirshi Ali wat mijn fractie betreft niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de minister voor haar keuzes en optreden in deze zaak. Dat optreden vonden wij bedroevend en dat vinden wij bedroevend. Het gedoe rond de verklaring heeft ons oordeel alleen maar negatiever gemaakt.
De belangrijkste conclusie uit de brief van gisteren is dat Ayaan Hirshi Ali een geldig Nederlands paspoort heeft en dat zij Nederlandse is geworden. De minister komt niet tot die conclusie op grond van documenten, maar op grond van verklaringen van familieleden van Hirshi Ali. Omdat er voor het probleem rond de naam een uitkomst is bedacht, vindt de minister de valse geboortedatum niet meer zo erg. Laten wij eerlijk zijn. Het bewijs voor de stelling dat Hirshi Ali terecht deze naam heeft opgegeven in plaats van de naam Hirshi Magan bij haar naturalisatie is zo dun, dat je erdoorheen kunt kijken. Is dat erg? Dat hangt ervan af. Hoewel het zeker beter zou zijn als iedereen bij naturalisatie een volledig correcte naam opgeeft, hoeft een fout of vergissing wat de SP betreft niet altijd fataal te zijn. Maatwerk is hier geboden. Wij verwachten wel dat nu alle personen die bij hun asielaanvraag of naturalisatie dwalen of verkeerd verklaren omtrent hun naam of leeftijd met hetzelfde begrip en dezelfde coulance als Ayaan Hirshi Ali zullen worden behandeld. In deze zaak heeft de minister zich door de gemachtigden van mevrouw Hirshi Ali laten overtuigen dat haar eerdere constatering niet deugde.
Asieladvocaten hebben ons gemeld dat er gevallen zijn waarbij betrokkenen niet eens een termijn krijgen om te reageren op een voornemen tot nietigverklaring. Voor hen rest alleen nog een procedure bij de rechtbank op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Kan de minister hier klip en klaar toezeggen dat in alle gevallen waarin een voornemen tot nietigverklaring aan de orde is, betrokkenen een termijn krijgen om te reageren? Kan de minister hier toezeggen dat in alle gevallen waarin dat niet is gebeurd, die termijn alsnog wordt geboden?
Dan de rol van de verklaringen van familieleden van mevrouw Hirshi Ali. Doorgaans wordt door de IND aan een verklaring van familieleden over gebruikte namen geen enkele waarde gehecht. De standaard afwijzende formulering luidt dat de IND niet de waarde toekent aan de verklaring die de betrokkene daaraan toegekend wil zien. In deze zaak berust de hele redenering van de minister op verklaringen van de familie, zelfs tegen de officiële registers van Kenia in, waar de naam van de familie immers geregistreerd staat als Magan. Is de minister bereid toe te zeggen dat verklaringen van familieleden voortaan wel doorslaggevend kunnen zijn als bewijs voor een gebruikte naam, ook al ontbreken officiële papieren of luiden die zelfs anders? Dat zou ook veel uitmaken voor alle mensen in Nederland die niet kunnen worden genaturaliseerd, omdat hun land van herkomst niet over geboortenregisters beschikt, of die registers als niet betrouwbaar worden beoordeeld door Nederland.
De minister vindt de geboortedatum niet zo belangrijk. Prima, maar dan spreken wij af dat dat voortaan voor iedereen geldt. Als Hirshi Ali zichzelf zonder consequenties twee jaar ouder mag maken dan zij is, moeten wij dat ook gunnen aan iedereen die in een soortgelijke situatie verkeert. Dan moeten wij diezelfde marge hanteren en dan hangen wij niet meer de complete geloofwaardigheid van een asielverhaal, zoals meestal bij minderjarige asielzoekers, op aan een onjuiste datum. Mijn fractie heeft in het eerste debat over deze zaak gevraagd om ruimhartigheid voor iedereen in een vergelijkbare situatie als Ayaan Hirshi Ali, mensen die hier al jaren zijn, die hier een leven hebben opgebouwd en die keihard worden geconfronteerd met de consequentie van wat kleine misstappen zijn geweest, die soms niet eens bewust zijn gezet.
Ik heb bijna alle partijen zes weken geleden horen roepen dat de Kamer echt niet bezig was om een uitzondering te maken voor een bekende Nederlander en dat niet tegelijkertijd alle onbekenden zouden mogen wegzinken. Ik mag het hopen. Deze minister gelooft in “regels zijn regels”. Gelooft zij ook in “gelijke monniken, gelijke kappen”, of is iedereen gelijk, maar zijn Kamerleden meer gelijk dan anderen? De minister en de Kamer kunnen alleen aan een terechte beschuldiging van klassenjustitie ontkomen, als er vanaf nu in het licht van de zaak Hirshi Ali drastisch anders wordt omgegaan met het vreemdelingenrecht. Niet meer meedogenloos, zonder aanzien des persoons, maar met begrip voor omstandigheden en menselijke fouten en even oplossingsgericht als de minister in deze zaak, zij het onder hevige politieke druk, te werk is gegaan.
*N

De heer Van As (LPF): Voorzitter. De discussie rondom mevrouw Ayaan Hirsi Ali was in mijn gedachtegang eigenlijk een soap. Na de inbreng van de heer Wilders, waarin ik mij goed kan vinden, wordt het eigenlijk een soort drama in twee bedrijven. Het eerste bedrijf heeft al plaatsgevonden, het tweede komt vanavond.
Wat is hier aan de hand? Wat zich hier voltrekt, is eigenlijk te gek voor woorden. Wij praten over een voormalige lid van de Tweede Kamer dat door deze minister c.q. het kabinet met alle égards is en wordt behandeld. Ik ga er althans van uit dat het kabinet met één mond spreekt. Vorige keer was dat iets minder het geval. Minister Donner durfde eigenlijk zijn mond niet open te doen. Nu zit de premier hier en ik hoop ook van hem duidelijkheid in deze zaak te krijgen.
Het gaat om iemand die nota bene op grond van list en bedrog -- leugens over de naam, over de geboortedatum, over het land van herkomst -- een Nederlands paspoort heeft gekregen. De top van de VVD en ook minister Remkes en minister Zalm waren volledig op de hoogte van wat zich voltrokken heeft. De VVD dacht na het verkiezingsechec van 2002 een gouden kalf te hebben binnengehaald. De zaak moest maar even op persoonlijke wijze worden geritseld.
Het verbaast ons in hoge mate dat deze minister, nadat zij de vorige keer in deze Kamer behoorlijk terechtgewezen is, de zaak nu op deze manier afdoet: behoud van paspoort et cetera. Ik was het overigens niet eens met die terechtwijzing, want ik vond dat de minister vrij snel had gereageerd. Mij is gebleken dat de minister in een dodelijke omarming tussen de Kamer en het kabinet zit. Het is te gek voor woorden.
Als een en ander nu zo gemakkelijk via Somalisch recht geregeld kan worden, waarom is dan destijds zo overhaast gereageerd? Waarom heeft de minister destijds geoordeeld dat Somalisch recht niet in Nederland aangehouden kon worden en waarom kan dat nu wel? Ook deze minister begint te draaien. Waarom heeft de IND niet gereageerd toen bleek dat er onduidelijkheid bestond over de ware naam en leeftijd van Ayaan? Mevrouw Halsema heeft erop gewezen. Ik hoop dat de heer Nawijn in zijn verhaal ook ingaat op de wijze waarop dat in 2002 is gebeurd. Hoe kan het eigenlijk dat de IND en de minister pas aan deze zaak zijn gaan werken nadat een actualiteitenprogramma het oude verhaal heeft opgerakeld?
Het gedoe over de naam is nu wel duidelijk, maar waarom telt het feit dat de geboortedatum nog steeds niet klopt -- zelfs in Somalisch recht is een geboortedatum een geboortedatum -- nu niet mee in de overweging? De uitkomst is dat het Somalisch recht kennelijk ook een werking heeft in de Nederlandse samenleving. Dat is op zichzelf al bizar.
Waarom was de ondertekende verklaring van Ayaan nodig? Het recht geldt of het geldt niet, maar het geldt in ieder geval niet voorwaardelijk. Klopt het eigenlijk minister, dat deze verklaring ondertekend moest worden voordat de beslissing over een nieuw paspoort genomen kon worden, of staat dat er los van?
Natuurlijk blijft er ook een aantal vragen bij het gedrag van mevrouw Ayaan Hirsi Ali. Wij blijven van mening dat ook bij haar verwijtbaar gedrag aantoonbaar is. Wij vinden het bizar dat iemand een verklaring ondertekent waarmee feitelijk wordt aangegeven dat zij eerder gelogen heeft. Dat is de draai die ook de heer Borst eraan heeft gegeven. Het probleem van de gelogen leeftijd blijft bestaan. Hoe dacht de minister dit te verklaren en hoe wil zij in het kader van het gelijkheidsbeginsel andere gevallen behandelen? Ik heb de minister een brief geschreven over iemand uit Iran die de naam Ali Resa van kinds af aan hanteerde plus een geboortedatum gebaseerd op de Iraanse jaartelling. Dit is door de IND verkeerd vertaald en betrokkene is op 6 maart van dit jaar afgewezen op grond van het arrest van de Hoge Raad. Het verbaast ons in hoge mate dat het kabinet nu ineens met een heel ander verhaal komt. Ik vraag mij af wat dan nog de zin is van een arrest van de Hoge Raad. De rechterlijke macht is immers het hoogste rechtsorgaan in ons land. Als die een uitspraak heeft gedaan, moet men zich daaraan houden, tenzij de wet wordt gewijzigd.
Ik heb de minister vragen gesteld over dit vergelijkbare geval en indertijd ook over de zaak Gümüs, waarbij die mensen gewoon het land zijn uitgewezen.
Zo zijn er nog tig gevallen te noemen. Zoiets riekt gewoon naar klassenjustitie, naar gelegenheidspolitiek of naar gelegenheidswetgeving. Op welke manier denkt het kabinet en in het bijzonder de minister-president deze handelwijze te kunnen verantwoorden, mede gelet op het feit dat deze minister-president het in acht nemen van normen en waarden hoog in het vaandel heeft? Onze fractie heeft dat trouwens ook, maar wij kunnen voor deze gang van zaken geen verklaring geven. Wij zijn verbaasd.
Wanneer is een fout belangrijk genoeg om daaraan de consequentie te verbinden dat het Nederlanderschap komt te vervallen? Dit is een interessante vraag. Hoe zal de minister namelijk handelen in alle andere gevallen waarin een fout is gemaakt? De vorige keer hebben wij gezegd waarde te hechten aan het gelijkheidsbeginsel. Wij vinden dat voor eenieder in dit land de wet van toepassing is. Ook mevrouw Hirsi Ali staat niet naast of boven de wet. Zij dient daarom op dezelfde wijze te worden behandeld als ieder andere burger of als ieder ander die zich voor vestiging in ons land meldt.
Voorzitter. Welke waarborgen zijn er dat geen vertaalfouten worden gemaakt? Die fouten blijken steeds weer de kop op te steken. Ook nu wordt door de minister hieraan heel gemakkelijk voorbijgegaan. Wij kunnen dat niet rijmen met haar taak. Wij eisen van deze minister dan ook een behoorlijke verklaring. Wij willen vernemen op grond waarvan zij tot haar oordeel is gekomen.

*N

De heer Nawijn (Groep Nawijn): Mijnheer de voorzitter. De leugen regeert. Of: regeert de leugen? Aan deze vraag doet deze kwestie denken. U of de Nederlandse bevolking mag het zeggen. Aan alle kanten druipt het ervan af: met een leugen krijgen andere gevallen waarbij een leugen lijkt te zijn begaan weer de aandacht. De inhoud van de brief van de minister van 27 juni 2006 is verbazingwekkend. Na de fantastische, standvastige houding van de minister in het debat van 16 mei maakt de minister nu een draai van 180 graden. Terecht zei de minister op 16 mei jl. dat identiteitsfraude bij naturalisatie betekent dat het verlenen van het Nederlanderschap niet heeft plaatsgevonden. Immers, de vraag is wie nou eigenlijk is genaturaliseerd? Is dat Ayaan Hirsi Ali, geboren op 13 november 1967, of is dat: Ayaan Hirsi Magan, geboren op 13 november 1969? Volgens het Koninklijk besluit van 1997 is de eerste persoon genaturaliseerd, maar die schijnt niet te bestaan. Dus niet genaturaliseerd is: Ayaan Hirsi Magan, geboren op 13 november 1969, maar zij is nu juist de persoon waarvan vaststaat dat zij lid van deze Kamer is geweest.
De minister verdedigde op 16 mei terecht de stelling dat bij identiteitsfraude geen beroep kan worden gedaan op bijzondere omstandigheden. Dat kwam en komt overeen met het gestelde in de wet en met de jurisprudentie. De minister zei dit dus ondanks het feit dat de overgrote meerderheid van deze Kamer er, naar mijn mening: ten onrechte, anders over dacht. Maar wat doet de minister nu? Zij doet niet wat de Kamer heeft gevraagd, namelijk de bijzondere omstandigheden laten meewegen, maar zij stelt dat geen sprake is van identiteitsfraude, gelet op het Somalische familierecht en gelet op enkele verklaringen van familieleden. Sinds wanneer houdt het immigratie- en naturalisatierecht rekening met het recht van het land van herkomst? Ik heb dat niet meegemaakt zolang ik met immigratie bezig ben geweest. De regel is namelijk altijd: het Nederlandse recht komt eerst, dat geldt.
Ik meen verder dat de minister zich nu op een zeer glibberig pad bevindt. Stel dat het volgens het recht mogelijk is om een heel andere naam te dragen. Hoe moeten wij met dat recht dan omgaan? Hoeveel vreemdelingen in Nederlanders hebben niet dezelfde naam? Velen, en daarom is de geboortedatum erg belangrijk. Bij het noemen van die datum is gelogen. Echter, blijkens haar brief neemt de minister dat op de koop toe. Het gaat immers om de vaststelling van de ware identiteit van de betrokken vreemdeling. Daarvoor is nodig: de juiste naam, de juiste geboortedatum, de juiste geboorteplaats en alle andere identiteitsgegevens.
Op grond van onze wetgeving is het in het geval iemand een verkeerde naam en geboortedatum heeft opgegeven mogelijk om bij de rechter om wijziging van die naam en geboortedatum te vragen. Dan moet je wel belangrijke redenen hebben voor het feit dat je een andere naam en andere geboortedatum hebt opgegeven. Uit ervaring kan ik u vertellen dat die procedure zeer zwaar is. De rechter wil namelijk een zeer valabele reden horen voor het veranderen van de naam, de geboortedatum of een ander identiteitsgegeven.
Het is dan ook onbegrijpelijk. De minister laadt nu heel sterk de verdenking op zich dat zij niet handelt op juridische gronden, maar onder politieke druk van de meerderheid van deze Kamer en vooral onder grote druk van haar eigen partij. Dat is heel gevaarlijk. Wet en recht worden overboord gezet onder politieke druk. Geldt ook hier niet "gelijke monniken gelijke kappen"? Aan Ayaan Hirsi Magan, geboren op 13 november 1969, is het Nederlanderschap niet verleend. Het is dan ook terecht dat haar paspoort is of wordt ingetrokken. Zij is geen uitzondering op de vele anderen die hetzelfde is overkomen.
De VVD heeft uitermate veel boter op het hoofd, als ik de stukken en ook de brief van de minister lees. De VVD krijgt de zaak als een boemerang keihard terug. De voorzitter van de VVD wist in december 2002, januari 2003 wat er aan de hand was. De toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is naar mijn mening ten onrechte niet op de hoogte gesteld. Mijnheer Verhagen, het is maar dat u het weet: de minister die er toen zat, is niet op de hoogte gesteld. Dat blijkt ook uit de brief van minister Verdonk. Maar de minister van Binnenlandse Zaken wist het wel. Het had uit collegiaal oogpunt voor de hand gelegen dat ook de minister voor Vreemdelingenzaken op de hoogte was gesteld, want dan was de zaak anders gelopen; dat kan ik u verzekeren. Dan was Ayaan Hirsi Ali het Nederlanderschap toen al kwijtgeraakt. Ik vind dat toch heel ernstig. Ik vraag de minister-president hoe men naar zijn mening in de collegiale verhoudingen in een kabinet met elkaar moet omgaan.
Ik wil de minister twee vragen stellen. In hoeveel naturalisatiezaken is in de afgelopen jaren rekening gehouden met het familierecht in het land van herkomst?
Ook komt de vraag stevig terug hoe zij precedentwerking van deze beslissing voorkomt. Daar ben ik zeer benieuwd naar. Ik denk dat vele zaken opnieuw aan de orde zullen worden gesteld. Op zichzelf geef ik de advocaten van de betrokken vreemdelingen geen ongelijk. Ik denk dat het een mission impossible is voor deze minister, maar ik wacht haar antwoord af.

*N

De heer Verhagen (CDA): Voorzitter. De kwestie waaraan wij vandaag wederom een debat wijden lijkt wel op het WK voetbal. Daar worden ook vele wedstrijden beroerd gespeeld, maar uiteindelijk telt het resultaat of een ploeg doorgaat. Welnu, ook deze wedstrijd was niet om aan te zien, maar de CDA-fractie is tevreden met de uitkomst. Wij moeten van daadkracht geen karikatuur maken, zo zei ik tijdens het debat dat wij in mei hebben gehouden over het Nederlanderschap van mevrouw Hirsi Ali. Die woorden werden eens te meer bevestigd toen wij gisteren het bericht kregen dat Ayaan Hirsi Ali Nederlander was, is en blijft.
In het debat in mei constateerde ik al dat het besluit van minister Verdonk dat Ayaan Hirsi Ali niet geacht werd rechtmatig het Nederlanderschap te hebben verworven te snel en onzorgvuldig is genomen en te vroeg bekend is gemaakt. Wij vonden destijds dat de minister niet onvermijdelijk tot dat besluit had hoeven te komen. Als de minister niet binnen 48 uur haar besluit publiek had gemaakt, als zij voldoende had afgestemd met de minister-president en het kabinet en als zij de termijn van zes weken had gebruikt voor zorgvuldig onderzoek inclusief het weerwoord van Ayaan Hirsi Ali, dan was deze poppenkast niet nodig geweest. Maar dat was het vorige debat. Ik heb dat debat toen afgesloten met een breed gedragen motie, waarmee wij van de minister eisten de feiten alsnog zorgvuldig te onderzoeken en de ruimte te gebruiken die de wet biedt. Als wij de minister niet met deze motie tot nader onderzoek hadden aangezet, dan was deze uitkomst er waarschijnlijk niet gekomen.
Wij hebben er in mei tien uur over gedebatteerd en ik heb geen zin die tien uur vanavond dunnetjes over te doen, maar er resteren nog wel een paar zaken die de CDA-fractie vanavond kwijt wil.

De heer Nawijn (Groep Nawijn): U was inderdaad de indiener van de motie. U weet ook dat in die motie heel wat anders is gevraagd dan wat de minister nu doet. Hoe beoordeelt u dat?

De heer Verhagen (CDA): Tijdens het debat heb ik heel nadrukkelijk gesteld dat de minister wel degelijk ruimte had om te kijken naar bijzondere omstandigheden. Ik heb gezegd dat zij niet hoe dan ook tot de conclusie moest komen die zij 15 mei hier verwoordde. Ik heb letterlijk het volgende gezegd: "De bijzondere omstandigheid kan er ook in bestaan dat men binnen de clan in Somalië wat vrijer is naar wie je je noemt. Heeft de minister daarnaar gekeken?" Dat zei ik omdat de minister toen suggereerde dat er geen enkele vrijheid was. Zij stelde dat zij niet de mogelijkheid had om daarnaar te kijken. Ik heb expliciet dit voorbeeld genoemd, omdat daaruit blijkt dat er op grond van het Somalisch gewoonterecht wel degelijk de mogelijkheid is dat je je vernoemt naar je grootvader. Ik opperde toen dat daarnaar gekeken had moeten worden. De minister heeft dat vervolgens gedaan.

De heer Nawijn (LPF): Nee, u hebt gevraagd naar bijzondere omstandigheden of feiten. De minister verwijst nu echter naar het familierecht van Somalië. Dat is wat anders dan omstandigheden. De minister heeft dus wat anders gedaan dan waarom u in de motie hebt gevraagd.

De heer Verhagen (CDA): Ik heb letterlijk gezegd dat de bijzondere omstandigheid er ook in kan bestaan dat men binnen de clan in Somalië wat vrijer is naar wie men zich noemt. De heer Nawijn moet niet doen of ik dat element niet naar voren heb gebracht. Ik heb ook gevraagd om niet alleen naar de bijzondere omstandigheden te kijken, maar ook het weerwoord af te wachten. Op het moment dat je je hier aanmeldt met een naam die in je geboorteland rechtsgeldig is, dan kan dat een normale gang van zaken zijn.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Terecht verwijst de heer Verhagen naar zijn motie waardoor de minister gedwongen werd opnieuw naar de zaak te kijken, alsnog de zorgvuldigheid in acht te nemen waardoor wij nu, zes weken later, opnieuw een debat hebben. Was de heer Verhagen net zo verbaasd als ik toen hij in de brief de minister met enige trots ziet zeggen dat het aan de door haar gevolgde procedure te danken is dat alle feiten omtrent het Somalisch naamrecht en dergelijke nu op tafel zijn gekomen?

De heer Verhagen (CDA): Daar was ik inderdaad verbaasd over. Het is ook de reden waarom ik hier gezegd heb dat, als wij de minister niet met de motie tot nader onderzoek hadden aangezet, deze uitkomst er waarschijnlijk niet was gekomen.
Laat duidelijk zijn dat het CDA blij is dat de minister de motie van de Kamer heeft uitgevoerd. De minister heeft geluisterd naar de Kamer en gedaan wat de Kamer van haar vroeg. Wij zijn daar tevreden mee. De minister heeft alsnog zorgvuldig onderzoek laten verrichten en is tot een afgewogen conclusie gekomen. Het zou dan ook vreemd zijn als wij de minister kwalijk gaan nemen dat zij de wens van de Kamer heeft uitgevoerd. Daarnaast is de wet toegepast, en de wet is voor iedereen gelijk. De toepassing van de wet vereist zorgvuldigheid. Ayaan Hirsi Ali heeft als bekende parlementariër niet meer, maar ook niet minder rechten dan ieder ander. Gelijke monniken, gelijke kappen. Alle gelijke gevallen moeten een gelijke behandeling krijgen. Van klassejustitie is en kan wat ons betreft geen sprake zijn.
De CDA-fractie wil verder en heeft er geen behoefte aan om de niet-geringe ketelmuziek rondom deze kwestie voort te zetten. Toch moet ons van het hart dat de reacties van minister Verdonk en Ayaan Hirsi Ali gisteren ons hebben verbaasd. Het zou de minister hebben gesierd als zij met meer tact en bescheidenheid zou hebben gereageerd en niet alle schuld bij anderen zou hebben gelegd. Ayaan Hirsi Ali draagt met haar verschillende verklaringen ook haar steentje bij aan de grote verwarring en aan de satire die de politiek volgens haar in deze zaak is. Wij hopen dat het circus stopt en dat alle betrokkenen ophouden met het voeren van schimmengevechten, zodat wij een streep door deze zaak kunnen zetten.

Ik zei al dat de CDA-fractie onaangenaam verrast was door de ophef, de commotie en de onzorgvuldigheid waarmee in deze zaak te werk is gegaan. Desalniettemin zijn wij blij met de uitkomst. De minister heeft geluisterd naar de Kamer en Ayaan Hirsi Ali heeft haar Nederlanderschap behouden. De hele zaak verdient geen schoonheidsprijs, maar wij moeten na vanavond wel verder.

De heer De Wit (SP): De heer Verhagen had het over gelijke monniken, gelijke kappen en vindt dat dit beginsel vanzelfsprekend moet worden toegepast. Wat houdt dit concreet voor hem in, bijvoorbeeld in de gevallen waarin een negatieve beslissing is genomen, maar waar mogelijk hetzelfde aan de hand is als in de zaak-Ayaan Hirsi Ali?

De heer Verhagen (CDA): In de brief van de minister wordt, naar aanleiding van vragen van de vaste Kamercommissie voor Justitie, verwezen naar 74 zaken waarin onjuiste identiteitsgegevens geleid zouden hebben tot een voorlopig of definitief oordeel dat geen rechtsgevolg kan worden verbonden aan de verlening van het Nederlanderschap. Hierbij is een aantal procedures gevolgd en nadien heeft een aantal mensen toch hun Nederlanderschap behouden. In 52 zaken is vastgesteld dat betrokkene geen Nederlander is. Als het hierbij om gelijke gevallen gaat als dat van mevrouw Hirsi Ali, dan horen die tot hetzelfde resultaat te leiden; dat vloeit voort uit het principe van gelijke monniken, gelijke kappen.

De heer De Wit (SP): Bent u dus van mening dat de minister nog een keer naar deze zaken moet kijken? Wij kunnen nu uiteraard immers niet beoordelen hoe deze zaken precies verlopen zijn, en dus weten wij ook niet of de minister dezelfde vragen heeft onderzocht die wellicht ook aan de orde zijn in alle zaken die vergelijkbaar zijn met die van mevrouw Hirsi Ali.

De heer Verhagen (CDA): In een normale zaak kan iedereen die wordt aangeschreven, zes weken gebruiken voor een verweer. Door het publiek maken van het besluit of de conclusie van de minister over de zaak van mevrouw Hirsi Ali, werd het gebruiken van deze zes weken feitelijk onmogelijk in deze zaak, tenzij de motie haar daartoe gedwongen heeft. Dit is het grote verschil tussen de zaak van mevrouw Hirsi Ali en de andere zaken. Ik weet niet welke elementen in deze vergelijkbare gevallen in het verweer naar voren zijn gebracht. Als het dezelfde elementen zijn die nu in de zaak van mevrouw Hirsi Ali worden gehanteerd, dan zou dit tot dezelfde conclusie hebben moeten leiden. Ik ben echter uiteraard niet bij de desbetreffende rechtzaken geweest en heb er geen enkel zicht op of dezelfde argumenten en hetzelfde verweer naar voren zijn gebracht in deze gevallen. Als ik zeg dat er geen klassenjustitie moet plaatsvinden, dan betekent het dat, als er sprake is van eenzelfde verweer, dit tot dezelfde conclusie moet leiden.

De heer De Wit (SP): De vraag blijft natuurlijk hoe wij dat te weten komen. Vindt u het niet noodzakelijk dat wij dan ook vernemen van de minister wat er daadwerkelijk in deze zaken is gebeurd, zodat wij het beginsel van gelijke monniken, gelijke kappen overeind houden?

De heer Verhagen (CDA): De rechter heeft hierover een definitief oordeel uitgesproken. De minister schrijft dat zij zich nog zal bezinnen op de consequenties van de zaak van mevrouw Hirsi Ali voor een aantal andere zaken. Ook naar aanleiding van de discussie die is ontstaan door de motie-Van der Vlies, zal zij bezien hoe zij hiermee überhaupt verder moet gaan. Ik wacht dus juist die elementen af voordat ik daarover iets kan zeggen. Ik zeg nogmaals dat ik vind dat wij niet op de stoel van de rechter moeten gaan zitten, maar ik zeg wél dat een besluit van de minster, als het over een gelijk geval gaat met eenzelfde soort verweer, tot dezelfde conclusie moet leiden, namelijk het behoud van het Nederlanderschap.

De heer Van As (LPF): Ik begrijp de intenties van de heer Verhagen wel, maar dan had het toch op een andere manier onderzocht moeten worden. Het gaat dan namelijk om bijzondere verdiensten of wat dan ook. Het verbaast mij nu echter dat de heer Verhagen voorbijgaat aan het punt van de identiteitsfraude waarover een duidelijk arrest van de Hoge Raad ligt. Hij koppelt er bijzondere omstandigheden aan. Dus concludeer ik dat in zijn optiek recht en wet niet meer tellen. Dat betekent dan dat wij hier inderdaad in een bananenrepubliek leven.

De heer Verhagen (CDA): Dit is deels een herhaling van het debat dat wij op 16 mei hebben gevoerd naar aanleiding van de motie die ik toen ingediend heb. Ook toen heb ik tegen de heer Van As gezegd van mening te zijn dat de wet meer ruimte bood dan de minister suggereerde als het gaat over de bijzondere omstandigheden, dat de minister mijns inziens niet zorgvuldig had gehandeld en onvoldoende had gekeken naar de mogelijkheden die de wet bood en dat de conclusie die zij op 15 mei verwoordde niet onomstotelijk vaststond.

Ook toen heb ik tegen de heer Van As gezegd dat ik van mening ben dat de wet meer ruimte bood dan de minister suggereerde. Ik doelde daarmee op de bijzondere omstandigheden. Tevens heb ik gezegd dat ik van mening was dat de minister niet zorgvuldig had gehandeld en dat zij de mogelijkheden van de wet niet voldoende had onderzocht. Ik heb opgemerkt dat de conclusie die zij op 15 mei jongstleden heeft verwoord, niet onomstotelijk vaststond. Tijdens dat debat heb ik eveneens gezegd dat ik van mening was dat het huiswerk op basis van de beschikbare ruimte -- de meerderheid van de Kamer heeft in die motie vastgelegd dat er meer ruimte was -- moest worden overgedaan. Ik ben dus niet van plan om datgene te doen wat de heer Van As suggereert. Evenals de meerderheid van de Tweede Kamer heb ik gezegd dat er meer ruimte is in de wet en dat er zorgvuldig onderzoek behoort te worden gedaan. Die bijzondere omstandigheden moeten wij niet eng uitleggen. Die bieden naar mijn mening en die van de meerderheid van de Kamer meer mogelijkheden. Dat concluderen wij onder andere op basis van de uitspraak van de Hoge Raad.

De heer Van As (LPF): Ik wil de heer Verhagen nog een korte vraag stellen.

De voorzitter: Dit is een herhaling van de discussie in de tweede en de derde termijn die betrekking had op de moties. Ik sta de heer Van As nog één korte vraag toe, maar ik verzoek de Kamerleden om het debat van de vorige keer niet opnieuw te voeren.
**

De heer Van As (LPF): Als het de bedoeling van de heer Verhagen is geweest om het kabinet met zijn motie te verzoeken, de bijzondere omstandigheden of verdiensten van betrokkenen onder de loep te nemen, is dat iets anders dan het op zijn manier legaliseren van identiteitsfraude. Dat is op grond van de wet volstrekt niet toegestaan.

De heer Verhagen (CDA): Ik heb betwist dat er sprake is of zou zijn van identiteitsfraude. Tijdens het vorige debat heb ik juist gezegd dat het naar mijn idee ook tot de mogelijkheden moet kunnen behoren om op grond van het Somalische recht de naam van je grootvader te gebruiken. Het kabinet is het wat dat betreft overigens met mij eens. Dat blijkt uit de brief. In de motie staat dat er bijzondere omstandigheden waren die breder uitgelegd dienden te worden dan de minister heeft gedaan. Ik heb letterlijk de wens geuit dat de minister nagaat of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat er geen sprake is van een automatisme.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb niet voor niets twee voorbeelden aangehaald om duidelijk te maken dat er geen sprake lijkt van fraude. Het definitieve oordeel dat in een aantal zaken door de IND is geveld, heeft voor een groot aantal mensen al geleid tot het intrekken van de nationaliteit. Of de nationaliteit is op grond van die oordelen nooit verleend. Ook verblijfsvergunningen zijn op grond van uitspraken van de IND ingetrokken. Als de heer Verhagen wil dat die zaken opnieuw worden beoordeeld -- het verheugt mij overigens dat hij dat zegt -- moet dat ook consequenties hebben voor de rechtspositie van die mensen. Sommigen verblijven op dit moment als illegaal vreemdeling in ons land. Anderen zijn al uitgezet of die dreiging hangt boven hun hoofd. Kan de heer Verhagen daarover iets zeggen?

De heer Verhagen (CDA): Ik wil dat de minister op dit punt in ieder geval de garantie geeft dat soortgelijke gevallen op dezelfde wijze worden afgehandeld. Ook dat hebben wij tijdens het vorige debat opgemerkt. De minister heeft dat eveneens tijdens dat debat naar voren gebracht: gelijke monniken, gelijke kappen. Als er sprake is van een soortgelijke situatie, moet dat dus leiden tot het herroepen van dat besluit met de gevolgen die daaraan zijn verbonden. Als de minister de garantie geeft dat er geen soortgelijke gevallen zijn, is het een ander verhaal.

*N

De heer Bos (PvdA): Voorzitter. Daar zijn we weer. Zes weken nadat wij hebben vastgesteld dat minister Verdonk onzorgvuldig tot een besluit was gekomen, kunnen wij nu concluderen dat het ook een verkeerd besluit was. Het was het verkeerde besluit. Het was op deze manier niet nodig geweest en de schade voor Ayaan is enorm. Ook is enorme schade aangericht aan het gezag van het kabinet, aan de rechtsstaat en aan de reputatie van Nederland in het buitenland. Dat heeft de heer Verhagen bedoeld met de opmerking: eind goed, al goed.
Datgene wat wij gisteren van minister Verdonk in de vorm van een brief kregen voorgeschoteld, is een grote witwasoperatie. Het lijkt niet meer het doel te zijn om recht te doen aan Ayaan, laat staan aan anderen die zich in vergelijkbare situaties bevinden. Er was sprake van een geheel ander doel: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat minister Verdonk koste wat kost op het pluche mag blijven zitten? Minister Verdonk kon dus opeens niet anders meer handelen dan zij heeft gedaan. Er was opeens geen sprake meer van onzorgvuldigheid. Opeens was het allemaal de schuld van Ayaan. Er waren plotseling geen afspraken meer met minister Zalm en minister-president Balkenende over het moment waarop de brief aan Ayaan naar buiten zou worden gebracht. Evenmin waren er afspraken die door minister Verdonk geschonden konden worden. En er was opeens geen falende regie meer van de minister-president.
Denkt het kabinet nu werkelijk dat er iemand is die dit verhaal gelooft? Buiten deze zaal in ieder geval helemaal niemand. Binnen deze zaal kennelijk een aantal mensen wel, voor wie het redden van de minister belangrijker is dan elementaire zorgvuldigheid en fatsoen.
Ik vind de hele gang van zaken om twee redenen beschamend. Allereerst omdat met iets meer zorgvuldigheid enorm veel ellende te vermijden zou zijn geweest. Misschien nog wel erger is de schaamteloze manier waarop iedereen nu zijn handen in onschuld wast, om vervolgens alle schuld toe te schuiven naar degene die zich hier niet meer verdedigen kan, Ayaan Hirsi Ali.
De ellende was te vermijden geweest. Alles wat de minister in de afgelopen weken heeft onderzocht en te weten is gekomen, had zij ook zes weken geleden kunnen onderzoeken en zou zij dan te weten zijn gekomen. Het is nog erger. Dat is ook precies wat ambtenaren van de minister al in het jaar 2002 hadden geconcludeerd in een memo dat de minister vorige maand ook kende. Daarin schrijven zij namelijk dat er ook in de jaren 2002 en 2003 twijfels waren over de identiteit van Ayaan, maar zij concludeerden vervolgens niet dat dit zou moeten betekenen dat er meteen een brief geschreven moest worden waarin wordt aangekondigd dat Ayaan haar nationaliteit misschien zou kwijtraken. Nee, zij adviseerden om eerst een brief aan Ayaan te schrijven om te vragen hoe het eigenlijk zat. Vorige maand zei de minister dat zij niet anders kon. Vandaag moet de conclusie zijn dat zij wel anders kon. Sterker nog, dat was haar ook geadviseerd en wel door haar eigen ambtenaren.
Hier treft ook de minister-president blaam. Hij had moeten beseffen dat het kleinste foutje bij een besluit over Ayaan veel grotere gevolgen zou hebben voor het aanzien van Nederland in het buitenland dan welk foutje rond welke andere paspoortaanvrager dan ook en dat dit de reputatie van Nederland in het buitenland ernstig zou kunnen schaden. Vorige maand verklaarde de minister-president dat de brief niet uit zou gaan zonder zijn toestemming of in ieder geval niet die bewuste maandag. In de brief van gisteren lezen wij plots dat er nooit sprake was van zo'n afspraak. Het lijkt mij dat daarmee het probleem voor de minister-president alleen maar groter is geworden. Of er was een afspraak en hij werd in zijn hemd gezet door minister Verdonk, die zich daar niet aan stoorde, of er was geen afspraak en dan heeft hij onvoldoende gezien hoe belangrijk zijn regie juist op dit punt nodig was. Ik hoor graag vanavond hoe het zit.
In het debat van vorige maand heb ik al gezegd dat hoe deze affaire ook afloopt, die voor alle anonieme mensen in vergelijkbare situaties hoop moet bieden. De heer Verhagen heeft hierover reeds het een en ander gezegd. Ik sluit mij daarbij aan. Gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden. Op grond van wat wij nu weten, lijkt ons dat het geval. Het schijnt ons toe dat met name het opeens heel soepel en heel begripvol overnemen van verklaringen van familieleden over moeilijk te bewijzen kwesties een enorme precedentwerking zal gaan krijgen. Ik kan erover speculeren hoe het allemaal precies zal uitwerken. Ik constateer het vooral omdat ik ervan uitga dat het verder primair geen zaak meer van de politiek is, maar dat de advocaten in drommen klaar staan om bij de rechter te toetsen wat dit voor hun cliënt zal betekenen.
Mijn tweede en minstens zo grote verwijt aan de minister is dat zij het kennelijk nodig vond om Ayaan Hirsi Ali een verklaring te laten tekenen waarin die de schuld op zich nam. Die verklaring is juridisch irrelevant, moreel laakbaar en rechtsstatelijk volstrekt ongepast. Laat ik vooropstellen dat ik geen goed gevoel heb bij hoe Ayaan hier heeft geopereerd en hoe zij daar bijvoorbeeld gisteravond over heeft gesproken. Het beeld is ontstaan van iemand die een laatste leugentje heeft ondertekend om van alle gedoe af te zijn. Een leugen over een leugen over een leugen of een dwaling over een dwaling over een dwaling? Wie het snapt, mag het zeggen. Ik zeg ook dat wij voorzichtig moeten zijn met het uitspreken van een oordeel. Je zult maar onder permanente bewaking staan en je in je leven bedreigd voelen. Je zult maar wachten op je paspoort zodat je eindelijk de stap naar dat andere land kan maken. Je zult maar mee hebben gemaakt dat je al een paar keer eerder in je leven hebt moeten vluchten. Het is vanwege die omstandigheden dat ik vind dat de minister op een beschamende manier heeft gehandeld. Alleen om haar eigen gezicht te redden, heeft zij misbruik gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van iemand die onder druk staat en die geen kant op kan.

De heer Van As (LPF): Voorzitter. De heer Bos is voor zijn doen aardig op dreef. Is hij eigenlijk tevreden met de uitkomst? Zijn handtekening staat tenslotte ook onder de motie-Verhagen.

De heer Bos (PvdA): Ik ben blij voor Ayaan, dus met dat onderdeel van de uitkomst ben ik tevreden. Maar als je de schade aan het gezag van ministers, aan de reputatie van Nederland in het buitenland, aan de persoon Ayaan zelf bij elkaar optelt en je realiseert je dat dit allemaal te vermijden was geweest als de minister wat langer de tijd had genomen, wat meer mensen had geconsulteerd, dan ben je natuurlijk niet tevreden.

De heer Van As (LPF): De minister heeft in de discussie -- ik noem die maar het "debat-Ayaan 1" -- met gebruikmaking van de uitspraak van de Hoge Raad haar mening gegeven. U zei dat ze is gedwongen door de motie die u heeft medeondertekend om de zaak anders uit te voeren. Dat verbaast mij in hoge mate. De vraag is of uw verwijt redelijk en eerlijk is. Zij heeft een opdracht van een meerderheid van de Kamer gekregen.

De heer Bos (PvdA): Zij had dat moeten doen zonder daarvoor van ons de opdracht te krijgen. Een minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en een verantwoordelijk minister-president die met zo'n zaak te maken krijgen, dienen zich te realiseren wat een negatieve beslissing kan betekenen: een Kamerlid dat moet opstappen, bewaking en beveiliging in haar leven, de reputatie van Nederland in het buitenland. Ik ben geneigd om te zeggen dat zorgvuldigheid zou betekenen dat je er dan eerder wat langer de tijd voor neemt dan korter, dat je een paar mensen raadpleegt, dat je even drie keer nadenkt. U herinnert zich dat in het debat van de vorige keer zelfs de minister van Justitie 's avonds via het nieuws moest vernemen dat deze beslissing was genomen en dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie niemand had geconsulteerd. Dat was toen onzorgvuldig en dat vind ik nog steeds onzorgvuldig.

De heer Van As (LPF): Een laatste opmerking. Laten we het maar niet hebben over de kosten voor de beveiliging die mevrouw met alle egards is toebedeeld, ook nu in de VS, op kosten van de belastingbetaler.

De voorzitter: Dat is op dit moment niet aan de orde.
**

De heer Van As (LPF): Maar u kunt toch niet in alle redelijkheid zeggen dat deze minister aan de opdracht in de motie-Verhagen die door u is medeondertekend, met haar gekunstelde ingreep is voorbijgegaan? De pot verwijt de ketel!

De heer Bos (PvdA): Het eerste deel van uw opmerking over de kosten van beveiliging vind ik volstrekt verwerpelijk; daar houd ik me verre van.
Op het tweede deel antwoord ik dat wij ons allemaal, inclusief Ayaan, inclusief de reputatie van Nederland in het buitenland, een heleboel schade hadden bespaard als de motie van de heer Van Beek niet nodig was geweest en de minister zelf, vanuit haar eigen verantwoordelijkheid en politieke gevoel voor wat wijsheid op zo'n moment meebrengt, wat meer tijd had genomen en met wat meer mensen had gepraat. Dan had ze zelf kunnen uitvinden dat de naam Ali al in het geslacht van Ayaan Hirsi Ali voorkwam, had ze zelf een betere studie van het Somalische namenrecht kunnen maken en was dit allemaal niet nodig geweest; dan was die schade er niet geweest..
Omdat het dus juridisch niet nodig was, kan de minister alleen maar zo hebben gehandeld om haar eigen gezicht te redden. Zij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van iemand die onder druk staat en geen kant op kan. Nogmaals, voor het afhandelen van de paspoortkwestie was de verklaring van Ayaan helemaal niet nodig. Iemand dan toch vragen om dat te tekenen, alleen om je eigen gezicht te redden, misbruik makend van een afhankelijke positie -- ze was immers voor haar paspoort afhankelijk van degene die haar vroeg om die verklaring te tekenen -- is een minister in een rechtstaat onwaardig. Ik begrijp niet waarom de minister dat nodig vond. Ze had het nooit mogen doen en de minister-president had dit nooit mogen laten gebeuren.
Ten slotte. Wat zullen de mensen in het land, als ze de krant lezen of hiernaar kijken, hiervan denken? Waarschijnlijk niet veel goeds. In plaats van dat hier op een kraakheldere manier recht wordt gedaan en fouten worden toegegeven, wordt een rookgordijn gecreëerd om ons het zicht te ontnemen op wat zich hier werkelijk heeft afgespeeld. En als de rook is opgetrokken, zullen veel mensen, terecht of onterecht, blijven zitten met de indruk dat hier vooral deals worden gesloten, dat paspoorten tegen schuldbekentenissen kunnen worden uitgeruild, dat we er meteen een zooitje van maken als het er een van ons is. Het nettoresultaat daarvan is vooral verbijstering en cynisme, terwijl dit allemaal te vermijden was geweest. Maar vermeende daadkracht was belangrijker dan zorgvuldigheid; blijven plakken op het pluche was belangrijker dan fatsoen.

*N

De heer Van Beek (VVD): Mijnheer de voorzitter. Het startpunt van vandaag is het eindpunt van het vorige debat. Wij droegen de minister toen via moties toen op om de mogelijkheden die de Rijkswet op het Nederlanderschap inclusief jurisprudentie biedt te benutten om te komen tot heroverweging, waarbij rekening moest worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het vraagstuk rond de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit van Ayaan Hirsi Ali. Op die voet gingen wij de vorige keer uiteen. Uit de brief die wij gisteren mochten ontvangen, blijkt dat de regering de moties die de Kamer heeft aangenomen, heeft uitgevoerd.
In mijn eerdere bijdrage aan de debatten heb ik namens de VVD-fractie gezegd dat er geen uitzondering gemaakt mag worden voor een Kamerlid. De wet kent slechts één regeling en voor de wet zijn alle burgers gelijk. Iedereen behoort op dezelfde manier te worden behandeld door de overheid. Gelijke monniken, gelijke kappen betekent dezelfde procedures, dezelfde verweermogelijkheden en dezelfde afwegingen. Vanzelfsprekend zitten echter achter alle zaken individuen met een eigen verhaal. In iedere procedure moeten die op de eigen merites worden beoordeeld. Uit de beschrijving van 74 eerdere situaties met onjuiste identiteitsgegevens blijkt dat de regering onze collega heeft behandeld als iedereen. In een aanschrijving is verzocht om een reactie. Uit de beschrijving blijkt ook dat in andere zaken de zeswekenperiode heeft geleid tot het krijgen van informatie waaruit blijkt dat de eerdere beslissing kon of moest worden herzien. In 58 gevallen bleef het standpunt staan; in vijf gevallen behield de persoon de Nederlandse nationaliteit. Daaraan is één zaak toegevoegd, namelijk die van onze oud-collega.
Ook uit daarna volgende civielrechtelijke procedures blijkt dat mensen niet in de beslissing over het ten onrechte verkregen Nederlanderschap hebben berust en juridische procedures zijn gestart. De rechter heeft dus ook de mogelijkheid om een vaststelling te corrigeren en vast te stellen dat het Nederlanderschap niet wordt ontnomen. In 52 gevallen is het Nederlanderschap niet toegewezen; 37 mensen hebben er vroeg of laat in berust geen Nederlander te zijn geworden en vijftien mensen hebben de procedure doorlopen, waarna het oordeel gelijk is gebleven, bevestigd door de rechter. Slechts zeven mensen hebben het Nederlanderschap behouden, waarvan vijf aanvragen door de IND na de voorlopige aanname zijn gehonoreerd. Twee aanvragen zijn na de civielrechtelijke procedure door de rechter toegewezen. Vijftien procedures lopen nu nog.
Achter deze cijfers gaat steeds een individueel verhaal schuil. Bij Ayaan Hirsi Ali is gedurende de zeswekentermijn een aantal verklaringen gegeven waaruit blijkt dat de vader van haar vader wel degelijk is geboren onder de naam Ali en dat de naam Magan pas later is verkregen. Volgens het naamgebruik in Somalië kunnen wettelijk zowel als traditioneel gangbaar beide namen worden gebruikt.

De heer De Wit (SP): Ik stel graag een vraag over het onderdeel dat u zojuist lijkt te hebben afgesloten over de gelijke monniken, gelijke kappen. Hoe weet u dat in alle genoemde gevallen naar dezelfde ruimte is gezocht waar om werd gevraagd in de motie van de heer Verhagen? Hoe weet u dat er gekeken is naar bijzondere omstandigheden, naar verklaringen van de familie en naar de weging daarvan? Hoe weet u op welke manier de geboortedata zijn beoordeeld?

De heer Van Beek (VVD): Ik kan mij niet begeven in een beoordeling van individuele gevallen. De Kamer moet dat ook niet doen. Ik constateer wel dat de procedures in alle gevallen op dezelfde manier zijn gevolgd. Ik constateer verder dat de zeswekenperiode in een aantal andere gevallen heeft geleid tot andere beslissingen. Ik maak uit de gegevens die wij in de laatste brief hebben gekregen nadrukkelijk op dat de gevolgde procedures gelijk zijn. Het is aan de rechter om te bepalen of de uitkomsten daarvan goed zijn. Ik kan daar als Kamerlid niet in treden want ik beschik niet over de dossiers. De Kamer moet dat ook niet willen.

De heer De Wit (SP): Wij kennen allemaal het arrest van november 2005, dat centraal staat en stond in de debatten van vandaag en van zes weken geleden. De rechter zegt daarin: van bijzondere omstandigheden is niets gebleken. Daar is echter ook geen onderzoek naar gedaan of expliciet naar gevraagd. Om zeker te weten dat er sprake is van een soortgelijke behandeling, moeten wij daar meer inzicht in krijgen. De minister moet ons daarover duidelijkheid verschaffen: welke ruimte is daarbij benut?

De heer Van Beek (VVD): Voorgaande sprekers hebben een aantal van dit soort vragen al aan de minister gesteld. Wij wachten haar antwoord daarop af. Als Kamer moeten wij ons niet willen verdiepen in of bemoeien met de individuele afweging in dit soort zaken. Dat is een taak van de rechter. De heer Bos zei al dat er waarschijnlijk juridische procedures zullen volgen. Zo hoort het ook in een rechtsstaat.

De heer Nawijn (Groep Nawijn): Ik kom bij hetzelfde uit als de heer De Wit: gelijke monniken, gelijke kappen. Alleen kom ik tot een heel andere conclusie. Vindt de VVD-fractie dat in dit geval sprake was van identiteitsfraude? Wij kennen heel veel nota's van deze en eerdere ministers waarin het rommelen met identiteit identiteitsfraude wordt genoemd. VVD-woordvoerder Visser heeft regelmatig gezegd dat wij daartegen keihard moeten optreden. Indien inderdaad sprake is van identiteitsfraude maar toch de bijzondere omstandigheden van de heer De Wit worden toegepast, geven wij een instrument uit handen. De heer De Wit heeft gelijk dat als die bijzondere omstandigheden op dit geval van toepassing worden verklaard, het principe van gelijke monniken, gelijke kappen zou moeten worden toegepast, ook op vreemdelingen die het land al hebben verlaten. De consequentie is dat wij hen dan moeten terughalen.

De heer Van Beek (VVD): In de beslissing die de minister half mei heeft genomen, kwam zij tot de conclusie dat er sprake is van identiteitsfraude. In de procedure die daarop volgt, ligt de bewijslast bij de betrokkene. In de zeswekenperiode is vervolgens duidelijk geworden dat er geen sprake was van identiteitsfraude. Op basis daarvan stelt het kabinet nu vast dat Ayaan de naam Ali toch mag behouden. In de tussentijd is namelijk duidelijk aangetoond dat de vader van de vader op het moment van de geboorte wel degelijk die naam had. In de procedure wordt een voorlopig besluit genomen waarin wordt aangekondigd wat men voornemens is te doen. Iedereen die in zo'n procedure terechtkomt, krijgt daarna zes weken de gelegenheid om te bewijzen dat de minister ongelijk heeft. In een aantal gevallen is dat bewijs geleverd, zo ook in dit geval. In andere gevallen heeft de rechter zaken gecorrigeerd. Dat is de normale procedure, die dus is gevolgd.

De heer Nawijn (Groep Nawijn): Ik constateer een complete koerswijziging van de VVD-fractie. Uit de mond van de heer Visser heb ik namelijk nog nooit gehoord dat bij identiteitsfraude de bijzondere omstandigheden moeten worden meegewogen.

De heer Van Beek (VVD): Nee, ik geef juist aan dat in eerste instantie werd verondersteld dat sprake was van identiteitsfraude maar dat de minister op basis van de later aangeleverde gegevens tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval was.

De heer Bos (PvdA): Tijdens het debat van zes weken geleden wist de heer Van Beek al dat je indien je een brief krijgt zoals Ayaan Hirsi Ali die op 15 mei kreeg, zes weken de tijd hebt om bezwaar aan te tekenen. Toch concludeerde hij toen dat de minister te snel en onverantwoord had gehandeld. Vindt hij dat vandaag nog steeds?

De heer Van Beek (VVD): Ja, ik neem geen woord terug van wat ik op 15 mei heb gezegd.

De heer Bos (PvdA): Prima, dat is duidelijk.

De heer Van Beek (VVD): Daarom heb ik ook mijn motie ingediend en erop aangedrongen de zaak opnieuw te beoordelen waar de procedure die mogelijkheid biedt.

De heer Bos (PvdA): U bent het ook met mij eens dat een heleboel van de ellende vermijdbaar was geweest, of het nu gaat om Ayaan persoonlijk of in breder verband om de internationale reputatie van Nederland?

De heer Van Beek (VVD): Ik heb 16 mei gezegd dat ik het zeer betreurde dat het besluit op deze wijze is genomen en met name dat het op deze wijze naar buiten is gebracht. Waar anderen in de gelegenheid zijn om in complete anonimiteit zes weken te werken om bewijsmateriaal aan te leveren, werd iemand in dit geval, vanwege de bijzondere positie die zij bekleedde, onmiddellijk ten aanzien van de complete wereldpers met deze problemen geconfronteerd.

De heer Bos (PvdA): De consequentie van die redenering is dan ook dat u het dus oneens bent met de beweringen in de brief van de minister dat zij alleen door het volgen van deze procedure tot deze conclusie had kunnen komen.

De heer Van Beek (VVD): Het gaat mij niet zozeer om de procedure, als wel om de wijze waarop daaraan publiciteit gegeven is. Ik begrijp dat men in alle 77 gevallen zo heeft gewerkt. Er gaat een brief uit met het verzoek om een reactie. De wijze waarop dat in dit geval is gegaan, heeft veel zwaardere consequenties dan in andere gevallen, al moet ik voorzichtig zijn omdat ik die gevallen niet precies ken. In dit geval zijn onmiddellijk de vragen van mijn collega beantwoord en nog dezelfde avond volgde de volle publiciteit. Er was dus niet de gelegenheid om in alle rust de bewijzen te verzamelen.

De heer Bos (PvdA): U was zo helder in uw antwoord op mijn eerste twee vragen en nu begint u te draaien en te zweven. U hebt ronduit toegegeven dat u nog steeds vindt dat het eerste besluit te snel, onverantwoord snel is genomen. U zei net nog dat er een boel ellende, in de persoonlijke sfeer of anderszins, vermeden had kunnen worden als er meer tijd was genomen om te kijken naar beschikbaar bewijsmateriaal. Dan moet toch ook voor u de consequentie zijn dat u de mening van de minister niet kan delen dat zij destijds niet anders kon, maar dat zij door deze procedure nu pas de conclusie kon trekken die zij heeft getrokken?

De heer Van Beek (VVD): U brengt het terug tot de discussie over het besluit. Het gaat mij niet om het besluit. Het gaat mij veeleer om de wijze waarop dat besluit is gecommuniceerd.

De heer Bos (PvdA): Dat is niet waar, omdat u net zelf in reactie op mijn vorige vraag hebt gezegd dat het er ook om gaat dat men meer tijd had moeten nemen om bewijsmateriaal te bestuderen. Dat heeft dus te maken met de zorgvuldigheid die aan de orde geweest had kunnen zijn als men meer tijd had genomen. Als men Ayaan had opgebeld en had gevraagd of haar opa zich gedurende enige tijd ook "Ali" had genoemd, dan was het antwoord "ja" geweest. Al het onderzoek naar het namenrecht had dan beter kunnen worden uitgevoerd. Dat weet u net zo goed als ik. Het had misschien wat meer tijd gekost, maar dan was dit ons allemaal bespaard gebleven.

De heer Van Beek (VVD): Daarover zijn wij het toch nooit oneens geweest? Daarover hebben wij toch op 16 mei gediscussieerd? Ik ben toch scherp geweest in de beoordeling? Ik heb echter een streep gezet op het moment dat dit oordeel is geveld en er een motie is ingediend die de regering uitnodigt om tot heroverweging te komen en gezegd: vanaf vandaag beoordeel ik de situatie tussen 16 mei en 28 juni.

De heer Bos (PvdA): Er is geen sprake geweest van heroverweging. De minister heeft gewoon twee weken later een brief van de advocaat van Ayaan Hirsi Ali gekregen waarin feiten stonden die zij zelf kennelijk met haar onderzoek niet te weten was gekomen. De advocaat heeft gewoon laten zien dat er onzorgvuldig onderzoek is gedaan en dat de minister niet alle feiten op een rijtje had. Dat is geen heroverweging van het besluit, maar daaruit bleek gewoon dat zij ongelijk had. U zegt net dat wij het daarover op 16 mei niet oneens waren. Dan zijn wij het er wat mij betreft ook vandaag niet over oneens. Als u zegt dat er ook wat u betreft meer tijd genomen had moeten worden om naar bewijzen te kijken en er ellende vermeden had kunnen worden, dan zegt u dus ook dat het op deze manier niet had gehoeven en bent u het niet eens met de bewering in de brief dat het alleen zo kon en niet anders.

De heer Van Beek (VVD): Voor alle helderheid. Het is in alle procedures aan de betrokkenen om bewijsmateriaal aan te leveren. Er is dus wel degelijk sprake van een heroverweging op basis van de gegevens die door mevrouw Hirsi Ali, familie of door middel van andere verklaringen is aangeleverd.
Op basis van de aangeleverde feiten kon door de minister een andere beslissing worden genomen. Op grond van de feiten die nu beschikbaar zijn, kon niet meer worden geconstateerd dat er sprake is van fraude. Er is nog wel een probleem met de leeftijd. Dat moet ook niet worden weggepoetst. Ik heb echter uit de brief begrepen dat dit feit als zodanig, hoe verwijtbaar ook en hoezeer dit moet worden veroordeeld, onvoldoende grond is om de naturalisatieprocedure terug te draaien.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De kwestie is en blijft dat er geen heroverweging nodig was geweest als de minister grondiger onderzoek had gedaan, maar dat een overweging dan voldoende was geweest. Gisterenavond zei de minister nogal uitdagend voor de camera dat zij niets fout had gedaan. Bent u dat met haar eens?

De heer Van Beek (VVD): Ik betreur de polemiek die is ontstaan na de publicatie van de brief in hoge mate. Ik vind zowel de uitlatingen de minister als de uitlatingen van Ayaan Hirsi Ali in deze zaak niet verstandig. Ik zou mij hebben gehouden aan de teksten die gezamenlijk zijn afgesproken en die op papier staan. Andere woordvoerders hebben dat ook al gezegd. Ik hoop dat daar vanavond wat duidelijkheid over ontstaat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Begrijp ik goed dat u de verklaring die op het ministerie is opgesteld en die door mevrouw Hirsi Ali is ondertekend van een gelijk gewicht vindt als het bericht daarna van mevrouw Hirsi Ali dat zij die verklaring onder druk heeft getekend? Vindt u dat allebei even ernstig?

De heer Van Beek (VVD): Nee, u legt mij zaken in de mond die ik niet heb gezegd. Ik kom overigens zo nog terug op dit onderwerp. Ik wil nog even over die brief spreken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik kom toch even terug op mijn eerste vraag, want die hebt u niet beantwoord. De minister zegt uitdagend dat zij niets fout heeft gedaan. Ik wil weten wat uw oordeel daarover is. De minister constateert dus na zes weken dat zij gelijk had toen zij voor de Kamer stond, dat zij in de zes weken daarna gelijk had, dat zij weer gelijk heeft en dat zij dus nooit iets fout heeft gedaan. Wat vindt u daarvan?

De heer Van Beek (VVD): Ik heb op 16 mei al gezegd dat ik vind dat het anders had gemoeten. Ik ben nu bezig met het formuleren van een oordeel over wat er is gebeurd tussen 16 mei en vanavond. Er mag geen misverstand over bestaan dat ik nog steeds hetzelfde oordeel heb over dat wat er in de periode tot 16 mei is gebeurd als toen.
Ten aanzien van Ayaan Hirsi Ali heeft de periode van zes weken opgeleverd dat een aantal verklaringen is gegeven waaruit blijkt dat de vader van haar vader wel degelijk is geboren onder de naam Ali en dat de naam Magan pas later is verkregen. Volgens het naamsgebruik in Somalië kunnen zowel wettelijk als traditioneel gangbaar beide namen worden gebruikt. Mijn kennis van het Somalische en islamitische namenrecht is minimaal. Ik moet mij baseren op de informatie van het kabinet die mede is gebaseerd op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken.
Ik ben blij dat het kabinet nu tot de conclusie is gekomen dat op basis van alle verkregen informatie thans in rechte kan worden aangenomen dat het naturalisatiebesluit de juiste naam bevat. Daarbij is het voor de VVD-fractie ook van groot belang dat de aangedragen informatie door Ayaan Hirsi Ali zelf schriftelijk wordt bevestigd, dat zij uitspreekt dat de naam Ali wezenlijk bij haar hoort en dat zij als Ayaan Hirsi Ali door het leven zal blijven gaan. De VVD-fractie wil gaarne van het kabinet horen hoe deze verklaring tot stand is gekomen. De VVD-fractie betreurt het dat door het gebrekkige bestuurlijke en juridische systeem ter plaatse niet meer en harder bewijsmateriaal beschikbaar kan komen. Wij zijn echter blij dat tot een herzien besluit kon worden gekomen.

De heer Bos (PvdA): Het is interessant dat u vraagt hoe de verklaring tot stand is gekomen. Volgens mij heeft de minister gisterenavond zelf al antwoord op die vraag gegeven, namelijk dat het een tekst van de Nederlandse staat betreft die aan mevrouw Hirsi Ali is voorgelegd. Wat vindt u daar nu eigenlijk van?

De heer Van Beek (VVD): Ik betwijfel of dit soort teksten op die wijze tot stand komt, dus ik wil graag antwoord hebben op mijn vraag.
Zover mijn ervaring in dit soort zaken reikt, is sprake van processen waarin teksten tussen juristen worden uitgewisseld tot uiteindelijk een eindtekst ontstaat. Ik begrijp dat deze eindtekst aan mevrouw Hirsi Ali is voorgelegd. Ik stel voor dat wij even afwachten tot de minister zelf heeft toegelicht hoe het proces zich heeft voltrokken.

De heer Bos (PvdA): Vindt de heer Van Beek het, even los van het proces, relevant dat deze brief deel uitmaakt van het dossier? Wat is voor hem de waarde van deze brief?

De heer Van Beek (VVD): Ja, ik acht deze brief heel erg belangrijk om tot een eindoordeel te kunnen komen, behoudens de laatste paar regels. Die hadden er wat mij betreft niet in hoeven te staan. Naar mijn mening zijn deze regels absoluut onbelangrijk voor een juridische beoordeling van de casuspositie. De rest van de brief acht ik wel heel belangrijk.

De heer Bos (PvdA): Voor de goede orde: dat zijn de regels waarin mevrouw Hirsi Ali aangeeft dat zij de minister op het verkeerde been heeft gezet et cetera. Deze regels acht de heer Van Beek dus irrelevant?

De heer Van Beek (VVD): Deze regels zijn irrelevant voor de juridische beoordeling van de casuspositie. De rest van de verklaring acht ik wel heel belangrijk.

De heer Bos (PvdA): Hoe beoordeelt de heer Van Beek het feit dat een oud-collega van hem, die in een afhankelijke positie verkeerde ten opzichte van de minister omdat zij voor haar paspoort van de minister afhankelijk is, wordt gevraagd om een dergelijke verklaring te ondertekenen, inclusief deze laatste regels?

De heer Van Beek (VVD): De heer Bos vraagt een eindoordeel over iets waarvan ik de minister nu juist heb gevraagd om mij eens uit te leggen hoe het tot stand is gekomen. Ik wil er dadelijk in alle oprechtheid op terugkomen, maar meen dat wij de mogelijkheid moeten hebben om eerst precies te horen wat is gebeurd. Ik kan mij niet voorstellen dat er maar één tekst is geweest, die is gefaxt met de woorden "dit is het". Ik meen dat dit soort processen anders verlopen. Ik vind dat wij eerst van de minister moeten kunnen horen hoe het precies is gegaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb aanzienlijk minder ervaring met het opstellen van dit soort politieke verklaringen. Dat wil ik direct toegeven. Volgens mij gaat het echter om een andere zaak, namelijk het tijdstip waarop de verklaring tot stand is gekomen. De minister heeft, zowel gisterenavond in Nova als in haar brief, zelf gezegd dat de verklaring er lag voordat zij een beslissing heeft genomen over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali. Dat betekent dus dat Ayaan Hirsi Ali de betreffende verklaring heeft ondertekend op een moment dat zij onzeker was over het behoud van haar Nederlanderschap. Zij heeft ondertekend dat zij het betreurt dat zij met haar mededeling de minister op het verkeerde been heeft gezet. Dat zij heeft gedaan op het moment dat zij geen duidelijkheid had over haar Nederlanderschap. Wat is de mening van de heer Van Beek hierover, tegen het licht van het ontbreken van de juridische relevante hiervan, die hij immers heeft erkend?

De heer Van Beek (VVD): Ik wil nog eens benadrukken dat ik deze passage echt irrelevant acht voor het beoordelen van de casuspositie. Dat moet absoluut voorop staan. Ik weet daarnaast absoluut niet hoe het proces waarin deze tekst tot stand is gekomen, is verlopen. Ik weet niet wat door wie is aangeleverd. Ik meen dat wij dat van het kabinet moeten vernemen alvorens er een eindoordeel over te kunnen geven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Van Beek kan dan wel zeggen dat hij de zin die ik zojuist heb aangehaald irrelevant vindt, maar politiek is hij van de grootste betekenis omdat de minister deze uitspraak heeft gebruik om vervolgens te zeggen dat Ayaan Hirsi Ali zelf de aanstichter is. De minister stelt dat Ayaan Hirsi Ali het heeft veroorzaakt: ziehier de verklaring, waarin zij zelf zegt mij op het verkeerde been te hebben gezet. Daarom stel ik mijn vraag opnieuw aan de heer Van Beek. Ik wil er van hem toch wel erg graag een antwoord op krijgen, te meer omdat de minister al heeft uitgelegd op welk tijdstip de verklaring is ondertekend omdat zij hem bij haar besluitvorming heeft betrokken. Wat vindt de heer Van Beek ervan dat iemand die geen zekerheid heeft over haar toekomst, die de angst heeft om geen paspoort te krijgen, een dergelijke verklaring moet ondertekenen?

De voorzitter: U herhaalt uzelf. Dit heeft u al drie keer gezegd. Het woord is aan de heer Van Beek.
**

De heer Van Beek (VVD): Ik vind deze verklaring heel belangrijk. Ik heb al gezegd dat het naar mijn mening niet gaat om de laatste paar regels maar dat het gaat om de echte verklaring. Ik heb ook gezegd dat ik graag wil weten hoe de verklaring tot stand is gekomen en wie voor welke teksten verantwoordelijk is. Dit is de eindtekst. Ik ben benieuwd hoe het proces zich heeft voltrokken, wie welke delen van teksten waarover heeft aangeleverd. Ik ben van mening dat de Kamer hierover van de regering inzicht dient te krijgen. Ik heb deze vragen gesteld. Ik meen dat wij er op basis van meer informatie – dat hoop ik althans -- in tweede termijn op terug kunnen komen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Daarnaar zijn wij allemaal benieuwd, dus wij zullen het afwachten. De heer Van Beek zei "voor zover mijn kennis van dit soort processen reikt gaat het meestal door middel van onderhandelingen tussen juristen ". Die opmerking intrigeert mij.

Hoe vaak komt het voor dat iemand die te horen heeft gekregen nooit Nederlander te zijn geworden, met het departement via juristen in onderhandeling gaat teneinde een verklaring op te stellen waarmee die naturalisatie alsnog kan worden erkend? Is het niet heel bijzonder en bizar als juristen gaan onderhandelen over een tekst waarin iemand zegt: sorry, ik heb het verkeerd gedaan en dat had ik niet moeten doen?

De heer Van Beek (VVD): De zes weken waarin de betreffende persoon de gelegenheid krijgt om nadere informatie te verschaffen, is een periode waarin over verklaringen en bewijsstukken nadere vragen, gesprekken en eventueel het horen van mensen plaatsvinden. In dit geval, maar ook in andere gevallen, kan ik mij voorstellen dat in zo'n proces verklaringen al of niet worden goedgekeurd en dat er onderhandelingen zijn over de juiste vormgeving daarvan.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat is toch raar? De minister heeft in het vorige debat gezegd: luister, dit is mijn constatering, ik kan er ook niks aan doen, ik vind het vervelend, maar dit is de constatering, zo is het nou eenmaal en mevrouw Hirsi Ali heeft zes weken de tijd om haar reactie te geven. Dan wordt er onderhandeld over haar reactie. Dat wordt een verklaring waarin zij zegt: het is heel vervelend dat ik de minister op het verkeerde been heb gezet. Daarover wordt tussen juristen onderhandeld. Mevrouw Hirsi Ali heeft gisteren de brief met de verklaring "politieke satire" genoemd. Zij heeft gezegd: ik neem het in zoverre serieus dat ik mijn paspoort ermee kon krijgen. Met permissie!

De heer Van Beek (VVD): Ik heb al eerder aangegeven dat ik deze uitspraken buitengewoon betreur, maar dat staat los van de procedure. Ik heb aangenomen dat als mensen zich laten vertegenwoordigen door advocaten, het niet ongebruikelijk is dat er tussen de advocaten en de juristen van het departement overleg is. Maar ik wil dat best aan het kabinet vragen, dan komen wij daar misschien beiden achter.

Mevrouw Van der Laan (D66): De heer Van Beek maakt mijns inziens terecht een onderscheid tussen het juridische gedeelte van de verklaring van mevrouw Hirsi Ali, en het excuusgedeelte, wat juridisch niet relevant is.
Wij hebben op het achtuurjournaal kunnen zien dat mevrouw Hirsi Ali allang een verklaring had ondertekend met dat juridische gedeelte, waarin het excuusgedeelte helemaal niet voorkwam. Is de heer Van Beek het met mij eens dat het verstandiger was geweest om gewoon die verklaring te gebruiken in plaats van nog verder te gaan met een excuusgedeelte?

De heer Van Beek (VVD): Ik kan die vraag niet beantwoorden, want ik weet niet wat er in die verklaring stond.

Mevrouw Van der Laan (D66): Als ik het journaal goed heb begrepen, stond er in die verklaring van mevrouw Hirsi Ali dat zij alleen maar de naam Hirsi Ali zou gebruiken en dat zij haar naam niet zou wijzigen in Magan. Dat is precies de juridische zekerheid die de minister nog moest hebben, voordat zij kon instemmen met de brief naar de Kamer. Was dat voor de VVD-fractie niet voldoende geweest? Dan had mevrouw Hirsi Ali niet nog eens de schuld voor de hele affaire op zich hoeven te nemen.

De heer Van Beek (VVD): Ik heb net al aangegeven dat het in de beoordeling van die verklaring om het eerste stuk gaat, en niet om het laatste stuk. Ik heb de minister gevraagd om ons inzicht te geven hoe dat proces is gegaan en hoe de verklaring tot stand is gekomen. U vraagt mij om een waardeoordeel te geven over een verklaring die ik niet ken. Laten wij even afwachten hoe de minister in haar beantwoording hierop reageert. Ik ken die stukken niet. U ook niet, mag ik aannemen.

Mevrouw Van der Laan (D66): Mag ik een procedureel voorstel doen? Ik heb een kopie van die verklaring gekregen van het journaal. Mag ik die toevoegen aan de Handelingen? Dan kunnen wij die later gebruiken.

De voorzitter: Nog even en wij hangen onze televisie aan de Handelingen! Nee, iedereen heeft dat op de televisie kunnen zien. U kunt de kopie laten ronddelen, maar wij gaan die niet toevoegen aan de Handelingen.
De heer Van Beek vervolgt zijn betoog.
**

De heer Van Beek (VVD): De VVD-fractie steunt het besluit dat is genomen naar aanleiding van de motie van de heer Van der Vlies, om alle zaken waarin sprake is van onjuiste persoonsgegevens en waarin nog geen definitief oordeel is gevormd omtrent het Nederlanderschap, voorlopig aan te houden.
Uit het feitenrelaas blijkt dat de IND vanaf 2002 in de beschikbare gegevens nooit aanleiding heeft gezien dit dossier bestuurlijk aan de orde te stellen.
Dat kan iets zeggen over de inschatting van de op dat moment beschikbare informatie, maar het kan ook iets zeggen over de werkwijze van de betrokken dienst. Wat is het oordeel van de minister zelf over de handelwijze van de dienst, los van de constatering dat met de kennis van nu en achteraf bezien een andere beslissing op ambtelijk niveau wellicht wenselijk ware geweest?
De werkwijze van de AIVD was anders. Hierdoor kon de minister van Binnenlandse zaken wel door zijn dienst worden geïnformeerd. Daarna heeft er contact plaatsgevonden met de toenmalige partijvoorzitter van de VVD, maar dat was op basis van de afspraken die eerder waren gemaakt tussen de minister en de partijvoorzitters en dat is op zichzelf dus niet opmerkelijk. Op basis van deze contacten en na een advies van de Kiesraad is door de toenmalige top van de VVD besloten om door te gaan met de afgesproken kandidaatstellingsprocedure onder de afweging dat wellicht sprake kon zijn van een politiek risico. Dat er ook sprake kon zijn van een juridisch risico heeft men zich na het advies van de Kiesraad niet gerealiseerd. Men kon zich in 2002 en 2003 niet realiseren welke uitspraak de Hoge Raad in 2005 zou doen.

De heer Bos (PvdA): Ik hoor de heer Van Beek zeggen dat de VVD-top zich destijds niet heeft gerealiseerd dat sprake kon zijn van een juridisch risico na raadpleging van de Kiesraad. Ik geloof dat ik hem zo ongeveer kan citeren.

De heer Van Beek (VVD): Dat is de letterlijke formulering die ik ook op 16 mei heb gebruikt.

De heer Bos (PvdA): Het feitenrelaas zegt natuurlijk iets anders, namelijk dat de VVD-top feitelijk geïnformeerd is geweest over de juridische risico’s, niet alleen over de politieke risico’s. Sterker nog, vandaag las ik in de krant dat de heer Zalm zijn geheugen weer terug heeft en dat, waar hij zes weken geleden nog zei dat hij nooit iets had ge