Verkort vonnis Rechtbank Amsterdam over Mohammed B.
Rechtbank Amsterdam, 13/129227-04
Datum uitspraak: 26-07-2005
Datum publicatie: 26-07-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank veroordeelt Mohammed B. tot een levenslange gevangenisstraf voor onder andere de moord op Theo van Gogh.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/129227-04
Datum uitspraak: 26 juli 2005
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
laatst bekende [adres],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 en 12 juli 2005.
1. Telastelegging.
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting nader is omschreven. Van de dagvaarding en de vordering nadere omschrijving zijn kopie�n als respectievelijk bijlage I en bijlage II aan dit verkorte vonnis gehecht. De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen.
…
3. Waardering van het bewijs.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 1. telastegelegde,
op 02 november 2004 in de Linnaeusstraat te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een pistool, merk HS, zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] geschoten en met een mes de halsorganen van [slachtoffer] doorgesneden en met twee messen in de bovenbuik van [slachtoffer] gestoken, waardoor [slachtoffer] zodanige verwondingen aan de darmen en nier en lever en milt en longen en strottenhoofd en slokdarm en bloedvaten heeft opgelopen, dat hij daaraan, door bloedverlies en weefselschade, is overleden, welk misdrijf is gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele politieke en/of constitutionele structuur van Nederland ernstig te ontwrichten,
ten aanzien van het onder 2A. primair telastegelegde,
op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedacht rade [inspecteur] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en G05, brigadier van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die [inspecteur] en G05 heeft geschoten,
ten aanzien van het onder 2B. telastegelegde,
op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam G06, hoofdagent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en [agent] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend met een pistool in hun richting te wijzen, nadat hij, verdachte, met voorbedachten rade [slachtoffer] had doodgeschoten en andere politieambtenaren had beschoten,
ten aanzien van het onder 2C. primair telastegelegde,
op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2], beiden hoofdagent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] heeft geschoten,
ten aanzien van het onder 2D. primair telastegelegde,
op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade G04, hoofdinspecteur van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en G07, inspecteur van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland en [hoofdagent 3] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en [brigadier 1] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die G04 en G07 en [hoofdagent 3] en [brigadier 1] heeft geschoten,
ten aanzien van het onder 2E. telastegelegde,
op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam [brigadier 2] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend met een pistool in zijn richting te wijzen, nadat hij, verdachte, kort daarvoor met voorbedachten rade [slachtoffer] had doodgeschoten en andere politieambtenaren had beschoten,
ten aanzien van het onder 3. telastegelegde,
op 02 november 2004 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS, 9mm, en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, 9mm, met het oogmerk om een terroristisch misdrijf, te weten de moord op [slachtoffer], als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
ten aanzien van het onder 4. primair telastegelegde,
op 02 november 2004 te Amsterdam in de Linnaeusstraat te Amsterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer2] en [slachtoffer3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, merk HS, een aantal kogels in de richting van die [slachtoffer2] en [slachtoffer3] heeft geschoten, waarbij de hak van een schoen van [slachtoffer2] door een kogel is geraakt en [slachtoffer3] door zijn been is geschoten,
ten aanzien van het onder 5. primair telastegelegde,
op 02 november 2004 te Amsterdam door geweld en bedreiging met geweld opzettelijk heeft verhinderd dat [lid van de Staten-Generaal], in de periode van 02 november 2004 tot en met 17 januari 2005, vergaderingen van de Staten-Generaal bijwoonde en daarin vrij en onbelemmerd haar plicht vervulde, door een dreigbrief, gericht aan [lid van de Staten-Generaal]] met een mes op het lichaam van [slachtoffer] te steken, nadat hij, verdachte, met een pistool zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] had geschoten en met een ander, gekromd, mes de halsorganen van [slachtoffer] had doorgesneden en met dat andere, gekromde, mes in de bovenbuik van [slachtoffer] had gestoken, welke brief onder meer de navolgende passages bevatte:
- ‘Dit is een open brief aan de ongelovige fundamentalist, [lid van de Staten-Generaal]’ en
- ‘Deze brief is Insha Allah een poging om uw kwaad voor eens en altijd het zwijgen te doen opleggen’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal]: wenst de dood als u werkelijk van uw gelijk overtuigd bent’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal] je zal jezelf stuk slaan op de Islam!’ en
- ‘Ik weet zeker dat jij, O [lid van de Staten-Generaal], ten onder gaat’,
welk misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele politieke en/of constitutionele structuur van Nederland ernstig te ontwrichten,
ten aanzien van het onder 6. primair telastegelegde:
op 02 november 2004 te Amsterdam [lid van de Staten-Generaal] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, te weten moord cq. doodslag op haar met een terroristisch oogmerk, door een dreigbrief gericht aan [lid van de Staten-Generaal] met een mes op het lichaam van [slachtoffer] te steken, nadat hij, verdachte, met een pistool zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] had geschoten en met een ander, gekromd, mes de halsorganen van [slachtoffer] had doorgesneden en met dat andere, gekromde, mes in de bovenbuik van [slachtoffer] had gestoken, welke brief onder meer de navolgende dreigende passages bevatte:
- ‘Dit is een open brief aan de ongelovige fundamentalist, [lid van de Staten-Generaal]’ en
- ‘Deze brief is Insha Allah een poging om uw kwaad voor eens en altijd het zwijgen te doen opleggen’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal]: wenst de dood als u werkelijk van uw gelijk overtuigd bent’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal] je zal jezelf stuk slaan op de Islam!’ en
- ‘Ik weet zeker dat jij, O [lid van de Staten-Generaal], ten onder gaat’.
Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. Het bewijs.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. Nadere bewijsoverwegingen.
5.1. Medeplegen.
Ten aanzien van de moord op [slachtoffer], de bedreiging van [lid van de Staten-Generaal] en het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie is telastegelegd dat verdachte deze feiten zou hebben begaan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen.
De rechtbank overweegt omtrent het mededaderschap het volgende.
Uit het dossier, met name uit de verklaringen van een aantal andere als verdachte gehoorde personen, komt het beeld naar voren van een netwerk van radicale jonge moslims, waartoe ook verdachte behoort en waarin hij wellicht een leidende of onderwijzende rol speelt. Leden van dit netwerk, ook wel bekend als de zogenaamde ‘Hofstadgroep’, houden huiskamerbijeenkomsten, ook bij verdachte thuis, waarin een zekere [lid Hofstadgroep] de gewelddadige Jihad predikt. Ook worden er films bekeken waarop mensen worden onthoofd of ledematen van mensen worden geamputeerd. Er zijn vingerafdrukken en bloedsporen van sommige leden van dat netwerk in de woning van verdachte gevonden. Bij velen van hen zijn door verdachte geschreven, dan wel uit het Engels vertaalde en van een voorwoord voorziene, radicaal-fundamentalistische documenten aangetroffen. Verdachte is sedert mei 2004, toen zijn bijstandsuitkering stopte, zonder traceerbare inkomsten. Mogelijk is hij financieel door leden van dit netwerk onderhouden. Op 02 november 2004 had verdachte de beschikking over een vuurwapen met bijbehorende munitie. Mogelijk is hem dat, of de middelen om dat aan te schaffen, door medestanders geleverd. Voorts hebben getuigen verdachte in de periode voorafgaand aan 02 november 2004 en op de dag zelf samen met anderen gezien op en nabij de Linnaeusstraat te Amsterdam.
Al met al wel aanwijzingen, maar niet het wettig en overtuigend bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking van een of meer van hen met verdachte tot het begaan van deze misdrijven, zoals voor het medeplegen in de zin van het Wetboek van Strafrecht wordt vereist.
De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het medeplegen.
Volledigheidshalve zij in dit verband nog opgemerkt dat verdachte het deelnemen aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk in deze procedure niet is telastegelegd. Dat delict staat wel op een aan verdachte uitgereikte kennisgeving van verdere vervolging. Op dat punt zal dus wellicht nog nader onderzoek volgen.
5.2. Terroristisch oogmerk.
Ten aanzien van alle feiten is telastegelegd dat verdachte deze zou hebben begaan met een terroristisch oogmerk.
De rechtbank overweegt omtrent het terroristisch oogmerk het volgende.
Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel is gelet op artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht vereist dat verdachte de misdrijven heeft begaan met het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard [slachtoffer] te hebben vermoord uit geloofsovertuiging. Dit sluit terroristisch oogmerk echter niet uit. Bij beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van terroristisch oogmerk zijn de volgende omstandigheden van belang. De moord is gepleegd in een drukke straat, tijdens spitsuur, op een bekende Nederlander, en op een gruwelijke wijze. Daar komt bij dat op het lichaam een brief is achtergelaten met dreigende inhoud, niet alleen aan Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] maar ook aan geheel Nederland. Bovendien heeft verdachte, naar een getuige verklaart, aan een omstander op diens uitroep: “Dit kan toch niet, dit kan je toch niet maken” gereageerd met de mededeling: “Dat kan ik wel en dan weten jullie ook wat je te wachten staat.”
Al deze feiten tezamen genomen rechtvaardigen de conclusie dat verdachte welbewust heeft beoogd de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen. De rechtbank acht aldus het terroristisch oogmerk in feit 1, feit 5. primair en feit 6. primair wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het schieten op de politieagenten en de daarmee verbonden bedreigingen ligt dit anders. Weliswaar gebeurde dit ook in een drukke straat en tijdens spitsuur, maar de overige omstandigheden die hiervoor zijn opgesomd, ontbreken. Vast staat dat verdachte de agenten heeft beschoten om hen te doden en tevens te bewerkstelligen dat zij op hem zouden terugschieten zodat hij als martelaar zou sterven. Hieruit blijkt echter onvoldoende het kennelijke doel de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen.
Dit geldt ook ten aanzien van de poging tot moord op de twee omstanders in de Linnaeusstraat, [slachtoffer3] en [slachtoffer2]. Verdachte heeft zich - door met een pistool te schieten in een drukke straat - willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een omstander dodelijk getroffen kan worden. Verdachte heeft die kans ook aanvaard en op de koop toe genomen. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat verdachte [slachtoffer3] en [slachtoffer2] met terroristisch oogmerk probeerde te vermoorden.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2A. primair, 2B, 2C. primair, 2D. primair, 2E. en 4. primair telastegelegde terroristisch oogmerk.
5.3. Samenloop.
De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven dat zijns inziens de moord op
[slachtoffer] en de pogingen tot moord op de twee omstanders zich verhouden als een voortgezette handeling, nu er aan de beide feiten hetzelfde wilsbesluit ten grondslag ligt:
[slachtoffer] vermoorden. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er is hier sprake van meerdere wilsbesluiten. De rechtbank zal deze feiten derhalve als meerdaadse samenloop kwalificeren.
De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat alle onder 2. telastegelegde feiten zich verhouden als een voortgezette handeling. Ook dit standpunt deelt de rechtbank niet, nu aan elke poging tot moord, dan wel bedreiging van een politieagent, een nieuw wilsbesluit ten grondslag ligt.
Tot slot is de officier van justitie van mening dat ook de feiten 5. en 6. zich verhouden als een voortgezette handeling. Ook hier volgt de rechtbank de officier van justitie niet. Gelet op de omstandigheid dat de beide feiten niet los van elkaar gedacht kunnen worden, terwijl door de gelijktijdigheid waaronder zij zijn begaan het ene feit als het ware opgaat in het andere feit en bovendien het kenmerkende van beide feiten de bedreigende inhoud van de brief is, verhouden de feiten 5. en 6. zich als eendaadse samenloop.
6. De strafbaarheid van de feiten.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf en de maatregelen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft filmmaker en columnist [slachtoffer] op gruwelijke wijze vermoord. Hij heeft hem in de Linnaeusstraat in Amsterdam op de fiets ingehaald en hem met een pistool beschoten. [slachtoffer] is gewond van zijn fiets gesprongen en naar de overkant van de straat gerend. Verdachte is hem al schietend achterna gegaan. Hierbij zijn ook twee omstanders door een kogel geraakt. [slachtoffer] is uiteindelijk getroffen door 7 kogels. Terwijl het slachtoffer gewond op straat lag heeft verdachte met een groot mes zijn keel doorgesneden en dit mes vervolgens in zijn borst gedrukt tot aan de wervelkolom. Hierna heeft verdachte met een fileermes een dreigbrief aan Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] op het lichaam van [slachtoffer] gestoken.
Verdachte heeft vervolgens de patroonhouder weer met patronen gevuld en zijn pistool herladen, en is via het Oosterpark naar de Mauritskade gelopen, waar hij een vuurgevecht met de politie is aangegaan. Verdachte heeft op de Mauritskade 8 politieagenten geprobeerd te vermoorden door op hen te schieten met zijn pistool en 3 politieagenten bedreigd met de dood door met zijn pistool in hun richting te wijzen.
De politie slaagde er uiteindelijk in verdachte in zijn been te schieten om hem aan te houden.
De moord op [slachtoffer] heeft een golf van afschuw en verontwaardiging over Nederland doen gaan. [slachtoffer] is op genadeloze wijze afgeslacht. Dit gebeurde in een drukke straat in Amsterdam-Oost tijdens de ochtendspits. Het is een wonder dat slechts twee omstanders zijn getroffen door rondvliegende kogels.
Moord is ��n van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en wordt daarom bedreigd met levenslange gevangenisstraf. Verdachte heeft met dit misdrijf het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en er blijk van gegeven geen enkel respect voor het menselijk leven te hebben. Verdachte veroorzaakt met deze moord onzegbaar veel leed bij de nabestaanden van [slachtoffer], waaronder diens 14-jarige zoon.
Een omstandigheid waarover nagenoeg alle getuigen zich hebben verbaasd, is de rust en kalmte waarmee verdachte de moord heeft begaan. Sommige getuigen verklaren dat verdachte na de moord nog rustig bleef staan, alsof om te kijken of hij zijn werk goed had gedaan. Anderen verklaren dat verdachte zo rustig naar het Oosterpark liep, dat het leek alsof hij zijn hond aan het uitlaten was.
Verdachte heeft ter terechtzitting in zijn laatste woord als zijn motief kenbaar gemaakt, dat hij handelde uit zijn geloofsovertuiging. De rechtbank houdt het er op dat verdachte, een overtuigingsdader, een radicale interpretatie van de Islam aanhangt en dat [slachtoffer] in de ogen van verdachte een zogenaamde ‘Vijand van de Islam’ was die moest sterven.
Verdachte heeft de moord en de bewezen verklaarde feiten jegens mevrouw [lid van de Staten-Generaal] bovendien begaan met het oogmerk de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen en/of de politieke en constitutionele structuren van Nederland te ontwrichten of te vernietigen.
De wetgever heeft met de Wet terroristische misdrijven van 10 augustus 2004 tot uitdrukking gebracht dat misdrijven die zijn begaan met een terroristisch oogmerk tot de ernstigste misdrijven behoren.
De terroristische aanslag op [slachtoffer] heeft in de samenleving grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Bovendien heeft deze aanslag een destabiliserende werking gehad. Zo vond er in de dagen na de moord een aantal aanslagen plaats op moskee�n en islamitische scholen.
Ook over het vuurgevecht met de politie heeft verdachte in zijn laatste woord gesproken. Hij schoot om te doden en om gedood te worden, aldus verdachte. Verdachte toont ook met deze beschieting geen enkel respect te hebben voor het menselijk leven. Hij heeft de politieagenten willen gebruiken als zijn beulen, zodat hij, in zijn visie, als martelaar zou sterven. Hoewel geen van de politiemannen en -vrouwen gewond is geraakt en verdachte na een schot in zijn been kon worden aangehouden, blijkt uit de toelichting op hun vorderingen als benadeelde partij hoezeer een en ander hen heeft aangegrepen. Naar de ervaring leert zullen zij nog lang de emotionele gevolgen kunnen ondervinden.
Verdachte heeft voorts Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] opzettelijk verhinderd haar werk als lid van de Staten-Generaal uit te oefenen, door haar te bedreigen met een terroristisch misdrijf. Zij kreeg door deze bedreiging maximale beveiliging en moest onderduiken, waardoor zij de vergaderingen van de Tweede Kamer enige maanden niet kon bijwonen. Dit misdrijf wordt door de wetgever als zeer ernstig beschouwd, omdat het functioneren van de volksvertegenwoordiging in het geding is. De strafbaarstelling van dit feit heeft mede ten doel het voorkomen van een omverwerping van het parlement. De maximumstraf op dit misdrijf is dan ook een levenslange gevangenisstraf. Het aldus bedreigen van mevrouw [lid van de Staten-Generaal] heeft bovendien voor haar persoonlijke consequenties gehad. In haar aangifte geeft mevrouw [lid van de Staten-Generaal] aan dat zij door de bedreigingen en het daarop volgende leven in de hoogste graad van beveiliging ook psychisch en lichamelijk het nodige te verwerken heeft gehad.
In algemene zin gaat de rechtbank bij de vraag welke straf of maatregel moet worden opgelegd uit van de veronderstelling dat verdachte toerekeningsvatbaar is. Dit sluit echter niet uit dat er feiten kunnen zijn die deze veronderstelling logenstraffen. De rechtbank achtte termen aanwezig hiernaar onderzoek te laten doen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport van 20 juni 2005 van [psycholoog] en [psychiater], beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Bovendien heeft de [psycholoog] ter terechtzitting een toelichting op het rapport gegeven. De conclusie van het rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij gebrek aan medewerking van verdachte geen volledig gedragskundig onderzoek heeft kunnen plaatsvinden. Er zijn, aldus de deskundigen, geen aanwijzingen dat hij zijn medewerking op pathologische gronden heeft geweigerd. Voor zover het onderzoek wel informatie heeft opgeleverd, was die te summier om een stoornis te kunnen vaststellen. Een religieuze radicalisering - met alle extreem gewelddadige idee�n en de verheerlijking van geweld die daarbij horen - kan zorgwekkend genoemd worden, aldus het rapport. Deze vaststelling rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat er sprake is van een pathologische afwijking. Het is de deskundigen derhalve niet mogelijk geweest te adviseren over de vraag of er bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het plegen van de telastegelegde feiten. De deskundigen kunnen daarom geen gronden vaststellen voor enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank is met de deskundigen van mening dat het door verdachte toegepaste buitensporige geweld, zelfs in combinatie met zijn wens daarbij als martelaar te sneuvelen, op zich onvoldoende grond is voor het aannemen van een psychische stoornis die aan de basis van zijn handelen zou kunnen liggen, hoezeer men dat welhaast zou hopen. En hoezeer de radicale opvattingen, de obsessie met geweld en het totalitaire denken van verdachte uitnodigen tot speculaties over het bestaan van oorzaken, waardoor verdachte de greep op zichzelf zou zijn kwijtgeraakt.
Nu de gedragswetenschappers geen stoornis hebben kunnen vaststellen en die ook anderszins niet is komen vast te staan, blijft de rechtbank bij het uitgangspunt dat verdachte de feiten volledig kunnen en dus ook worden toegerekend.
Ten aanzien van de motieven van verdachte, die ook een rol kunnen spelen bij de strafmaat, houdt de rechtbank rekening met het rapport van 20 mei 2005 van [deskundige] op het gebied van het Recht van de Islam en het Midden-Oosten en de daarop door hem ter terechtzitting gegeven toelichting. De deskundige schetst in zijn rapport de ontwikkeling in het denken van verdachte zoals dat op grond van de door verdachte geschreven en vertaalde documenten gereconstrueerd kon worden. De deskundige concludeert dat verdachte uiteindelijk in het stadium terecht is gekomen waarin hij er vast van overtuigd is dat gewelddadige actie geboden is, waarna verdachte de daad bij het woord heeft gevoegd door [slachtoffer] te vermoorden. De teksten uit deze laatste periode wijzen maar in ��n richting: het verlangen om gehoor te geven aan het gebod om de Islam met geweld te verdedigen en wraak te nemen voor beledigingen de Islam aangedaan. De deskundige verwijst naar het document ‘Verplichting van het doden van degene die de profeet (sallallahu alaihie wa sallam) uitscheld’, welk document verdachte op 02 juli 2004 heeft vertaald uit het boek ‘As Sarim alMasloel 3la Satmie Arrasoel’ van de 14de eeuwse auteur Ibn Taymiyyah. Verdachte vestigt de aandacht op het feit dat naar zijn mening in Nederland de strijd tegen de Islam via de media gevoerd wordt. Nu is er voor hem een ideologische rechtvaardiging om personen die die strijd voeren en de Islam en de profeet Mohammed beledigen, te vermoorden. De moord op [slachtoffer] kon op grond van dit document als een religieuze plicht beschouwd worden, aldus de deskundige. Ter terechtzitting concludeert de deskundige dat verdachte zichzelf zag als een instrument van Allah.
De rechtbank hecht eraan in dit verband te vermelden dat de [deskundige] ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat verdachte een zeer extreme, maar ook uitzonderlijke interpretatie van de Koran aanhangt.
De rechtbank heeft ten slotte kennis genomen van een Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van, zij het aanzienlijk minder ernstige, geweldsdelicten.
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en een ontzetting van het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen.
De rechtbank stelt voorop dat ook bij de meest ernstige misdrijven betekenis toekomt aan het inzicht dat de pleger van die misdrijven, vanuit overwegingen van humaniteit, in beginsel het perspectief moet worden geboden dat hij op enig moment weer in de samenleving terug zal kunnen keren.
Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, waarbij dit uitzicht niet bestaat, dient gereserveerd te blijven voor die uitzonderlijke gevallen, waarbij het gaat om zeer ernstige misdrijven en waarin het maatschappelijk belang, gelet op het gevaar dat verdachte opnieuw een feit van vergelijkbare ernst zal begaan, vordert dat de samenleving voorgoed van verdachte gevrijwaard blijft.
Bij de vraag of er in deze zaak sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval en met name hoe groot het gevaar is dat verdachte opnieuw zo ernstige misdrijven zal begaan, houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de persoon van verdachte en het inzicht dat hij ter terechtzitting in zijn persoon heeft gegeven. Op de vraag van de oudste rechter of verdachte zich wellicht verder zal ontwikkelen en een eventueel minder radicale vorm van de Islam zal kunnen aanhangen, heeft verdachte geantwoord dat hij elke dag tot zijn Heer bidt om hem te behoeden dat hij anders zal gaan denken dan dat hij nu denkt. Ook in zijn laatste woord, zijn laatste kans om de rechtbank te overtuigen van een mogelijke inkeer of een mogelijk besef van de ernst van zijn daden en hun in onze democratie onaanvaardbare gevolgen, heeft verdachte de rechtbank te kennen gegeven dat hij geenszins van plan is zijn manier van denken in heroverweging te nemen. Integendeel, hij heeft zelfs gezworen dat als hij weer vrij komt, hij precies hetzelfde zal doen.
Dit alles in overweging nemende, komt de rechtbank tot het oordeel dat vanuit oogpunt van speciale preventie geen re�el uitzicht bestaat op resocialisatie van verdachte en terugkeer in de samenleving zonder dat dit een onaanvaardbaar gevaar met zich mee brengt. De samenleving moet dan ook maximaal beschermd worden tegen verdachte. In deze zaak is daarom slechts ��n straf passend en geboden, een levenslange gevangenisstraf.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn vordering tot ontzetting van verdachte van het actief en passief kiesrecht. Ontzetting uit het kiesrecht is een bijkomende straf die tot doel heeft een veroordeelde uit te sluiten van het democratisch proces. De gedachte van de officier van justitie achter zijn vordering is dat verdachte ook op deze wijze uit de maatschappij wordt geplaatst. Verdachte heeft in zijn document ‘Grondwet van een fundamentalist, deel 5’ uiteengezet hoezeer naar zijn mening een democratie in strijd is met de wetten van Allah. Verdachte verwerpt het democratisch stelsel in al zijn facetten. Gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen over de standvastigheid van verdachte in zijn ideologie en de hem op te leggen levenslange gevangenisstraf, acht de rechtbank de mogelijkheid niet re�el dat verdachte ooit gebruik zal maken van zijn actief of passief kiesrecht.
Onttrekking aan het verkeer.
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage III aan dit verkort vonnis is gehecht, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot en/of met behulp van deze voorwerpen de bewezen geachte zijn begaan en/of voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.
Column Producties B.V.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij Column Producties B.V. van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.267,13 (achtduizendtweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van Column Producties B.V. voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Met betrekking tot de vorderingen van de politieambtenaren tot vergoeding van de immateri�le schade stelt de rechtbank voorop, dat er in deze sprake is geweest van een uitzonderlijke situatie die een hoge vergoeding rechtvaardigt. Verdachte heeft met het doel om zelf gedood te worden en de politie te doden de verschillende aankomende politiewagens onder vuur genomen. Met name die omstandigheid heeft een negatieve invloed gehad op de verwerking van de gebeurtenissen. Ook de media-aandacht heeft de verwerking negatief be�nvloed. Door alle aandacht worden de politieambtenaren steeds weer met de gebeurtenissen geconfronteerd.
[benadeelde partij1].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2A. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
G05.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G05 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2A. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van G05 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
G06.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G06 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2B. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van G06 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[benadeelde partij2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2B. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[hoofdagent 1].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2C. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [hoofdagent 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[hoofdagent 2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij
[hoofdagent 2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2C. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [hoofdagent 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
G04.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G04 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van G04 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
G07.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G07 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van G07 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[benadeelde partij5].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij5] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[benadeelde partij6]]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij6] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[benadeelde partij7].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij7] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2E. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
[slachtoffer2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro), bestaande uit € 1.000,- ter vergoeding van immateri�le schade en € 85,- ter vergoeding van de beschadigde schoen. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[benadeelde partij9].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij9] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften.
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 83, 83a, 121, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10. Beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3. is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1, 2A. primair, 2B, 2C. primair, 2D. primair, 2E, 3, 4. primair, 5. primair en 6. primair is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Moord, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.
Ten aanzien van de feiten 2A. primair, 2C. primair, 2D. primair en 4. primair:
Poging tot moord, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van de feiten 2B. en 2E:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 3:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan is met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
Ten aanzien van feit 5. primair en 6. primair:
Eendaadse samenloop van
Door geweld en bedreiging met geweld een lid van de vergadering van een kamer der Staten-Generaal opzettelijk verhinderen die vergadering bij te wonen en daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.
en
Bedreiging met een terroristisch misdrijf.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage III aan dit verkorte vonnis is gehecht.
De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.
Column Producties B.V.
Wijst de vordering van de benadeelde partij Column Producties B.V., gevestigd op het [adres] toe tot een bedrag van € 8.267,13 (achtduizend-tweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent).
Veroordeelt verdachte aan Column Producties B.V. voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Column Producties B.V., te betalen de som van € 8.267,13 (achtduizendtweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij1].
Wijst de vordering van de [benadeelde partij1], [adres] toe tot een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij1], te betalen de som van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
G05.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G05, [adres] toe tot een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro).
Veroordeelt verdachte aan G05 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G05, te betalen de som van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
G06.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G06, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan G06 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G06, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij2], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[hoofdagent 1].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 1], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [hoofdagent 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[hoofdagent 1], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[hoofdagent 2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 2], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [hoofdagent 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[hoofdagent 2], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
G04.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G04, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan G04 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G04, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
G07.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G07, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan G07 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G07, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij5].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij5], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij5], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij6], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij6], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij7].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij7], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij7], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
[slachtoffer2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro).
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer2], te betalen de som van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 (acht) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
[benadeelde partij9].
Wijst de vordering van de [benadeelde partij9], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij9] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij9], te betalen de som van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter,
mrs. M.J. Diemer en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juli 2005.
Requisitoir in de strafzaak tegen Mohammed B.
Inhoudsopgave
1. Het verloop van het onderzoek
2. Terroristisch oogmerk
3. Medeplegers of medeplichtigen?
4. Herkomst wapens
5. De strafbare feiten
6. Feit 1: Moord op Theo van Gogh
7. Feit 4: twee burgerslachtoffers
8. Terug naar feit 1: de moord op Theo van Gogh
9. Feit 2: Beschieting van politiemensen
10. Feit 3: Vuurwapen en munitie
11. Verklaringen van de verdachte
12. De voorbedachten rade
13. Feit 5 en 6: Hirsi Ali
14. Het terroristisch oogmerk
15. Bewezenverklaring
16. Samenloop
17. Beslag
18. De slachtoffers
19. Strafmaatoverwegingen
20. De persoon van de verdachte
21. De ernst van de feiten
22. Het doel van de straf
23. Eis
Graag Uw aandacht voor een geluidsfragment:
Rob Muntz : "Maar jij denkt niet dat er ooit een idioot opstaat die....".
Theo van Gogh : "Dat kan ik me niet voorstellen".
Rob Muntz : "Jij gelooft in de goedheid van de mens?"
Theo van Gogh : "Nee, niet in de goedheid van de mens, in mijn eigen arrogantie.
Dat heeft dermate veel uitstraling dat die kogel zal voor mij
niet komen, denk ik hoor."
Rob Muntz : "Dat mensen dat afschrikt, je bent ongezond kwetsbaar".
Theo van Gogh : "Ze denken, denk ik, het is de dorpsgek dus waarom zou je hem
neerschieten. Kan ik me iets bij voorstellen. Maar goed...."
Rob Muntz : "Maar als je de metro.....ik bedoel he"
Theo van Gogh : "If it happens, it happens".
Theo van Gogh op vrijdag 29 oktober 2004 in een interview met Rob Muntz. Vier dagen later werd hij vermoord.
Dit proces, meneer de voorzitter, edelachtbaar college, gaat over de moord op Theo van Gogh, het schieten op omstanders en politiemensen en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali.
Dit proces gaat over meer. Het gaat over vrijheid van meningsuiting, tolerantie en intolerantie, een manier van godsdienstbeleving die uitmondt in een terroristische actie. En meer dan in andere strafzaken staat de persoon van het slachtoffer, Theo van Gogh, centraal: het slachtoffer, bewust gekozen vanwege zijn al dan niet vermeende ideeën en sympathieën.
Ik zal dan ook uitgebreid, meer dan gebruikelijk, stil blijven staan bij de persoon van Theo van Gogh.
Verwacht u van mij geen korte biografie en zeker geen hagiografie, want een heilige was hij beslist niet. Beoordeeld alleen aan de hand van zijn columns en televisieoptredens, ontstaat het beeld van een onverbeterlijk criticaster, die beledigen tot kunst heeft verheven. "Functioneel beledigen" noemde hij dit, een onderdeel van zijn boodschap; het waarschuwen tegen de vijfde colonne die probeert in Nederland de vrije manier van leven aan te tasten. Als columnist zocht hij voortdurend de rand van het toelaatbare op. Velen moesten het van hem ontgelden, joods, christelijk of islamitisch, politici en bestuurders. Heilige huisjes bestonden niet voor hem. Hij had een broertje dood aan huichelachtigheid en schroomde niet zich soms grof en beledigend te uiten. Drie keer werd hij aangeklaagd wegens uitlatingen die antisemitisch werden gevonden of beledigend voor christenen en islamieten. Nooit werd hij veroordeeld. Theo van Gogh propageerde de vrijheid van meningsuiting in zijn meest absolute zin. In een column in Vrij Nederland schreef hij dat alleen vrije meningsuiting in de breedste zin van het woord, dus inclusief het recht van discriminerende imams om hun vooroordeel uit te dragen, ons vrije burgers kan redden van de barbarij. Aan de vrijheid van meningsuiting mochten volgens hem geen grenzen zitten. Eén geboren provocateur, zo wordt hij wel genoemd. Dit is het beeld dat de verdachte voor zich heeft gehad toen hij besloot om Van Gogh tot het doelwit te maken van zijn aanslag.
Theo van Gogh was nog veel meer. Een filmer, die Gouden Kalveren en andere filmprijzen won voor films en televisieseries als 06, Blind date, In het belang van de staat en Najib en Julia. Één van zijn laatste films, Cool, wordt thans gereed gemaakt voor roulatie in de Verenigde Staten, een eer die slechts weinig Nederlandse films ten deel valt. In zijn films laat Van Gogh ook zien dat hij veel meer is dan alleen een verbeten columnist. Een voorbeeld vormt de film Cool. Deze gaat over de allochtone criminele jongeren op de Glenn Mills-school. Met deze film heeft Van Gogh twee Marokkaanse jongens van deze school de kans gegeven een carrière als acteur te starten. Ook geeft deze film blijk van veel inlevingsvermogen in de jonge criminelen die op deze school terecht zijn gekomen. In zijn televisieserie Najib en Julia speelt Van Gogh luchtig en zachtmoedig met vooroordelen van Nederlandse en Marokkaanse jongeren. In zijn meest recente film over de moord op Pim Fortuyn, 06/05, laat van Gogh in een klein nevenplot een mooie relatie opbloeien tussen de hoofdrolspeler, een onderzoekend fotograaf, diens dochter en haar Marokkaanse vriendje. In al deze films laat Van Gogh zich van een geheel andere kant zien. Met geen mogelijkheid kan worden gezegd dat hij allochtonen of Marokkanen zou discrimineren. Integendeel, zou ik zeggen. Bekend is ook dat Van Gogh voor zijn acteurs en actrices een vaderlijk regisseur was. Zij werkten graag met hem samen, vaak voor langere tijd.
Tenslotte, meneer de voorzitter, edelachtbaar college, u hebt het gisteren nog kunnen horen, was Theo van Gogh ook een geliefde zoon, broer, partner en vader. In Vrij Nederland omschreven zijn ouders hem als lief, zorgzaam en familieziek. Zelf zei Theo van Gogh dat zijn zoon "de enige was aan wie hij zich volledig had uitgeleverd". In gesprekken met de familieleden van Van Gogh is mij duidelijk geworden – en gisteren hebt u dat ook gehoord – dat het verdriet over het verlies van Theo van Gogh nog zeer diep zit.
De verdachte heeft zelf in zijn afscheidsbrief geschreven dat het overlijden van zijn moeder voor hem een keerpunt is geweest. Heeft Mohammed ooit wel eens bedacht wat de dood van Theo van Gogh voor diens familie betekent?
Nog een tweede kortere vooropmerking. In januari heb ik tijdens de eerste pro forma zitting al betoogd dat de strafzaak tegen Mohammed B. een beeld geeft van de Islam, een vrij schokkend beeld van een terroristische ideologie, geïnspireerd door een uitzonderlijk extreme uitleg van de Koran. Ik heb toen betoogd dat dit geen algemeen gedeeld beeld was.
Ik wil dit met kracht herhalen. In deze strafzaak staat niet de Islam terecht, niet de Marokkanen of welke religie of allochtone minderheid dan ook. We moeten waken, zoals een Franse onderzoeksrechter vorige week in NOVA zo mooi zei, voor een apocalyptische botsing der beschavingen. Het gaat niet om een strijd tussen Islamitische en westerse waarden. Hoezeer de verdachte en zijn geestverwanten ons dat willen doen geloven. Het gaat om een zeer beperkte groep mensen. Zij maken misbruik van de Islam. Zij willen hun onverdraagzame terroristische ideeën dwingend aan ons opleggen. Aan onze samenleving. Een open en pluriforme samenleving, waarin voor iedereen plaats is die bereid is om zich te houden aan de beginselen van een democratische maatschappij.
1. Het verloop van het onderzoek
Het verloop van het onderzoek is bepaald niet standaard geweest. Op 2 november 2004 werden er naast de verdachte nog acht andere personen aangehouden. Vier van hen werden in de loop van dezelfde week weer in vrijheid gesteld. Gebleken was dat zij niet in verband konden worden gebracht met de organisatie die de Hofstad-groep wordt genoemd. In de dagen daarop werden nog een negende en tiende verdachte aangehouden. Tot ongeveer medio december heeft het onderzoeksteam zowel het onderzoek naar de moord uitgevoerd als het onderzoek naar de zes andere verdachten. In december zijn deze verdachten overgedragen aan de officier van Justitie van het Landelijk Parket. Vervolgens heeft het onderzoeksteam nog vele hand- en spandiensten verricht ten behoeve van het onderzoek van het Landelijke Parket. Het proces-verbaal van de politie dat thans voor u ligt, is het verbaal dat betrekking heeft op de moord op Theo van Gogh, het schieten op omstanders en de politie en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali op 2 november 2004.
Al snel in het onderzoek werd duidelijk dat ook de verdachte onderdeel vormde van de terroristische organisatie die als Hofstadgroep bij het Landelijk Parket in onderzoek is. Voor deze feiten heeft de verdachte een kennisgeving verdere vervolging gekregen. Na afdoening van deze strafzaak zal ik daar een beslissing over nemen.
Dit laatste onderzoek vormt uitdrukkelijk geen onderdeel van het procesdossier dat nu voor u ligt. Wel heb ik de verklaringen van alle verdachten uit het onderzoek Arles in Rotterdam bijgevoegd om de persoon van de verdachte wat meer reliëf te geven. Van belang in die verklaringen zijn uiteraard die gedeelten waarin deze verdachten praten over Mohammed B.. Ik ben mij ervan bewust dat dat niet veel is. Hun verklaringen geven wel een inzicht in de rol die B. binnen de Hofstadgroep heeft gespeeld, zeker in het licht van het rapport van de deskundige Peters en wat is gebleken over de verspreiding van de stukken die de verdachte zelf heeft geschreven of heeft vertaald.
Voor het Rotterdamse onderzoek is recent Nouredine El F. aangehouden. Met een machinegeweer in zijn rugzak. Hij heeft in de zomer van 2004 aan de AIVD verteld dat Mohammed B. levensgevaarlijk is. Ik heb met mijn collega’s van het landelijk parket gesproken over de mogelijkheid en het nut deze man als getuige te horen. Hij legt echter geen verklaring af. Om deze reden heb ik ook afgezien van zijn verhoor.
Na de vorige zitting hebt U een aantal nieuwe stukken ontvangen. Van belang zijn met name de volgende:
1. Het rapport van de deskundige Peters. Dit rapport geeft een heldere beschrijving van de ideologische ontwikkeling van de verdachte; van sociale Nederlander naar een onverdraagzame en gewelddadige fundamentalist.
2. Het rapport van het Pieter Baan Centrum. Al eerder op deze zitting geconstateerd: geen conclusie, maar wel meer inzicht in de persoon van de verdachte.
3. Tapgesprekken van de verdachte. Hij belde alleen maar met zijn familie. De gesprekken zijn sociaal van aard.
4. Gesprekken die de verdachte in het Penitentiair Ziekenhuis in Scheveningen en het Huis van Bewaring Demersluis heeft gevoerd.
Hij heeft alleen bezoek ontvangen van zijn broer Hassan. Zij bevatten veel informatie over de persoon van de verdachte.
5. Brieven van en naar de verdachte in de Huizen van Bewaring. Ook deze zeggen iets over de persoon van de verdachte.
Opvallend in het onderzoek is het uitblijven tot op heden van enige wens van de verdachte. Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten is het stil gebleven. Ook het rapport van Peters en het rapport van het Pieter Baan centrum hebben niet geleid tot enig verzoek.
Het proces-verbaal is opgebouwd volgens de Abrio-methodiek. In deze methodiek wordt er eerst een onderzoeksdossier gevormd, waarin alle stukken in rubrieken worden genummerd. Uit dit onderzoeksdossier wordt vervolgens onder mijn verantwoordelijkheid een procesdossier gevormd. Hierin komen alleen die processtukken die voor het onderzoek relevant zijn. Dit verklaart waarom in sommige rubrieken de nummering van de processtukken hiaten vertoont.
Ik wil hier de politie complimenteren met het onderzoek en het proces-verbaal. Natuurlijk is het onbevredigend dat sommige onderzoeksvragen uiteindelijk niet kunnen worden beantwoord. Het onderzoek zelf is uitputtend geweest en ook alle kleine aanwijzingen zijn uitgezocht.
Het methodiekendossier geeft een helder overzicht van alle bevoegdheden die tijdens het onderzoek zijn uitgeoefend. Dat zijn er vele geweest.
Ook het onderzoek naar de persoon van de verdachte is omvangrijk geweest. Het team is bij het horen van getuigen gestuit op een muur van stilzwijgen. Vooral als het gaat om de meest recente periode van het leven van de verdachte tot 2 november jl. In het bijzonder zijn directe familie, zijn vader, broer en zussen, hebben geweigerd enige informatie over de verdachte te verschaffen. Over het doen en laten van de verdachte in het jaar 2004 is dan ook vrij weinig bekend. Toch geven met name de afgeluisterde gesprekken tussen de verdachte en zijn broer Hassan tijdens bezoekuren in het Huis van Bewaring wel enig inzicht in de persoon van Mohammed B.. Ik meen dat het onderzoek van de politie goed en volledig is geweest en dat er een dossier voor u ligt dat recht doet aan het belang van de strafzaak. Het vormt een uitstekende basis voor een beoordeling door de rechtbank.
2. Terroristisch oogmerk
Het terroristisch oogmerk speelt in deze zaak een grote rol. Met uitzondering van het subsidiair ten laste gelegde in feit 6, wordt B. ervan verdacht dat hij alle misdrijven heeft begaan met een terroristisch oogmerk. Dit oogmerk is in het Wetboek van Strafrecht ingevoerd met de Wet Terroristische Misdrijven. Deze wet is op 10 augustus 2004 in werking getreden. De Wet terroristische misdrijven geeft uitvoering aan het Europese Kaderbesluit Terrorismebestrijding. De ratio van dit besluit kan worden afgeleid uit de aanhef. Daar wordt vastgesteld dat terrorisme een van de ernstigste schendingen is van de beginselen waarop de Europese Gemeenschap is gegrondvest. Doel is een meer slagvaardig optreden tegen terroristen.
In de Wet terroristische misdrijven worden enkele nieuwe strafbare feiten geïntroduceerd, zoals de rekrutering ten behoeve van de Jihad, de samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven en de deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarnaast wordt in artikel 83 Sr. een definitie gegeven van een terroristisch misdrijf. Hieronder wordt verstaan een groot aantal misdrijven die worden begaan, ik citeer, met: "Het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land vrees aan te jagen dan wel een overheid of een internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen." (art. 83a Sr.) Het Openbaar Ministerie moet in deze zaak dus bewijzen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om door middel van de strafbare feiten mensen bang te maken, de overheid tot iets te dwingen of de fundamenten van de Nederlandse maatschappij te ontwrichten of te vernietigen.
Het belang van het terroristisch oogmerk is niet symbolisch. De wet bepaalt dat indien een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk de maximum op te leggen gevangenisstraf met de helft wordt verhoogd. Indien op dat misdrijf een gevangenisstraf van ten hoogste 15 jaar is gesteld wordt dat levenslang of 20 jaar. De vraag rijst dan wat het doel is van het terroristisch oogmerk bij misdrijven waarop al levenslange gevangenisstraf is gesteld, zoals moord. De Memorie van Toelichting bij de Wet Terroristische Misdrijven is hieromtrent bijzonder kort. Deze wijst alleen op het belang in verband met artikel 140a Sr., de deelname aan een terroristische organisatie. Alleen in de Nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken 28463, nr. 6) is de Minister van Justitie hierover duidelijker.
In de eerste plaats is er een volkenrechtelijke verplichting. Het oogmerk is ook van belang voor de rechtsmachtbepaling. Voor terroristische misdrijven geldt het universaliteitsbeginsel: de Nederlandse rechter is bevoegd om te oordelen over terroristische misdrijven waar deze ter wereld zijn begaan en door verdachten van elke nationaliteit. Voorts wijst de Minister wederom op de strafbaarstelling van de terroristische organisatie en tenslotte kan de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk ook van belang zijn voor de daadwerkelijk op te leggen straf. Dit laatste blijkt ook impliciet uit het Europese Kaderbesluit. Op dit laatste kom ik terug.
3. Medeplegers of medeplichtigen?
Op de vorige twee pro forma zittingen heb ik telkens aangegeven wat de stand van zaken van het onderzoek was. Ik ben daarbij vrij uitvoerig ingegaan op de vraag of er sprake is van medeplegers op de moord van Theo van Gogh of dat er andere mensen zijn die de verdachte bij de moord geholpen zouden hebben. Na de laatste pro forma-zitting is het onderzoek daar naar in volle omgang voortgezet.
Dit onderzoek heeft zich vooral gericht op een viertal potentiële verdachten. Twee van hen bevinden zich in voorlopige hechtenis in het kader van het onderzoek van het Landelijk Parket naar de zogenaamde Hofstadgroep. Twee anderen betreffen Tsjetsjenen die op 19 april en 18 mei van dit jaar zijn aangehouden.
De eerste Tsjetsjeen noem ik Murad J.. Hij had in de woning van de verdachte zijn vingerafdruk achtergelaten op een cassettebandje. De tweede Tsjetsjeen, Bislan I., had zijn vingerafdruk achtergelaten op het testament van de verdachte dat bij zijn vriend, Rachid Bo. is aangetroffen. Het onderzoek tegen Murad heeft opgeleverd dat hij al langere tijd contact heeft met de verdachte. Dit blijkt met name uit emailcontacten uit 2003 en uit de verklaring van deze Tsjetsjeen zelf. Hij heeft Jihadistische documenten van de verdachte. Hij is naar eigen zeggen meerdere malen bij de verdachte thuis geweest. Wat hij daar deed, weten wij niet. Ook is zijn telefoonnummer in de stukken van de verdachte aangetroffen. Verder blijkt uit het onderzoek dat Murad contacten heeft gehad met meerdere personen die rechtstreeks of indirect te linken zijn aan de verdachten die in de Rotterdamse zaak vast zitten. Ten slotte is gebleken dat Murad in de zomer van 2004 samen met de verdachte een aantal goederen heeft verhuisd van een adres in Amsterdam naar zijn eigen woonplaats in Schiedam.
Bij deze goederen waren ook administratieve bescheiden van de tweede Tsjetsjeen, Bislan I. Het onderzoek tegen deze tweede Tsjetsjeen, heeft het volgende opgeleverd. Van Bislan I. is een vingerafdruk gevonden op een blaadje van het testament van de verdachte. Er is geen verklaring gekomen voor deze vingerafdruk. Er wordt nog onderzocht of zijn vingerafdruk op of onder de inkt van de tekst van het testament staat. Een resultaat is niet op afzienbare termijn te verwachten.
De eerste Tsjetsjeen, Murad, is inmiddels heengezonden. Voor zover de onderzoeken een verdenking hebben opgeleverd ten aanzien van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, is dit onderzoek overgedragen aan de Nationale Recherche. Bislan zit nog in voorlopige hechtenis. In elk geval is geen bewijs gekomen dat Murad of Bislan de moord op Van Gogh zou hebben medegepleegd of dat zij de verdachte hierbij behulpzaam zijn geweest.
Wat betreft de personen die als verdachte van het onderzoek Arles van het Landelijk Parket nog in voorlopige hechtenis zitten, heeft het onderzoek zich met name gericht op de huisgenoot van de verdachte, Ahmed H., en Mohammed Bo..
Wat betreft H. blijft het opvallend dat hij als huisgenoot van de verdachte nooit iets heeft gemerkt. Messen, patronen of een vuurwapen heeft hij nooit gezien in de bijzonder kleine woning waar zij samen woonden. De woonkamer van de Marianne Philipstraat 27 meet ruim 15 vierkante meter en de aangrenzende slaapkamer ruim 10 vierkante meter (OIG 55). Verder is er alleen een kleine open keuken. In de nacht van 1 op 2 november heeft H. samen met twee anderen de avond bij de verdachte doorgebracht. ’S ochtends is hij om half 6 opgestaan en heeft samen met B. gegeten en het ochtendgebed gedaan (VER 2.4). Vervolgens is hij om half 7 weer gaan slapen. Een half uurtje later ging hij naar de WC. Dit moet de tijd zijn geweest dat de verdachte zich opmaakte om te vertrekken naar de Linnaeusstraat. H. sliep die nacht in de woonkamer. Opvallend is dat hij niets heeft gezien van de grote messen, het vuurwapen, de patronen, de walkman en andere goederen die de verdachte voor de aanslag bij zich heeft gestoken. Echter, aanwijzingen dat H. heeft geholpen zijn er verder niet.
Gaat het om Mohammed Bo., dan blijft het opvallend dat hij in elk geval rond 8 uur zich in zijn werkplaats schuin tegenover de woning van Theo van Gogh bevond en vervolgens geen alibi heeft voor de ruim drie kwartier daarna. Onderzoek heeft geen nieuwe gegevens opgeleverd. Ook ten aanzien van hem moet worden aangenomen dat hij geen directe betrokkenheid heeft gehad bij de dood van Theo van Gogh.
Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij andere personen op 2 november hebben gezien. Zij brachten deze personen in verband met de moord op Theo van Gogh. Ik heb U dit op de eerste zitting in januari voorgehouden. Die verklaringen vormden even zo vele aanwijzingen voor helpers op 2 november. Daar is het echter bij gebleven. Er is niets nieuws bij gekomen. Ik volsta hier met te verwijzen naar mijn betoog van 26 januari 2005.
Tot slot: er is onderzoek gedaan naar de gegevens van de GSM-palen in de buurt van de Linnaeusstraat. Straalde de GSM van een potentiële verdachte op 2 november 2004 een paal aan nabij de Linnaeusstraat? Met andere woorden: was een van de ons bekende personen ten tijde van de moord in de buurt. Het onderzoek heeft hiervoor geen aanwijzingen opgeleverd (AMB 82).
Maar toch ..... de verdachte moet hulp hebben gehad, al was het maar financiële (FIN 1 en FIN 2). Op 19 mei 2004 ontving de verdachte voor het laatst een uitkering. Die zelfde dag nam hij bijna het gehele bedrag op. Tussen 19 mei en 28 oktober heeft de verdachte in totaal € 200,-- van zijn rekening opgenomen. Daar kan niemand 5 maanden van leven. Na 6 augustus stond hij alleen nog maar rood. Op 28 oktober plunderde hij zijn rekening. Hij nam € 930,-- op en stond toen maximaal rood. Ongeveer op die dag gaf hij Rachid Bo. een enveloppe met € 1650,-- , zijn nalatenschap. Waar haalde de verdachte die extra € 720,-- vandaan? En hoe betaalde hij het vuurwapen, dat volgens de deskundige (verhoor RC d.d. 7 juli 2005) op de illegale markt tussen € 1000,-- en € 1500,-- moet hebben gekost. De verdachte moet dus na 19 mei aanzienlijke financiële ondersteuning hebben gehad. Het vuurwapen is ofwel door iemand anders betaald of de verdachte heeft het gratis gekregen. Ook dat is hulp.
Gisteren heeft de rechtbank ook een groot aantal andere aanwijzingen voor medeplegen of medeplichtigheid voorgehouden. Ook mijn conclusie luidt, dat er onvoldoende bewijs is voor het bestaan van medeplegers of medeplichtigen.
In een interview in Trouw van afgelopen vrijdag uit de zuster van Theo van Gogh, Josien, hierover haar ernstige zorgen, en boosheid: "Is Theo van Gogh vermoord door één zonderling, een godsdienstfanaat, of door een professioneel terreurnetwerk. ... ... Waarom kozen zij Theo uit? En waarom moest hij dood op zo’n gruwelijke manier? Wie planden dit?"
Heel terechte vragen. En begrijpelijk is haar zorg, dat straks de zaak is afgedaan en dat het dan stil wordt.
Het is de verdachte die weigert om inzicht te geven in deze vragen. Met Josien van Gogh ben ik eens: het is laf om te zwijgen. Ik begrijp dat zij het zwijgrecht onverdraaglijk vindt. Ook dat vind ik begrijpelijk Maar met mij weet zij ook dat dit een basisbeginsel is in een beschaafde rechtspleging.
Ik kan nu alleen toezeggen dat vooral onderzoek naar de Hofstadgroep ook gericht blijft op alle onbeantwoorde vragen in het onderzoek naar de moord op Theo van Gogh. Als daar wat nieuws wordt gevonden, dan wordt daar uiteraard verder onderzoek naar gedaan.
4. Herkomst wapens
Het onderzoek naar de herkomst van het vuurwapen heeft niets nieuws opgeleverd. Uiteindelijk zijn wij blijven steken in het jaar 2000 toen dit vuurwapen als onderdeel van een grote partij vuurwapens in Zagreb is gestolen. Wat er vervolgens met het wapen is gebeurd, hoe het wapen en door tussenkomst van wie in handen van de verdachte is geraakt, is onbekend.
Wel zijn er van de CIE Utrecht een aantal processen-verbaal ontvangen over een Marokkaan die onder meer het wapen zou hebben geleverd, waarmee Theo van Gogh is doodgeschoten (INL 47 t/m 50). Deze Marokkaan is getapt, aangehouden en verhoord. Hij ontkent. De tap heeft niets opgeleverd. De CIE-informatie vormt geen bewijs. Dit deelonderzoek had dus geen resultaat.
Dat zelfde geldt overigens ook voor de gebruikte Kukri machete, waarvan wij de herkomst niet hebben kunnen vaststellen.
-start presentatie-
5. De strafbare feiten
Ik keer nu terug naar de gebeurtenissen van 2 november 2004.
Om inzichtelijk te maken hoe de verklaringen van de getuigen, aangevers en politieagenten, technische rapporten en andere processen-verbaal op elkaar aansluiten, heeft de politie op mijn verzoek een aantal beelden gemaakt. Deze dienen ter ondersteuning van mijn relaas. John Pel van de politie Amsterdam zal voor mij de computer bedienen.
-Moord Theo van Gogh-
Er zullen geen schokkende foto’s of andere beelden worden vertoond. De slachtoffers weten dat de beelden worden getoond. Zij weten dat zij de zaal kunnen verlaten en later terug kunnen keren.
Op 26 januari 2005 heb ik de dagvaarding voorgedragen. Die dagvaarding is op kleine onderdelen gewijzigd. Zoals gisteren aan de orde is gekomen gaat het bijvoorbeeld om de toevoeging van enkele namen van politieagenten en het toevoegen van enkele subsidiaire feiten.
De feiten; het gaat om:
1. moord met terroristisch oogmerk op Theo van Gogh;
2. poging tot moord met terroristisch oogmerk op een tweetal omstanders (dit zijn personen die door kogels van verdachte op de Linnaeusstraat zijn geraakt);
3. poging tot moord met terroristisch oogmerk op politieagenten;
4. verboden wapen- en munitiebezit begaan met terroristisch oogmerk;
5. bedreiging met geweld tegen een lid van de tweede kamer, Hirsi Ali, waardoor zij verhinderd werd haar werk te doen, met terroristisch oogmerk;
6. bedreiging van Hirsi Ali met een terroristisch misdrijf.
6. Feit 1: Moord op Theo van Gogh
De moord op Theo van Gogh.
-3 pd’s-
2 november 2004. Het was dinsdagochtend erg druk. Meer dan 50 ooggetuigen hebben verklaringen afgelegd over wat er op de Linnaeusstraat gebeurde. Op de minder drukke Mauritskade waren dat meer dan 20 getuigen.
Op de Linnaeusstraat reden trams reden af en aan. Auto’s reden langzaam omdat er sprake was van filevorming. Ook fiets- en voetpaden waren vol met mensen.
Ik sprak zojuist over getuigen, maar doe met het woord getuige die mensen te kort. In hun verklaringen valt op dat een aantal van hen zich er van bewust werd dat zij in de schootslijn zaten van een schietende man. Sommigen zagen hun leven aan zich voorbij trekken. Auto’s in de file konden geen kant op. Zo duikt een vader in een passerende auto over zijn kinderen op de achterbank van zijn auto. Andere mensen blijven juist verstijfd staan. Iedereen wordt ongewild geconfronteerd met de schokkende gewelddadigheden van de verdachte. Die confrontatie heeft bij vrijwel iedereen emotionele sporen nagelaten. Via de politie heeft een groot aantal van hen de weg gevonden naar Slachtofferhulp. Daarmee zijn diepgewortelde gevoelens van onmacht, verontwaardiging en verbijstering nog niet weggenomen. Het moet verdachte bekend zijn geweest dat dit stukje Amsterdam op dit tijdstip van de dag zo druk zou zijn. Hij heeft immers de plaats voorverkend. De directe getuigen zullen de gebeurtenissen nog lang heugen.
-kaartje (zonder fietsroute)-
Nummer 133: de woning van Theo van Gogh in de Pythagorasstraat te Amsterdam. Als hij in Amsterdam was, reed hij bijna elke ochtend op zijn fiets een vaste route van zijn huis naar zijn werk, de productiemaatschappij Column in Amsterdam-Zuid.
- kaartje met groene fietsroute-
Zijn vaste route werd gereconstrueerd aan de hand van verklaringen van bekenden van Theo van Gogh, getuigen en enkele videocamera’s. Het eerste deel van die fietsroute voerde over de Linnaeusstraat en van daar uit verder naar Amsterdam-Zuid.
Deze fietsroute is van belang. Ten eerste om te kijken waar de verdachte op 2 november 2004 voor het eerst contact heeft gemaakt met Van Gogh.
Maar nog meer omdat juist rondom deze fietsroute een aantal getuigen de verdachte heeft gezien in de weken vóór de moord. Vooral na de uitzending van Opsporing Verzocht op 29 november van het vorig jaar hebben zich veel getuigen gemeld. De getuigen konden de verdachte herkennen door de in die uitzending getoonde foto van de verdachte.
-afleggedrag (zonder groene pijl)-
Negen getuigen hebben de verdachte voor 2 november gezien. De nummers verwijzen naar de nummers die de getuigen in het dossier hebben gekregen. Hun verklaringen moeten zowel individueel als in samenhang te worden bekeken.
-afleggedrag (met groene pijl)-
De verdachte wordt een maand voor de moord gezien vlak bij het huis van Theo van Gogh; dat zijn de getuigen 10.2 en 10.9.
Half oktober 2004 stapt de verdachte op de tram op de Middenweg ter hoogte van de woning van Theo van Gogh. Hij stapt uit op de plek waar Van Gogh is vermoord. Dat heeft de getuige 8.5 verklaard.
Twee weken voor de moord ziet getuige 10.1, omstreeks half negen onder het treinviaduct van de Linnaeusstraat de verdachte lopen. Dit ziet hij op twee verschillende dagen.
Ook bij het treinviaduct ziet een andere getuige, 1.27, de verdachte zowel op 1 als 2 november. De verdachte staat dan passerende fietsers te bekijken. Beide keren weer om half negen.
Dit wordt door getuige 8.9, bevestigd. Die ziet dat de verdachte op de 1e november 2004 rond kwart over acht uur bij het treinviaduct in een starthouding bij zijn fiets staat. Ook hij zegt dat de verdachte passerende fietsers staat te bekijken.
Weer een andere getuige, 10.6, heeft een man gezien die erg veel lijkt op verdachte. Deze man zat op drie dagen in de tweede helft van oktober op een bankje voor het stadsdeelkantoor, de plaats waar Theo van Gogh later is vermoord. Dat was telkens rond 9 uur in de ochtend. Diezelfde getuige zag ook Theo van Gogh daar vaak fietsen.
Tot slot van deze opsomming getuigen 1.25 en 8.6. Zij hebben drie weken, twee weken en twee dagen voor de moord de verdachte gezien op de hoek van de Linnaeusstraat met het Oosterpark. 8.6 is tramconducteur en heeft de verdachte zien opstappen bij het OLVG en uitstappen op de Linnaeusstraat. Getuige 1.25 komen we op 2 november nog tegen.
De verklaringen van deze getuigen maken duidelijk dat de verdachte Theo van Gogh voor 2 november in de gaten heeft gehouden. De verdachte wist dus dat Theo van Gogh omstreeks half negen het treinviaduct zou passeren en wat later in de Linnaeusstraat zou zijn. Een beklemmend idee: een man die stiekem observeert, een man die slechts denkt aan het moment dat hij Theo van Gogh gaat vermoorden?
2 November 2004.
Van de moord zijn velen getuige geweest.
-Lokaties van getuigen-
De verdachte wordt al om 18 minuten over 8 lopend gezien op de fietsroute voor het treinviaduct. Theo van Gogh pint om iets na half 9 bij de Primera op de Middenweg. Vanaf die winkel ben je in een rustig gemiddeld fietstempo in twee minuten bij het stadsdeelkantoor (AMB 17). Rond 5 over half 9 zal Theo van Gogh in de buurt van het Stadsdeelkantoor zijn gekomen.
Hier is het Stadsdeelkantoor met vele getuigen en daar tegenover wordt uiteindelijk het ontzielde lichaam van Theo van Gogh gevonden.
Aan de concentratie van de getuigenverklaringen is te zien hoe druk het was op de plek waar Van Gogh werd vermoord.
Curieus is dat verdachte tot en met zijn 7e levensjaar gewoond heeft in de Domselaerstraat (PRS pag. 3529). Hij was dus goed bekend met de omgeving die hij uitkoos voor de moord op Theo van Gogh.
Het gebeurde allemaal in de Linnaeusstraat.
-Linnaeusstraat, zonder routes-
Voor Uw oriëntatie: Boven is het spoorwegviaduct. In het midden met het licht grijze dak staat het stadsdeelkantoor en rechtsonder de ingang van het Oosterpark, waar de dader na de moord naar toe zal lopen.
Theo van Gogh kwam aan fietsen vanaf het treinviaduct. Zie de groene lijn.
-Linnaeusstraat met groene lijn-
Getuigen (GET 1.5 en 1.6) hebben hem daar die ochtend zien fietsen.
-Linnaeustraat met ook rode lijn-
Op een gegeven moment zien zij ook de verdachte fietsen.
De rode lijn geeft de verdachte aan.
De getuige verklaart:
"Iets voor het Stadsdeelkantoor zag ik dat er een man op het fietspad naast Theo van Gogh reed. ……Plotseling zag ik dat deze man met zijn rechterarm in de richting van Theo van Gogh wees."
Enkele beelden van de Linnaeusstraat op 2 november 2004:
-start filmpje Linnaeusstraat. Stop als beide fietsen in beeld zijn-
De voorste fiets is de damesfiets van de verdachte. De achterste fiets met het mandje is van Theo van Gogh. De fietsen staan voor het Stadsdeelkantoor. Zij zijn daar later door omstanders tegen het hek gezet.
-filmpje verder-
De Linnaeusstraat vanaf het spoorviaduct.
Links het Stadsdeelkantoor; rechts de plaats waar Theo van Gogh is aangetroffen.
-Linnaeusstraat met groene en rode lijn-
De verdachte rijdt naast Theo van Gogh.
Getuige:
"Ik zag dat Theo van Gogh opzij keek naar de man. Meteen daarna hoorde ik een aantal knallen; ik denk 4 of 5."
En een andere getuige verklaart:
"Ik dacht toen dat deze man Theo van Gogh aan de kant duwde en een por in zijn linker zij gaf. Ik hoorde vrijwel direct hierop een enorme knal. Direct daarna hoorde ik weer zo’n knal."
Ook twee andere getuigen hebben gezien en gehoord dat er op een man wordt geschoten (GET 1.23 en 1.43).
-Linnaeustraat met 4*-
De technische recherche heeft 4 hulzen nabij de twee achtergelaten fietsen gevonden (FTO 2). Deze zijn verschoten met het pistool dat later bij de verdachte in beslag is genomen (NFI 3). Bij de verdachte zelf zijn zogenaamde schiethanden aangetroffen (NFI 8).
-Linnaeusstraat met fietsen-
Linksonder herkent U de fiets van Theo van Gogh aan de oranje boodschappentas.
De vier getuigen hebben hierna gezien hoe Theo van Gogh aan zijn aanvaller probeerde te ontkomen. Ik citeer twee getuigen.
De ene verklaart:
"Ik zag dat Theo van Gogh zijn fiets neergooide en ik hoorde hem tegen de man roepen: doe het niet, doe het niet. Ik zag dat de man zijn fiets ook neergooide. Ik zag dat Theo van Gogh naar de overkant van de straat rende."
En de ander:
"Ik zag dat de man op de fiets half ten val kwam en over zijn fiets leunde. Ik hoorde dat hij riep:’ Nee, nee’. Ik zag toen onmiddellijk dat dat Theo van Gogh was. …… Ik zag dat Theo probeerde over te steken naar de even zijde van de Linnaeusstraat."
Achter het hek van het stadsdeelkantoor werd één kogel gevonden. Hierop zat bloed van het slachtoffer (FTO 2 / NFI 9 / NFI 10). Theo van Gogh vluchtte dus met een zware verwonding voor zijn leven.
-Linnaeusstraat met groene en rode lijn-
De getuigen zien vervolgens Theo van Gogh rennen, rennen voor zijn leven. De verdachte loopt rustig achter hem aan.
-Linnaeusstraat met daarop groene + rode lijn en huls-
Ook tijdens het oversteken schiet de verdachte nog op Van Gogh (GET 1.34). Midden op de straat is één huls gevonden (FTO 2 en NFI 3). Vermoedelijk heeft de verdachte ook toen meer dan een keer geschoten. Ik ga er van uit dat de verdachte zijn vuurwapen volledig heeft geladen. Dan kunnen er 15 patronen in de houder en eventueel nog een in de kamer van het vuurwapen. In totaal zijn er 14 hulzen op de Linnaeusstraat gevonden (FTO 2). Dus een of maximaal twee hulzen zijn niet gevonden. Deze kan, of kunnen, door passerende auto’s of trams zijn verplaatst. Ná de schietpartij, maar vóór dat de politie de Linnaeusstraat heeft kunnen afzetten.
7. Feit 4: de twee burgerslachtoffers
Twee omstanders zijn geraakt. Een man in zijn been, een vrouw in de hak van haar schoen (AAN 1 / GET 1.45 en 1.45a / NFI 8).
Ik citeer eerst de anoniem gebleven getuige. Die staat bij het Stadsdeelkantoor:
"Ik zag dat een man die voor Theo van Gogh stond kennelijk geraakt werd……De man die … … geraakt werd, liep voor Theo van Gogh. Ik zag dat deze man bleef staan maar een schokbeweging maakte……Later bleek ook dat deze man geraakt was, want ik ben na de schietpartij naar het politiebureau gereden en daar zag ik dat deze man gewond naar binnen werd gebracht. Ik schat de afstand tussen de man met het wapen en ……deze neergeschoten man en Theo van Gogh ……op ongeveer 9 meter."
Dan het burgerslachtoffer zelf:
"Ik hoorde knallen. Ik zag mensen voor het stadsdeelkantoor uit elkaar stuiven. Ik zag dat mensen hun spullen lieten vallen en ik hoorde mensen gillen. Ik zag een man met een zwart voorwerp in zijn hand en ik twijfelde er niet aan dat deze man net had geschoten. Ik heb me omgedraaid en ben gaan rennen bij de man vandaan. Vrijwel meteen daarna, ik zal een meter of tien hebben gerend, voelde ik een scherpe pijn in mijn rechterbovenbeen aan de achterkant. Ik realiseerde me meteen dat ik door een kogel geraakt moest zijn. Ik dacht nog zoiets van: ‘zo voelt dat dus’. Ik ben door blijven lopen. Onderweg zag ik bloed. Ik zag ook aan de voorkant van mijn rechterbeen een gat. Ik bleef doorlopen naar het politiebureau." Einde van dit citaat.
Op het politiebureau wordt het hem zwart voor de ogen.
Het tweede slachtoffer is een vrouw (AAN 2 / GET 1.44). Ik citeer:
"Ik hoorde Theo van Gogh iets schreeuwen. Ik stond 3 meter achter de man met het pistool. Theo werd beschoten, draaide zich om en rende weg. Ik zag en hoorde dat de man bleef schieten. Ik ben ook gaan rennen in dezelfde richting als Van Gogh. Tijdens het rennen heb ik de man met het pistool ingehaald. Ik vermoed dat ik hierdoor gewond ben geraakt omdat ik tijdens het rennen iets aan mijn voet voelde. Later bleek dat ik geraakt was. In de hak van mijn schoen zat een kogel". Einde citaat.
De foto’s van de schoen zitten in het dossier. Naar de schoen is onderzoek gedaan (FTO 2). De hak van de schoen bleek in de breedterichting geperforeerd door een kogel.
8. Terug naar feit 1: de moord op Theo van Gogh
Terug naar Theo van Gogh.
Een getuige ziet dat Theo van Gogh om een auto heen rende. De verdachte achtervolgt hem rustig. Andere getuigen verklaren dat Theo van Gogh aan de overzijde van de Linnaeusstraat meteen achter een auto in elkaar zakte.
Inmiddels is de aandacht gewekt van een groot aantal getuigen. Deze zien hoe Theo van Gogh weer door de verdachte wordt beschoten.
De technische recherche vindt later 9 hulzen nabij en onder het lichaam van Theo van Gogh (FTO 2).
-Linnaeusstraat met 9 hulzen-
Van het grote aantal getuigen, citeer ik er enkele.
Ik begin met de eerste getuige (GET 1.12):
"Ik zag Van Gogh op de grond liggen. ……Ik zag dat er een man voor Van Gogh stond. Ik zag dat deze man een groot pistool in een van zijn handen had. Ik zag dat hij het pistool met gestrekte arm gericht hield op het lichaam van Van Gogh. Ik hoorde Van Gogh in paniek roepen: ‘Genade, genade, niet doen, niet doen.’ ……Ik zag dat Van Gogh met zijn handen afwerende bewegingen maakte. Vervolgens zag ik dat de man met het pistool, dat hij nog steeds gericht hield op het lichaam van Van Gogh, zo’n 7 à 8 schoten afvuurde."
Een eerdere getuige weer, die vanuit zijn woning op de 2e verdieping alles zag gebeuren:
"Ik zag een man bij een ander man staan. Een man lag op zijn rug, op de grond. De onderlinge afstand tussen beide mannen was ongeveer een halve meter tot maximaal een meter. Ik zag in de rechterhand van de staande man een zwart vuurwapen, een pistool. …… Ik hoorde 2 of 3 schoten. …… Ik zag dat de man het slachtoffer twee keer schopte."
Tot slot de volgende getuige (GET 1.32):
"Ik zag een man op straat liggen, …… ik zag dat dit Theo van Gogh was. Ik zag dat de man met de schoudertas die op het trottoir stond, een wapen in zijn hand had. ……Ik hoorde dat Theo van Gogh riep: ’Niet doen, niet schieten’ … … Ik zag dat de man die het wapen in zijn hand had, dit op Theo van Gogh gericht hield en nog een aantal keer schoot in zijn richting."
Een groot aantal andere getuigen (o.m. GET 1.9, 1.18, 1.20, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11 en 2.13) zien ook dat de verdachte op korte afstand op de liggende Theo van Gogh schoot en tegen zijn lichaam aan schopte.
De verdachte knielt dan bij Theo van Gogh.
-kukri-mes-
Hij pakt een groot kapmes (WWM 3) uit zijn tas, een Kukri-mes met een lemmet van 33 cm.
-kukri-mes met uitvergroting snijdeel-
Het Kukri-mes is een replica en als wapen een wanproduct, aldus de deskundige van het tropeninstituut (WWM 6). Om het scherper te maken is dit mes bijgeslepen (WWM 8).
Ook maakt de verdachte gebruik van een kleiner mes, een fileermes met een lemmet van 13,5 cm (WWM 4).
-kleine mes toegevoegd-
Uit de getuigenverklaringen maak ik het volgende op. De verdachte snijdt met het Kukri-mes de keel van het slachtoffer door. Hierna plant hij het mes in de borst van Theo van Gogh.
Verdachte pakt dan uit zijn tas een wit papiertje en legt dit op het bovenlichaam van Van Gogh neer. Hij priemt dit briefje met het fileermes op het lichaam van Theo van Gogh. Dit witte papiertje is de dreigbrief gericht aan Hirsi Ali.
Ik citeer weer de meest aansprekende getuige:
"Vervolgens zag ik dat de schutter een groot mes in zijn hand had. Het mes pakte hij volgens mij uit een tas. Vervolgens zag ik dat de schutter bij het lichaam van Van Gogh neerhurkte, achter diens hoofd. Ik zag dat hij het mes in de hals van Van Gogh drukt. Ik zag vervolgens dat hij met het mes snijdende, zagende bewegingen maakte in de hals van Van Gogh. Hij was als het ware zijn keel aan het doorzagen. Toen zag ik dat hij het mes met beide handen vastgreep en dat hij het met kracht in de borst drukte. Ik zag dat hij het mes, gebruik makend van het gewicht van zijn bovenlichaam, in de borst van Van Gogh duwde. Hij was echt stevig aan het drukken. Nadat de schutter dat gedaan had, zag ik dat hij een velletje papier ergens vandaan pakte. Vervolgens zag ik dat hij nog een tweede, kleiner mes in een van zijn handen had. …… Ik zag dat hij het velletje papier op de buik van Van Gogh legde. Daarna zag ik dat hij het tweede, kleinere mes door het velletje papier heen in de buik van Van Gogh stak."
Andere getuigen (GET 1.18, 1.9, 1.20, 1.24, 1.25, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11 en 2.13) verklaren voor het grootste deel hetzelfde. Het moet een gruwelijk gezicht zijn geweest:
"Ik voelde afgrijzen, alsof ik zelf gestoken werd, zo voelde dat.", aldus een getuige.
Volgens het sectierapport is Van Gogh door 8 kogels getroffen. Zijn keel is met 4 zagende bewegingen opengereten. Twee messen staken in zijn lichaam. De schotletsels en het halsletsel, ieder apart en in combinatie, kunnen het intreden van de dood zonder meer verklaren (FTO 2 / NFI 2).
De 14 hulzen die op de Linnaeusstraat zijn gevonden zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met het pistool van de verdachte (NFI 3), hard technisch bewijs.
Terug naar de Linnaeusstraat:
-Linneausstraat terug in beeld-
Er ontstaat een vreemde rust. De verdachte kijkt om zich heen (GET 2.3). Hij blijft staan kijken naar de dode Theo van Gogh. Hij is rustig, kalm, niet in paniek, lijkt niet opgewonden. Dit valt de getuigen op. Dat geldt ook voor de daaraan voorafgaande gebeurtenissen. Drie korte citaten:
"Ik zag dat de man dit alles heel koelbloedig en kalm deed. Hij maakte een hele doordachte weloverwogen indruk, hij wist duidelijk waar hij mee bezig was. Theo van Gogh werd gewoon afgeslacht ..... De man deed ook geen haast om weg te komen. Hij bleef het lichaam van Theo bekijken.", aldus een getuige (GET 2.8).
Een andere getuige:
"Hij stond heel rustig te kijken naar Theo. Te kijken alsof hij zijn werk wel goed gedaan had." (GET 1.35).
En tot slot:
"Het viel me op dat de man tijdens het hele voorval uiterst kalm en beheerst alles deed. Het schokte mij zeer omdat het leek of het de man allemaal niets deed. Hij liep ook rustig weg." (GET 2.4).
Dan loopt de verdachte richting Oosterpark.
-Vertrek B.-
De verdachte had een schoudertas bij zich.
-rode cirkel rond de schoudertas-
Die tas heeft hij onderweg laten vallen. Let u op de rode cirkel. Drie agenten van de technische recherche staan bij de stoeprand bij die bewuste tas.
-schoudertas-
In deze schoudertas heeft de verdachte zijn pistool, messen, patronen en walkman vervoerd. Diverse getuigen zien dat verdachte deze tas laat vallen. Op deze tas ligt dan een wit washandje (GET 1.18, 1.20, 1.24 ,2.5, 2.9, 2.11 en 2.13).
In dat washandje blijken later twee patronen van 9 mm te zitten (FTO 2 / WWM 6).
-filmpje Linneausstraat-
Nogmaals de route van de verdachte. Ook deze opname is op 2 november gemaakt.
-stop bij ambulance-
Theo van Gogh ligt achter de ambulance.
-door tot tas in beeld, dan stop-
Net achter de twee ambulancebroeders ziet u nogmaals de tas op de stoep liggen.
-verder tot hoekpand, dan stop-
Hier liep de verdachte dus van het lichaam van Theo van Gogh naar het Oosterpark. Ook ziet U aan het einde links de ingang van het Oosterpark. Het gele hoekpand, ook links vlak voor het park, aan het einde van de straat komt zo terug.
-foto hoek Linnaeusstraat-
Daar is het gele hoekpand. Een getuige (GET 2.5) was in het stadsdeelkantoor. Hij had de verdachte in het vizier. Om later de politie te kunnen helpen, maakte hij deze foto. Het is een bijzondere foto van 2 november 2004.
-rode streep-
Daar liep dus de verdachte.
-cirkel rondom verdachte-
Hier staat de verdachte op de foto (aanwijzen). Het is de man met de beige jas.
actiepunt: foto hoek Linnaeusstraat met pijl richting park komt in beeld.
Even later zal de verdachte oversteken en het Oosterpark in gaan.
-gele cirkel rond getuige 1.25-
Een getuige (aanwijzen), die al enkele keren is aangehaald. Hij leunt uit het raam en heeft alles goed kunnen zien. Ik citeer:
"Ik zag dat hij mijn kant op kwam lopen. Op het moment dat de man precies onder mij liep zag ik dat hij het vuurwapen in zijn rechterhand had. Verder zag ik dat hij in zijn linkerhand een magazijn had. Verder zag ik kleine messing patronen. Ik zag dat de man bezig was met zijn magazijn te herladen."
Ook anderen verklaren hierover:
"Ik zag dat de rustige man zijn pistool geklemd had onder zijn linkerarm. ……ik zag dat de rustige man met zijn rechterhand patronen in de onderkant van het handvat stopte. Ik heb er zeker drie in zien verdwijnen." Dit verklaart een andere getuige (GET 1.11).
Kennelijk bedoelt deze getuige met het handvat, de patroonhouder. Daar konden 15 patronen in. (ook: GET 1.20 en 1.34).
Op 7 juli jl. is door de rechter-commissaris een vuurwapendeskundige gehoord. Hij concludeert dat de verdachte ter plekke een aantal handelingen heeft verricht, die je onmogelijk kunt verrichten zonder die geoefend te hebben. Om een houder te kunnen vullen met patronen – tijdens het lopen – zonder met patronen te strooien moet je behoorlijk hebben geoefend. Het is bijzonder dat de technische recherche vanaf de plek waar Van Gogh werd vermoord tot aan de hoek met het Oosterpark geen losse patronen heeft gevonden. "Zelfs getrainde politiemensen lukt dat niet zo goed. Zeker niet onder de geschetste omstandigheden. Alle mensen die ik spreek melden dat onder stressvolle omstandigheden de fijne motoriek verdwijnt en dan heb ik het over getrainde mensen van arrestatieteams.", aldus de getuige deskundige bij de RC.
Het blijft niet bij lopen en vullen. Verdachte spreekt een omstander aan. Twee getuigen verklaren hier over, (GET 1.11 en 1.20). De verdachte zegt:"wat kijk je". De omstander antwoordt "dat kun je toch niet maken". Verdachte zegt: "Dat kan ik wel, waarom niet...., hij heeft het er naar gemaakt". Verdachte stopt dan de patroonhouder weer in het pistool. De omstander zegt wederom: "dit kan toch niet, dit kan je toch niet maken.", waarop verdachte zegt: "Dat kan ik wel en dan weten jullie ook wat je te wachten staat." De omstander reageert en zegt: "Ik ga weg, ik wil hier verder niet meer over praten." en de omstander fietst weg.
Diverse getuigen hebben de tegenwoordigheid van geest om politieagenten te wijzen op de verdachte en zijn looproute (GET 2.2 / 2.14 / AMB 1 / AMB 2). De getuige geeft zijn collega opdracht een foto te maken vanuit het Stadsdeelkantoor. Dat is deze foto. Die getuige is naar buiten gesneld. Hij ziet de verdachte vervolgens het park inlopen en hij schiet een agent aan in een politiebus. De getuige stapt in de politiebus.
-Oosterpark-
Op enkele momenten zien zij verdachte nog lopen. In het Oosterpark lopen ook vrouwen met kinderen. Daarom krijgen de agenten, die al op de verdachte in het park af gaan, opdracht hem niet aan te houden. De veiligheid van het publiek in het park gaat voor. De situatie was daar niet controleerbaar. Een professionele beslissing.
-Oosterpark met rode route-
De verdachte is dwars door het park gelopen. De getuige en de politieman zien hem met versnelde pas richting Mauritskade lopen. Dit wordt via de portofoon doorgegeven.
9. Feit 2: Beschieting van politiemensen
Zo komen we bij feit 2: de beschieting van de politiemensen.
-Mauritskade-
De Mauritskade. Ook de komende beelden zijn allemaal op 2 november opgenomen.
Vanuit het park gekomen loopt verdachte op de Mauritskade af.
-Mauritskade met pijl-
De verdachte komt aanlopen. Op deze plek zal het eerste vuurgevecht plaatsvinden met politie. Die rijden naar de Mauritskade om de verdachte aan te houden. Een vuurgevecht waarbij de eerste kogels steeds van verdachte komen. Ook hier geldt dat burgers ongewild getuige worden van een schietpartij en zelfs in de kogelwisseling belanden (GET 1.39 en 3.8).
Nu volgt een overzichtsfilmpje van de Mauritskade. Ik zal een aantal plekken aanwijzen, die straks in het betoog belangrijk worden.
-start filmpje Mauritskade-
De aanlooproute van verdachte, vanuit het Oosterpark (aanwijzen).
-filmpje stoppen als vluchtheuvel geheel zichtbaar is-
Aan de linkerzijde een politiebus van de hondenbrigade (aanwijzen) Die bus zal als tweede politievoertuig worden beschoten.
De vluchtheuvel mist een gele verkeerszuil met verkeersbord. Die verkeerszuil ligt nu links op het fietspad (aanwijzen).
De politieauto die als eerste door de verdachte werd beschoten kwam van links; dus vanuit de richting van de filmer. Hij wordt ongeveer hier beschoten en is via de vluchtheuvel (aanwijzen) over de betonnen rand (aanwijzen) tegen een schutting aangereden (aanwijzen) en vervolgens verderop terecht gekomen (aanwijzen)
Midden op de weg een grijze onopvallende surveillancewagen van de politie (aanwijzen).
-film verder tot reclamebord links nog maar half in beeld is-
We gaan verder
Links de politieauto die het eerst is beschoten (aanwijzen).
Aan de rechterzijde liggen 5 politiehulzen (aanwijzen).
De politiebus midden op de weg werd als derde beschoten (aanwijzen).
-film verder tot politiebus links van het midden-
Dezelfde politiebus, maar nu van dichterbij. (aanwijzen)
Rechts liggen 10 hulzen die afkomstig zijn uit het wapen van verdachte. (aanwijzen)
-film verder tot boom links net uit beeld is-
Middenachter ligt de politiemotor, die zo vaak op de televisie is geweest. (aanwijzen)
Rechts staat de blauwe vrachtauto die de politie bij de aanhouding wilde helpen. (aanwijzen)
Vlak voor de vrachtauto zal de verdachte geraakt worden. (aanwijzen);
-verder film afmaken-
Het door de verdachte gebruikte wapen.
-Mauritskade met rode route-
Daar komt dus de verdachte de Mauritskade op.
Aanwijzen:
* de auto van G. en G05, eerst beschoten (feit 2 A)
* de burgerauto van de politie van A. en G06, die zijn niet beschoten (feit 2 B)
* de bus van de hondenbrigade van W. en Aa., als tweede beschoten (feit 2 C)
* de wijkteambus van G04, G07, J. en De G., als derde beschoten (feit 2 D)
* niet in beeld is de motor van De R., hij is niet beschoten (feit 2 E)
* de vrachtauto, en de plaats waar de verdachte is geraakt
Politieagenten die geschoten hebben op de verdachte zijn in het proces-verbaal en de tenlastelegging met een nummer aangeduid. Dat is voor hun eigen veiligheid. De rechtbank is bekend met de namen van deze agenten.
Nu over naar de feitelijke gebeurtenissen.
-Mauritskade met 5 hulzen-
Nabij de uitgang van het park zijn vijf hulzen aangetroffen van de verdachte (FTO 4). Van links komt een politieauto aanrijden.
-gele lijn 1e auto-
De gele lijn toont de rijroute van de 1e politieauto.
De verdachte begint te schieten bij de 5 hulzen.
Aangever G. (AAN 7) zit met G05 in de auto. Ik citeer G.:
"Ik bestuurde het politievoertuig en G05 zat naast mij. .... ...Terwijl we aanreden hoorde ik over de portofoon dat de verdachte in het park liep. Ik hoorde dat collega Gerrit S. de verdachte in het oog had. ... ...Ook hoorde ik hem zeggen dat de verdachte een wapen in zijn hand had. ... ...Vervolgens zijn we uitgestapt om de kogelwerende vesten aan te trekken. ... ...Plotseling hoorde ik Gerrit over de mobilofoon of portofoon roepen dat de verdachte was gaan rennen in de richting van de Mauritskade. ......ik was in de veronderstelling dat hij bij het OLVG het park uit zou lopen ... ... Plotseling, nadat we een meter of dertig gereden hadden, hoorde ik dat G05 schreeuwde: ‘naast je, bukken, kijk uit, hij schiet!’. ... ...Tegelijkertijd dook G05 naar voren. Ik keek naar links en zag vlak naast mijn auto een man staan. Ik zag dat deze man mijn kant op keek en ik dacht bij zijn uiterlijk meteen aan Bin LAden. Hij voldeed volledig aan het signalement dat Gerrit had gegeven. ... ...Tegelijkertijd zag ik in een flits dat de man een zwart vuurwapen in zijn hand vasthield ... ... Ik zag dat hij dit vuurwapen op de auto richtte waar wij inzaten. Ik hoorde G05 schreeuwen: ‘bukken, rijden!’. Vrijwel tegelijkertijd hoorde ik een knal. Ik hoorde en merkte dat de ruit van de linkerachterportier werd verbrijzeld. Ik voelde wat langs mijn hoofd suizen. Ik realiseerde me dat de man op mij schoot. In een reflex voelde ik aan mijn hoofd en concludeerde dat ik niet was geraakt. Op het moment dat dit gebeurde stonden wij stil met de auto omdat we niet verder konden rijden ... .... We konden geen kant meer op en ik voelde dat we in de val zaten ... .... De hele situatie was zeer bedreigend. Het was duidelijk dat de verdachte het op ons had voorzien. Ik was bang door hem neergeschoten te worden, geliquideerd te worden. Direct nadat ik aan mijn hoofd had gevoeld, pakte ik mijn pistool uit mijn holster en bracht dit voor mijn lichaam. Terwijl ik dit deed hoorde ik wederom twee knallen. Ik voelde twee klappen in mijn rug en voelde pijn. Door die klappen ging mijn bovenlichaam naar voren en ik klapte tegen het stuur aan. Ik voelde pijnscheuten in mijn rug en was er van overtuigd dat ik geraakt was. ... ...Ik realiseerde me meteen dat ik weg moest ... ... Ik heb geen idee meer hoe ik gereden ben. Ik heb met mijn rechterhand het hoofd/lichaam van G05 naar beneden gedrukt en heb vol gas gegeven. Wat er toen precies gebeurd is weet ik niet meer. Ik heb van die gele blokken geraakt, een vluchtheuvel gepakt en een verkeerszuil geraakt ... ... Ik had maar een doel, ‘weg hier ... ...Toen ik wegreed bevond de verdachte zich nog steeds links van mij. Ik passeerde hem dus min of meer rechts. Op het moment dat ik wegreed, hoorde ik nog een vierde knal. ... ...Nadat we over de gele betonblokken waren gereden kwamen we ongeveer 10 meter verderop op het voetpad tot stilstand. ... ...Ik zag dat G05 nog steeds naar voren gebogen zat. Kort daarop keek ze om en ik hoorde haar zeggen ’ hij staat nog steeds achter ons.’ Ik keek achterom en zag hem staan met het pistool op ons gericht. Ik hoorde nog steeds knallen. ... ...Terwijl ik naar voren gebukt zat verliet G5 rechts de auto".
En de verklaring van G05 (AAN 4):
"Ik hoorde mijn collega gas geven, ik hoorde de motor van de auto brullen. We zijn een aantal meters, best een flink stuk nog, naar voren geschoten met de auto. Het was heel druk en we konden bijna geen kant op. Meteen daarna hoorde ik mijn collega, die achter het stuur zat roepen: ‘aahh ik ben geraakt!!!’. Het was allemaal heel hectisch, ik voelde doodsangst, geen paniek, maar ook bezorgdheid om mijn collega. ... ...Er is voor mij geen twijfel aan dat de man schoot om ons te doden. Hij had op elk moment weg kunnen komen, wij waren op dat moment, daar ben ik zeker van, de enige politieauto aan de kant waar hij stond. ... ...Wat me opviel was de rust, de kalmte van de man. Elke beweging ging heel rustig, heel zeker".
De politieauto van Groenedaal en G05 is dus eerst dwars over een verkeersheuvel en verkeerszuil gereden. Vervolgens over betonblokken die het fietspad markeren. Dan tegen een schuttingmuur en even verderop tot stilstand gekomen.
-pitauto-
De politieauto is meerdere malen geraakt; daar is technisch onderzoek naar gedaan (FTO 6).
-kogelinschot zijportier-
Dit is het eerste of tweede inschot is in de linkerachterportier. Deze kogel is terecht gekomen in de draaiknop van de rugleuning van de stoel van de bestuurder (FTO 7, blzz. O16190, 016200 en 016201).
G. verklaarde dat één kogel door de achterruit is gegaan.
-verbrijzelde achterruit-
Deze kogel heeft de bovenkant van de rugleuning van de stoel van de bestuurder geschampt. Voor G. zonder meer kantje boord.
-kogelwerend vest-
Agent G. heeft geluk gehad. De kogel kwam in zijn vest terecht. G. bukte. Waarschijnlijk daarom werd hij in de schouder getroffen, terwijl de inslag in het vest onder in het rugpand zit.
-achterzijde pitauto-
Toen G. en G05 wegreden, werden zij nogmaals van achteren beschoten. Via twee houten schotten van de toolbox achter in hun auto kwam deze kogel uiteindelijk tegen de stalen rugleuning tot stilstand (FTO 7, blzz. 016190 t/m –194).
Het verhaal gaat verder:
-Mauritskade met route pitauto-
De auto van G. en G05 reed dus over de betonnen wegrand. Vlakbij stond een grijze onopvallende personenauto, net achter de vluchtheuvel (aanwijzen). In die auto zaten A. en G06. Zij hadden een uniform aan. De verdachte kon hen als politiemensen herkennen.
Ik citeer G06 (AAN 5):
"Ik reed die dag met een onherkenbare politieauto, samen met een collega. ... ...We waren beiden in uniform gekleed. ... ...Korte tijd later, ... ..., hoorden wij dat de verdachte het park uitliep, mogelijk bij de Mauritskade. Toen ik daar kwam aanrijden, zag ik een man uit de richting van het park komen, die volledig aan het voldeed aan het signalement. ... ...Op dat moment zag ik dat de man een vuurwapen in beide handen had, hij had de armen gestrekt ... ....Ik gaf mijn collega opdracht om het te melden en plotseling zag ik een politiewagen die bijna recht op me af reed. ... ...Op dat zelfde moment hoorde ik schoten. Toen ik naar de verdachte keek, zag ik dat hij met zijn wapen als het ware meebewoog met de rijdende politiewagen. ... ...Ik zag dat de schutter nu plotseling op de rijbaan schuin links van mij stond, ongeveer 3 tot 4 meter bij mij vandaan. Ik zag dat de man mij recht aankeek en dat hij het wapen recht op mij gericht had. Ik keek de man aan. Ik dacht meteen: ‘hier ga ik’. Ik bedoel daarmee dat ik er niet aan twijfelde of de man zou mij neerschieten ... ... Ik was doodsbang dat de man dichterbij zou komen en me zou afknallen ... ... de man bleef staan en ik bewoog niet. ... ... Ik zag na enkele momenten dat de man langs mijn auto liep. ... ... Ik ben uitgestapt toen de man zeker een meter of 15 verder was. ... ... Ik zag dat de verdachte zich naar opzij draaide, naar die politie auto die aan kwam rijden, dat bleek later een hondegeleidersbus te zijn. Ik hoorde vervolgens een aantal knallen. Het kan niet anders of de verdachte moet op die politieauto hebben geschoten ... ... ik schat nog 5 of 6 keer. ... ... ik zag dat de verdachte zijn wapen met twee handen richtte op de politiebus die aan kwam rijden en ik hoorde opnieuw een aantal knallen. ... ...Ik voelde mij, door het enige tijd op mij gerichte wapen, bijzonder bedreigd. Ik ben ervan overtuigd dat de verdachte op mij geschoten had, als ik een beweging had gemaakt".
En politievrouw A. (AAN 13):
"De man schoot op de rijdende surveillanceauto. Hij wees al schietend mee met de auto. Ik dook omlaag in de auto en riep bukken. Vlak voordat ik bukte, zag ik de autorecht op ons afreed, uit koers raakte, schuin naar links over de vluchtauto tegen een verkeerszuil aan reed om vervolgens tegen een muur tot stilstand te komen. De man liep op een afstand van 5 meter langs onze auto. Ik dacht echt dat hij ons zou doodschieten omdat de man op de surveillanceauto schoot en deze in onze richting reed."
Einde citaten.
Na de bedreigingen van A. en G06 loopt de verdachte verder de Mauritskade op. Hij schiet vervolgens 10 keer op twee politiebussen.
actiepunt: plaatje Mauritskade met rood sterretje tien komt in beeld.
Ook deze hulzen komen uit het wapen van de verdachte (FTO 4). De verdachte liep met zijn wapen langs het water.
Even terug naar de eerste politieauto. G05 heeft verklaard dat zij die auto verliet, nadat de auto van haar en G. tot stilstand was gekomen. De verdachte was hen gevolgd. Voor G05 gelukkig kwam op dat moment de bus van de hondenbrigade aanrijden.
-bus hondenbrigade-
Ook hier geeft de gele lijn de rijroute van de bus aan. De verdachte schiet vanaf de plek waar 10 hulzen zijn gevonden. Eerst op de naderende bus van hondenbrigade, later op de 2e politiebus. Bestuurder Aa. van de bus van de hondenbrigade verklaart:
"Ik zag aan de linkerzijde een man op het trottoir lopen. Hij rende de rijbaan op. Hij hield beide handen voor zich met zijn handen bij elkaar. Direct hoorde ik een knal. Ik heb geen vuurwapen gezien, maar het was voor mij volstrekt duidelijk dat wij door de man onder vuur werden genomen. Ik schrok me rot en stuurde scherp naar rechts. Ik hoorde over de mobilofoon een vrouwelijke collega zeggen: ‘er wordt nu geschoten.’ Ik bleef knallen horen. De man bleef kennelijk op ons voertuig schieten. Ik hoorde een aantal inslagen in onze auto".
(AAN9).
En mede-inzittende W.:
"Mijn collega reed over de Mauritskade. Ik hoorde van de linkerkant een serie harde knallen. In mijn beleving voelde ik trillingen in de auto. Ik zag een schim op 10 a 15 meter. Ik zag en voelde dat mijn collega scherp wegstuurde. Ik hoorde achter mij het geluid van meerdere schoten. Ik ben de auto uit gegaan en zag meerdere politieauto’s en een rennende verdachte. Ik zag de verdachte vallen. Toen ik met mijn collega terugkwam bij de dienstauto zag ik dat het voertuig door 4 kogels aan de linkerzijde was getroffen. We hebben veel geluk gehad."
(AAN 8).
-bus hondenbrigade kogelinslagen-
Vier maal heeft de verdachte deze bus geraakt. Daar is technisch onderzoek naar gedaan (FTO 6). Twee schoten bij de linkerkoplamp; een in de voorbumper links en een in de dorpel bij het linkerportier.
-bus hondenbrigade kogelinslagen 2e foto-
Echt opvallend is dat de verdachte gegroepeerd heeft geschoten. U moet beseffen dat de bus tijdens de beschieting reed. Misschien niet hard, maar hij reed wel. En de verdachte heeft de bus vier keer geraakt.
Bij de gele vier kwam de bus van de hondenbrigade tot stilstand.
-route bus hondenbrigade-
Voor alle duidelijkheid: de rode sterren geven de hulzen van de verdachte aan. De gele cijfers zijn het aantal inslagen per politieauto. Straks komen nog blauwe sterren: dat zijn hulzen van de politie.
De tweede politiebus arriveert op de Mauritskade.
-Mauritskade met bus twee-
Deze bus heeft twee kogelinslagen (zie voor technische onderzoeken auto FTO 6 / FTO 7).
-politiebus twee-
Vier agenten werden doelwit van de verdachte:
Ik laat als eerste G07 aan het woord (AAN 6):
"Wij reden naar de Mauritskade. ... ...Ik zag op de Mauritskade een politieauto op de stoep. ... ...Ik zag dat er een collega naast die auto zat ... ...Hij zat tussen auto en de gevel. Ik zag dat onze burgerauto ... ... midden op de rijbaan stilstond. ... ik hoorde een van de collega’s achterin de bus roepen: ‘Kijk uit hij gaat schieten’. Ik had toen de verdachte nog niet gezien. Ik remde en stopte de bus. ... ...De man stond op de rijbaan van de Mauritskade bijna tegen de bomenrij langs deze rijbaan. ... ...Hij was toen ongeveer 10-12 meter bij ons vandaan. ... ...Ik zag dat hij een vuurwapen vasthad in zijn rechterhand. Ik zag ook dat hij dit wapen op ons richtte. Ik zag dat de man, heel rustig in onze richting liep. Hij bleef tijdens het lopen zijn vuurwapen op ons gericht houden. Op dat moment riep ik naar de collega’s: ‘duiken’. Zelf dook ik onder het dashboard. Collega G04 ging ook onder het dashboard. Toen ik naar beneden dook hoorde ik een knal en direct hoorde ik een inslag in onze politiebus. Ik besefte dat als ik zou blijven zitten, ik als schietschijf zou kunnen gaan fungeren. Ik kon geen kant meer op, temeer daar de verdachte in onze richting kwam. Ik deed het portier open en sprong snel uit de politiebus. ... ...Ik zag dat hij zijn vuurwapen op de bus gericht hield. ... ...Omdat ik mij bedreigd voelde trok ik mijn dienstpistool en schoot gericht op de benen van de verdachte die op dat moment dus ongeveer 7 meter bij mij vandaan liep. ... ...Ik wilde de man alleen uitschakelen. Ik denk dat ik drie a vier keer op de man heb geschoten."
Dan de bijrijder G04 (AAN 3):
"Ik hoorde dat vanuit mijn bus geschreeuwd werd: ’kijk uit, hij schiet’. ... ...Wat ik me wel herinner is dat ik meerdere knallen hoorde die ik voor mezelf interpreteerde als schoten. ... ...Ik hoorde dat G07 riep: ‘hij schiet’. ... ...Onze politiebus was op dat moment inmiddels tot stilstand gekomen. Ik dook onder het dashboard en merkte dat ook G07 naar beneden dook. Op dat moment voelde ik angst. Omdat ik geen zicht meer had op de verdachte was ik de controle kwijt. ... ... Ik ben toen rechtsvoor uit de bus gestapt. Onder dekking van de politiebus ben ik naar de andere kant van de bus gelopen en ben aan de rechter achterzijde van de bus gestopt. Ik zag de verdachte doorlopen. ... ...Ik nam mijn pistool uit mijn holster en knielde. ... ...heb volgens mij iets tegen de verdachte geroepen. ... ...de verdachte reageerde niet op mijn roepen. ... ...Ik ... ... schoot om de verdachte te kunnen aanhouden".
En de mannen achter in deze bus:
Als eerste J. (AAN 11):
"Ik zag dat deze man in zijn rechterhand, met gestrekte arm, een zwartkleurig vuurwapen vast hield. ... ...Op een gegeven moment zag ik dat de man met zijn zwartkleurige vuurwapen naar rechts draaide en daarbij het genoemde vuurwapen in zijn rechterhand hield en met gestrekte arm in onze richting wees. Ik riep toen zoiets geroepen als van: ‘kijk uit hij gaat schieten’. De beslisser van dienst stopte toen onmiddellijk de politiebus en ik ben naast de bank op de vloer van de politiebus gaan liggen. Ik lag half over collega De G. die ook op de vloer van de bus lag. ... ...Op het moment dat ik wegdook, hoorde ik aan de voorzijde van de bus een rare klap. ... ...Ik dacht bij mij zelf dat het niet goed ging en dat ik uit de bus moest ... ... ik hoorde vier of vijf luide knallen."
En tot slot G., die ook achter in de bus zit (AAN 12):
"Plotseling stopte de bus en hoorde ik dat collega J. schreeuwde: ‘ik zie de verdachte en hij staat te schieten. Er wordt geschoten’. Het kan zijn dat eerst collega J. schreeuwde en dat toen de bus tot stilstand werd gebracht. ... ...Collega J. heeft de schuifdeur van de politiebus opengeschoven. Ik hoorde toen knallen. ... ...Collega J. wilde uit de bus, ik schreeuwde: ‘Liggen!’. ... ...op dat moment was ik heel erg bang".
Beide politiebussen hebben de inslagen aan de onderzijde van de voorkant. Dat lijkt zo bewust geschoten. Dat is ook de conclusie van de deskundige bij de rechter-commissaris. Het is ook logisch dat de verdachte toen niet meer niet schoot om te doden. Een dode politieman kan namelijk niet terugschieten. En dat was wel de bedoeling van de verdachte. Dat neemt niet weg dat kogels alle kanten uitvliegen als zij met iets in aanraking zijn gekomen. Je kunt niet uitsluiten dat kogels dan mensen raken. Dodelijk raken. Ook dit zegt de deskundige .
-politiebus twee 2e foto-
Negen millimeter is een groot kaliber.
Het kan veel materiële en vooral fysieke schade aanrichten.
Ik keer terug naar de Mauritskade.
-Mauritskade keert terug-
Resumerend:
5 keer schieten op de 1e politieauto: 3 treffers.
10 keer schieten op twee politiebussen: respectievelijk 4 en 2 treffers.
-Mauritskade met gele pijl naar rechts-
Tot slot dan de motorrijder, De R.. Zijn motor staat niet op deze foto.
-motor komt in beeld-
Ook al lijkt het zo, gevallen is hij niet op 2 november.
Getuige de R. verklaart (AAN 10):
"Ik ben in eerste instantie het Oosterpark ingereden, maar daar werd ik weggestuurd, omdat ik geen kogelwerend vest droeg. Ik kreeg opdracht om naar de Mauritskade te gaan om daar een uitgang te bewaken. ... ... Ik ben rechtsaf de Mauritskade op gereden ... .... Ik zag een collega naast deze auto zitten, hij hing tegen de auto aan. Ik zag collega’s die dekking achter deze auto zochten. Ik zag een man naar de overkant rennen richting waterkant. Ik zag dat de man zich onder het rennen omdraaide en een vuurwapen of iets wat daar sterk op leek, op de collega’s bij de politieauto richtte. Ik zag en hoorde dat de man een keer op de collega’s schoot. Ik zag mondingsvuur uit het voorwerp komen en ik hoorde een knal. Op het moment dat de man schot, stond hij naar schatting tussen de 10 en de 20 meter bij de collega’s vandaan. ... ... Omdat ik op de motor geen enkele kans zou hebben en geen kant op kon, besloot ik de motor neer te leggen. ... ...Ik heb mijn motorhandschoen uitgetrokken en heb mijn wapen getrokken. Ik heb geroepen naar de man: ‘politie, staan blijven’. Ik zag dat de man meteen mijn kant op keek, ik zag dat hij de hand, met daarin nu duidelijk zichtbaar een pistool, op mij richtte. Ik twijfelde er niet aan, gezien de reactie van de man, dat hij op mij zou gaan schieten. Ik vreesde voor mijn leven. Ik dacht: ‘ hij of ik’ ... ... Ik stond op dat moment hooguit 15 meter bij de man vandaan... ... Op dat zelfde moment kwam er een vrachtauto tussen mij en de man doorrijden ... ... Ik hoorde op datzelfde moment enkele schoten vallen. Doordat de vrachtauto een stukje doorreed, kreeg ik onder het rennen weer zicht op de man, die ik met het pistool had gezien. Toen zag ik dat hij in elkaar zakte en kennelijk was geraakt".
Einde citaat.
-Mauritskade weer-
Een totaaloverzicht van hulzen en inslagen. De politie heeft ook teruggeschoten.
-Mauritskade met blauw sterretje vijf-
Nabij de onopvallende surveillance auto zijn vijf hulzen aangetroffen. Deze schoten zijn afgevuurd door G06 die in deze auto zat.
-Mauritskade met blauw sterretje vier-
Vier maal is er geschoten door G05 uit de surveillance auto die als eerste door de verdachte werd beschoten.
-Mauritskade met blauw sterretje drie-
Drie schoten door G04 uit de tweede politiebus.
-Mauritskade met blauw sterretje twee-
Twee schoten van G07 uit dezelfde politiebus.
Eén van de kogels van G04 of G07 heeft verdachte in zijn been geraakt.
-Mauritskade met rode pijl naar rechts-
Geraakt door die politiekogel is verdachte in elkaar gezakt, vlak voor de blauwe vrachtauto.
Verdachte is ter aanhouding in zijn been geschoten door een van de politiemensen uit de laatste bus. De politiemensen verdienen een groot compliment voor deze aanhouding. Door hun beheerste optreden kreeg de verdachte niet wat hij wenste: een martelaarsdood.
De rijksrecherche heeft het schietincident nog onderzocht. Conclusie van het OM: er is volledig gehandeld conform de geldende geweldsinstructies.
-Mauritskade met vrachtauto-
Hij werd getroffen bij hij het reclamebord. Dit was om 8 minuten voor 9 (AMB 3). Om 5 over half 9 schoot de verdachte voor het eerst op Theo van Gogh. 17 minuten later werd hij zelf neergeschoten. 17 minuten waarin hij onmetelijk veel leed heeft veroorzaakt.
-pistool-
10. 3: Vuurwapen en munitie
Het vuurwapen van de verdachte werd in de herfstbladeren aangetroffen. Het werd door G07 uit de buurt van verdachte getrapt. De slede staat naar achteren, het pistool is leeggeschoten. Het was een HS, 9 mm (FTO 4 / WWM 2).
De achtergrond van de schietpartij is wel duidelijk geworden. De verdachte wilde doodgeschoten worden: "suïcide by cop". Dit blijkt uit de brief die hij bij zich had: "In bloed gedoopt" (OIG 2)
-einde presentatie-
11. Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft twee bijzonder korte verklaringen afgelegd. Als hij wordt afgevoerd naar het ziekenhuis zegt een politieman van het arrestatieteam tegen hem: "je hebt geluk gehad, dat ze je niet hebben doodgeschoten". Verdachte antwoord daarop; "dat was juist de bedoeling" (AMB 4).
Vlak voordat verdachte aan zijn been geopereerd zal worden, wordt hij in het kader van zijn inverzekeringstelling nog kort gehoord. Verdachte verklaart dan nog: "Ik had één vuurwapen bij mij en een mes" (AMB 50).
Dat zijn de laatste woorden van verdachte geweest over de zaak. Wel is hij gehoord in het Penitentiair ziekenhuis. Toen kwam op de vraag "wat is uw naam mijnheer" het antwoord: "ik beroep mij op mijn zwijgrecht". Dit blijft het hele verhoor het geval. De horende verbalisant en Plasman stellen vast dat verdachte die dag niet zo goed is in communicatie (VER 1.1).
Dat zal niet verbeteren. Het daarop volgend verhoor op 16 februari dit jaar is niet anders. (VER 1.2) Verdachte bedankt voor een kop thee of koffie, bevestigt wel zijn personalia, lacht af en toe op een vraag en zit voorover gebogen voornamelijk naar de grond te kijken; de weg van de minste weerstand. Hij weigert hem getoonde foto’s te bekijken.
Ook het laatste verhoor met de verdachte op 23 juni jl. bracht niets nieuws. Hij werd in dit verhoor onder meer geconfronteerd met de resultaten van de afgeluisterde gesprekken in het PEN Ziekenhuis en het Huis van Bewaring tussen hem en zijn broer Hassan. De verdachte kondigde aan wederom niets te gaan verklaren en volhardde daarin. Toch toonde verdachte af en toe wel emotie. Hij vond de vragen en het onderling discussiëren tussen de verbalisanten af en toe geestig en moest daarom lachen. Er zijn ook momenten waarop de vragen hem minder bevallen. Diep zuchten, naar de grond kijken of het plafond kijken met de handen achter het hoofd. Zelfs een luide boer als reactie op een vraag kan hij niet onderdrukken (VER 1.3).
Op 10 januari 2005 wordt Hassan deelgenoot van hoe zijn broer aankijkt tegen de moord op Theo van Gogh : "Ik wist waar ik mee bezig was" en "ik heb hem afgeslacht", zegt de verdachte tegen zijn broer (OVC 33).
Voor het overige heeft de verdachte geen verklaring willen afleggen. Zelfs gisteren niet op zitting. Hij geeft ook geen uitleg waarom hij niets wil zeggen. Zowel de deskundige Peters als Oudejans hebben gisteren verklaard dat de zwijgzaamheid van de verdachte voorkomt uit zijn religieuze ideeën. Hij erkent geen rechtbank die niet geschoeid is op de Sharia.
Wel zei de verdachte gisteren op zitting dat hij misschien best een verklaring af had willen leggen. De rechtbank of de officier van justitie had dan wel met de verdediging moeten overleggen. Onzin. Minstens of vijf of zes keer heb ik met de raadsman overlegd over de vraag of de verdachte een verklaring af wilde leggen. Het enige antwoord dat ik heb gekregen, is: neen of misschien later. Vandaag is zijn laatste kans.
12. De voorbedachten rade
Voorbedachten rade is gekoppeld aan de moord op Theo van Gogh, de poging tot moord op politiemensen en de beide omstanders. De verdachte heeft de moord en de poging tot moord goed voorbereid. Vele bewijsmiddelen tonen dat aan.
In de weken voor de moord is de verdachte gezien op verschillende plaatsen op de dagelijkse fietsroute van Theo van Gogh, van zijn woning naar zijn werk. Veel getuigen verklaren dat zij de verdachte hebben gezien telkens zo rond half 9. Dit is het tijdstip waarop Theo van Gogh naar zijn werk placht te gaan. Het voorverkennen van de fietsroute van Theo van Gogh is een duidelijk en hard bewijsmiddel voor het bestaan van de voorbedachten rade.
Voordat de verdachte op de ochtend van 2 november zijn huis verliet heeft hij zorgvuldig zijn tas gepakt. In elk geval heeft bij zich gestoken een vuurwapen met minstens 35 patronen, het Kukri-mes en het fileermes, zijn afscheidsbrief "gedoopt in bloed" en de dreigbrief aan Hirsi Ali, een walkman met een cassettebandje met koranteksten. Uit de verklaring van de medebewoner aan de Marianne Philipstraat blijkt dat de verdachte die ochtend uit zijn eigen woning is vertrokken. Hij is van west naar oost Amsterdam gegaan, vermoedelijk op zijn fiets. Niemand heeft hem toen gezien.
Op de Linnaeusstraat haalt hij op zijn fiets Theo van Gogh in. Doelbewust, en zoals vele getuigen verklaren, in alle rust vermoordt hij zijn beoogde slachtoffer. De manier waarop de verdachte Van Gogh vermoordt, verraadt een doelbewuste vastberadenheid en een goede voorbereiding: inhalen, schieten, achtervolgen, weer schieten, kelen en beide messen in zijn buik. Hij heeft daar tevoren over nagedacht. Alle voorwerpen die hij bij zich droeg zijn hem van pas gekomen.
Dezelfde rust en kalmte die de verdachte had bij het vermoorden van Theo van Gogh heeft hij ook daarna gehouden. Na Theo van Gogh te hebben vermoord is de verdachte in alle rust weggelopen en heeft onderweg de houder van zijn vuurwapen opnieuw gevuld met 15 patronen. Zoals eerder gezegd is het vullen van de houder in het algemeen geen sinecure, laat staan onder deze omstandigheden. Het verraadt dat de verdachte tevoren moet hebben geoefend. Ook dat is redegevend voor de voorbedachten rade.
Ook in het park is de verdachte rustig gebleven (AMB 2). Op een gegeven moment is hij wel wat harder gaan lopen. Op de Mauritskade heeft de verdachte wederom met rust en kalmte geschoten; nu op de politiemensen.
Ik wijs hier nogmaals op de verklaring van de deskundige, trainer van arrestatieteams en deskundig op het gebied van wapengebruik en geweldsbeheersing. Hij verklaart, dat de wijze waarop de verdachte op 2 november heeft gehandeld, verraadt, dat hij het scenario vele malen tevoren voor zichzelf moet hebben afgespeeld.
Ook de inhoud van de brief aan Hirsi Ali en "in bloed gedoopt" maken duidelijk dat de verdachte op 2 november heeft gedaan wat hij al lang te voren had gepland. De open brief aan Hirsi Ali is een doodsbedreiging aan haar. Kennelijk verwijt de verdachte Van Gogh niet alleen dat hij zich tegen de Islam keert, maar ook dat hij met Hirsi Ali de film Submission heeft gemaakt. Het gedicht "in bloed gedoopt", maakt duidelijk dat de verdachte hoopte en verwachtte na de aanslag op Theo van Gogh door de politie gedood te worden: "Dit is dan mijn laatste woord, door kogels doorboord, in bloed gedoopt, zoals ik had gehoopt......". Al in september 2004 heeft de verdachte op vier verschillende data aan zijn afscheidsgedicht gewerkt. Dat blijkt uit zeer recent politieonderzoek (ODB 47). Zo lang loopt al hij met de gedachte om een aanslag te plegen. De dreigbrief aan Hirsi Ali is al in juni 2004 voor het eerst bewerkt (NFI 20).
Nog meer maakt ons duidelijk dat de verdachte geruime tijd bezig is geweest met de voorbereiding van de aanslag. Bij de vriend van de verdachte, Rachid Bo., is de zogenoemde nalatenschap van de verdachte gevonden (AMB 33 en OIG 6). Een algemeen testament met een bijlage van boeken en andere goederen, één brief aan zijn familie en een brief gericht aan "beste broeder". Dit laatste was kennelijk bedoeld voor zijn vrienden die er een zelfde gedachtegoed er op nahouden. De verdachte maant iedereen, in het bijzonder zijn vader, om het goede pad van de moslim te bewandelen. In dit testament kondigt hij ook zijn eigen dood aan. Hij heeft "ervoor gekozen zijn plicht tegenover Allah te vervullen en zijn ziel in te ruilen voor het paradijs.....het is tijd om offers voor ons geloof te brengen" schrijft de verdachte aan zijn familie. Aan zijn broeders schrijft hij: "wanneer je deze brief ontvangt zal ik tegen die tijd als een Shaheed (martelaar) zijn gevallen......bij mijn operatie of actie zal ik de "open brief aan Hirshi Ali" en "gedoopt in bloed" bij mij dragen". Einde citaat.
De vriend van de verdachte, Rachid Bo., heeft deze brieven een aantal dagen voor 2 november van de verdachte ontvangen.
Zoals het OM na 2 november kon vaststellen, is de goederenbijlage bij het testament van de verdachte al op 29 september 2004 bij hem aangetroffen: dus ruim één maand voor de moord op Theo van Gogh. Kennelijk was hij toen al bezig met de voorbereiding van de aanslag die ook tot zijn eigen dood had moeten leiden.
Zelfs al in de zomer van 2004 lijkt de verdachte bezig met het idee om een aanslag te plegen. Het rapport van professor Peters maakt dat duidelijk. Eind juni 2004 (DSK 2, bijlage 2 nr. 37) maakt de verdachte een stuk geheten "Het slagveld: de veiligste plek op aarde." Hierin worden de beloningen van Allah voor opgesomd. Gesteld wordt dat degene die lichamelijk ter wille van Allah vecht, niet sterft. Uit dezelfde periode dateert de vertaling van het stuk "De verplichting van doden van degenen die de profeet Allah uitscheldt." (DSK 2, bijlage 2, nr. 38). De titel zegt al genoeg. Het slaat ontegenzeggelijk ook op Theo van Gogh. De open brieven aan het Nederlandse volk, Hirsi Ali en de Amsterdamse wethouder Aboutaleb zijn ook aan de verdachte toe te schrijven. Zij zijn alle bedreigend en dateren van augustus 2004. Met name in de open brief aan het Nederlandse volk kondigt de verdachte in Nederland bloedige aanslagen aan.
Ook het onderzoek naar de financiën van de verdachte levert een kleine aanwijzing op dat hij al lange tijd bezig is met de planning van een actie, waarvan hij verwacht niet uit terug te keren (FIN 1 en 2). Op 19 mei 2004 ontvangt hij voor de laatste keer een uitkering. Die wordt gestopt omdat hij niet reageert op de vele berichten van de sociale dienst. De verdachte doet ook geen enkele moeite meer om weer een uitkering te ontvangen. Op 4 augustus betaalt de verdachte ook voor het laatst de huur van zijn woning. Niet in september, niet in oktober.
Op grond van al deze bewijsmiddelen ben ik van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de moord op Van Gogh en het schieten op de politie en omstanders met voorbedachten rade heeft begaan.
Dan de burgerslachtoffers. Ik ga ervan uit dat het niet welbewust de bedoeling is geweest is van de verdachte om bij de moord op Theo van Gogh ook omstanders te raken. Misschien ook wel, maar dat is niet aantoonbaar.
Het kan echter niet anders dan dat hij welbewust het risico heeft aanvaard dat hij bij gelegenheid op de moord van Theo van Gogh ook omstanders zou raken. Wie om half 9 ’s ochtends, op spitstijd, op een van de drukste punten van de stad gaat schieten, weet dat de kans bijzonder groot is dat hij daarbij ook andere mensen raakt. Het mag een wonder heten, dat het bij twee slachtoffers is gebleven. De kans was erg groot dat ook anderen werden geraakt. Dodelijk geraakt.
Dat geldt ook voor de inzittenden van beide politiebussen. Het lijkt er op dat de verdachte bewust laag heeft geschoten om niemand dodelijk te raken. Dat verklaart De deskundige ook bij de RC. Anderzijds vliegen de kogels alle kanten op als zij eenmaal de bus hebben geraakt. Daarmee neemt de verdachte bewust het risico dat hij ongewild mensen dodelijk raakt.
Blijft de vraag of dit voorwaardelijk opzet gecombineerd kan worden met voorbedachten rade. Het artikelsgewijs commentaar op het Wetboek van Strafrecht is daarin zeer duidelijk, ik citeer: "Alle vormen van opzet zijn met voorbedachten rade bestaanbaar, ook het voorwaardelijk opzet. Immers wanneer iemand met tijd voor overleg een plan opmaakt op een ander doel te bereiken, en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging de dood van een ander zal veroorzaken, dan zijn alle kenmerken van voorbedachte raad aanwezig". Ook twee schrijvers die zich over dit onderwerp hebben uitgelaten, Brouns en Demeersseman, (P.J.H.M. Brouns: "Opzet in het Wetboek van Strafrecht", bladzijde 234 e.v. en H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, bladzijde 74 e.v.), zijn van mening dat deze combinatie zeer goed denkbaar is.
In deze zaak betekent dat dus het volgende: waar de verdachte met voorbedachten rade Theo van Gogh van het leven berooft, dit goed voorbereidt en dit doet met onder meer een vuurwapen op een plaats waar veel andere mensen aanwezig zijn, aanvaardt hij welbewust het risico dat ook andere mensen dodelijk geraakt worden, waarmee de voorbedachten rade ook betrekking heeft op het raken van die andere mensen. Dat geldt ook voor het schieten op de inzittenden van de politiebussen. Nu de verdachte goed voorbreid, welbewust en weloverwogen op die bussen schiet, aanvaardt hij het reële risico een of meer van de inzittenden van die bus dodelijk te raken, zelfs al is dat juist niet zijn bedoeling.
13. Feit 5 en 6: Hirsi Ali
Hirsi Ali. Vele getuigen hebben gezien dat de brief aan Ayaan Hirsi Ali op het lichaam van Theo van Gogh werd gestoken. De brief is op de Linnaeusstraat veilig gesteld door de technisch recherche (FTO 2). Ik citeer:
"Dit is een open brief aan de ongelovige fundamentalist, Ayaan Hirschi Ali ……
U marcheert in de ranken van de soldaten van het kwaad ……
Deze brief is Insha Allah een poging om uw kwaad voor eens en altijd het zwijgen te doen opleggen ……
U heeft met al uw vijandelijkheden een boemerang losgelaten en u weet dat het slechts een kwestie van tijd is voordat deze boemerang uw lot zal bezegelen ……
Mevrouw Hirshi Ali wenst de dood als u werkelijk van uw gelijk overtuigd bent ……
Ayaan Hirsch Ali je zal jezelf stuk slaan op de Islam ……
Er zal geen genade voor de onrechtplegers zijn, slechts het zwaard wordt tegen hen opgeheven, slechts de dood zal de waarheid van de leugen doen scheiden ……
Ik weet zeker dat jij O Hischi Ali ten onder gaat." (OIG 1).
Deze brief heeft gevolgen gehad. Gevolgen die verdachte heeft kunnen voorzien en beoogd moet hebben. Eerst Theo van Gogh slachten. Dit zijn ook de woorden van verdachte in het gesprek met zijn broer in het Huis van bewaring (OVC 33). Dan is Hirsi Ali aan de beurt. Dat is de strekking van deze brief. "Hirsi Ali komt ook aan de beurt, en de brief die vast zat aan het mes zei genoeg", zegt de verdachte tegen zijn medegedetineerde A. in het PBC (GET 11.15).
De manier waarop deze actie tegen Hirsi Ali is uitgevoerd heeft Nederland geschokt. Dat moet ook een doel van de verdachte zijn geweest. Het is ook zijn bedoeling geweest dat de inhoud van deze brief breed bekend zou worden. Een openlijke bedreiging aan het adres van Hirsi Ali. Een bedreiging met directe gevolgen voor haar leven. Iedereen kan voorspellen wat de gevolgen zijn van een dergelijke bedreiging tegen een lid van de Tweede Kamer.
De Minister van BZK maakt de inhoud van deze brief aan Hirsi Ali bekend. Hij kon niet anders, want haar leven liep gevaar. De verdachte wilde dat ook, dat de brief bij Hirsi Ali bekend werd. Anders had die brief geen doel.
Ook het gevolg was volstrekt voorspelbaar. Een overheid die verantwoordelijkheid neemt, beschermt haar onderdanen. In dit geval het Tweede Kamerlid Hirsi Ali.
De bedreiging was ook van dien aard dat de bescherming totaal moest zijn. Ook dat was voor de verdachte voorspelbaar. Hij wist dat Hirsi Ali al beveiligd werd. Dat daardoor ook haar bewegingsvrijheid sterk werd beperkt, was ook voorzienbaar. Ook voor de verdachte. De verdachte had het opzet Hirsi Ali te verhinderen vrij en onbelemmerd haar plicht te vervullen.
Op 2 en 3 november 2004 werd de beveiliging van Hirsi Ali opgevoerd. Bescherming in de nacht en vervolgens het vertrek naar een safehouse zijn beschreven (AMB 26). De verdachte heeft dit op 2 november bewerkstelligd.
Hirsi Ali zelf over deze gebeurtenissen:
"Ik had direct na de moord via de media gehoord dat er een brief was achtergelaten op het lichaam van Van Gogh…… Op 2 november heb ik van de Minister van Binnenlandse Zaken, Remkes, gehoord dat er een brief was aangetroffen waarvan de inhoud voor mij relevant was. Hij heeft mij toen in verband met de voor mij emotionele omstandigheden niet verteld wat de inhoud was. Minister Remkes heeft mij ……op 4 november uitgenodigd en toen heeft hij mij de brief laten lezen. ……
Ik werd ook vóór 2 november al beveiligd. Op 2 november veranderde dit in een 24-uurs beveiliging. Op 2 en 3 november kon ik nog thuis zijn ……Daarna moest ik mijn huis uit en ik werd naar verschillende safehouses gebracht. ……Het betekende in de praktijk dat ik iedere dag verplaatst werd en dat ik constant te maken had met beveiligd vervoer…… Deze hele beveiligingssituatie had ook tot gevolg dat ik niet meer goed sliep. Ik kon door dit alles eigenlijk mijn werk in de tweede Kamer al niet meer goed doen.
Uiteindelijk heb ik aangegeven dat het voor mij zowel praktisch als emotioneel onhoudbaar was om iedere dag verplaatst te worden. Ik wilde een beetje tot rust komen en langer dan een nacht op dezelfde plaats kunnen blijven. …… Dit hield echter in dat ik zeker niet meer naar mijn werk in de Tweede Kamer kon…… Kortom: ik zat helemaal klem. Het liefst wilde ik daar blijven waar ik in staat was om te werken en naar de Tweede Kamer te gaan. Dit kon onder de gegeven omstandigheden niet. Ik had geen keus …… Ik moet voor mijn werk rustig dossiers kunnen lezen en dat was onder deze omstandigheden niet mogelijk.
Ik ben op 2 november weggegaan uit de Tweede Kamer …… tot 18 januari 2005 ……Het was ……vanuit de plaats waar ik toen verbleef feitelijk onmogelijk om in het parlement te functioneren…… Ik was niet in staat de regering te controleren……Ik kon al mijn volksvertegenwoordigende taken niet verrichten. Ik moest alle spreekbeurten in het land afzeggen."
Over de brief van de verdachte zegt Hirsi Ali:
"Ik heb die ervaren als een ‘fatwa’, als een doodvonnis…… Ik heb deze brief absoluut als bedreigend voor mijzelf ervaren. Door die achtergelaten brief heb ik dus ook mijn huis moeten verlaten, met alle gevolgen die ik u reeds beschreven heb……Een zeer goede vriend van mij is vermoord, gekeeld, neergeschoten, gestoken. Op zijn bloedige lichaam is die brief achtergelaten……Wat met Theo van Gogh is gebeurd, was voor mij bedoeld. De boodschap was voor mij: zó gaan we het doen……hier was het echt menens: kijk maar, zó doen we het, zó gaat het……
Door de bedreigingen en het daar op volgende leven in de hoogste graad van beveiliging heb ik ook psychisch en lichamelijk het nodige te verwerken gehad……Ik heb het gevoel dat ik door al deze bedreigingen voor de rest van mijn leven gestraft wordt. Ik heb momenteel geen vooruitzicht wanneer dit eindigt……." (AAN 14).
Einde van dit citaat.
Door de verdediging is eerder geopperd dat de overheid verantwoordelijk is voor het belemmeren van Hirsi Ali in de uitoefening van haar functie als Tweede Kamerlid. Dat zet de wereld op zijn kop. Artikel 121 Sr. waarborgt het vrij en onbelemmerd functioneren van de leden van de Tweede Kamer. De verdachte heeft dit verhinderd.
Als er een serieus te nemen bedreiging is, moet de overheid maatregelen nemen. Dat is haar dure plicht. En maatregelen kun je niet nemen zonder de betrokkene op de hoogte te stellen van de aard en de ernst van de bedreiging.
De regering heeft er ook alles aan gedaan Hirsi Ali nog te kunnen laten functioneren. Dat kan niet van de ene op de andere dag. Hirsi Ali kon een tijd niet meer vrij en onbelemmerd functioneren. Ze werd door toedoen van de verdachte feitelijk en psychisch gedwongen van haar werk af te zien. Dat wilde hij.
De rechtbank heeft gisteren uitgebreid geciteerd uit de afgeluisterde gesprekken van Jason W. en Ismaël A. in de Antheunisstraat. Die gesprekken en proclamatie van beide heren zouden kunnen worden uitgelegd als hadden zij de bedreiging van Hirsi Ali medegepleegd. De gesprekken dateren echter van na 2 november. Duidelijk is ook dat zij een vervolg zijn op de moord op Theo van Gogh en de publicatie van de brief aan Hirsi Ali. Deze gesprekken en proclamatie kunnen er wel aan hebben bijgedragen dat de strenge beveiliging van Hirsi Ali langer heeft geduurd. De noodzaak van de beveiliging is echter ontstaan door de daden van de verdachte op 2 november 2004. Wat er daar na gebeurde heeft het dus wel erger gemaakt voor Hirsi Ali, maar ik zie daar vooralsnog geen medeplegen in.
14. Het terroristisch oogmerk
Aan het begin van dit requisitoir is het belang van het terroristisch oogmerk in deze zaak al aangegeven. Het Openbaar Ministerie zal moeten aantonen dat de verdachte met de moord op Theo van Gogh en de andere misdrijven nog een ander doel wilde bereiken dan alleen de dood van Theo van Gogh zelf. Het gaat om de vraag of de verdachte op 2 november de bedoeling heeft gehad de Nederlandse bevolking bang te maken, de overheid tot iets te dwingen of de Nederlandse maatschappij te ontwrichten of te vernietigen. Dat hoeft niet perse tot uiting te komen in eisen of opmerkingen van de verdachte. Dit kan ook uit andere omstandigheden worden afgeleid.
Bij de bespreking van het terroristisch oogmerk laat ik het onderdeel dat de verdachte beoogd zou hebben om de Nederlandse overheid te dwingen iets te doen of te laten buiten beschouwing. Daarvoor is geen aanwijzing aanwezig.
Anders ligt het met de twee andere onderdelen van het oogmerk: het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen en om de fundamentele, politieke, constitutionele, economische en/of sociale structuur van Nederland ernstig te ontwrichten.
Het bang maken van de Nederlandse bevolking. Het bewijs hiervan is te vinden in de moord zelf, de plaats, de tijd en de wijze aarop deze is uitgevoerd. De moord is gepleegd op één van drukste punten in de stad Amsterdam tijdens de ochtendspits. Het slachtoffer is een bekende Nederlander die vaak met opmerkelijke uitspraken het nieuws haalde. De moord lijkt in alles op een rituele slachting. Met het gebruik van een kromzwaard, om de keel van Theo van Gogh door te snijden en het achterlaten van een brief gestoken op het lichaam van Theo van Gogh heeft de dader een duidelijke boodschap willen achterlaten. Die moest zoveel mogelijk mensen angstig maken. "Dan weten jullie ook wat je te wachten staat" zei de verdachte tegen een omstander.
Het doorsnijden van de keel van Van Gogh doet denken aan de onthoofdingen, die in het Midden-Oosten, met name tijdens de oorlogen in Tsjetsjenië, Afghanistan en Irak, regelmatig plaatsvinden. Onthoofdingen waarvan de verdachte vele voorbeelden op een cd-rom heeft verzameld (OIG 27); waarvan de getuige El M. (GET 11.8) heeft verklaard dat de verdachte daarvan genoot als hij daarnaar keek. Met het doorsnijden van de keel heeft hij het Nederlandse volk duidelijk laten weten dat de tijd gekomen is dat dat ook in Nederland gebeurt.
In de open brief aan Hirsi Ali (OIG 1) wordt ook de ondergang van alle ongelovigen aangekondigd, ik citeer:
"De Islam zal zegevieren door het bloed van de martelaren......De losgebarsten strijd is anders dan alle voorgaande strijden. De ongelovige fundamentalisten zijn ermee begonnen en Insha Allah zullen de ware gelovigen deze eindigen. Er zal geen genade voor de onrechtplegers zijn, slechts het zwaard wordt tegen hen opgeheven. Geen discussies, geen demonstraties, geen optochten, geen petities; slechts de dood zal de Waarheid van de Leugen doen scheiden.".
Het gedicht dat de verdachte op 2 november bij zich had "In bloed gedoopt" (OIG 2), is niet alleen een afscheid, maar bevat ook een oproep voor anderen om zijn voorbeeld te volgen. Aan hen wordt ook het paradijs beloofd, ik citeer wederom:
"Ik laat een boodschap achter…
Voor jou …de vechter…
De boom van Tawheed is afwachtend…
Naar jouw bloed smachtend…
Ga de koop aan
En Allah geeft je ruim baan…
Hij geeft je de Tuin
In plaats van het aardse puin."
In het volgende couplet voorspelt de verdachte de dood van zijn vijanden; dat zijn er nog al wat. Zij worden "Op de hielen gezeten door de Ridders van de DOOD".
De verdachte heeft met zijn misdrijven het doel gehad een voorbeeld te geven van datgene wat Nederland te wachten staat. Daarmee wordt de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland grote angst aangejaagd.
De verdachte heeft ook het oogmerk gehad om de fundamentele, politieke, constitutionele, economische en/of sociale structuur van Nederland ernstig te ontwrichten. Het meest duidelijk blijkt dit uit de brief aan Hirsi Ali die op het lichaam van Van Gogh was gestoken. Als gezegd de ondergang van onder meer Nederland wordt hierin aangekondigd.
Professor Peters heeft een studie gemaakt van de geschriften die verdachte ofwel zelf heeft geschreven ofwel heeft vertaald. In zijn rapport beschrijft hij aan de hand van al deze stukken de ideologische en religieuze ontwikkeling van de verdachte. In 2003 begint de verdachte de eerste teksten te schrijven waarin het westerse staatsbestel wordt verworpen. Het democratische stelsel is volgens hem gebaseerd op onderwerping van de mensheid aan kleine groepen mensen. In een politiek stelsel gebaseerd op de Shariah daarentegen, zijn de mensen niet aan elkaar onderworpen, maar alleen aan God. Democratie is volgens de verdachte in strijd met de Islam. Dat staat gelijk aan de erkenning van andere goden dan de Ene God: polytheïsme of het aanbidden van afgoden. Dat verwerpt hij krachtig.
Het bekende boekje "De ware moslim", februari 2004, van Al-Qoedsi, is ook vertaald door de verdachte. Hierin gaat de verwerping van de westerse democratie en rechtsstelsels nog een stap verder. Niet alleen dienen moslims zich terug te trekken van ongelovigen, maar terugtrekken betekent, ik citeer: "hen haten, hen vijandschap tonen, hen verafschuwen, een afkeer van hen hebben en hen bestrijden". Zelfs moslims die zich in alle opzichten zouden gedragen als goede moslims, maar die geen haat voelen tegen de vijanden van de Islam, worden beschouwd als ongelovigen, "Zelfs als hij maar van één van hen heeft gehouden en deze persoon een verwant van hem is".
Dan "To catch a Wolf", geschreven door de verdachte. Op de eerste pro forma-zitting heb ik hieruit ruim geciteerd. De verdachte voorspelt in Nederland een omwenteling waarbij de Tawheed bepalend zal zijn voor de Nederlandse maatschappij. De eenheid van de goddelijkheid en de erkenning dat er één almachtige schepper van het heelal is wie men dank moet betuigen door middel van religieuze rituelen, én de Shariah, de door god geopenbaarde wet van de Islam, zullen de basis zijn van de Nederlandse maatschappij.
In zijn open brief aan het Nederlandse volk voorspelt de verdachte terroristische aanslagen tegen de bevolking. De burger en de Nederlandse regering zelf zijn als enige hiervoor verantwoordelijk. Immers zij voeren een beleid van destructie tegen de Islamitische Ummah, de Islamitische gemeenschap.
Ook in zijn grondwet voor een fundamentalist, inmiddels in 5 delen, schrijft de verdachte onder meer dat "de consequenties van de verwerping van de Taghoet (dat is alles wat aanbeden wordt naast God) betekent dat wij als moslims het hele systeem (anders dan de Islam) moeten verwerpen en alleen de Islam, die door Allah voor ons is gekozen, moeten accepteren". Dit staat dus gelijk – aldus de verdachte – "aan een oorlogsverklaring aan alle huidige ideologieën die op de aarde zijn ingesteld en die tot doel hebben om mensen aan andere mensen te onderwerpen. Dit betekent dus ook dat wij de democratische manier van leven moeten verwerpen".
Gisteren is tijdens het verhoor van de deskundige Peters het document "De verplichting" besproken. De verdachte betoogt hierin dat wie de Profeet Mohammed beledigt, gedood moet worden. Niet alleen is dit redengevend voor het terroristisch oogmerk, vermoedelijk bevat dit stuk ook het motief waarom Theo van Gogh vermoord moest worden.
Met al deze geschriften, waarvan ik slechts een zeer beperkte selectie heb aangehaald, maakt de verdachte zijn oogmerk duidelijk. Met zijn handelingen op 2 november wilde hij de fundamentele, politieke, constitutionele, economische en/of sociale structuur van Nederland ernstig ontwrichten. Dat hij kon weten of beseffen dat hem dat niet in één dag zou lukken, doet hier niet aan af.
Ik acht derhalve bewezen dat de verdachte op 2 november 2004 gehandeld heeft met terroristisch oogmerk. Dat geldt niet alleen voor de moord op Van Gogh, maar evenzeer voor de poging tot moord op de beide omstanders. Deze poging is immers nauw verboden is aan de moord op Theo van Gogh.
De bedreiging van het kamerlid Hirsi Ali en de gevolgen daarvan. Zijn vrijwel inherent aan het terroristisch oogmerk. Zowel het aanjagen van vrees als de dwang op de Nederlands overheid vormen hier het oogmerk.
Ook geldt het terroristisch oogmerk voor het schieten op de politie. Het martelaarschap dat hij beoogde te bereiken is een onlosmakelijk onderdeel van de ideologie van de verdachte. Niet voor niets vertaalt hij het document "Het slagveld" waarin het martelaarschap wordt verheerlijkt en aan de martelaar een paradijselijk bestaan wordt geschonken. Volgens de deskundige Peters heeft de verdachte na de moord op Theo van Gogh bewust een nieuw slagveld gezocht. Op dit slagveld gaat hij vervolgens de confrontatie aan met de helpers van de rechtstaat die hij verfoeit. Ook Engin A., medegedetineerde van de verdachte in het Pieter Baan Centrum, verklaart dat de verdachte hem heeft verteld, dat hij de dood wilde voor de Jihad (GET 11.15).
Dat het slagveld van de Mauritskade de mensen bang maakt lijkt mij duidelijk. Dat hij door de keuze van politiemensen als slachtoffer ook probeert de overheid te ontwrichten, lijkt mij evenzeer duidelijk. Derhalve ook een terroristisch oogmerk voor de feiten die betrekking hebben op het schieten op de politie.
15. Bewezenverklaring
Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 2 november 2004 alleen, dus niet met anderen, in de Linnaeusstraat Theo van Gogh met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door te handelen zoals in de tenlastelegging staat omschreven en dat dit misdrijf is gepleegd met terroristisch oogmerk. Onder het terroristisch oogmerk versta ik in alle feiten het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele, politieke, constitutionele, economische en/of sociale structuur van Nederland ernstig te ontwrichten.
In de tweede plaats acht ik feit 2A primair wettig en overtuigend bewezen: de verdachte heeft op 2 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam getracht G05 en G. met voorbedachten rade van het leven te beroven door te handelen zoals in de tenlastelegging staat vermeld.
2B en 2E: de verdachte heeft G06 en A. bedreigd met moord met een terroristisch oogmerk door na de moord op Theo van Gogh en het beschieten van ander politieambtenaren opzettelijk dreigend een pistool op hen te richten. Dat geldt ook voor de motoragent De R..
2C en 2D: Ook ten aanzien van alle inzittenden van de politiebussen vind ik het primair ten laste gelegde bewezen: poging tot moord. Ook al zou de verdachte niet de intentie hebben gehad om hen te doden, het gericht meermalen schieten op beide politiebussen en de wetenschap dat die kogels alle kanten opgaan nadat zij de bus hebben geraakt, is voldoende voor het bewijs van poging tot moord;
Dan, in de derde plaats acht ik wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, ook alleen, op 2 november 2004 in Amsterdam een pistool van het merk HS en munitie voorhanden heeft gehad en dat dit misdrijf ook met terroristisch oogmerk is gepleegd alsmede met het oogmerk om een terroristisch misdrijf namelijk de moord op Van Gogh en de poging tot moord cq. zware mishandeling op politieambtenaren en beide omstanders voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
In de vierde plaats acht ik wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 2 november 2004 in de Linnaeusstraat geprobeerd heeft met voorbedachten rade twee burgerslachtoffers van het leven te beroven. Ook weer met terroristisch oogmerk.
In de vijfde plaats acht ik wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 2 november 2004 door geweld en bedreiging met geweld Ayaan Hirsi Ali, lid van de Staten-Generaal, opzettelijk heeft verhinderd vergaderingen van de Staten-Generaal bij te wonen en daarin vrij en onbelemmerd haar plicht te vervullen. Dit deed hij door de moord op Van Gogh en het achterlaten van een dreigbrief gericht aan Hirsi Ali op stoffelijk overschot van Van Gogh. Ook dit misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.
In de zesde en laatste plaats acht ik wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 2 november 2004 in Amsterdam mevrouw Hirsi Ali heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door de dreigbrief aan Hirshi Ali met een mes op lichaam van Van Gogh te steken nadat hij Van Gogh had vermoord op de wijze zoals die in de tenlastelegging staat omschreven. Ook voor de laatste twee feiten geen medeplegen.
16. Samenloop
De samenloopbepalingen in het Wetboek van Strafrecht hebben in deze zaak weinig praktische betekenis. U zult er wel over moeten beslissen.
Ik meen dat aan de moord op Theo van Gogh en de poging tot moord op de beide omstanders hetzelfde wilsbesluit ten grondslag ligt: Theo van Gogh vermoorden. Deze feiten verhouden zich dus als een voortgezette handeling.
Datzelfde geldt mijn inziens voor onderlinge verhouding van alle onder twee tenlastegelegde feiten. Het wilsbesluit zou hier kunnen worden omschreven als doden, zwaar mishandelen en bedreigen om zelf gedood te worden. Ook hier dus een voortgezette handeling.
Tot slot geldt dat ook voor de twee feiten die te maken hebben met Hirsi Ali. De verdachte had de wil om het einde van haar leven aan te kondigen. Dus ook een voortgezette handeling.
Alle andere feiten verhouden zich tot elkaar als een meerdaadse samenloop.
17. Beslag
Het beslag. Bij de verdachte zijn veel fysieke en digitale documenten in beslag genomen. Het overgrote deel van dat materiaal is radicaal, politiek ideologisch, geweld predikend, terrorisme verheerlijkend, extremistisch of mensonterend van aard.
Kijk ook naar het rapport van deskundige Peters, de videobanden met onthoofdingen en de laatste versies van Grondwet van een fundamentalist.
Al het materiaal is gescreend op de zojuist genoemde aspecten en dat is in een proces-verbaal verwoord (OIG 58). Hierop is een beslaglijst gemaakt. Wat niet op de beslaglijst staat is of wordt teruggeven.
Met een bewezen verklaard terroristisch oogmerk kan van alle items op de beslaglijst worden gezegd dat de feiten met betrekking tot dit beslag zijn begaan en ook met behulp hiervan zijn begaan of voorbereid. Ook kan gezegd worden dat al dat beslag tot het begaan van de feiten zijn vervaardigd. Het staat vast dat die geschriften van dien aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
De beslaglijst is rechtbank en verdediging overhandigd. Ik wil dat de rechtbank naar de verdachte een duidelijk signaal afgeeft. Ik vorder dat alle genoemde items op de beslaglijst, 105 in totaal, bij uw uitspraak worden onttrokken aan het verkeer.
18. De slachtoffers
Met bijna alle slachtoffers in deze strafzaak heb ik meerdere gesprekken gevoerd. Gesprekken die hebben geleid tot voorlichting aan de slachtoffers en inventarisatie van al hun wensen in het strafproces. Bij de strafmaatoverwegingen kom ik hier uitgebreider op terug.
Vele slachtoffers zijn aanwezig bij dit proces. Natuurlijk, nieuwsgierig naar de gang van zaken, maar voornamelijk ter verwerking van hetgeen hen is aangedaan. Enkele slachtoffers maakten op een indrukwekkende manier gebruik van hun spreekrecht. Anderen hebben een veelal even indrukwekkende schriftelijke verklaring opgesteld. De rechtbank is hiermee goed geïnformeerd over hoe verdachte het leven van al deze mensen heeft beïnvloed.
De verdachte zelf heeft tot nu toe geen enkel inlevingsvermogen willen tonen voor die veroorzaakte ellende. Zijn devies luidt: "Jihad is ons verplicht". Zijn ‘zuiver’ geloof in het extremistische gedachtegoed maakt hem blind voor het verdriet en de pijn die hij medemensen toebrengt. Het is zijn bewuste keuze.
Het Tweede kamerlid Hirsi Ali heeft zich niet gevoegd in dit proces. Ook heeft zij geen verklaring aan U toegezonden. Het lijkt de laatste tijd wat rustiger geworden rond haar persoon. Dat is een goede zaak, voor haar en voor het land. Mevrouw Hirsi Ali wil als politica geen nadrukkelijke rol spelen in dit proces. Dat siert haar en is een wijs besluit. Dit vermindert echter niets aan wat de verdachte haar heeft aangedaan.
Binnen het strafproces is er ruimte om zakelijke en immateriële schade op verdachte te verhalen. Daarbij is steeds aan de slachtoffers voorgehouden wat mogelijk is en wat de voor- en nadelen kunnen zijn van zo’n vordering. Meermalen is in gesprekken met de slachtoffers naar voren gekomen, dat ondanks de verwachte insolventie van de verdachte, een schadevergoeding ook een symbolische functie heeft. Dat motief kan ik alleen maar respecteren. Voor iedereen is duidelijk dat geld uiteindelijk niet in de verste verte goed kan maken van wat de verdachte heeft aangericht.
De nabestaanden van Theo van Gogh hebben er van afgezien om een vordering in te dienen wegens immateriële schade. Dat is een bewuste keuze geweest. Dat doet er vanzelfsprekend niets aan af, dat hun immateriële schade nauwelijks te becijferen is.
Column, de productiemaatschappij van Theo van Gogh, heeft zich gevoegd. Een medeaandeelhouder en het creatief boegbeeld is er voor hen niet meer. Column voegt zich in dit proces echter alleen voor de kosten van de begrafenis. De rechtbank en verdediging zijn deze kosten van lijkbezorging bekend. De hoogte van deze vordering vind ik billijk, zeker gelet op de omstandigheden van het slachtoffer. Het zijn ook kosten die binnen strafvordering verhaalbaar zijn. (Tekst en Commentaar bij art. 51a Sv., aantekening 3).
Ook alle politieagenten die door verdachte zijn beschoten en bedreigd hebben een vordering ingebracht: G. en G05 voor € 3500 en de overige negen politieagenten voor € 3000. Alle vorderingen zijn van immateriële aard en ze zijn overtuigend onderbouwd. Niet alleen door de ingediende schriftelijke slachtofferverklaringen, maar ook nog nader gemotiveerd door een medewerker slachtofferhulp van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Voor de politiemensen gaat het vooral om de enorme doodsangst die de verdachte bij hen heeft teweeggebracht. Ik vind alle vorderingen voor toewijzing vatbaar.
Als laatste de burgerslachtoffers. De vordering van de man valt uiteen in een deel zakelijke schade en een deel immateriële schade. Duidelijk is dat de kleding van de man was doorschoten en/of doordrenkt van bloed. Ook zijn immateriële deel is goed gemotiveerd. Hij heeft ook behoorlijk last gehad van zijn schotwond. Ook zijn vordering lijkt mij billijk en voor directe toewijzing vatbaar. Het vrouwelijk slachtoffer sluit deze rij. Haar directe zaaksschade is helder. De foto van haar schoen zit in het dossier. Een schoen die onbruikbaar is geworden omdat die is geperforeerd door een kogel. Hoewel een bon ontbreekt, kan de rechtbank daar een redelijk bedrag voor toekennen. De vordering immateriële schade lijkt mij aan de hoge kant. Dit is ook medegedeeld aan het slachtoffer. Ik vind een bedrag van € 1000 redelijk.
Tot slot vorder ik dat de rechtbank ten aanzien van al deze vorderingen tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen met de passende vervangende hechtenis. Op de overheid rust de inspanningsverplichting om de bedragen voor de slachtoffers bij verdachte te innen.
19. Strafmaatoverwegingen
De overwegingen voor de strafmaat. De persoon van de verdachte. En vanzelfsprekend gaat het om de ernst van de misdrijven. De omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd spelen een bijzondere rol. Bij zowel bij de ernst als de persoon. De terroristische context beheerst de hele strafzaak.
Anders dan gebruikelijk start ik met de persoon van de verdachte. Juist door zijn ideologische gedachtegoed ben ik genoodzaakt om uitgebreid aandacht aan zijn persoon te besteden. Ook omdat hij geweigerd heeft daar zelf inzicht in te geven. Toch wil iedereen het weten. Wie is die man, die het land zo op zijn kop heeft gezet? Die zo veel mensen bang heeft gemaakt, die terrorist.
Bij zo vreselijke misdrijven als deze vind ik het belangrijk dat de nadruk komt te liggen op de ernst. Daarom behandel ik deze als laatste, gevolgd door een aantal overwegingen over het doel van de straf.
Ik begin met de persoon.
20. De persoon van de verdachte
Na een vers uit de Koran begint de verdachte de afscheidsbrief, gericht aan zijn vader, tante, broertje en zusters als volgt, ik citeer:
"Het is jullie niet ontgaan dat ik sinds het overlijden van mijn moeder veranderd ben. Ik heb sinds haar overlijden een zoektocht ondernomen om de Waarheid te achterhalen ... ... dat Allah mij heeft geleidt naar Zijn Waarheid. Ik heb vaak naar manieren gezocht om jullie op de Waarheid te wijzen, maar op de één of de andere was er steeds of er een muur tussen ons stond. Een deel leg ik ook bij mij zelf, ik heb niet altijd correct en wijs gehandeld om jullie uit te nodigen naar de Waarheid. Desalniettemin wil ik wijzen op dwaling en jullie duidelijk maken dat jullie berouw dienen te tonen en een zoektocht moeten beginnen bij het achterhalen naar de Waarheid. Allah heeft elke ziel verantwoordelijk gehouden voor haar dwaling ... ... Ik laat jullie mijn "werkjes" achter zodat jullie in ieder geval weten in welke richting jullie moeten zoeken".
De verdachte ging er van uit dat dit de laatste brief was die hij aan zijn familie kon schrijven. De brief geeft een kenmerkend beeld van de verdachte zoals hij nu is. Je zou verwachten dat een jonge man van zesentwintig jaar, die verwacht dat hij zal gaan sterven, in zijn laatste brief aan zijn vader, stiefmoeder, broer en zusjes een heel persoonlijke boodschap zou meegeven. De drang van de verdachte om zijn beeld van de Islam uit te dragen, zijn negatieve, extremistische en gewelddadige visie op de Koran en de Islam, is groter dan de behoefte om iets persoonlijks aan zijn familie mee te geven.
Dat geldt ook voor zijn laatste wilsbeschikking voor zijn familie en allen die na hem leven. Hij begint met een anderhalve pagina lange aanwijzing dat zij moeten streven om een oprecht moslim te zijn en dat zij moeten gehoorzamen en vasthouden aan Shariah. De inhoud en de strekking van de artikelen die hij nalaat, heb ik al eerder beschreven.
In vrijwel alle gesprekken met zijn broer Hassan wijst hij zijn broer op een soms zeer dwingende manier op het geloof, het belang om het geloof te blijven belijden. Hij zegt zijn broer Hassan dat hij bepaalde boeken moet lezen, moet letten op bepaalde passages. In het volgende gesprek wordt aan Hassan gevraagd of hij het wel gelezen heeft en of hij het wel goed gelezen heeft. Hassan wordt overhoord. Pas in de latere gesprekken met zijn broer lijkt de persoonlijke relatie tussen beiden iets belangrijker dan het geloof.
De verdachte groeit op als tweede in een gezin met één oudere en vijf jongere zusters en één jonger broertje. Curieus nogmaals is dat hij de eerste 7,5 jaar van zijn leven heeft gewoond op de Domselaerstraat, vrijwel om de hoek waar hij Theo van Gogh heeft vermoord.
Over zijn persoonlijk leven zijn we weinig te weten gekomen. Al zijn gezinsleden hebben geweigerd om met de politie te praten.
De gebroeders Be., Mohammed Bouh. en Mimoen B. praten wel. De laatste twee zijn wat verdere familieleden van de verdachte. Zij beschrijven een westers georiënteerde jongen, die dronk, rookte, blowde en vriendinnen had. Hij wordt in het algemeen beschreven als een rustige, bedachtzame jongeman. Volgens de getuige Ba. was de verdachte op school een voorbeeldleerling die heel secuur en gedisciplineerd was. In 1995 heeft hij op 17-jarige leeftijd het eindexamen van de HAVO gehaald. Tot april 2003 heeft hij ingeschreven gestaan aan de Hogeschool Holland. Met in het begin nog wel enkele redelijke studieresultaten. Na 2000 is hij alleen nog maar geslaagd voor de eerste periode sociaal-pedagogische hulpverlening. De eerste helft van 2001 heeft hij gewerkt als portier bij een verzorgingstehuis. Verder heeft hij via een uitzendbureau één dag gewerkt; als stagiaire bij een accountantskantoor één maand. De laatste drie jaar voor zijn aanhouding in november 2004 heeft de verdachte geleefd van een bijstanduitkering van de Sociale Dienst.
Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte gedurende enige tijd activiteiten voor jongeren heeft georganiseerd in het kader van de stichting Eigenwijks. Samen met de getuige F. (GET 11.2) fungeerde de verdachte als leider van de jongeren. Volgens de medewerkers van de stichting was hij actief en behulpzaam in de begeleiding van de jongeren. Hij was intelligent en had een groot aandeel in een projectplan dat door de werkgroep werd geschreven. Volgens Be. (GET 11.1) begon de verdachte zich tegen de maatschappij te keren nadat hij een tijdje in de gevangenis had gezeten en kort daarna zijn moeder overleed. Hij brak zijn studie af en liet zijn baard staan. De verdachte is in de periode na zijn moeders dood veranderd, aldus F.. Hij was meer in zichzelf gekeerd. De andere Be. (GET 11.5) is ook actief is geweest in de stichting Eigenwijks. Hij beschrijft de actieve rol van de verdachte bij de stichting. In de periode 2001-2002 begon de verdachte te veranderen, ik citeer:
"De eerste dingen die mij opvielen was dat hij stopte met roken en drinken. Ook liet hij zijn baard staan. Hij ging toen veel naar de moskee, terwijl hij voor de dood van zijn moeder bijna nooit naar de moskee ging. Hij sprak mij ook wel eens aan op het feit dat ik rookte. Dat zou volgens hem niet mogen van de Islam. Ik merkte dat de jongens in de buurt dat niet leuk vonden en wegliepen als hij weer met een preek begon.......Het leek erop alsof hij zichzelf helemaal had gevonden in de godsdienst."
Mohammed kreeg op een gegeven moment moeite met het schenken van alcohol en het werken met vrouwen, aldus Ba. (GET 11.14). Wij hebben hem na enkele gesprekken toen ook uiteindelijk geadviseerd om bij Eigenwijks weg te gaan, wat hij vervolgens ook heeft gedaan.
Twee medewerkers van de stichting Eigenwijks (GET 11.11) vertellen:
" Zo scheerde hij zijn hoofd kaal, liet een klein baardje staan en werd in privé-tijd wel eens in een Djellaba gezien. Hij kwam hier duidelijk voor uit en vertelde de mensen ook te willen leven als profeet......B. ging wel eens hardop in het kantoortje bidden, terwijl daarnaast in een ander kantoor mensen zaten de vergaderen. Bovendien wilde B. liever geen alcohol schenken bij recepties, zo had hij bij de stichting aangegeven. Na verloop van tijd wilde hij echter ook geen alcohol meer inkopen en weigerde hij zelfs in dezelfde ruimte te verblijven als waar alcohol aanwezig was. In de zomer van 2003 gaf hij aan het niet goed te vinden dat vrouwen en mannen in dezelfde ruimte verbleven. B. is achteraf nog wel eens gevraagd wanneer hij naar de Islam is getrokken. B. antwoordde hierop dat hij in de gevangenis meer is gaan lezen en zich meer is gaan verdiepen in de koran."
Dit moet een cruciale periode voor de verdachte zijn geweest. Een periode waarin hij veranderde van een gewone, ogenschijnlijk goed geïntegreerde jongen van Marokkaanse komaf tot de man die op 2 november vanuit een extreem gewelddadige godsdienstbeleving Theo van Gogh heeft vermoord. Wat die ontwikkeling in gang heeft gezet is niet duidelijk. Zowel het overlijden van zijn moeder worden genoemd als de periode van 2,5 maand detentie in de zomer van 2001. Ook andere oorzaken kunnen hier aan hebben bijgedragen. De verdachte zelf heeft hierover geen verklaring willen afleggen. Noch is hij bereid geweest om met de medewerkers van het Pieter Baan Centrum te spreken. Welbewust heeft hij elk onderzoek gefrustreerd. Niet alleen door te zwijgen. Ook door zijn broer opdracht te geven tegen zijn vrienden te zeggen dat zij hun mond moesten houden en niets mogen zeggen (zesde OVC-gesprek d.d. 25-02-2005, bladzijde 18169). Wat nu ten grondslag ligt aan deze opmerkelijke verandering in opvattingen en gedrag is niet duidelijk geworden.
In augustus 2002 komen in een document van de verdachte "normen en waarden" (DSK 2, 3e artikel) voor het eerst de religieuze opvattingen van de verdachte bovendrijven. Hij heeft dan nog universele normen en waarden die berusten op het principe "behandel ‘n ander zoals je zelf behandeld wilt worden". Naar een oud spreekwoord: "Wat gij niet wilt dat u geschiedt doet dat ook een ander niet." Een principe dat de verdachte inmiddels ruimschoots achter zich heeft gelaten.
De verdachte ontwikkelt zich vervolgens in een viertal stappen, aldus de deskundige Peters.
* In februari 2003 verwerpt hij de westerse waarden en normen;
* In oktober 2003 het westerse democratische staatsbestel en rechtsstelsel;
* In maart 2004 doet hij een globale oproep tot gewapende Jihad tegen de democratie;
* In de laatste periode voor november 2004 roept hij op tot geweld tegen personen die de Islam of de profeet Mohammed beledigd hebben.
Dit brengt ons naar het moment van nu. Ik zal proberen aan de hand van de stukken in het dossier een beschrijving te geven van de persoon van de verdachte zoals hij nu is.
De medewerkers van het Pieter Baan Centrum hebben de verdachte nauwelijks horen praten. Zeker de rapporterend psychiater en psycholoog niet. Beide rapporteurs hebben de verdachte arrogant en neerbuigend ervaren. De manier waarop de verdachte duidelijk maakte dat hij weigerde aan een rapportage mee te werken was weinig subtiel. Hij draait zich om, doet zijn oordopjes in en luistert naar een cd met Arabisch klinkende muziek. De rapporteurs hebben de indruk dat de verdachte zich niet verwaardigt om met hen te spreken. Zij zijn lucht voor hem. Hij kan niet het respect opbrengen de normale menselijke omgangsvormen in acht te nemen. De verdachte negeert hen volkomen.
Met andere medewerkers van het Pieter Baan Centrum heeft de verdachte wel enig contact. Geconfronteerd met een opmerking dat hij zijn best niet doet om zich in de ander te verplaatsen zegt de verdachte: "Dat klopt, dat komt omdat ik de waarheid heb en jij een leugenaar bent". De verdachte geeft ook aan dat hij nooit met mensen kan leven die niet in de waarheid geloven: "Dat kan ook niet, want ik weet wat de waarheid is". De verdachte toont bewust geen respect voor elke andere manier van denken dan de zijne. Dat zegt hij ook zelf.
Het rapport van het Pieter Baan Centrum laat zien dat de verdachte in geen enkel opzicht afstand heeft genomen van het gedachtegoed dat hem gedreven heeft tot de moord op Theo van Gogh: er is slechts één absolute waarheid en dat is zijn waarheid van Allah. Wie die waarheid niet erkent is het niet waard om te leven. Dit blijkt nog eens duidelijk uit een verhaal van de verdachte. Hij vertelt dit verhaal aan een groepsleider van het PBC en – op een ander moment – aan zijn broer Hassan (tweede OVC-gesprek d.d. 17-02-2005, bladzijde 18133 en 18134). In dit verhaal komen Mozes en de profeet aan op een strand en zien daar een jongetje spelen. De profeet pakt een steen, gooit deze naar het jongetje en bijt het jongetje vervolgens dood. Mozes wordt boos op de profeet. Het doden van het kind is volgens de profeet gerechtvaardigd omdat de profeet hiermee diens ouders behoedt voor een wellicht ongelovige zoon, aldus de verdachte. Hoewel het niet acceptabel is een kind te doden, is het toch gerechtvaardigd, omdat het een bevel van Allah is. In zijn gesprek met Hassan noemt de verdachte dit een paradox. Ook al begrijpen we het niet met ons hoofd of vinden wij het niet goed met ons hart, toch is goed, want het is een bevel van Allah.
Een waarde als "iemand de andere wang toe keren" is aan de verdachte niet besteedt. Volgens de verdachte zegt de Islam "als je een klap krijgt geef je een dreun terug" (bladzijde 28 PBC-rapport).
Verder is Bin Laden onschuldig, want hij doet precies wat de Shariah zegt (vijfde OVC-gesprek d.d. 11-02-2005, bladzijde 18159),
de politie zijn vieze honden (derde OVC-gesprek d.d. 19-01-2005, bladzijde 18140)
en ook de Imams zijn vieze honden en kankerlijers (achtste OVC-gesprek d.d. 04-05-2005, bladzijde 18214).
In het derde gesprek met Hassan (d.d. 20-01-2005, bladzijde 18138) herhaalt de verdachte zijn dreiging naar Hirsi Ali: "Wens de dood als je waarachtig bent, en wens nooit aardse zaken. Allah weet wat er in de harten gaande is, dus wens haar de dood. Allah weet de onrechtplegers ... ... dus Allah heeft gelijk".
Zelfs zijn broederliefde wordt alleen door de Islam bepaald:
"Ik hou van jou omdat Allah dat van mij eist, niet omdat wij een bloedband hebben of omdat wij ... ... mensen ... ... zijn of omdat we geld hebben of omdat we samen kunnen lachen." zegt de verdachte tegen zijn broer.
Een zekere mate van kinderlijke hypocrisie kan de verdachte niet worden ontzegd. Als hij net op het Pieter Baan Centrum is, wordt aan hem gevraagd of hij iets wil eten of drinken. "Nee ik hoef niets, ik ben aan het vasten" is zijn antwoord. Later blijkt dat hij vanuit het Huis van Bewaring een voorraad snoepgoed en koek heeft meegenomen. Ook heeft een medegedetineerde hem stiekem in zijn cel voorzien van een maaltijd die hij met zijn handen opschrokte.
De moord op Theo van Gogh is een laffe moord. De verdachte heeft bewust voor een weerloos slachtoffer gekozen.
"Gezien de door hem geschreven brieven heeft B. verschillende acties overwogen (moord op Aboutaleb, op Hirsi Ali of op Wilders of ongerichte terroristische aanslagen tegen Nederlanders). Uiteindelijk heeft B. zonder voorafgaande waarschuwing Van Gogh vermoord." Dit schrijft de deskundige Peters aan het slot van zijn rapport. Inderdaad. Uiteindelijk heeft de verdachte Theo van Gogh vermoord, een weerloos, onbeveiligd slachtoffer die elke dag op ongeveer dezelfde tijd zijn vaste route fietste van huis naar werk. Onbewapend en onbeveiligd en zich een beetje onkwetsbaar achtend "omdat hij nu eenmaal de dorpsgek was". Theo van Gogh was een makkelijk slachtoffer van een laffe moord.
Wat valt er nog meer over de verdachte te zeggen? Het is moeilijk om een genuanceerd beeld van de verdachte te geven. Relevante documentatie heeft de verdachte niet, maar wat ervan bekend is maakt duidelijk dat de verdachte verteerd wordt door een nietsontziende haat tegen alles dat niet strookt met zijn ideeën: "Ik maak je dood", "Ik ruk je hart eruit", "Ik haat jullie, ik haat jullie en ik heb duizend en een redenen om jullie te haten" waren uitlatingen van hem tegen een beveiligingsmedewerker en politieambtenaren bij eerdere politiecontacten.
Een nietsontziende haat die hem ook wordt ingegeven door zijn zogenaamd "zuivere" interpretatie van de Islam: "Ik haat iedereen die niet denkt zoals ik".
Aan zijn medegedetineerde A. in het Pieter Baan Centrum vraagt de verdachte of deze radicale dingen wilde gaan doen, zoals iemand doden voor het geloof. Als A. dan nee zegt, zegt de verdachte hij geen goede Moslim is (GET 11.15).
Met betrekking tot de vraag of geloofsbeleving van de verdachte, de haat, waar deze ook uit voortkomt, van enige invloed is op zijn toerekenbaarheid is het Pieter Baan Centrum duidelijk. Ik citeer:
"Er zijn zodoende geen gronden voor enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Omdat er geen gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens -nu of ten tijde van de tenlastegelegde feiten- aantoonbaar is, kan er vanuit gedragskundig oogpunt geen uitspraak worden gedaan over kans op herhaling van vergelijkbare feiten als thans tenlastegelegd. Er is immers geen aantoonbare pathologie die betrokkene zijn vermogen aantast om keuzes en (morele) afwegingen te maken, de wederrechtelijkheid van bepaald gedrag in te zien, en zijn wil daaromtrent in vrijheid te bepalen........beantwoording van de vraag of betrokken zijn religieuze fundamentalistische overtuiging een rol zal spelen bij een eventuele kans op herhaling valt buiten de competentie van het onderzoekend team."
De verdachte staat hier alleen terecht voor wat hij op 2 november heeft gedaan. Niet voor het lidmaatschap van de terroristische organisatie bekend onder de naam Hofstadgroep. Daarvan bevinden zich ook nauwelijks stukken in het dossier. De verdachte is geen meeloper. Integendeel. En al helemaal geen randfiguur. Bij hem thuis worden zogenaamde huiskamerbijeenkomsten gehouden, onder meer met de geestelijk leider van de groep, Al I.. Die slaapt ook bij hem. Dat blijkt uit de verklaringen van de verdachten uit het onderzoek Arles. Ook is de verdachte de belangrijkste schrijver van religieuze, fundamentalistische en terroristische documenten. Zijn geschriften vinden gretig aftrek bij de leden van de Hofstadgroep. Ik verwijs naar de bijlage bij het overzicht van de 57 documenten van de verdachte (DSK 2). Daar blijkt uit dat de stukken die de verdachte heeft gemaakt of vertaald, op vele computers van de verdachten van de Hofstadgroep zijn aangetroffen. Dat maakt de verdachte tot een zeer belangrijk lid van deze groep. Misschien geen leider, maar zeker een belangrijk inspirator.
Nog twee korte opmerkingen. De verdachte had op 2 november een walkman met een cassettebandje bij zich. Daar stonden religieuze teksten op. De deskundige Peters heeft er naar gekeken. Hij concludeert dat noch de inhoud, noch de manier van reciteren bijzonder is.
Ook is onderzocht of de verdachte op 2 november 2004 wellicht onder invloed verkeerde van enig verdovend of ander geestbeïnvloedend middel. Het antwoord hierop is negatief (NFI 17). Aantoonbaar was slechts dat de verdachte tevoren koffie, thee of cola had gedronken.
De conclusie van het Openbaar Ministerie is duidelijk. Ik houd de verdachte verantwoordelijk voor de moord op Theo van Gogh, het schieten op politiemensen en omstanders en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali. Deze misdrijven kunnen hem ook ten volle worden toegerekend. De persoon van de verdachte zoals deze uit alle stukken naar voren komt leveren geen indicatie op voor strafvermindering. Integendeel. Mijn inschatting van het herhalingsgevaar bespreek ik zo direct bij de overwegingen over het doel van de straf.
21. De ernst van de feiten
De ernst van de feiten.
De verdachte heeft Theo van Gogh vermoord. Niet door een kil schot, maar door een bijna rituele slachting met vijftien kogels, een kromzwaard en een mes. Een moord die de maatschappij diep heeft geschokt. De verdachte heeft bewust aanvaard dat hij omstanders zou treffen. Twee van hen zijn ook getroffen. Ook heeft hij op politiemensen geschoten. Gericht geschoten. En tenslotte heeft hij het onmogelijk gemaakt dat Hirsi Ali gedurende langere tijd haar werk als kamerlid kon uitoefenen. Hij heeft haar zeer ernstig met het leven bedreigd. Met deze misdrijven heeft de verdachte vele mensen angstig willen maken en is daar ook in geslaagd. Dit moest het begin zijn van het einde van de Nederlandse democratie. Dat wilde hij.
De verdachte heeft onvoorstelbaar verdriet aangedaan aan de familie en vrienden van Theo van Gogh. Lieuwe van Gogh is zijn vader kwijt, een bijzondere vader om tegen op te kijken en van te houden. Vader en moeder Van Gogh, de zusjes Jantine en Josien hebben hun zoon en broer, van wie zij intens veel hielden, verloren. Een hechte familieband kapotgeschoten. En ook bij de moeder van Lieuwe is het verdriet nog intens aanwezig. Kort voor 2 november was Lieuwe nog met zijn beide ouders op vakantie in New York. Dit zal één van de laatste mooie herinneringen van hen aan Theo van Gogh zijn.
Voor allen geldt dat zij voortdurend aan die noodlottige 2e november worden herinnerd. Talloze malen hebben zij op de televisie het weerloze lichaam van Theo van Gogh op de Linnaeusstraat zien liggen. Bijna elke dag is er wel iets op radio, televisie of in de krant waarin gerefereerd wordt aan die 2e november. En ook die publiciteit heeft de verdachte veroorzaakt. Hij moet hebben beseft dat de moord op Theo van Gogh, op deze manier, een enorme hoeveelheid publiciteit zou genereren en dat de dreun nog lang zou naklinken. Hiermee maakt hij het de nabestaanden van Theo van Gogh onmogelijk om op een acceptabele manier het verlies te verwerken.
Vele anderen hebben getreurd, treuren nog om het verlies van Theo van Gogh: zijn acteurs en actrices met wie hij een persoonlijke band opbouwde, alle medewerkers van de productiemaatschappij van Column, waar Theo van Gogh een centrale figuur was. En de vele collega’s en vrienden die in Theo van Gogh een bijzondere vriend hebben gehad. Voor iedereen is zijn dood onverteerbaar.
De twee burgerslachtoffers. Het is een wonder dat het bij twee omstanders is gebleven. Van de vrouw weten wij alleen dat zij in de hak van een schoen is getroffen, een aantal weken pijn heeft gehad aan haar hiel. De man is in zijn bovenbeen geraakt. Daar heeft hij nog geregeld last van. Hij is twee maanden thuis geweest om te herstellen. Ook om van de geestelijke klap bij te komen. Ook beide burgerslachtoffers zijn door de voortdurende aandacht in de media onvoldoende aan de verwerking van hun leed toegekomen.
Vergeet niet de gevolgen van de schietpartij op de Mauritskade voor de agenten die daarbij betrokken waren. Alle 11 agenten hebben op een zeer persoonlijke manier in hun slachtofferverklaring beschreven wat hen is overkomen; wat voor hen de gevolgen zijn geweest. Alle agenten hebben in meer of mindere mate psychische problemen ondervonden. Machteloosheid, angsten, huilbuien, verdriet, geheugenverlies, min of meer langdurige vermoeidheid en concentratieverlies worden door velen van hen genoemd. Bijna alle betrokkenen hebben geleden aan slapeloosheid, dromen, nachtmerries. Alle agenten hebben de beelden van het schieten en de bedreiging nog vele malen afgedraaid. Soms heel bewust, meestal zonder dat ze dit zelf wilden. De gebeurtenissen hebben soms een grote impact gehad op hun privé-leven en hun leven als politieambtenaar. Wat hen is overkomen heeft vaak geleid tot angst en verdriet, niet alleen bij henzelf maar ook bij partners, kinderen en ouders. Alle agenten spreken hun terechte boosheid uit: "Niemand wordt betaald om beschoten te worden", aldus G04 "het beschoten worden heeft een impact waar je niet op getraind kan worden", aldus Marcel G., die gered werd door zijn kogelwerend vest. Hij heeft ook daadwerkelijk letsel opgelopen en ondervindt nog steeds fysieke problemen van de beschieting. Evenals een aantal andere politiemensen klaagt hij ook over gehoorbeschadiging. Meer dan de helft van de betrokkenen heeft noodgedwongen ziekteverlof gehad. Twee van hen werken niet tot op de dag van vandaag. Alle agenten zijn zich ervan bewust dat hun beroep risico’s met zich brengt. Maar dienen als schietschijf, dienen als instrument voor een geënsceneerde zelfmoord, heeft daar niets mee te maken. Dat gaat veel en veel te ver.
Ook hiermee zult u bij het opleggen van de straf rekening moeten houden.
Tot slot heeft ook het kamerlid Ayaan Hirsi Ali heeft in haar verklaring duidelijk aangegeven dat de bedreiging en het leven in de hoogste graad van beveiliging haar psychisch en lichamelijk leed heeft veroorzaakt. Zelf gaat zij daar omwille van haar privacy niet verder op in. Een leven met zo weinig vrijheid en voortdurend een aantal alerte bewakers om je heen, een leven waarin je weet dat er voortdurend anderen zijn die plannen maken om jou te vermoorden, kan niemand onberoerd laten. Dit is een bijzonder ernstige aantasting is van je persoonlijke vrijheid. Niet alleen van je vrijheid in de uitoefening van het beroep, maar op zijn minst even ernstig in je privé-leven.
In het begin van mijn requisitoir besprak ik het doel van het terroristisch oogmerk bij delicten waar al levenslang op staat. Dit oogmerk kan onder meer van invloed zijn op de hoogte van de op te leggen straf. Bewezen misdrijven, gepleegd met terroristisch oogmerk verdienen hoger te worden gestraft dan indien zij zonder terroristisch oogmerk zouden zijn gepleegd. Een logische vingerwijzing naar OM en rechter. In deze zaak neem ik dat zeer serieus. Het terroristisch oogmerk bepaalt in hoge mate het karakter van deze strafzaak. Bij het formuleren van de eis houd ik daar rekening mee.
Met de moord op Theo van Gogh heeft de verdachte diens stem uit de samenleving gerukt. Dat was ook zijn bedoeling.
"If liberty means anything at all, it means the right to tell people what they do not want to hear". Dat schreef George Orwell in de vorige eeuw in zijn geschrift ‘Notes on nationalism’. Vrijheid van meningsuiting. Een grondrecht dat in de Nederlandse maatschappij ruim baan krijgt. Imam El Moumni, die in mei 2001 in het programma NOVA homoseksualiteit schadelijk voor de Nederlandse samenleving noemt en een besmettelijke ziekte, wordt na vervolging vrijgesproken. Ook het Tweede Kamerlid Van Dijke, die in 1996 homoseksuelen gelijk stelt aan dieven en fraudeurs wordt in hoger beroep vrijgesproken. Imams die in 2002 naar Nederlandse maatstaven kwetsende opmerkingen maken over de positie van de vrouw worden niet eens vervolgd. Uitlatingen van Hirsi Ali In 2002 over de Islam en de profeet Mohammed waren aanleiding voor vele aangiftes en klachten. Die leidden echter niet tot vervolging. De ruimte voor de vrijheid van meningsuiting wordt juridisch eigenlijk alleen beperkt door harde strafbepalingen: beledigen, bedreigen, haatzaaien.
Mevrouw van Gogh zei het gisteren al: in ons land konden ooit dissidente schrijvers als Voltaire, Moliëre, Victor Hugo en Jonathan Swift worden uitgegeven, omdat dat in hun land niet kon. Dat is iets om trots op te zijn. Dat iets om nooit kwijt te raken.
Het debat over de vrijheid van meningsuiting wordt gevoerd aan de hand van twee maatstaven: de juridische en de maatschappelijke. Geeft de rechtspraak alle ruimte aan ieder die zijn mening wil verkondigen, vriendelijk, kwetsend of choquerend, maatschappelijk ligt dat wat anders. Het getuigt van wijs beleid dat ambtsdragers, geestelijken, politici en andere personen met een maatschappelijke voorbeeldfunctie voorzichtig zijn met kritiek op godsdiensten of levensbeschouwelijke opvattingen. Ook dat zij zich onthouden van onnodig kwetsende of polariserende stellingnames.
Uitdrukkelijk geldt dit niet voor de Van Gogh’s in onze samenleving. Als opiniemaker, onruststoker, smaakmaker, waakhond dienen zij ten volle gebruik te kunnen maken van de ruimte die de rechtspraak in Nederland hen geeft, ook als zij het maatschappelijk debat niet altijd vooruit helpen. Wie het niet eens is, moet zich laten horen. Voor iedereen geldt wat staat in de regeringsnota "grondrechten in een pluriforme samenleving" (TK 2003-2004 29614, nummer 2): " In een open en pluriforme samenleving mag bij alle partijen in debat verantwoordelijkheid en weerbaarheid worden verondersteld." Einde citaat. Het is duidelijk dat harde, soms kwetsende en soms zelfs beledigende uitlatingen van commentatoren of columnisten niet altijd een positieve bijdrage leveren aan een verantwoord debat over bijvoorbeeld de integratie. Dat hindert de overheid. Maar veel erger, onverdraagbaar is een impliciete of expliciete beknotting van de vrijheid van meningsuiting. Met name de overheid moet zich aangesproken voelen door het veel geciteerde maar daarom niet minder mooie: "I disapprove of what you say, but I will defend to the death your right to say it" (Evelyn Beatrice Hall in The friends of Voltaire, 1906).
De moord op Theo van Gogh heeft de Nederlandse samenleving diep geraakt. De bedreiging van het kamerlid Hirsi Ali was een direct gevolg van de manier waarop de moord is gepleegd. Deze bedreiging van een gekozen volksvertegenwoordigster raakt het hart van onze democratie. De moord op een controversiële columnist met het gedwongen vertrek van een evenzeer spraakmakend lid van het parlement – ook al was dat tijdelijk - is een aanslag op de onze samenleving.
Het is de kracht van onze samenleving dat wij hierin, ongeacht afkomst of religie, samen kunnen functioneren. Ons land kent vele vrijheden, die ons lief zijn. Met zijn daden heeft de verdachte dit alles op het spel gezet.
Nederland heeft zijn onschuld verloren. Ons land blijkt ineens doelwit van het internationaal terrorisme. Ik citeer: "Het kan niemand in Europa onberoerd laten: de moord op Theo van Gogh, de opschudding erdoor in Nederland, de talloze branden die volgden in moskeeën, in Islamitische scholen en kerken; de jacht die in Nederland is geopend op terroristen." Dit schrijft de Franse hoogleraar Esther Benbassa in de Libération op 30 november 2004.
Er zijn mensen in onze vrije samenleving die vanuit een terroristisch vijandbeeld streven naar de vernietiging van onze democratische maatschappij. Zij zijn bereid om extreem geweld te gebruiken, slachtoffers te maken, om de essentiële waarden van de Nederlandse rechtstaat rücksichtslos te vernietigen. Een rechtstaat, waarbinnen burgers met uiteenlopende achtergronden zich veilig voelen; die oproept tot en ruimte geeft aan kritisch bewustzijn en uitingen daarvan verwelkomt. Een rechtstaat die tegen een stootje kan, die burgers uitnodigt, prikkelt en samenbindt.
De verdachte heeft de Nederlandse burger gewaarschuwd dat onze rechtsstaat is in gevaar is. De verdachte was de eerste boodschapper. Hij voert een Jihad. Een Jihad in Nederland. Het is dit besef, het besef dat na 2 november 2004 het terrorisme een reële dreiging is in onze samenleving, dat de burger het meest heeft geschokt. Dit maakt de moord op Theo van Gogh, de wijze waarop deze is gepleegd en alle andere misdrijven die de verdachte in verband hiermee heeft gepleegd, tot een uitzonderlijk ernstige daad.
22. Het doel van de straf
De straf die aan de verdachte moet worden opgelegd dient een doel te hebben. Het eerste en voor velen misschien wel meest voor de hand liggende doel is de vergelding. Vergelding niet in de zin van oog om oog, tand om tand. De straf moet tegemoet komen aan de gevoelens van intens verdriet en boosheid. Van de slachtoffers, maar ook van de maatschappij. De verdachte heeft niet alleen Theo van Gogh willen treffen. Ook zijn nabestaanden, zijn vrienden en bewonderaars, de politiemensen die tegen hun wil bij het schietincident betrokken waren, Ayaan Hirsi Ali, onze volksvertegenwoordigers, de hele Nederlandse maatschappij. Hij heeft zoveel mogelijk mensen willen schokken, bang willen maken en is daarin ook deels geslaagd.
De straf zal ook moeten meewerken aan het voorkomen van eigenrichting. In de eerste twee weken na de moord op Theo van Gogh is er in twaalf moskeeën brand gesticht, of zijn ze beklad, besmeurd of zijn vernielingen aangericht. Brandstichting vond plaats bij twee Islamitische en één katholieke school. Ook zijn er vernielingen aangericht bij vijf kerken en het Marokkaanse consulaat is besmeurd. Een dieptepunt in ons land. Een onaanvaardbare aantasting van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienstuitoefening. Natuurlijk is de verdachte hiervoor niet in zijn eentje verantwoordelijk. Met zijn terroristische aanslag heeft hij wel de aanzet hiertoe gegeven. In de strafprocessen die zijn gevolgd op de aanvallen op moskeeën en scholen hebben mijn collega’s hun verdachten al duidelijk gemaakt dat zij het recht niet in eigen handen mogen nemen. De straf in deze zaak zal er toe moeten bijdragen dat de Nederlandse burger de overtuiging heeft dat daar ook geen enkele reden toe is.
In het verlengde van de voorkoming van eigenrichting ligt de visie van de Groningse hoogleraar Vrij. Hij is van oordeel dat het strafrecht ook een instrument is voor een doelmatige en rechtvaardige criminele politiek. Elk misdrijf veroorzaakt, populair gezegd, een deuk in de rechtsstaat. Het strafrecht en de straf moeten helpen om deze deuk weer glad te strijken. In dit verband spreken we over een proces van pacificering. Het valt niet te ontkennen dat de verdachte op 2 november aan de Nederlandse rechtstaat een slag heeft toegebracht die nog steeds voelbaar is. Het herstel verloopt langzaam en moeizaam. Het vonnis in deze zaak kan aan dat herstel bijdragen. Het vonnis kan er aan meewerken dat er weer een sfeer van rust komt; een sfeer waarin het publieke debat over integratie gevoerd kan worden op basis van rationele argumenten, niet op basis emotionele sentimenten. Ik ben mij ervan bewust dat dit op dit moment slechts ten dele kan lukken. In Rotterdam wordt nog het proces gevoerd tegen de leden van de zogenaamde Hofstadgroep. De afschuwelijke aanslagen in Londen vorige week maken duidelijk dat ook na vandaag er nog steeds sprake is van Islam-geörienteerd terrorisme. Toch hoop ik dat de afdoening van deze strafzaak kan bijdragen aan het weerkeren van de rust in de maatschappij.
Generale preventie. Een strafdoel dat in deze zaak er uit springt.
De moord op Theo van Gogh heeft ook allochtonen in Nederland geen goed gedaan. Tegenstellingen zijn verscherpt. Dat was te horen in zowel het politieke als het publieke debat. In een recent rapport van de Gemeente Amsterdam naar de interculturele verhoudingen op Amsterdamse scholen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs wordt geconstateerd dat er een toenemende anti-Nederlandse/westerse stemming heerst. Deze stemming is niet zozeer gericht tegen medeleerlingen maar vooral tegen het systeem. Tegen Nederlandse vrijheden als "bloot op de tv" en "vrijheid van kritiek op godsdienst". Uitspraken van politici en journalisten hebben hier aan bijgedragen, aldus het rapport. De belangrijkste oorzaak is echter te vinden in de moord op Theo van Gogh en de reacties daarop vanuit de samenleving. Allochtone kinderen voelen een toenemende vervreemding van alles; zij vluchten voor de door hen als onveilig ervaren maatschappij.
Dit zijn verontrustende ontwikkelingen. Op 25 maart van dit jaar verscheen de nota "Weerbaarheid tegen Radicalisering van moslimjongeren" van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Hierin staat dat het aantal jongeren dat zich daadwerkelijk aansluit bij radicale groepen gering is. Veel groter is het aantal jonge moslims dat welwillend staat tegenover de boodschap van de radicale Islam. Ook veel groter is het aantal moslims dat begrip kan opbrengen voor destructieve acties van moslimradicalen. Voorkomen moet worden, aldus het rapport, dat jongeren uit de laatste twee groepen zich gaan aansluiten bij radicale groepen die bereid zijn tot terroristische acties.
Het vonnis en de straf zullen hier aan moeten bijdragen.
Generale preventie dus.
De verdachte brengt een boodschap van haat en geweld. Hij streeft naar een afschaffing van de democratie. Hij preekt dat elke andersdenkende gedood mag worden; dat degene die zijn profeet beledigt, gedood moet worden. Recht en rechtbanken bestaan niet meer, slechts het goddelijk woord van Allah, uitgesproken door de hoogste geestelijk leider, bepaalt wat recht en wat onrecht is. We hebben dit gisteren in deze zittingszaal gezien. In de visie van de verdachte mogen vrouwen mogen zich niet ontwikkelen. Zij moeten thuis blijven, voor de kinderen zorgen; zij staan ten dienste van de man. Hij wil een wereld van dominant monotheïsme vol onverdraagzaamheid. Hij is bereid hiervoor te moorden, hiervoor te sterven.
Voor alle jongeren zal duidelijk moeten zijn dat dit niet een oplossing is voor hun problemen. Het is begrijpelijk dat sommige allochtone jongeren teleurgesteld zijn in de Nederlandse maatschappij. Vervreemding, onlustgevoelens en identiteitsproblemen kunnen daar aan ten grondslag liggen. Maar ook meer basale problemen. Onderzoek toont aan dat de werkloosheid onder allochtonen significant hoger is dan onder autochtone Nederlanders. Discriminatie in discotheken en andere gelegenheden komt nog steeds voor.
Maar de weg van Mohammed B. en zijn vrienden van de Hofstadgroep bieden geen oplossing. Integendeel. Zij vergroten de tegenstellingen. Tegenstellingen waar allochtone en autochtone Nederlanders onder gebukt gaan. Voor iedereen wordt het slechter. Vele "gewone" moslims zijn na de moord op Theo van Gogh ook banger geworden. Mensen durven ‘s avonds de deur niet meer uit, bang als ze zijn te worden aangevallen , zuiver en alleen omdat ze moslim zijn", aldus een Amsterdamse wijkagent in een artikel van Ian Buruma (Nederland op scherp, samengesteld door Pieter van Os).
Moslims, christenen, joden, atheïsten of nihilisten, mensen van Nederlandse, Marokkaanse, Turkse of welke andere afkomst dan ook, samen vormen wij de onze maatschappij. Samen zullen we het moeten rooien. Dat is geen eenvoudige opgave. Wie het boek "Onzichtbare ouders" heeft gelezen weet dat we met zijn allen nog een lange weg te gaan hebben.
Wie zich afkeert van deze maatschappij geeft zichzelf op. Ik hoop dat het vonnis duidelijk kan maken dat wie de weg van Mohammed B. kiest, kiest voor een heilloze, doodlopende weg. Een weg die binnen ons strafrechtsysteem leidt tot de sterkst mogelijke afkeuring. Wie daarentegen kiest voor een positieve bijdrage aan het moeizame proces van integratie mag rekenen op een plek in de open en pluriforme samenleving die de Nederlandse maatschappij is.
De speciale preventie. Ik heb hiervoor al ruimschoots aandacht besteed aan het verderfelijke gedachtegoed van Mohammed B.. In niets heeft de verdachte laten blijken dat hij afstand neemt van zijn ideeën. Integendeel. Al in het eerste gesprek met zijn broer Hassan constateert hij tevreden dat hij Van Gogh heeft geslacht. In het zesde gesprek maakt hij duidelijk dat de wet niet geldt voor Mohammed B. En uit het derde gesprek blijkt dat hij nog steeds streeft naar het martelaarschap. Hij wenst voor deze zaak de doodstraf. Nooit heeft de verdachte laten blijken dat hij ook maar enige compassie heeft met de slachtoffers die hij heeft gemaakt. Tijdens het hele proces heeft hij zijn mond gehouden, geen inzicht gegeven in zijn motieven.
Zijn houding gisteren getuigde ook van een minachtende arrogantie voor alle deelnemers aan dit proces. Vooral voor de slachtoffers.
Op 26 juni 2005 is de laatste brief van de verdachte onderschept. In deze brief worden in een gedicht gezagsdragers en opiniemakers spottend opgevoerd: Aboutaleb, Ali B, Paul Cliteur, minister Verdonk. Tussendoor wordt hoog opgegeven van leiders als Mullah Omar en Osama Bin Laden. Met weemoed denkt de verdachte aan de mannen van weleer die met de Koran en het zwaard streden voor hun eer. Tenslotte kondigt hij zijn overwinning aan.
De verdachte is een overtuigingsdader. Hij ziet zich als een instrument van god aldus deskundige Peters. De verdachte neemt geen afstand van zijn onverdraagzame en gewelddadige visie op de Islam en zijn ideeën hoe hij van Nederland een Islamitische staat wil maken. "Ik bid elke dag tot mijn heer dat hij mij behoedt dat ik wellicht anders zou gaan denken dan dat ik nu denk", zei de verdachte gisteren nog op zitting
Komt hij ooit vrij, dan zal hij verder gaan. Met alle middelen die hij heeft. Hij is en blijft levensgevaarlijk. Met speciale preventie wordt beoogd met de straf een veroordeelde te resocialiseren zodat hij vrij in de maatschappij niet meer in herhaling zal vallen. Is daar geen uitzicht op, dan moet de dader langdurig uit die vrije maatschappij worden verwijderd.
Deze verdachte heeft duidelijk gemaakt dat hij niet zal veranderen. Ook het doel van de speciale preventie leidt tot de conclusie dat hij niet thuis hoort in onze vrije maatschappij.
23. Eis
De verdachte verwerpt onze democratie. Hij wil onze democratie zelfs bestrijden. Met geweld. Hij blijft dat volhouden. Tot op de dag van vandaag. Hij blijft volharden in zijn standpunten. Daar moet krachtig op worden gereageerd. Door hem letterlijk buiten onze democratie te plaatsen. Dat betekent ook dat hij niet meer mag stemmen. Dat betekent dus ontzetting uit het actief en passief kiesrecht.
Alles in overweging nemend, de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte vind ik slechts één straf passend en dat is levenslang.
De Nederlandse positie in de EU
Artikel van minister-president Balkenende
De Europese Unie is bedoeld om de mensen in Europa zoveel mogelijk kansen te geven in een wereld die snel verandert. Samen kunnen we sterk staan in deze tijd van toenemende mondialisering. Mondialisering brengt nieuwe mogelijkheden met zich mee, maar ook bedreigingen, dat laatste bleek wederom op 7 juli, bij de verschrikkelijke terroristische aanslagen in Londen. Samen kunnen we de mogelijkheden benutten en de bedreigingen verminderen. Mits we bereid zijn kritisch naar onszelf te kijken en méé te veranderen. Al meer dan vijftig jaar slagen de lidstaten van de Unie erin samen moeilijkheden te overwinnen. De situatie waarin de Unie zich momenteel bevindt, is dan ook geen eindpunt, maar een nieuw begin. Europa kan er sterker uit tevoorschijn komen als we eerlijk durven te zijn tegen elkaar.
Het ‘nee’ van de Franse en Nederlandse kiezers tegen het Grondwettelijk Verdrag en het uitblijven van een akkoord over de meerjarenbegroting van de Unie, zijn niet de oorzaak van een impasse in Europa. Ze zijn de uitingsvormen van onderhuidse ontwikkelingen die te lang onvoldoende zijn benoemd. Daarom moeten we niet een crisissfeer scheppen met verwijten over en weer, maar juist kijken hoe we deze periode zo goed mogelijk kunnen benutten voor bezinning en verbetering. Nederland zal zich daar actief voor inzetten. Al meer dan een halve eeuw wil ook Nederland een betrouwbare partner in Europa zijn. En dat zullen we blijven. Ondanks de uitslag van het referendum, beantwoordt meer dan drie kwart van de Nederlanders de vraag “bent u voorstander van het EU-lidmaatschap” met een ‘ja’. Alleen in Luxemburg en Ierland is dat percentage hoger. Tegelijkertijd merken we wel steeds sterker dat het gevoel dat mensen bij Europa hebben, is veranderd. Het verlangen naar vrede en stabiliteit is voor veel mensen die na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren geen allesbepalend argument meer voor verdere Europese integratie. De Unie moet in hun ogen zichzelf bewijzen. In betrekkelijk korte tijd is de Unie fors gegroeid. Daardoor kunnen ook de nieuwe lidstaten meedelen in de welvaart en stabiliteit die het Westelijk deel van Europa de laatste vijftig jaar genoot. Maar naarmate de Unie groeide, namen ook de verschillen binnen de Unie toe. Daardoor verminderde het gevoel van verwantschap dat mensen hebben met het grote geheel. Dat speelt niet alleen in Nederland.
Daarbij komt dat veel mensen zich zorgen maken over hun toekomst. Voor Europees vernieuwingsbeleid – hard nodig om sterk te staan ten opzichte van de Verenigde Staten en China - is echter weinig geld beschikbaar. Het leeuwendeel van het EU-budget is gereserveerd voor landbouwsteun en steun aan regio’s in welvarende landen. Ook dat is veel burgers niet ontgaan. Natuurlijk is het mogelijk het totaalbudget van de Unie te verhogen. Maar dat zou in deze tijd van tegenvallende groei niet verantwoord zijn. Beter is het om het beschikbare budget op een toekomstgerichte manier in te zetten.
De afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag in Nederland en Frankrijk en het uitblijven van een akkoord in de Europese Raad over de financiën zijn een koude douche. Maar koude douches kunnen wel degelijk verfrissend werken en een nieuwe start inluiden.
Volstrekt duidelijk is dat burgers meer betrokkenheid willen bij de ontwikkelingen van de Unie. De vrees voor een Europese superstaat speelde in de discussies rond het referendum in Nederland een doorslaggevende rol, evenals zorgen over de reikwijdte van de Europese samenwerking en het tempo waarin die samenwerking voortschrijdt. De Europese Unie is er voor de burgers. Hun zorgen en wensen dienen dus centraal te staan bij het bepalen van de richting waarin de samenwerking zich ontwikkelt. Daarom is het goed dat de Europese lidstaten een periode van bezinning hebben afgesproken. Daarin kan meer zicht komen op de verwachtingen die mensen van Europa hebben. Nederland zal die bezinningsperiode intensief benutten. Mijn verwachting is niet dat de uitkomst van die bezinning zal zijn dat we teruggaan naar een veredelde Douane-Unie. In deze tijd hebben we de Unie voor meer zaken nodig.
Wat voor Europese Unie willen we? Een Unie die zich voornamelijk richt op consolidatie van gevestigde belangen, of een Unie die zich richt op vernieuwing en solidariteit met de minder welvarende lidstaten en de wereld om ons heen? Natuurlijk is de Europese landbouw van groot belang en moeten we oog hebben voor de Europese landbouwers en hun gezinnen. Maar het huidige systeem met zijn grote geldstromen via Brussel is niet tot ver in de eenentwintigste eeuw verdedigbaar. En is het eerlijk om het schaarse Brusselse geld voor een belangrijk deel te besteden aan regionaal beleid in rijke lidstaten? Kan dat geld niet veel beter naar de arme regio’s in de minder welvarende nieuwe lidstaten gaan? Hoe komen we tot een nieuw financieel systeem waarin meer ruimte is voor onderzoek, innovatie, internationaal milieubeleid en bestrijding van internationale criminaliteit? Deze vragen speelden een belangrijke rol in de discussie tijdens de Europese Raad over de Europese meerjarenbegroting.
Nederland wil een solidaire en betrouwbare partner in Europa zijn. Dat maken we ook waar. Al meer dan tien jaar zijn we de grootste nettobetaler. Dat betekent dat een Nederlands gezin al jaren veel meer aan de Europese solidariteit meebetaalt dan gezinnen in andere welvarende lidstaten. De Nederlandse wens om te komen tot een nettobijdrage die in overeenstemming is met die van de lidstaten in een vergelijkbare economische situatie, is in mijn ogen dan ook volledig gerechtvaardigd. Solidariteit moet van iedereen gevraagd worden. Dat betekent: bijdragen of ontvangen, als land, naar draagkracht per burger. Het is dus niet oneerlijk of egoïstisch als Nederland, na jarenlang het meest te hebben betaald, nu vraagt in dezelfde positie te komen als vergelijkbare rijke landen. Ondanks een gebrek aan economische groei in eigen land is Nederland er in geslaagd met grote inspanningen en een pittig hervormingsbeleid binnen de grenzen van het stabiliteits- en groeipact te blijven. Dat vraagt offers van de Nederlandse burgers, en beperkt drastisch de uitgavenruimte van de Nederlandse overheid. Maar een stabiele financieel-economische omgeving is cruciaal voor de Europese groeikansen. Daar stáát Nederland voor. Ook dat is solidariteit.
Nederland zal volop meedoen aan de discussie over de toekomst van de Unie. We willen een Unie waarin burgers zich kunnen herkennen, een Unie die solidair is met de minst welvarende lidstaten en een Unie die noodzakelijke vernieuwingen laat prevaleren boven gevestigde belangen.
Sommigen vrezen dat alles wat Europa de afgelopen decennia heeft opgebouwd in gevaar is gekomen. Ik denk dat deze periode van reflectie juist kansen biedt om sluipende gevaren af te wenden en de Unie weer nieuwe veerkracht en legitimering te geven.
Dr. Jan Peter Balkenende,
Minister-president van Nederland
8 juli 2005
United for Europe - Seven Presidents for Europe
15.07.2005
Newspaper article by the presidents of Austria, Heinz Fischer; Finland,Tarja Halonen; Germany, Horst Köhler; Italy, Carlo Azeglio Ciampi; Latvia, Vaira Vike-Freiberga; Poland, Aleksander Kwasniewski and Portugal, Jorge Fernando Branco de Sampaio
I.
The outcome of the referenda in France and the Netherlands showed that many citizens feel European policy falls short of their expectations. While most do support the European project, they are uneasy about how it is carried out. They feel excluded both from decisions of major importance for their future and from those which impact their everyday lives.
All too often, key European questions have not been debated broadly enough before decisions were taken.
To many people, the regulatory impulse of the EU seems exaggerated. Decision-making procedures are often too unclear and the decision-makers too anonymous.
And above all else, too often people have been willing to make Brussels the scapegoat for problems at home. This casts a bad light on a good project.
We are convinced that the European Union needs strong, influential and efficient institutions and transparent procedures.
The European Union should only regulate what is better regulated together. It needs procedures to bridge the gulf between the European decision-makers and their citizens. The aims of the Constitutional Treaty - closeness to the citizens, transparency, democratization and efficiency - remain valid. Questions concerning all citizens of Europe must be discussed by all citizens.
In view of high unemployment and low economic growth, many people are concerned about their future. Europe has to give them a true perspective. So it is right for the European Commission to focus its policy on growth and employment. If people feel that the member states of the EU give them and their children new opportunities for work and prosperity, they will embrace the European project. The European model has an indispensable social component. But it needs a viable economic basis.
Now, the most important task is to increase trust in European policy. We have to make sure everyone can understand the benefits of integration.We have to tell the citizens in a way they understand how the EU works, what it has achieved, where it is going and why. That is how to win the people over for the European project. Without their consent and cooperation the EU cannot consolidate, never mind develop further.
II.
These are difficult times for Europe. But there is no reason to doubt the European project. We only need recall what the European Union has brought the states and people it unites: growing prosperity and economic strength to help us shape globalization, freedom and rights in many forms and above all safety from war and oppression.
Jean-Claude Juncker, Prime Minister of Luxembourg and outgoing President of the EU Council, noted that anyone with doubts, anyone despairing of Europe, should pay a visit to the war cemeteries. We wholeheartedly agree. Peace in Europe is by no means to be taken for granted; there are enough people still with us who learnt this from bitter experience. For today's youth, war between the states of the European Union is unthinkable - and rightly so. That is an invaluable achievement of European integration.
Yet we also know that our economic success is rooted in the European internal market. It brought the older member states prosperity and offers the new ones the same opportunities. We want well-functioning markets hand in hand with social justice and balance. This is the European model that can guarantee long-term prosperity for our citizens.
Only together will European nations be able to hold their own in competition and successfully negotiate with countries like the USA, but also with China and India which have a demographic weight of 1.3 and 1.15 billion and growth rates of 9 and 8.5%. Only an economically strong Europe, united in solidarity, can shape the forces of globalization and give globalization the social dimension we deem necessary. Thus, we can provide a model for the whole world.
The internal market means competition and that in turn requires effort and flexibility. Fair competition also gives consumers better products and services. There is no other way forward if we want to maintain and extend our prosperity.
The euro was another important step, also in political terms. It has made a decisive contribution to monetary stability, low interest rates, transparency, the lowering of transaction costs, the integration of financial markets and the mobility of people. The member states outside the euro zone are also benefiting.
III.
We must not squander what we have built up, rather have to keep a firm hold on our future opportunities. But to do this, we have to know what we want.
Even now, the European Union is much more than a free trade zone. From the outset, it has been intended as a political project. It is a community with a common destiny sharing values and principles. They include freedom, democracy, equality and the rule of law, pluralism and respect for human dignity, social justice and solidarity.
The member states of the European Union have to step up their commitment to promoting knowledge and innovation as the driving force behind long-term growth and employment and they have to work harder on structural reform. This is the only way to make their economies more dynamic.
Above all else, the EU has to speak with one voice in the world. Only then can it bring its economic and political weight to bear. Only then can it help to tackle global problems. This is what our partners in the world expect.
IV.
We should now calmly consider how we can bring the European ship back on course. Where do we need to start?
- We need a more democratic, more transparent and more efficient EU, both in our own interest and to hold our own in globalization.
- We need procedures to involve the citizens more in the European project and make them part of its implementation and further development. Thus we should think about ways in which people in the EU can as far as possible jointly express their opinion on European matters.
- We have to cooperate more closely on questions of security and fighting terrorism as the recent terrorist attacks have demonstrated once more.
- We need greater readiness to compromise and more solidarity. This is a cornerstone of the European project and is in the interest of all member states.
- Europe has to get ready for the future. We have to invest in Europe's strengths: in innovation, communication, education and research. We need to examine what we are paying to Brussels - and how it is spent. There has to be and therefore will be timely agreement on this.
Now we really have to use the period of reflection. We must not lose heart, rather show tenacity and ingenuity.
V.
The EU's "open door" policy has proved successful. The accession of new members has given Europe new momentum and new possibilities.
Now we have to take time to learn to live in a Union of 25 and experience a European identity based on a shared history, shared culture and shared values which determine our daily lives and define our common European space. As regards the enlargement agenda, the principle "pacta sunt servanda" must apply. What has been agreed has, of course, to be respected. Potential accession candidates need realistic perspectives which will also create additional incentives for far-reaching domestic reform and the adoption of European standards. Membership criteria, including democracy, the respect of human rights and the rule of law, have to apply equally to all applicants.
In many countries, the summer holidays have just begun. Many of us will enjoy the beauties of Europe without border controls and in many cases won't even have to change money. Perhaps this provides a practical way of seeing how everyone can benefit from Europe.
This is something we do not want to forego. We have to seize the opportunity for a common and united Europe, thus living up to our responsibility for coming generations.
Handelingen Media debat nota Medy van der Laan
ONGECORRIGEERD STENOGRAM
(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)
*0: TK
*1: 2004-2005
*2: 98
*3: WordXP
*4: 98ste vergadering
*5: Donderdag 30 juni 2005
*6: 10.15 uur
**
Aan de orde is het debat over Publieke omroepen.
*N
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Zoals afgesproken, spreken wij vanavond niet inhoudelijk over de door de staatssecretaris gepresenteerde plannen met de omroepen. Dat doen wij na de zomer, na een grondige voorbereiding. Laat ik wel gezegd hebben dat wij -- waar GroenLinks sinds lang voorstander is van twee reclamevrije en ontzuilde netten, die met onafhankelijke redacties en statuten hoogwaardige publieke televisie maken -- de elitaire, centralistische kabinetsplannen niet bepaald een stap in de goede richting vinden. Om nog maar te zwijgen over de sfeer van rancune die er inmiddels omheen hangt, nu de coalitiepartijen vooral een appeltje te schillen lijken te hebben gehad met zogenaamd linkse journalisten. Dat versterkt bij ons de gedachte dat wij na de zomer vooral een sterfhuisconstructie gaan bespreken.
Aan een inhoudelijk debat gaat een politieke vraag vooraf. Zeker nadat de coalitiepartijen wekenlang achter gesloten deuren hebben onderhandeld. Die vraag is: wat is de status van het door de coalitiepartijen gesloten compromis? Het bouwt namelijk voort op het Paasakkoord. Betekent dit dat de plannen ook de status van een regeerakkoord hebben? Betekent het, met andere woorden, dat de plannen niet meer kunnen worden veranderd, behalve als alle drie partijen met de veranderingen akkoord zijn? Dan weten wij op voorhand dat er niet meer zal worden bewogen. Kunnen de afzonderlijke coalitiepartijen alternatieve voorstellen met de oppositie indienen en ook alternatieve meerderheden forceren? Of zijn de drie partijen helemaal aan elkaar vastgeklonken? Als dit het geval is, weten wij dat het inhoudelijke debat na de zomer een farce zal worden. Daarom krijg ik graag een helder antwoord op deze vragen, van de staatssecretaris, maar ook van de drie woordvoerders van de coalitiepartijen.
De beslissing over de NPS kwam als een donderslag bij heldere hemel nadat de voorstellen al grotendeels waren vastgelegd en uitgelekt. Naar blijkt, waren betrokkenen bij de NPS hiervan niet op de hoogte, noch was hierover met hen enig overleg gevoerd. Het gaat hier, let wel, om de enige ontzuilde omroep, die vooroploopt in samenwerking en in kwaliteit, getuige programma's als NOVA, Andere Tijden, Zembla, Sesamstraat, Klokhuis en Dokwerk.
Dit lijkt op de arts die het gezonde hart uit een blindedarmpatiënt snijdt. Klopt het dat deze beslissing, buiten de staatssecretaris om, is genomen door de drie fractievoorzitters?
Was u, vraag ik rechtstreeks aan de staatssecretaris, aanwezig toen de definitieve beslissing werd genomen, of niet? Als u niet aanwezig was, bent u dan niet alleen maar een marionet, die aan drie touwtjes hangt?
Klopt het ook dat aan dit definitieve compromis tussen de drie fractievoorzitters een gesprek van het CDA met de bazen van KRO en EO is voorafgegaan? Klopt het dat zij de opheffing van de NPS als eis op tafel hebben gelegd? Graag krijg ik op deze vragen niet alleen een antwoord van de staatssecretaris, maar eveneens van de respectievelijke woordvoerders van de coalitie.
De totstandkoming van dit voorstel is een daad van onbehoorlijk bestuur, buiten medeweten van en zonder overleg met de betrokkene. Het heeft geleid tot grote onrust, die zelfs het respectabele Genootschap van Hoofdredacteuren in beweging heeft gebracht. De staatssecretaris moet zich voorstellen: de hoofdredacteur van de Telegraaf haalt haar links in.
Ik verzoek, zo nodig in tweede termijn bij motie, om dit voorstel in te trekken en om de zomervakantie te gebruiken om met de NPS om tafel te gaan zitten zodat de Kamer na de zomer een serieus voorstel dat draagvlak heeft, bij haar voorbereiding kan betrekken.
De heer Atsma (CDA): Ik heb geprobeerd met aandacht te luisteren naar hetgeen mevrouw Halsema naar voren heeft gebracht. In haar eerste zinnen gaf zij aan wat haar ideaal is. Als zij het morgen voor het zeggen zou hebben in Nederland, zouden er twee ontzuilde publieke netten overblijven. Vindt zij dat niet heel erg voor alle omroepen met hun goede programma's die dan het veld zouden moeten ruimen?
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Ik wil dit debat heel graag met de heer Atsma voeren, als u dat tenminste toestaat. Wij hebben hierover echter afspraken gemaakt. Het is helemaal geen geheim dat GroenLinks zich al heel lang een ander publiek bestel voorstelt. Dat zal inderdaad een verandering betekenen voor de omroepverenigingen. Dat behoeft geen discussie. Zij zullen inderdaad omgevormd moeten worden. Maar wat de coalitie heeft gepresteerd is een volkomen halfslachtig compromis waarin de omroepverenigingen hun positie bewaren, waarin er hier en daar wat wordt afgerommeld en bij gedaan, en waarin de kijker en de makers helemaal niet meer aan bod komen. Dat is geen compromis dat ik kan steunen.
*N
Mevrouw Kraneveldt (LPF): Vrijdag kregen wij de visie van het kabinet op de toekomst van de publieke omroep dan eindelijk officieel toegestuurd. De helft was natuurlijk al, al dan niet gecontroleerd, uitgelekt. Van die helft werd ik al niet vrolijk, en van de andere helft helemaal niet. Als de staatssecretaris denkt dat zij met de visie een gezonde toekomst voor de publieke omroep opbouwt, heeft zij het helemaal mis. De visie had wat ons betreft in plaats van "Met het oog op morgen" beter "Met één been in het verleden" kunnen heten. Zij herzuilt in plaats dat zij ontzuilt. Zij creëert een publieke omroep voor een grachtengordelelite, waar de gewone man zich straks niet meer in kan vinden. Die zal straks dan ook definitief afstemmen op de commerciëlen.
Het primaire hoofdlijnendebat, met flinke spreektijden en een gedegen voorbereiding, voeren wij hierover na de zomer. Dus laat ik het hier maar bij. Vandaag gaat het erover, hoe het akkoord tot stand is gekomen, welke compromissen er tussen de coalitiepartijen zijn gesloten en waar nog ruimte bestaat voor aanpassingen.
Het is natuurlijk een volstrekte illusie om te veronderstellen dat de coalitiepartijen en de staatssecretaris zich vandaag in de kaart zullen laten kijken. Zij zijn er immers samen nog lang niet uit. Ik verwacht van hen dus helemaal niks. Ik wacht met veel interesse de antwoorden af op de vele vragen die mevrouw Halsema terecht heeft gesteld en op de vragen die mijn collega's in dit debat ongetwijfeld nog zullen stellen.
Ik wil nog wel iets zeggen over de discussie over de NPS en programma's als Nova. Welke structuur het nieuwe omroepbestel ook zal krijgen, het blijft belangrijk dat er een programmastichting of werkmaatschappij is, die kwalitatief hoogstaande nieuws- en actualiteitenprogramma's maakt en die dat doet op objectieve wijze, dus zonder politieke inkleuring, zonder winstoogmerk en op basis van een goed redactiestatuut. Voor de LPF-fractie is dat een absolute voorwaarde. De NPS zou een dergelijke functie in een nieuw bestel onder de eerder voorwaarden zeker kunnen vervullen, maar is nu volkomen overvallen door de plannen van de staatssecretaris, Wij roepen de staatssecretaris op om inzake de NPS geen onherstelbare beslissingen te nemen totdat de Kamer zich heeft uitgesproken over haar toekomstvisie.
*N
Mevrouw Vergeer (SP): Voorzitter. De Tweede Kamer heeft al een paar keer aangegeven ruim voor het reces te willen praten over de toekomst van de publieke omroep, maar het kabinet heeft dat onmogelijk gemaakt, door pas vier dagen geleden met zijn plan te komen. Dat plan zou dan een reorganisatie moeten heten, maar het is een kaalslag. Het is een kaalslag op de publieke omroep, juist in de zware tijden van toenemende commerciële concurrentie. De orkaan Medy -- zeg maar Mayday -- raast over Hilversum. De NPS moet op zwart. Dit kabinet maakt meer kapot dan je lief is.
Wij hebben de ontmoeting van de staatssecretaris met de omroepmedewerkers op de televisie gezien. Nou, dat leek niet bepaald een bekroning van een zorgvuldig overleg. Een staatssecretaris van D66, een partij die altijd zo schermt met referenda en directe democratie, zegt hier zonder raadpleging van de werknemers honderden mensen de wacht aan. Waar ging het ook al weer om? Wat zei de visitatiecommissie onder leiding van de D66'er Rinnooy Kan? De publieke omroep moest onder andere op de schop om meer samenwerking te bereiken. Uitgerekend de NPS werkt samen; zie NOVA en Buitenhof.
Het reorganisatiedoel was ook om meer jongeren en allochtonen te bereiken. Uitgerekend deze NPS, die Sesamstraat, Klokhuis, Raymond is laat en PREMtime maakt, moet verdwijnen. Dat anderen de programma's zullen overnemen is allerminst zeker, al was het maar door geldgebrek en doordat er een heel team met deskundigheid juist bij de NPS zit. Waar haalt de staatssecretaris de garantie vandaan dat deze programma's, die zeer gewaardeerd worden, zullen blijven verschijnen? Geen wonder dat de D66-prominenten zich inmiddels tegen de staatssecretaris keren.
De staatssecretaris kan het reces het beste gebruiken om haar huiswerk over te doen. Ik wil haar vragen het plan tot opheffing van de NPS in te trekken en te gaan overleggen met de NPS en de cultuursector, die van de NPS afhankelijk is. Versterking van de publieke omroep, daar gaat het om. De publieke omroep moet niet op zwart, maar die moet juist van het beeldscherm af spatten.
*N
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Wij spreken vanavond over een heel bijzonder compromis. Wie had gedacht dat het CDA ooit zou instemmen met een staatsomroep waarin de raad van bestuur over 75% van het budget beschikt? Wie had gedacht dat D66 ooit zou instemmen met een bestel dat teruggaat naar de verzuiling van de jaren '50? Wie had ooit gedacht dat de VVD zou instemmen met een uitbreiding van de reclamezendtijd met maar liefst 54%?
De coalitie is erin geslaagd een compromis te sluiten waar niemand op zit te wachten, met meer overheidsbemoeienis, meer verzuiling en meer reclame. Dit compromis kent dus ook geen winnaars, maar alleen maar verliezers. De kijkers verliezen, de publieke omroep verliest. Dat vindt de raad van bestuur ook. Wat vindt de staatssecretaris van de zware kritiek die de raad van bestuur vandaag naar buiten bracht?
Je vraagt je af welk probleem er eigenlijk wordt opgelost. Niet dat van de kijkers, niet dat van de omroep, maar het politieke probleem van de coalitie. Net als bij de WAO ligt er een voorstel dat niemand wil, om een regering te redden die niemand wil. Dat brengt mij bij een aantal vragen over de totstandkoming van het compromis.
De fractie van de VVD vindt het niks. Mevrouw Örgü zei dat het geen duurzame en toekomstbestendige oplossing is. Ik vraag mevrouw Örgü waarom zij er dan aan meewerkt. Wat vindt de staatssecretaris van dit zware politieke oordeel van de VVD? En dan de heer Atsma, die altijd tegen te veel invloed van de raad van bestuur was. Hoe kan hij het compromis verdedigen? Waarom werkt hij eraan mee? Tot slot heb ik een vraag aan de staatssecretaris. Zij is een prominent gezicht van D66, de partij voor openheid en democratie. Waarom moest dit allemaal in de achterkamertjes geregeld worden? Is zij er trots op zoals het is gegaan? Waarom was dat nodig?
Een hoofdvraag van vandaag is of een debat eigenlijk nog zin heeft. Boris Dittrich beloofde dinsdag van wel. Hij zei dat elk plan bespreekbaar is. Ik vraag VVD, CDA en de staatssecretaris of zij hetzelfde kunnen beloven. Is echt elk plan bespreekbaar? Is elke uitkomst acceptabel?
Tot slot de NPS, letterlijk van de ene dag op de andere opgeheven. Klopt het dat de staatssecretaris zelf niet bij dit besluit betrokken was? Ik heb zojuist even naar NOVADen Haag Vandaag gekeken – nu kon het nog – en ik had het idee dat de staatssecretaris eigenlijk zelf ook niet zo enthousiast was over dit deel van het besluit. Ik wil dus graag weten wat zij hier nu eigenlijk zelf van vindt. Wil zij in de Kamer haar uitspraak tegenover NOVA herhalen dat wat haar betreft de Kamer de NPS overeind kan houden? En is de heer Atsma het hier eigenlijk ook mee eens? Mevrouw Halsema vroeg er al naar, klopt het dat de KRO en de EO geraadpleegd zijn over dit deel van het besluit, maar de NPS niet?
Ter afsluiting. Boze tongen beweren dat de opheffing van de NPS te maken heeft met het kritische karakter van programma's als NOVA, Buitenhof of Zembla. Laat ik het zo zeggen: dit kan ik niet geloven en ik wil het ook niet geloven. Het kaltstellen van kritische televisieprogramma's komt in Rusland voor, niet in Nederland. Zo is het toch, geachte collega's? Hoe het ook zij, het voorstel inzake de NPS is onzorgvuldig tot stand gekomen. Beste staatssecretaris, geef dit nu gewoon toe, trek dit deel van het plan in en trek de rest van het plan in na het inhoudelijke debat met de Kamer in het komende najaar.
*N
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter, ik vervang in dit debat mijn collega Slob.
Ons geduld is lang beproefd, als het gaat om de langetermijnvisie van het kabinet op de toekomst van de publieke omroep. De staatssecretaris zou heel graag al voor het zomerreces een hoofdlijnendebat over haar voorstellen hebben gevoerd – trouwens, wie niet… – maar er bleek heel veel tijd nodig voor een visie van het kabinet die naar de mening van D66, VVD en CDA het zomerlicht zou kunnen verdragen. Pas vrijdag viel er iets op de deurmat. Voor mijn fractie was dit een reden om zich te verzetten tegen een debat in deze week. Voor ons staat in de discussie zorgvuldigheid voorop en mede daarom hebben wij zelf een notitie uitgebracht over de rol van de publieke omroep in een veranderend medialandschap. In een eerste reactie hebben wij wel aangegeven, het geheel een wat tegenstrijdig compromis te vinden waarbij te weinig wordt uitgegaan van de eigenwaarde van omroepverenigingen. Nu al het kabinetsvoorstel behandelen achten wij onverantwoord, wij hebben in ieder geval meer tijd nodig voor een uitgebreidere beoordelen, en natuurlijk ook voor contacten met de betreffende omroepen, met de publieke omroep en met het veld.
Mevrouw Halsema heeft aangegeven, dit debat niet te willen gebruiken als inhoudelijk debat over het kabinetsvoorstel, maar om te bezien hoeveel ruimte er nog bij de coalitie is. Uiteraard zijn ook wij benieuwd of het compromis in beton gegoten is. Als je ziet hoe gezellig de coalitiepartijen op dit moment met elkaar communiceren, denk je dat er toch ruimte zou moeten zijn. Zo heeft mevrouw Hirsi Ali al op haar manier aangegeven dat de NPS moet blijven en de heer Dittrich heeft aangegeven, voorstellen van de oppositie serieus te zullen bekijken. Zo kennen wij hem weer. Wij zien het wel. Onze fractie is gaarne bereid, haar voorstellen in de notitie beschikbaar te stellen voor een betere toekomst voor de publieke omroep dan wat het kabinet nu voor ogen heeft. En ik zeg erbij: al onze collega's en het kabinet mogen deze keer echt de krenten uit de pap halen.
Het debat spitst zich nu vooral toe op de NPS. Ik moet zeggen dat wij waardering hebben voor de moed van de staatssecretaris om met medewerkers van de NPS in gesprek te gaan, maar ik zeg erbij dat wij het onbegrijpelijk en eigenlijk ook onverteerbaar vinden dat zij daarbij haar zelfbeheersing verloor en zich aan krachttermen te buiten ging. Daarmee deed zij afbreuk aan de waardigheid van het ambt. Mijn fractie heeft nog geen eindoordeel over de voorstellen van het kabinet, ook niet op het punt van de NPS. Wij zijn, zo zeg ik er in alle eerlijkheid bij, in elk geval niet zo onder de indruk van het vlugschrift van de "D66prominenten". Ik herinner me een D66prominent die enkele weken geleden dwarslag bij een ooit voor D66 heikel punt, maar die uiteindelijk op een partijcongres live voor de publieke omroep aangaf dat het toch maar zo moest gaan.
Ook wij zien een aantal NPSprogramma's graag behouden en wij zullen afwachten of dit bij de omroepen kan. Wij leggen ons in dit opzicht dan ook niet vast, wij hebben er geen behoefte aan om dit onderdeel uit de nota te halen en er Kameruitspraken over te doen. Een compenserende factor bij het onderbrengen van NPSprogramma's bij de publieke omroepen is wel dat in de betreffende box de financiële middelen niet overdadig zijn, heel vriendelijk gezegd. Dat vinden wij overigens wel van de salarissen van enkele presentatoren van NPSprogramma's, maar dit geheel terzijde.
*N
De heer Bakker (D66): Voorzitter. Al decennialang is er veel kritiek op de publieke omroep. Het kabinet is gekomen met een voorstel voor een drastische wijziging. Die is hard nodig. In de voorstellen worden twee lijnen aangegeven. Het idee is om de omroepverenigingen terug te laten gaan op punt van bestuurlijke invloed en het gegarandeerde budget. Zij zouden ook minder taken moeten krijgen. Op het terrein van het maatschappelijke debat en de opinie krijgen zij echter een hechte positie, waarmee zij maximaal de pluriformiteit van het bestel waarborgen. Alle overige budgetten blijven gelden, maar komen in handen van de NOS om daarmee nieuws- en sportprogramma's, programma's op het terrein van cultuur, educatie en programma's met overige informatie enzovoorts te maken. Langs die twee lijnen is optimaal gewaarborgd dat de te versnipperde en vercommercialiseerde publieke omroep weer een echte publieke omroep wordt met kwalitatief hoogwaardige programma's, onafhankelijk van staatsinvloed. De situatie in de landen om ons heen laat zien dat altijd de verleiding groot is om politieke invloed op de publieke omroep uit te oefenen. Dat moet in Nederland niet gebeuren. Kritiek moet niet worden bestreden, maar de publieke omroep moet juist worden aangemoedigd tot het uitoefenen van kritiek.
In dat licht is een debat ontstaan over het opheffen van de NPS, niet op stel en sprong, maar in 2008. Er is geen enkel verschil van opvatting over de kwaliteit van de programma's van de NPS. Ik houd het bij deze zeer algemene uitspraak, want verder moet je als politicus niet gaan met je mening over programma's. Alle bestaande programma's kunnen ook in de toekomst gemaakt worden: via openbare aanbesteding door de NOS en de omroepen.
Dat betekent natuurlijk dat in Hilversum programma's zullen verhuizen. Bij de VARA zal er wat veranderen, bij de KRO, er zal overal wat veranderen. Ook een deel van de NPS-programma's zal verhuizen. Echter, de taken en de budgetten blijven bestaan. Er is de expliciete uitspraak met het regeringsstandpunt dat de programma's blijven bestaan. Er is ook nog de mogelijkheid om bij de NOS tot een interne voorziening te komen als de continuïteit van kwetsbare programmering dat vereist. Die interne voorziening brengt naar mijn gevoel met zich dat men de programma's in eigen huis kan maken, maar wel nadat is gebleken dat dat met de hoofdmethode van het nieuwe bestel niet kan.
Het voortbestaan van de programma's wordt dus alle kans geboden. In dat licht ziet de fractie van D66 geen reden om een debat te voeren over het in stand houden van het huis van de NPS as such. Een culturele elite is het voortbestaan van de NPS zeer aangelegen en zij meent uitgerekend voor de NPS en niet voor al die andere programma's, waar ook wat op het spel staat, in het geweer te moeten komen.
Ik wijs er nog eens op dat de programma's alle kans krijgen om te blijven bestaan en dat het mogelijk is om gebruik te maken van interne voorzieningen. De NPS kan ook nog kiezen voor de mogelijkheid van een ledenvereniging. Als zij dat wordt, word ik meteen lid. Zij kan ook een productiehuis worden. Ik zou zeggen: laat Hilversum zijn energie steken in het maken van programma's en trachten te komen tot een goede uitwerking van de voorstellen van de staatssecretaris. De publieke omroep verdient het namelijk om de huidige versnippering en vercommercialisering achter zich te laten en om weer een echte goede publieke omroep te worden, waar ook de NPS-programma's alle ruimte hebben.
Mevrouw Vergeer (SP): Voorzitter. De heer Bakker schetst een beeld van het plan dat erop neerkomt dat alles ideaal is. Er is echter iets vreemds. Rinnooy Kan van D66 heeft beschreven wat er goed en wat er fout is bij de publieke omroep. Uitgerekend hij zegt: dit is geen goed plan, dis is niet wat ik heb gewild met mijn visitatierapport. Toch zegt de heer Bakker dat alles zo prachtig is. Wat vindt hij dan van de opmerking van zijn partijgenoot Rinnooy Kan?
De heer Bakker (D66): In dit plan krijgt niemand helemaal wat hij wil. Op dat punt heeft de heer Van Dam gelijk. Wij moeten ook bedenken er ten aanzien van de publieke omroep al twintig, dertig jaar lang geen enkele doorbraak mogelijk was. Alle Nederlanders hebben daar een heftige opvatting over omdat zij allemaal kijker zijn. Dat geldt ook voor de politiek. Er is nooit draagvlak voor verandering geweest. Ik stel vast dat dit draagvlak er nu wel is. Mevrouw Halsema zegt dat de omroepen allemaal productiehuizen moeten worden. Voor een deel klopt dat ook, maar voor een ander deel ook niet. Het is maar net welke zegeningen je wilt tellen. Ik tel de kansen van het plan voor de programma's en voor het totaal.
Mevrouw Vergeer (SP): De meest deskundige persoon op dit gebied, degene die het heeft onderzocht, de heer Rinnooy Kan, is het niet met u eens.
De heer Bakker (D66): Er zullen wel meer mensen het niet met mij eens zijn. Er zijn ook mensen die het met andere voorstellen niet eens zijn. Uiteindelijk gaat het erom of het plan samenhang heeft. Ik wijs erop dat in de langetermijnvisie van de heer Rinnooy Kan de omroeperverenigingen een belangrijke plaats in het bestel innemen, maar wel van veel mindere omvang. Hij had het toen over de periode na 2010. Ik stel vast dat het kabinet nu een dergelijk plan presenteert voor 2008. Daarmee wordt volledig voldaan aan deze essentiële opmerking van de heer Rinnooy Kan. De discussie concentreert zich op de NPS omdat er forse kritiek op dat deel van het plan is losgebarsten. Ik begrijp die kritiek ook wel, want die programma's worden gewaardeerd. Eerlijk gezegd, was een groot deel van die kritiek al ontstaan voordat iemand het plan van de regering had kunnen lezen. Er zit erg veel grachtengordelverontwaardiging in en erg weinig visie op het geheel.
De heer Van Dam (PvdA): Ik kom niet uit de grachtengordel, maar ik ben toch enigszins verontwaardigd over het verhaal van de heer Bakker. Hij speelt ongelooflijk mooi weer als het gaat om de programma's van de NPS. Die zouden in dit plan gegarandeerd zijn. Er worden nu fantastische journalistieke samenwerkingsprogramma's die onafhankelijke organisaties en onafhankelijke redacties gemaakt. Er is geen enkele garantie dat onafhankelijke organisaties in samenwerking dit soort programma's kunnen blijven maken. U speelt mooi weer op basis van flauwekul.
De heer Bakker (D66): Het is geen flauwekul. De taken, de doelstellingen en de budgetten veranderen niet. U hebt gelijk dat de organisatiestructuur verandert. In die structuur is het onlogisch om naast de NOS met het grote budget en de omroepverenigingen met leden, nog een club zonder leden overeind te houden. Vervolgens moeten wij natuurlijk wel nagaan waar de programma's die wij allemaal waarderen opnieuw in dat stelsel een plaats kunnen krijgen. Bij het ene programma zal dat gemakkelijker gaan dan bij het andere. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat een programma zoals Nova -- wellicht onder een andere naam -- niet meer door de NOS of door de VARA in samenwerking met anderen kunnen worden gemaakt. De budgetten blijven overeind. De budgetten voor omroepverenigingen om programma's te maken op het terrein van maatschappelijke opinie en debat nemen zelfs toe.
De heer Van Dam (PvdA): Met alle respect, maar er is een heel groot verschil tussen de NOS en de NPS, zeker in de nieuwe situatie. De NPS is een onafhankelijke organisatie, maar de NOS valt rechtstreeks onder de raad van bestuur en krijgt met allerlei nieuwe wetsartikelen te maken waarin wordt voorgeschreven hoe je journalistiek moet bedrijven.
De heer Bakker (D66): Als dat zo zou zijn, zou ik er ook een probleem mee hebben, maar ik geloof niet in wetsartikelen waarin voorgeschreven zou worden hoe je politiek moet bedrijven. Journalistiek bedrijven, is aan journalisten. Ik zou willen dat er dat er afgelopen dagen rondom deze plannen wat meer journalistiek bedreven was en wat minder stemmingmakerij.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Misschien was het wel linkse journalistiek. Het valt mij in uw betoog op dat u helemaal geen bezwaren tegen de NPS aanvoert. U wilt al die programma's laten overnemen door andere omroepen. Uw enige bezwaar is dat het van de culturele elite en van de grachtengordel is.
De heer Bakker (D66): In een structuur met aan de ene kant de NOS met het budget voor overgrote deel van de programma's en aan de andere kant de ledenverenigingen voor een aangewezen deel van de programma's, past het niet om daarbinnen nog een soort van staatsomroepje à la de NPS overeind te houden, als een apart huis.
Het gaat hier niet om die programma's. Die kunnen blijven. Het is echter wat raar om te zeggen dat het huis moet blijven wat er ook gebeurt, voor wij een serieuze discussie kunnen voeren over die organisatie en over de toekomst van de publieke omroep. Die serieuze discussie zullen wij na de zomer voeren. Het gaat niet om het huis, het gaat om de inhoud en het totaalresultaat. Het gaat ook hier niet alleen maar om de NPS. Het gaat om wat de publieke omroep in totaliteit brengt. Mij stoort een beetje dat heel veel anderen in de publieke omroep ook heel veel waardevolle programma's maken en dat ik daarover niemand hoor. Het gaat alleen maar om de NPS.
Dat zeg ik ook -- misschien wel in de eerste plaats -- tegen mijn eigen achterban. Kijkt u nog eens naar alle plannen!
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Niet in de laatste plaats ontstond de onrust bijvoorbeeld bij Rogier van Boxtel, voormalig collega van de heer Bakker, die als NPS-voorzitter nogal overvallen was omdat hij hiervan niet op de hoogte was gebracht, dus dat was nogal logisch. Het is tekentafelpolitiek die de heer Bakker bedrijft. Hij zegt dat wij de fabriek failliet verklaren en dat de producten toch wel worden gemaakt. Dan begrijpt hij volgens mij niet hoe televisie maken werkt. Komt het idee om de NPS op te heffen van de heer Bakker?
De heer Bakker (D66): Nee.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Van wie komt het idee dan wel?
De heer Bakker (D66): In de analyse hoe het bestel er uit zou moeten zien -- daarop ben ik zojuist ingegaan -- hebben wij gezamenlijk geconstateerd dat het overeind houden van de NPS als structuur niet logisch past in de toekomst van de publieke omroep zoals die in de kabinetsplannen is verwoord. Daarmee ben ik het eens. Heb ik daarmee voorgesteld dat de NPS weg moest? Nee, dat heb ik niet voorgesteld. Is dat een logische conclusie op basis van de analyse en de structuur die het kabinet heeft geschilderd? Ja, die logica kan ik niet ontkennen. Er zit wel meer logica in het plan, maar daarover zullen wij na de zomer spreken.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik wil een antwoord op de vragen die ik in mijn eerste termijn heb gesteld. Die liggen in het verlengde hiervan. Stel het hypothetische geval dat de heer Bakker van mening verandert, net als al die D66'ers in zijn achterban, en dat hij het opheffen van de NPS toch niet zo'n gelukkig idee noemt, dat de CDA-fractie zijn fractie heeft opgedrongen. Staat het de D66-fractie dan vrij om bijvoorbeeld de oppositie te steunen zonder instemming van de fracties van CDA en VVD?
De heer Bakker (D66): Ik weerspreek dat de CDA-fractie iets heeft opgedrongen. Dat is echt flauwekul. Mevrouw Halsema is er niet bij geweest en ik wel. Het heeft echter weinig zin daarover door te praten. Natuurlijk hebben wij niet voor niets rond de tafel gezeten, omdat er een hecht en consistent kabinetsstandpunt moest komen en omdat het belangrijk was om na twintig of dertig jaar discussie eindelijk een doorbraak te bereiken. Om een consistent kabinetsstandpunt te bereiken, is een basis nodig, een aantal elementen waarover coalitiepartijen het eens zijn. Anders laat men de staatssecretaris natuurlijk zwemmen.
Dat laat echter onverlet dat elk plan bespreekbaar is, om het in de woorden van de heer Dittrich te zeggen, als in het debat na de zomer overtuigende argumenten worden gewisseld waardoor wij en anderen overtuigd zullen worden. Dat is ook het antwoord op de vraag van mevrouw Halsema. Het is niet vrijblijvend om een afspraak te maken en te zeggen dat het zo zou kunnen en moeten, maar ten eerste is niet alles dichtgetimmerd en ten tweede is het niet zo dat nergens meer over te praten valt. Zo is het niet en zo moet het ook niet zijn.
*N
Mevrouw Örgü (VVD): Voorzitter. Ik heb een aantal vragen over toezeggingen van de staatssecretaris die ik in de brief mis. Ik vraag om aanvullende informatie die wij na zomer bij het hoofdlijnendebat nodig zullen hebben. Ten eerste heeft de staatssecretaris naar aanleiding van mijn motie toegezegd voor de reclame verschillende modellen te zullen uitwerken: met reclame, zonder reclame en reclamearm.
Die uitwerking en de berekeningen staan niet in het stuk. Kan de staatssecretaris daarin voorzien? Kan zij met gegevens komen over de omvang van de uitval van STER-inkomsten in de komende drie tot vier jaar.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): U gaat natuurlijk over uw eigen betoog, maar het verbaast mij enigszins dat u om extra bijlagen vraagt bij een plan dat wij nog moeten bespreken. Wij zouden vandaag een politiek debat voeren. Er is u een groot aantal vragen gesteld, door mij en ook door anderen, over de waarde van het compromis dat voorligt. Ik hoop wel dat u daarop ingaat in plaats van extra informatie te vragen.
De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij geeft dit juist een mooie inkijk in hoe die onderhandelingen zijn gegaan. Mevrouw Örgü legt hier allerlei wensen neer. Ik vraag mij af of zij wel aan die onderhandelingstafel heeft gezeten. Heeft zij haar werk wel goed gedaan? Zij klaagt nu over allerlei reclamezaken, maar als ik het goed begrijp is er afgesproken dat er meer reclame komt. Wat heeft zij aan de onderhandelingstafel gedaan als zij hier ineens allerlei nieuwe wensen op tafel legt?
De voorzitter: Ik vraag degenen die interrupties plegen en degenen die aan het woord zijn, zich te houden aan wat wij voor dit korte twee-minutendebat hebben afgesproken, namelijk dat het gaat over de procedure die geleid heeft tot het voorstel en niet over de inhoud van het voorstel.
**
Mevrouw Örgü (VVD): Natuurlijk ga ik over mijn eigen inbreng. Dit zijn punten die wij cruciaal vinden voor het hoofdlijnendebat. Wij hebben tijdens de begrotingsbehandeling met elkaar afgesproken dat dit zou komen. Dat is het verzoek dat ik hier doe.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik vraag mij af waarom mevrouw Örgü niet om een extra procedurevergadering heeft gevraagd. Dan had zij dat soort vragen daar kunnen stellen en dan hadden wij dat kunnen doorgeleiden naar de regering. Daar gebruik je toch niet een debat voor. Het lijkt erop alsof zij denkt: ik heb twee minuten, ik ben al anderhalve minuut kwijt en ik heb het nog nergens over gehad.
Mevrouw Örgü (VVD): Ik ben bezig met mijn betoog en ik wil een paar punten naar voren brengen. Ik geef graag antwoord op de vragen die ook door u zijn gesteld, maar ik word bij mijn eerste zin al door u geïnterrumpeerd. Dus ik hoop dat ik eraan toekom, daar antwoord op te geven.
Voorzitter. De VVD-fractie...
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter.
De voorzitter: Nu vervolgt mevrouw Örgü haar betoog. Ik heb heel duidelijk aangegeven wat de agenda voor vanavond is.
**
De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Örgü moet nog wel antwoord geven op mijn vraag.
De voorzitter: U hebt mevrouw Örgü gehoord. Daar zal zij vast nog op ingaan.
**
De heer Van Dam (PvdA): Dat neem ik aan, maar zij begint gewoon met haar tekst. Ik wil antwoord op mijn vraag.
Mevrouw Örgü (VVD): Ik stel mijn vragen om dezelfde reden als de heer Van Dam. Ook hij heeft vanmorgen het persbericht van de raad van bestuur ontvangen met de kritiek op de terugval van reclame-inkomsten. De reden dat ik dit naar voren breng, is dat er bij het sluiten van het compromis met CDA en D66 verschillende onderdelen zijn die het niet hebben gehaald. Wij hadden het liefst een reclamevrij publiek bestel gezien. Wij hadden het liefst twee netten gezien en wij hadden het liefst alleen productiehuizen gezien in plaats van omroepverenigingen. Dat neemt niet weg dat je in coalitieverband allerlei afspraken met elkaar moet maken. Dat neemt ook niet weg dat wij als VVD-fractie een realistische kijk hebben. Dit was het meest haalbare en daarin kom je ook tot de positieve punten. De reclame-inkomsten lopen terug en worden niet aangevuld uit de staatskas, maar wij kunnen dit onderwerp opnieuw aan de orde stellen. Daar zijn wij tevreden over. Ook zijn wij tevreden over het feit dat de programmagegevens dit jaar vrijgegeven zullen worden. Wij zijn tevreden over het feit dat er een parlementskanaal komt. Dit zijn punten die de VVD-fractie ook in overweging heeft genomen om er in ieder geval voor te zorgen dat er een omwenteling komt in het publiek bestel, waarbij de VVD-fractie bepaalde keuzes heeft gemaakt. Ik stel vast dat men niet voor honderd procent tevreden kan zijn en dat men heel kritisch is als het gaat om de toekomst van dit bestel. Daar zullen wij in de discussie tijdens het hoofdlijnendebat op ingaan. Alles is bespreekbaar, zoals ook de heer Bakker aangaf. Wij hebben als coalitie een compromis gesloten. Wij zijn blij dat wij dat compromis met elkaar hebben kunnen sluiten, want er gaat in ieder geval iets veranderen waardoor wij wat de bestendigheid in de toekomst betreft een stapje verder zijn dan in de huidige situatie.
De heer Van Dam (PvdA): Ik waardeer de openheid waarmee de VVD-fractie bespreekt hoe teleurgesteld zij is over het resultaat van de onderhandelingen waaraan zij zelf heeft deelgenomen. Als ik het goed begrijp, wil mevrouw Örgü hier vanaf het bereikte compromis verder onderhandelen met de staatssecretaris. Zij legt allerlei nieuwe wensen op het bord van de staatssecretaris. Het compromis is kennelijk een tussenstand en als het aan mevrouw Örgü ligt, gaan wij in het debat nog verder.
Mevrouw Örgü (VVD): Ik heb geen nieuwe voorstellen gedaan. Het voorstel dat ik zojuist deed over de uitkomsten van reclamevrije televisie, heb ik eerder gedaan in een motie, die de Kamer heeft aangenomen. De staatssecretaris heeft toegezegd dat zij de motie aan de Kamer zou toesturen als bijlage bij haar visiedocument. Dat is niet gebeurd.
Ik kan eerlijk zijn. Een compromis dat wij met de PvdA hadden kunnen sluiten, zou waarschijnlijk niet verder reiken dan datgene wat wij nu met het CDA hebben bereikt. De VVD en D66 hebben nog geen 76 zetels. Met de PvdA zouden wij een compromis hebben bereikt dat misschien een stapje verder was gegaan, maar dit is in de huidige situatie het meest haalbare. Wij zullen de komende tijd zeker terugkomen op bepaalde punten, maar wij hebben ook afspraken gemaakt, waaraan wij ons zullen houden.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Nu wordt een en ander duidelijk. U staat nog wat tegen de wind in te blazen, maar u houdt zich aan de gemaakte afspraken. Stel dat er een motie komt voor reclamevrije televisie met een prachtige bekostiging en u kunt zorgen dat daarvoor een meerderheid komt zonder steun van CDA en D66, steunt u de motie dan, of zit u vast aan de afspraken?
Mevrouw Örgü (VVD): Als het een oplossing zou zijn waarmee iedereen blij was, zou dat voor de CDA-fractie geen principeprobleem zijn.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik vroeg naar uw standpunt.
Mevrouw Örgü (VVD): Er valt over te praten.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is dus samen uit, samen thuis. U kunt alleen van mening veranderen over een onderdeel van het plan of over het hele plan als alledrie de partijen van mening veranderen. U bent zelf volledig onvrij geworden, want u kunt helemaal geen stappen zetten. U zit aan alle kanten vast.
Mevrouw Örgü (VVD): Dat is gelukkig niet het geval. Wij zitten nooit ergens aan vast. De media veranderen. De trend zet door. Komend jaar veranderen dingen ook. Je moet ontwikkelingen in de samenleving betrekken bij beslissingen die je neemt. Het compromis dat wij hebben bereikt, betekent niet dat wij daarover over twee jaar nog dezelfde ideeën hebben. Het medialandschap verandert snel.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik ben het met u eens dat deze voorstellen niet duurzaam zijn en daarom ook niet lang stand zullen houden. U moet dan inderdaad weer gaan onderhandelen. U maakt op een pijnlijke manier duidelijk dat u zich hebt uitgeleverd aan het CDA en geen enkele ruimte meer hebt.
Mevrouw Kraneveldt (LPF): U zegt dat dit onder de gegeven omstandigheden het best haalbare resultaat was en dat de VVD-fractie er over twee jaar misschien anders over denkt. Over twee jaar liggen er waarschijnlijk wetsvoorstellen over de manier waarop de publieke omroep de 21e eeuw in moet. Is het niet heel triest, als dit nu het best haalbare is?
Mevrouw Örgü (VVD): Het is in ieder geval een stapje in de goede richting. Als wij nu niets doen, raakt het publieke bestel gemarginaliseerd.
Mevrouw Vergeer (SP): Over twee jaar ligt de zaak inderdaad heel anders, want dan zijn er verkiezingen. Daarna moet het nieuwe omroepbestel ingaan. Acht de VVD-fractie zich dan nog gebonden aan datgene wat hier is afgesproken?
Mevrouw Örgü (VVD): Als het goed is hebben wij dit binnen een jaar in wetten geregeld en zal het allemaal in 2008 ingaan.
Mevrouw Vergeer (SP): Telt het dan niet meer dat wij moeten meegaan met de ontwikkelingen in de maatschappij?
Mevrouw Örgü (VVD): Wat wij nu hebben besloten, is breed ingezet en er is aan verschillende onderdelen gedacht. Dat wordt erbij betrokken.
Dat is een van de uitgangspunten van het huidige voorstel. Bij de mediasector moet je niet naar één terrein kijken; je moet dat heel breed bekijken. Op dit moment hebben wij een publiek bestel, maar er zijn zoveel ontwikkelingen, op het terrein van internet, digitalisering. In dit voorstel worden die er zeker bij betrokken.
Mevrouw Vergeer (SP): De VVD-fractie staat dus mede met het oog op de bestendigheid en de duurzaamheid van hetgeen wij nu met elkaar gaan afspreken, open voor de mening in de Kamer.
Mevrouw Örgü (VVD): Dat is de grondhouding van de VVD. Wij gaan mee met de tijd en de ontwikkelingen. Wij maken hier geen afspraken die de ontwikkelingen, de zich sowieso in de maatschappij voordoen, in de weg staan.
*N
De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Inmiddels is duidelijk wat het onderwerp van dit spoeddebat is: met het oog op morgen -- het programma is bijna afgelopen -- als leidraad voor het toekomstig omroepbestel. Dit omroepbestel heeft de afgelopen weken zijn beslag gekregen, althans, het is in de grondverf gezet. Het CDA heeft daar met overtuiging zijn handtekening onder gezet omdat het voldoet aan een aantal criteria en uitgangspunten die het CDA eerder heeft geformuleerd.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb precies een vraag over die handtekening. Onder de voorstellen staat de handtekening van de staatssecretaris. Als ook het CDA zijn handtekening daaronder heeft gezet, is dit wel degelijk een regeerakkoord.
De heer Atsma (CDA): De hoofdlijnen van de afspraken, die de staatssecretaris in haar prachtige, ambitieuze nota Met het oog op morgen heeft verwoord, hebben de volle steun van de CDA-fractie. Daar laat ik geen twijfel over bestaan. Wij achten ons gebonden aan hetgeen is gezegd en geschreven. Dat mag volstrekt helder zijn.
Mevrouw Vergeer (SP): Ik vraag mij af waar de heer Atsma nou eigenlijk mee ingestemd heeft. Heeft hij ingestemd met het organogram waarin de NPS als werkmaatschappij op 24 juni nog aanwezig is? Of heeft hij ingestemd met het voorstel dat wij drie dagen geleden hebben gekregen, waarbij dat niet meer het geval is?
De heer Atsma (CDA): Ik heb anderhalve zin uitgesproken. Ik had willen zeggen dat ik mij op hoofdlijnen wilde aansluiten bij de woorden van collega Bakker, hoewel ik erken dat zijn kennis van de grachten van Amsterdam en de singels daaromheen waarschijnlijk beter is dan die van mij. Ik kan mij vooral uitstekend vinden in de woorden van de heer Bakker omdat in het beleid van de staatssecretaris bij de publieke omroep in de toekomst wordt uitgegaan van functies, en dan ben ik inderdaad terug bij een aantal afspraken uit het akkoord van Paars, of zo men wil, uit het regeerakkoord. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende functies: de nieuwsfunctie -- lees: NOS -- de duiding, de opinieprogramma's -- die zijn voor de omroeporganisaties -- en de functies C: educatie, cultuur, kunst en een aantal andere zaken, waaronder, onder voorwaarden, amusement. Dat is nieuw. Deze drie functies vloeien rechtstreeks voort uit de analyse van het rapport van Rinnooy Kan en vooral ook uit de analyse van de WRR.
De CDA-fractie hecht eraan de Kamer erop te wijzen dat dit het vertrekpunt is geweest voor de CDA-fractie in de discussie. Daarin heeft zij nadrukkelijk aangegeven te hechten aan een bestel waarin de fundering vooral wordt gevormd door de omroepverenigingen. Terecht heeft een aantal collega's daar in eerste termijn op gewezen. Die fundering is hecht en degelijk. De omroepen krijgen een vast budget, gegarandeerd, voor het waarmaken van hun rol in de functie B, de functie informatievoorziening en duiding van het nieuws. Daarnaast kunnen omroepverenigingen, als ze goede programma's aanbieden, een beroep doen op budgetten die voor de functie C beschikbaar zijn.
Wat dat betreft, sluit het dus prima aan bij de ideeën die de CDA-fractie de afgelopen jaren meermaals heeft geventileerd. Wij willen dat waarborgen. Wij willen ook waarborgen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de programma's en waarborgen ten aanzien van de plaats van de programma's binnen het zendtijdschema.
Voorzitter. Met dit antwoord heb de vraag heb ik al een belangrijk deel van mijn inbreng gehad.
Mevrouw Vergeer (SP): Voorzitter. Het verbaast mij heel erg dat de heer Atsma hier zo tevreden mee is. Het budget van de omroepverenigingen wordt gehalveerd. Dus al die mooie programma's die de omroepverenigingen maken, kunnen zij nu al voor de helft niet meer maken. Zij mogen zich alleen maar beperken tot opinie en debat. Dat lijkt toch weer een beetje op een situatie die wij lang geleden achter ons hebben gelaten. Waarom bent u zo blij met de halvering van de omroepverenigingen?
De heer Atsma (CDA): Het lijkt mij verstandig dat u "Met het oog op morgen" nog een keer leest, omdat daarin helemaal niet staat dat alles wordt gehalveerd. Daarin staat dat de helft van het huidige budget wordt gegarandeerd voor die functie B en dat omroepen daarnaast kunnen meedingen naar programma's die in de functie C thuishoren. Voor het overige is ook de afspraak gemaakt dat het budget dat voor de NPS bedoeld zou zijn geweest, over de drie verschillende functies wordt verdeeld. Hoe komt u er dus bij om zo expliciet te stellen dat de inkomsten van de omroepverenigingen zo ver terug zouden lopen? Ik wil er nog een laatste opmerking aan toevoegen, namelijk dat de omroepen meer ondernemersvrijheid krijgen. Dat spreekt de CDA-fractie ook zeer aan. Dat heeft onder Paars nooit gekund. Dat betekent dat zij ook elders inkomsten kunnen verwerven onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat dat ook weer in de programmering, in het maken van programma's, wordt ingezet.
Ik kan het niet makkelijker en niet duidelijker zeggen, maar het betekent dus per definitie niet dat zij er straks armlastig bij zullen lopen.
De heer Van Dam (PvdA): Er was natuurlijk altijd een goede reden om omroepen niet toe te staan om hun beste programma's aan de commerciëlen te verkopen, want daar heeft de publieke omroep niet zoveel aan. Ik hoorde de heer Atsma zojuist zeggen dat hij zich gebonden acht aan het stuk dat er nu ligt. Ik heb de heer Dittrich dinsdag horen zeggen dat elk plan bespreekbaar is. Ik hoorde mevrouw Örgü net zeggen: wij zitten nergens aan vast. Dus het CDA is blijkbaar de enige van de drie coalitiepartijen die zich gebonden acht aan het stuk dat er nu ligt.
De heer Atsma (CDA): Ik heb die woorden niet zo uitgelegd zoals u ze nu uitlegt. Voor ons staat de fundering vast. Die ligt er. Er kan natuurlijk best worden gesproken over de kleur van de verf hier en daar, over de gordijnen dicht of open en over de bloemen, maar de fundering staat wat ons betreft als een huis. Wij vinden ook dat dat het basisfundament moet zijn voor het toekomstige bestel. Ik heb niet voor niets gezegd dat de analyses van Rinnooy Kan en de WRR voor ons belangrijke uitgangspunten zijn geweest. Laten wij hopen dat het voor de Kamer ook een belangrijk uitgangspunt zal zijn. Dan is er voor het eerst in veertig jaar daadwerkelijk een stap vooruit te maken met het omroepbestel, aldus een citaat van collega Bakker.
De heer Van Dam (PvdA): Voor alle helderheid: voor het CDA is dus niet elk plan bespreekbaar, zoals voor de heer Dittrich wel elk plan bespreekbaar is?
De heer Atsma (CDA): Je kunt overal over spreken, maar dat wil absoluut niet zeggen dat elk plan, wat ons betreft, wenselijk, gewenst en acceptabel is. Natuurlijk niet! Het plan van mevrouw Halsema om terug te gaan naar twee netten en de omroepverenigingen te laten verdwijnen, is voor ons niet bespreekbaar. U hebt nog niet zo lang geleden met veel bombarie uw eigen plan in Hilversum gepresenteerd. Dat hield in: per net maximaal één bespeler. Dat is voor ons op dit moment niet bespreekbaar. Je zult maar toevallig lid van de omroepvereniging zijn die door u de wacht is aangezet.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hoort opheffing van de NPS voor u bij het fundament van de plannen?
De heer Atsma (CDA): Wij hebben nadrukkelijk aangegeven dat de NOS in het nieuwe bestel een specifieke rol krijgt voor de onafhankelijke nieuwsvoorziening en dat voor de duiding van het nieuws, dus de kleuring van het nieuws, de pluriformiteit, de omroepverenigingen een rol krijgen. De NPS, overigens ooit een afsplitsing van de NOS, is wat dat betreft een ietwat vreemde eend in de bijt. Het CDA heeft vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling al kanttekeningen geplaatst bij de positie van de NPS. De staatssecretaris zal dat wel willen bevestigen. Dat deed het CDA niet omdat er geen goede programma's werden gemaakt, maar wel omdat de NPS als organisatie principieel en fundamenteel verschilt van de omroepverenigingen. Dat mag duidelijk zijn. Wij hebben het dus niet over de programma's. Die kunnen, wat ons betreft, allemaal blijven bestaan. Een programma als Sesamstraat was er overigens al ver voordat er een NPS bestond. Nova kan ook heel goed blijven zonder de NPS. Dat geldt voor veel andere programma's ook.
Ik sluit mij aan bij de woorden van de staatssecretaris die zij op verschillende plaatsen heeft uitgesproken: de programma's kunnen heel goed blijven. Dat is echter niet aan ons. Gelukkig maar, zou ik zeggen.
Het debat in september leent zich beter voor een uitputtende behandeling. Ik heb al gezegd hoe wij oordelen over de rol van de omroepen en de Raad van bestuur. Deze raad krijgt meer bevoegdheden, gaat over budgetten en zendtijdverdeling maar dan wel binnen de afgesproken kaders. De omroeporganisaties blijven volstrekt autonoom wat betreft de inhoud van de programma's en krijgen garanties met betrekking tot de budgetten. Dat moet ertoe leiden dat het geheel meer is dan de som der delen. Dat is ook de ambitie van de CDA-fractie. De staatssecretaris heeft aan haar document de titel "Met het oog op morgen" meegegeven. Als wij gestemd hebben over de moties zijn wij met het mediabestel "Onderweg naar morgen".
De heer Van Dam (PvdA): De heer Atsma zei indertijd over het Paasakkoord dat het CDA het maximale had binnengehaald. De omroepen bleven immers de baas over de programma's en op hun budget zou niet worden gekort. Nu wordt er echter fors gekort op het budget van de omroepen en daarmee gaat hij akkoord. Wat is er veranderd sinds het Paasakkoord?
De heer Atsma (CDA): Het CDA heeft een en andermaal aangegeven goed uit de voeten te kunnen met het Paasakkoord. Wij zijn blij dat nu de helft van het budget wordt gegarandeerd voor de functie B. Dat houdt in dat voor de functie C nog veel meer mogelijk is. Daarnaast kunnen de omroepen zelfstandig veel meer ondernemen en dat zou zelfs de PvdA moeten aanspreken.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Bestaat er een uitwerking van het Paasakkoord waar de handtekening van de drie partijen onder staat ? Ik begrijp er namelijk niet zoveel van.
De heer Atsma (CDA): Als u het Paasakkoord goed hebt gelezen, kunt u vaststellen dat het 1:1 spoort met het document van de staatssecretaris. Wij steunen haar daarin volop.
*N
De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Dit spoeddebat gaat over procedurele aspecten en niet over de inhoud. Over dat laatste zal ik dan ook niets zeggen. Wel is het misschien verhelderend als ik zeg dat in de gepubliceerde visie voor de SGP-fractie wel degelijk enkele aanknopingspunten zitten. Ik verbind mij echter niet aan het totale concept.
Twee vragen staan voor mij vanavond centraal: wat is het karakter van het bereikte akkoord in de coalitie en is er voldoende zorgvuldigheid betracht voor de participanten in het publieke bestel, waarvoor nogal rigoureuze beslissingen in het vooruitzicht zijn gesteld?
Eerst het karakter van het akkoord: is het dichtgetimmerd of is er de mogelijkheid van een open debat? Met andere woorden, is het op cruciale onderdelen nog amendeerbaar als de Kamer daaraan behoefte heeft? Het is dan goed om scherp te letten op wat de coalitiefracties meedelen. Enkelen troostten zich met de opmerking van collega Dittrich van jongstleden dinsdag dat elk plan bespreekbaar zou zijn. Maar dat heeft hij nu net niet gezegd. Daar moet je in de politiek heel goed op letten! Hij heeft namelijk gezegd: elk góed plan is bespreekbaar. "Elk plan" of "elk goed plan", dat maakt een wereld van verschil. Ik wens eenieder die plannen heeft succes bij de toets van de heer Dittrich.
Mevrouw Örgü van de VVD-fractie zei zojuist dat zij nergens aan vastzit, maar dat zij wel afspraken heeft gemaakt. Mijn conclusie bij die mededelingen is dat zulks geen optimum aan flexibiliteit op kan leveren. Als ik het anders moet zien, verneem ik dat wel in de loop van het debat. Het CDA heeft de plannen heel robuust geaccordeerd en dat hier verwoord. We moeten het afwachten, maar ik stel vast dat er niet heel veel in beweging kan komen. Het is een wankel -- anderen zeggen een prudent -- compromis.
Nog een laatste opmerking over de zorgvuldigheid. De positie van de NPS is in het geding. Is het er echt zorgvuldig aan toegegaan? Als ik alle signalen tot mij neem, is mijn voorlopige oordeel van niet. Er zou dus ook geen overleg zijn geweest voorafgaand aan de beslissing, wel in de verdediging ervan. Dat vind ik onzorgvuldig. Graag hoor ik het commentaar van de staatssecretaris.
De vergadering wordt van 23.47 uur tot 24.00 uur geschorst.
*N
Staatssecretaris Van der Laan: Voorzitter. Ik zal beginnen met even kort en krachtig het model uit te leggen, want de afgelopen dagen is er veel verwarring ontstaan als gevolg van de verhalen en de beelden in de pers. Ik heb het gevoel dat er voor misverstanden zijn gerezen omdat men het model niet goed op het netvlies had. Daarom denk ik dat het goed is, ook voor dit debat, om de zaak duidelijk te maken.
In de plannen van het kabinet zijn er straks drie functies. In de eerste plaats is er duidelijk een onafhankelijke, objectieve rol voor de NOS, op het gebied van nieuws en sport. Ik heb het over de NOS zoals die nu bestaat; deze wordt gewoon voortgezet in het nieuwe model.
Dan kom ik nu op de tweede functie. De omroepverenigingen zien het als een belangrijke meerwaarde dat zij actief contact onderhouden met hun achterban. Vanuit hun verantwoordelijkheid zorgen zij voor goede programma's voor het publieke bestel. Reeds in het Paasakkoord hebben wij aangegeven dat het, juist met het oog op de onafhankelijkheid ten opzichte van overheid en politiek en juist voor het contact met de burger zo ontzettend belangrijk is dat omroepverenigingen specifiek voor hun achterban hun programma's maken. Dat is nu in dit plan uitgewerkt. Wij maken het bestel eigenlijk niet meer hybride. Het huidige bestel is dat wel, en het is ook nog onduidelijk. Enerzijds moeten omroepverenigingen zich committeren aan het geheel, maar anderzijds moeten zij permanent hun achterban bedienen. Ga er maar aanstaan. Dit is de beroemde spagaat, in het jargon van Hilversum. Die spagaat heffen wij op, en dat doen wij niet alleen voor de omroepverenigingen, maar juist voor de kijker. Het kabinet maakt zo'n helder onderscheid, omdat het voor de kijker onder alle omstandigheden duidelijk moet zijn wanneer er sprake is van een onafhankelijke, objectieve nieuwsvoorziening, door middel van het journaal of een andere rubriek, dan wel van een opinievormend maatschappelijk debat met een bepaalde inkleuring. Willen wij juist niet dat het kleurenpalet van onze samenleving een plek krijgt binnen de publieke omroep? Hoe kan dit beter dan met directe invloed van burgers? Dat is zeer D66: directe invloed van burgers op de programma's rond opinie en maatschappelijk debat.
Tegelijkertijd vond ik het principe van aansturing van het geheel door de publieke omroep voor de publieke omroep belangrijk. De medewerkers worden langzamerhand gek in Hilversum. Van de één moeten zij dit, en van de ander moeten zij dat. Straks is er maar één baas: je eigen baas. Je werkt voor een omroepvereniging, en daaraan leg je verantwoording af. De raad van bestuur maakt afspraken voor het geheel. Mij lijkt het allemaal heel helder.
Alle overige taken liggen bij de derde functie.
De heer Van Dam (PvdA): Volgens de staatssecretaris werden de medewerkers in Hilversum zo langzamerhand gek van het bestel. Nu was de staatssecretaris maandag zelf in Hilversum. Had zij de indruk dat de medewerkers er een stuk rustiger op geworden waren?
Staatssecretaris Van der Laan: Ik kreeg de indruk dat de medewerkers geen vertrouwen hadden in de wijze waarop nu binnen dit bestel met hen wordt omgegaan. Dat is de emotie die ik voelde. Als ik het perspectief schetste dat de programma's behouden zouden blijven en dat daarvoor alle ruimte zou zijn, had ik het gevoel dat zij dachten: dat kan wel, maar wij maken het dagelijks mee dat er allerlei rare dingen gebeuren. Ik ga er overigens niet over of de programma's blijven bestaan. Mensen zeiden tegen mij: er wordt bezuinigd op mijn programma, kunt u daar iets aan doen, mevrouw de staatssecretaris? Maar zo werkt het niet; ik ga niet over de bezuiniging op een kinderprogramma. De raad van bestuur gaat daarover. Op dit moment gaat de eigen omroepvereniging daarover. Mijn beeld van de situatie is, dat wij een duidelijke structuur schetsten. Overigens liepen de emoties vooral hoog op bij de NPS-medewerkers. Dat is logisch, en ik heb gezegd dat ik zeer goed begreep dat zij geëmotioneerd waren over deze beslissing. Ik kom straks overigens nog terug op de communicatie met de NPS.
De situatie is in ieder geval dat het straks voor omroepmedewerkers en voor programmamakers volstrekt helder zal zijn voor wie zij werken en waar zij het voor doen. Zij zullen niet meer in de spagaat worden getrokken van enerzijds de achterban bedienen en anderzijds het geheel bedienen. Wij gaan daar een helder onderscheid in maken, zodat ook voor de kijker steeds helder is, voor wie, waarvoor en met welke afzender het programma wordt gemaakt.
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik begrijp dat de staatssecretaris aan maandag de indruk heeft overgehouden dat zij het vertrouwen heeft hersteld bij de omroepmedewerkers in hoe er met hun wordt omgegaan.
Staatssecretaris Van der Laan: Voorzitter. Ik zeg nu juist dat ik daar geen rol in kan vervullen, maar dat dit binnen de publieke omroep een zaak is die moet worden opgelost. Ik heb in de afgelopen twee jaar ook in het proces van de voorbereiding van het kabinetsstandpunt diverse gesprekken gevoerd met programmamakers. Daarbij hebben zij mij niet verteld dat zij het zo fantastisch naar hun zin hadden in de huidige constructie. Geen enkele omroepmedewerker heeft mij dat verteld. Zij vroegen om een duidelijke nieuwe inrichting. Dat verschillende medewerkers daar verschillende meningen over hebben, zeker op het moment dat je eigen situatie onzeker wordt, daar heb ik veel begrip voor uitgesproken afgelopen maandag. Dat begrip heb ik ook. Het is lastig voor programmamakers als zij zich moeten afvragen waar hun programma zal staan over drie jaar. Maar ik heb maandag aangegeven, en dat bevestig ik hier vandaag weer, dat het gaat om de programma's en bij de goede programma's horen de goede programmamakers. Daar hebben wij het afgelopen maandag over gehad.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Kunt u mij vertellen voor welke werkgever de medewerkers van Klokhuis gaan werken?
Staatssecretaris Van der Laan: Nee, dat kan ik u niet vertellen. Het duurt nog drie jaar, het is aan de NPS en aan de raad van bestuur om daar goede afspraken over te maken. Uit contacten met hen weet ik dat zij daar volgende week het eerste gesprek over hebben. Ik heb de raad van bestuur gevraagd om een zorgvuldig proces, zodat er voor alle programma's een goede plek kan worden gevonden. De heer Bakker heeft het ook heel duidelijk verwoord: dit plan biedt alle gelegenheid om een goede plek te vinden. Tegelijkertijd kan er een interne organisatie worden gecreëerd voor programma's waarvoor dat noodzakelijk is. De plannen bieden alle ruimte om dat mogelijk te maken. Als het voor de continuïteit en kwaliteit van programma's nodig is dat zij bij de eigen organisatie blijven en dat NPS-programmamakers binnen de organisatie van de publieke omroep worden gebracht, dan wordt dat programma gewoon binnen de capaciteit van de publieke omroep gecontinueerd. Voor mij staan de programma's centraal. Daar gaat het om. Ik kan niet instaan voor individuele beslissingen die vandaag of morgen kunnen worden genomen om een programma te stoppen. Dat kan altijd, dat is de autonomie van een omroepdirecteur. De plannen bieden mogelijkheden en het budget ook. Wij hebben gezegd dat het budget voor de NPS gewoon toevalt aan de raad van bestuur en hij kan er met dat budget voor zorgen dat die programma's blijven bestaan. De raad van bestuur heeft vorige week in zijn persconferentie in reactie op het kabinetsstandpunt gezegd het als zijn opdracht te zien om dat zorgvuldig en goed vorm te geven.
De voorzitter: Mevrouw Halsema. Denkt u wel aan de door uzelf gewenste begrenzing van het debat?
**
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ja, voorzitter, daar zal ik zeker rekening mee houden, maar aangezien de staatssecretaris een exposé geeft over de inhoud van haar plannen, wordt dat wel lastig.
Laat ik er nog één vraag over stellen. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, kan zij geen enkele garantie geven dat programma's ergens anders geplaatst kunnen worden. De raad van bestuur kan daartoe besluiten, maar ook niet. Als zij eerlijk is, moet zij gewoon zeggen dat opheffing van de NPS ook opheffing van die programma's kan betekenen, want zij gaat daar niet over. Als zij er wel over gaat, hebben wij een heel ander model.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik heb gezegd dat de raad van bestuur afgelopen vrijdag heeft aangegeven het als zijn opdracht te zien om de programma's die nu worden gemaakt door de NPS en die blijvend gewaardeerd worden door de kijkers, een goede plek te geven in het nieuwe bestel. Daar houd ik de raad aan.
Mevrouw Vergeer (SP): Het is goed om te horen dat de raad van bestuur dat heeft gezegd, maar vandaag staat in een persbericht van de raad van bestuur dat zelfs de voorzitter daarvan, de heer Bruins Slot, er eigenlijk geen vertrouwen in heeft. Hij zegt: "Er is altijd gesproken over budgettair neutraal, maar dat is niet zo. Cultuur wordt één op één reclameafhankelijk. De NPS-programma's zouden behouden moeten blijven, maar zonder geld geen oplossingen. De conclusie is dat met dit financiële arrangement de ambities van het kabinet niet kunnen worden gerealiseerd".
Staatssecretaris Van der Laan: Ik heb mij wat verbaasd over deze uitspraak van de heer Bruins Slot, omdat ik meen dat hij anticipeert op een situatie die zich nog volstrekt niet voordoet. Er is op dit moment sprake van een reclame-inkomstenderving, die overigens al maanden geleden was voorzien. Dat is geen verrassing voor de raad van bestuur, die gisteren, vandaag of morgen gewoon maatregelen kan nemen. Men kan zeggen: wij gaan weer verder op de weg van een sterke publieke omroep. Er zijn natuurlijk ontwikkelingen in het medialandschap, maar die kende de raad van bestuur bij de lancering van de plannen van Talpa ook al. Dat betekent dat de raad van bestuur volop aan het stuur zit. Sinds september heeft men veel meer bevoegdheden dan daarvoor. Beste raad van bestuur, voor u is de prachtige taak weggelegd om te zorgen dat de publieke omroep sterk is, en goede programma's maakt waarnaar heel veel mensen heel graag kijken; waarbij alle groepen goed worden bediend en waarvan iedereen blij wordt. Dan zal die ontwikkeling zich niet voordoen. Het is natuurlijk wel afhankelijk van de kracht en de visie die de komende jaren verder wordt ontwikkeld door de raad van bestuur. Naar mijn mening bieden deze plannen alle ruimte aan de raad van bestuur om zelf invulling daaraan te geven. Wij hebben creativiteit en ondernemerschap centraal gesteld, niet alleen bij de omroepverenigingen, maar ook bij de raad van bestuur.
Als de raad van bestuur nu zegt dat het misschien niet helemaal geweldig gaat, antwoord ik: het gaat geweldig, want u bent er, u zit aan het stuur, dus u kunt er iets van maken.
Diverse leden hebben mij gevraagd hoe het nu precies zit met de status van het voorstel. Natuurlijk lag er een Paasakkoord. Daar stonden de handtekeningen van de fracties onder. Dat is de heldere status van het Paasakkoord. Ook dat akkoord was volstrekt helder dat bij het kabinet, bij mij, de opdracht lag om daaraan een verdere uitwerking te geven. Dat heb ik gedaan. Ten behoeve van die uitwerking heb ik overleg gevoerd met de fracties, juist omdat het belangrijk is bij een thema als de publieke omroep en juist omdat het gaat om ingrijpende voorstellen. Dan is het belangrijk te zien of er draagvlak is voor de plannen. Daarover hebben wij overleg gevoerd. Dat staat centraal. Dit is eigenlijk het enige wat ik hierover kan zeggen. Het is mijn verantwoordelijkheid. Het is de kabinetsverantwoordelijkheid voor deze plannen. Ik merk ook in de eerste termijn dat het draagvlak voor deze plannen bij de coalitiepartijen wordt bevestigd. Dat is belangrijk, juist bij zo'n dossier, waarbij wij dermate majeure stappen zetten, na decennia van stilstand. Dan moet je even goed zorgen dat je een heldere koers vaart met elkaar.
De heer Van Dam (PvdA): Als ik het goed begrijp, zegt de staatssecretaris: ik vind het heel relevant dat er draagvlak is, maar dan bij de coalitie, niet in Hilversum.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik heb de afgelopen twee jaar Hilversum opgeroepen tot, en alle ruimte gegeven om met een eensluidend voorstel te komen, waar de omroepen allemaal samen onder zouden gaan staan. Zoals u misschien weet, is dit een maand of vijf geleden niet helemaal gelukt. Ik had de omroepen twee jaar lang gevraagd om zelf met een voorstel te komen, omdat ik het belangrijk vind dat dit ook in Hilversum wordt gedragen. Ik heb de afgelopen anderhalf jaar ook helaas moeten constateren dat het heel moeilijk is voor Hilversum om met een eensluidende visie te komen op de toekomst. Daarom heb ik gezegd: dan neem ik mijn verantwoordelijkheid. Vorig jaar juni hebben wij gezegd dat het kabinet met een visie zou komen. Ik heb toen ook aan Hilversum gevraagd om met een visie te komen. Die werd steeds uitgesteld. Het zou eerst november worden, toen december, toen januari. Uiteindelijk was het eerst een groot plan en toen uiteindelijk een klein plan. Dat begrijp ik ook wel, want het is ook heel moeilijk om er samen uit te komen, zeker als je spreekt over negen, tien of elf partijen, die er nog eens samen uit moeten komen. Uiteindelijk heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen. Ik had u toegezegd om voor de zomer een kabinetsstandpunt te komen. Dat heb ik gedaan. Ik heb daarbij aan Hilversum gevraagd om met een voorstel te komen. Dat is niet helemaal gelukt, althans niet om met een eensluidend voorstel te komen. Dan neem ik uiteindelijk mijn verantwoordelijkheid om met een kabinetsvisie te komen, waarvan ik inderdaad ook weet dat daarvoor deels wel draagvlak bestaat. Door een deel is er positief op gereageerd, door een ander deel niet. Dat is precies de situatie die wij de afgelopen decennia hebben gekend. Ik ben blij dat wij nu als kabinet een heel duidelijke lijn hebben uitgezet.
De voorzitter: Neen, ik sta geen aanvullende interruptie toe. U hebt uw vraag gesteld en antwoord gekregen. De staatssecretaris vervolgt haar betoog. Zij gaat nu echt even door. U mag dan wel neen schudden en boos kijken, maar zij gaat gewoon door.
**
Staatssecretaris Van der Laan: Ik zal het heel kort houden. Het is al laat. Ik zal zo kort mogelijk op de zaken in gaan. Eén punt wil ik wel even recht zetten. Zowel de heer Van der Vlies als mevrouw Halsema heeft zich bezorgd getoond of er wel voldoende contacten waren geweest met de NPS. Die zijn er geweest. Ik heb niet met de ondernemingsraad gesproken. Zo werkt het niet in dit soort situaties. Ik heb gesproken met de voorzitter. Ik heb veel contact gehad met de NPS-voorzitter. Dat was zeker het geval in de laatste week, waarin heel intensief over de NPS is gesproken. Ik ben daar heel open over. Het is een publiek geheim. Als het beeld is ontstaan dat de voorzitter volstrekt is overvallen door het plan, is dat onjuist. Ik zal niet ontkennen dat er in die week veel is gebeurd. Hij is wel steeds op de hoogte gehouden van de verschillende ontwikkelingen, soms zelfs meerdere malen per dag. Ik vind het belangrijk dat niet het beeld ontstaat dat er volstrekte stilte richting de NPS is geweest. Dat is niet het geval. Het is dus geen overval geweest. Integendeel, ik heb de voorzitter naar mijn oordeel juist adequaat geïnformeerd. Ik denk dat ik hiermee de kern wel te pakken heb.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Het is dan toch gek dat je van de NPS hoort dat zij het uit de wakkerste krant van Nederland hebben moeten vernemen.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik heb gezegd dat ik contact heb gehad met de voorzitter. Ik kan natuurlijk niet gaan praten met 310 medewerkers, ook niet met een ondernemingsraad. Dan had ik ook met de andere negen omroepverenigingen moeten gaan praten. Dat is ook niet gebeurd. Omdat het voor de NPS wel een bijzondere situatie was en er ten opzichte van de NPS een grote stap werd gezet, heb ik er wel voor gekozen om de NPS in het bijzonder te informeren. Dat doe ik niet rechtstreeks met 310 medewerkers. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de voorzitter om het intern te communiceren. Ik praat niet met 310 mensen. De Kamer zal wel begrijpen dat ik niet eerst een briefje stuur aan de medewerkers. Dat doe ik ook niet aan de omroepverenigingen. Dan had ik 3.000 mensen moeten schrijven. Het is ook niet mijn verantwoordelijkheid. Het zou geen werkzame situatie zijn geweest. Overigens begrijp ik wel dat het vervelend voor hen is geweest om het op deze manier te hebben moeten vernemen. Deze situatie heeft zich echter voorgedaan. In ieder geval heb ik de voorzitter geïnformeerd, en dat is vanuit mijn verantwoordelijkheid het belangrijkste aanspreekpunt.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): In het journaal heeft de staatssecretaris gezegd dat zij zich niet principieel zal verzetten wanneer een Kamermeerderheid ontstaat tegen opheffing van de NPS. Mag ik daaruit concluderen dat voor de staatssecretaris de opheffing van de NPS niet tot het fundament van de afspraken binnen de coalitie behoort.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik heb het niet over de opheffing van de NPS maar over het opheffen van de NPS en het voortbestaan van de programma's in die combinatie. Dat is een belangrijk onderdeel van het kabinetsstandpunt. Uit de inbreng van de leden leid ik af dat de Kamer de oproep van mevrouw Halsema om het hele plan en in het bijzonder dit onderdeel te herzien in meerderheid niet steunt. Ik constateer bij deze dat daarvoor geen meerderheid bestaat.
Toen een journalist mij vroeg naar de situatie die zou ontstaan wanneer deze meerderheid er zou komen, heb ik in algemene zin geantwoord dat het geen principieel punt is. Zoals met al mijn plannen, kunnen in de Kamer meerderheden ontstaan op meer of minder principiële punten. Ik constateer in deze eerste termijn dat er geen steun bestaat voor de voorstellen van mevrouw Halsema. Ik verdedig hier de plannen en sta daar achter. Het gaat er om dat de programma's behouden blijven. Ik ben van mening dat daarvoor een heel goed perspectief wordt geboden.
Mevrouw Vergeer (SP): Ik vraag mij af of de staatssecretaris werkelijk zorgvuldig met alle partijen heeft overlegd. Ik vind het toch wel heel erg vreemd dat de NPS nog als een werkmaatschappij staat opgenomen in het organogram van 24 juni. In het verhaal is dat niet meer zo, terwijl er maar een week tussen zit.
Staatssecretaris Van der Laan: Het is inderdaad het geval dat in de laatste dagen veel overleg is gevoerd. Er heeft een aantal varianten op tafel gelegen. Daarover hoef ik niet geheimzinnig te doen. Het is gewoon zo. Per abuis is het in het schema onduidelijk hoe de NPS er precies instaat. Het kan ook worden gelezen als dat het gaat om de NPS-taken. Ik kan mij voorstellen dat het onduidelijk wordt gevonden in het schema. Het is inderdaad een omissie van onze kant.
Er zijn verschillende voorstellen geweest. Bij de laatste aanpassingen van het standpunt van het kabinet is dit wat minder duidelijk in het schema terechtgekomen.
Mevrouw Vergeer (SP): Mag ik ook de conclusie trekken dat het in de laatste week een haastklus is geweest?
Staatssecretaris Van der Laan: Nee. In de laatste dagen is er wel -- daar ben ik heel open over -- vooral veel gesproken over de positie van de NPS. Er is ook over andere dingen gesproken, maar ook over de NPS. Wij hadden de Kamer beloofd haar zo snel mogelijk, nog voor het reces, het kabinetsstandpunt te doen toekomen. Ik heb ervoor gezorgd dat dit standpunt de Kamer zo snel mogelijk kon bereiken. Wij hebben veel haast gemaakt en toch geprobeerd alle puntjes op de i te zetten. Heel soms wordt er een menselijke fout gemaakt. In de toelichting en de tekst is echter volstrekt helder geworden hoe de positie en de programma's van de NPS behouden blijven.
De heer Van der Vlies (SGP): De staatssecretaris zegt in de laatste week van de onderhandelingen de voorzitter van de NPS te hebben geïnformeerd, zelfs regelmatig. Nu heeft die voorzitter een brief aan de Kamer gestuurd, die op gisteren is gedateerd. Ik neem aan dat de staatssecretaris die brief kent. Hij noemt de besluitvorming onverstandig en onbegrijpelijk. "Onverstandig" kan ik mij voorstellen. Dat zou erop kunnen duiden dat je het niet eens bent geworden met elkaar. Dat moet kunnen in dit land. "Onbegrijpelijk" verdraagt zich niet helemaal met de intensieve informatie door de staatssecretaris in de laatste week.
Staatssecretaris Van der Laan: De heer Van Boxtel, de voorzitter van de NPS, kiest zijn eigen woorden. Er werd mij gevraagd of er contact is geweest met de NPS. Ik heb aangegeven op welke wijze dat contact heeft plaatsgevonden. Ik heb hem steeds geïnformeerd over de verschillende besprekingen die plaatsvonden. Dat leek mij eerlijk en open, omdat hij een belangrijke verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie. Hij kiest zijn eigen woorden om uiteindelijk een conclusie te trekken over de uitkomsten van het kabinetsplan. Zo lees ik zijn brief. Ik ga zijn brief en zijn woorden verder niet interpreteren op zijn beoordeling van het proces. Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Ik heb hem geïnformeerd. Daar sta ik voor. Hoe hij dat weegt en welke woorden hij kiest is aan hem.
De heer Van der Vlies (SGP): De staatssecretaris heeft in die week met de heer Van Boxtel gesproken. Zijn de signalen "onverstandig" en "onbegrijpelijk" aan haar meegedeeld?
Staatssecretaris Van der Laan: Hij heeft aangegeven hoe hij tegen de verschillende varianten aankeek.
De heer Van Dam (PvdA): Ik ben een beetje verbaasd, want ik heb de indruk dat de staatssecretaris meent aan het eind van haar eerste termijn te zijn.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik meen in de kern op de verschillende vragen en ook op de samenhang tussen de vragen te hebben geantwoord, maar misschien vergis ik mij.
De heer Van Dam (PvdA): Ik moet misschien een beetje naar de voorzitter kijken. Ik neem wel aan dat de staatssecretaris gewoon alle vragen die de Kamer heeft gesteld gaat beantwoorden. Het is al erg genoeg dat dit allemaal in de achterkamertjes geregeld is. Wij hebben gevraagd om openheid. Hoe is het gegaan? Wat is er nog mogelijk? Was de staatssecretaris er bij toen de NPS werd opgeheven? Er zijn tal van vragen gesteld waarop wij graag een antwoord horen.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik geef met graagte nog antwoord op die vragen.
Zoals misschien al kon worden opgemaakt uit mijn woorden, ben ik in het proces dat zich de laatste weken heeft voltrokken volop betrokken geweest bij de verschillende gesprekken die hebben plaatsgevonden. Dat is een aantal keren in mijn aanwezigheid gebeurd. Verschillende mensen die hier over de gangen lopen spreken elkaar tussendoor ook nog wel eens. Bij de belangrijke punten die besproken werden, was ik volop betrokken. Als dat belangrijke informatie voor de heer Van Dam is, geef ik die graag.
Een van de vragen die ook is gesteld is of er contacten zijn geweest met de KRO en de EO. Die was aan het CDA gesteld en naar ik aanneem niet aan mij.
De heer Van Dam heeft een vraag gesteld over het raadplegen van de NPS en over de uitkomst in de achterkamertjes. Ik heb geantwoord over de wijze waarop ik heb geopereerd en over het draagvlak dat ik heb willen verwerven voor zo'n belangrijke beslissing voor de publieke omroep. Volgens mij zijn dit de belangrijkste vragen van de heer Van Dam geweest.
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter, ik had de staatssecretaris gevraagd of zij begrip heeft voor de zware kritiek van de raad van bestuur, ik had haar gevraagd om een reactie op de zware kritiek vanuit de VVD…
Staatssecretaris Van der Laan: Van de VVD?
De heer Van Dam (PvdA): Ik neem aan dat u toch ook het persbericht van de VVD heeft gelezen waarin aangegeven wordt dat dit een slecht plan is, dat dit geen duurzaam en toekomstbestendig model is.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik ben volgens mij in reactie op een interruptie van mevrouw Vergeer al ingegaan op de kritiek van de raad van bestuur, met name op de zorgen van de raad over de toekomst van dit plan, vooral over de derving van reclameinkomsten. Overigens is de derving van reclameinkomsten ook zonder dit plan een thema waarover de raad van bestuur zich op zichzelf terecht zorgen maakt. Ik heb wel aangegeven dat hij daarbij zelf het stuur in handen heeft en zelf oplossingen kan geven.
De heer Van Dam (PvdA): Met alle respect, de kritiek van de raad van bestuur ging niet alleen over de financiële kant van de zaak. Volgens de raad van bestuur is het alsof iemand de handleidingen van Ikea door elkaar heeft gehusseld, als je het plan leest.
Staatssecretaris Van der Laan: Dat zijn woorden van de raad van bestuur. Er is een kabinetsbesluit genomen dat uiteindelijk in wetgeving zal worden omgezet. De raad van bestuur mag daarover natuurlijk altijd een mening hebben, maar ik vind de argumenten van de raad op dit punt niet overtuigend en ik ga ervan uit dat de raad van toezicht en de raad van bestuur na het hoofdlijnendebat het plan conform de wetgeving loyaal ter hand zullen nemen, mocht de Kamer die wetgeving inderdaad aannemen. Ik ben in ieder geval nog niet overtuigd door de aangegeven punten van kritiek.
De heer Van Dam (PvdA): Zo kun je toch de kritiek van de raad van bestuur niet afdoen? Als de raad van bestuur het een rotzooitje vindt, als hij zegt dat u de publieke omroep om zeep helpt met het huidige financiële plaatje, dan zijn dat niet zo maar een paar puntjes van kritiek, dan is dat fundamentele kritiek van het orgaan dat deze plannen uiteindelijk moet uitvoeren. Dat orgaan zegt dus dat het niks wordt.
Staatssecretaris Van der Laan: Ik zie de bezorgdheid over de financiële ontwikkelingen die de raad van bestuur vanmiddag heeft getoond, ook in dat perspectief. Men maakt zich zorgen over de financiële ontwikkelingen en men geeft aan dat het, als die zich inderdaad voordoen, moeilijker wordt om de ambities van dit kabinetsplan vorm te geven. Zo heb ik het begrepen en ik heb aangegeven dat ik er alle vertrouwen in heb dat de raad van bestuur eventuele negatieve financiële ontwikkelingen zal weten te keren, omdat ik de raad alle instrumenten in handen heb gegeven om dit te doen, voor de korte termijn met het wetsvoorstel dat uw fractie overigens niet heeft gesteund, en voor de langere termijn met deze plannen. De raad heeft het stuur in handen, men kan er zelf aan beginnen, morgen al. Gisteren, eergisteren, maanden geleden wist de raad al dat de kijkcijfers omlaag gingen. Ik zeg dan ook tegen de raad van bestuur: ga aan de slag, u kunt het!
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het wekt toch enige nieuwsgierigheid als u zegt dat u er volop bij betrokken bent geweest en dat u er soms bij aanwezig was.
Staatssecretaris Van der Laan: Een aantal keren.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Goed, een aantal keren; ik zou u niet te kort willen doen. Maar was u aanwezig bij de onderhandelingen tussen de drie fractievoorzitters over de opheffing van de NPS?
Staatssecretaris Van der Laan: Daar was ik bij, zij het niet in alle fasen van de onderhandelingen, maar wel in de eindfase.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Wil dit zeggen dat u bij de finale onderhandelingen aanwezig was of alleen op het moment waarop de zaak nog even afgekaart moest worden?
Staatssecretaris Van der Laan: Ik was bij de finale onderhandelingen.
Voorzitter, aangezien er niemand meer bij de interruptiemicrofoons staat, neem ik aan dat ik alle vragen heb beantwoord.
*N
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. De allereerste tussenstand is behoorlijk ontluisterend. Behoudens de woordvoerders van de drie coalitiefracties en de staatssecretaris heb ik nog niemand gehoord die enthousiast is over het bereikte compromis. Het compromis dient misschien een politiek nut, maar het dient niet het belang van de kijkers en niet het belang van de makers.
Interessant is ook de definitie over de inhoud van het nog te voeren parlementaire debat. De heer Atsma zegt: wij hebben in september nog alle tijd om over de details van gedachten te wisselen, want het fundament ligt vast. In dit debat blijft het de vraag wat het fundament is. De heer Atsma is daarover duidelijk. Voor hem is het fundament: opheffing van de NPS. Ik kan echter een beetje tellen en ik stel vast dat hij de enige is die dat zegt. Voor de staatssecretaris is er geen principieel punt aan de orde. D66 wil beslist dat de programma's voor de grachtengordel blijven bestaan. Voor de VVD geldt hetzelfde. Ik stel dan vast dat drie van de vier partijen vinden dat de programma's moeten blijven. Tegen de staatssecretaris zeg ik: u geeft de raad van bestuur niet de opdracht om programma's al dan niet uit te zenden. Zo is het toch? Precies! U moet dus nu een keus maken, want u kunt niet garanderen dat programma's worden uitgezonden als u de organisatie die ze uitzendt opheft. Ik wil u daarom een verstandig besluit aan de hand doen: maak die opheffing ongedaan en ga met de NPS aan tafel zitten. Ik meen dat wij op deze manier heel gemakkelijk een oplossing kunnen vinden al blijft de heer Atsma een beetje dwars liggen.
Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat opheffing van de NPS buiten medeweten van en zonder overleg met de betrokkenen tot stand is gekomen;
overwegende dat verandering van het publieke bestel zorgvuldigheid en draagvlak vereist;
verzoekt de regering dit deel van de voorstellen in te trekken en met de betrokkenen in overleg te treden;
verzoekt de regering tevens de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te berichten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Halsema, Van Dam, Vergeer en Kraneveldt. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 240 (29800-VIII).
**
*N
Mevrouw Kraneveldt (LPF): Voorzitter. Dit debat is om moedeloos van te worden en gelukkig is het bijna voorbij. Het echte debat moet nog beginnen en dat komt na de zomer. In mijn eerste termijn heb ik gezegd dat ik het, ongeacht welk bestel wij krijgen, belangrijk vind dat er een onafhankelijke programmastichting of werkmaatschappij is die objectieve nieuws- en actualiteitenprogramma's maakt. Daarom geef ik de staatssecretaris voor de zomer met de volgende motie wat huiswerk mee, want de fracties van het CDA en D66 hebben wel hun volle steun aan de staatssecretaris betuigd, maar volgens de VVD is alles nog open. Dus: wie weet.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat het functioneren van onze parlementaire democratie gebaat is bij een Publieke Omroep, die mede tot doel heeft nieuws en actualiteiten uit te zenden op een wijze die recht doet aan de principes van journalistieke onafhankelijkheid en die niet ingekleurd wordt door enige politieke of levensbeschouwelijke voorkeur of enig winstoogmerk;
overwegende dat een programmastichting of werkmaatschappij, opererend op basis van een redactiestatuut dat recht doet aan de bovengenoemde eisen, de beste garantie is voor het kunnen blijven aanbieden van kwalitatief hoogstaande nieuws- en actualiteitenprogramma's;
verzoekt de regering haar plannen, vastgelegd in de toekomstvisie "Met het oog op morgen", zodanig aan te passen, dat in de toekomst het bestaan van een dergelijke programmastichting of werkmaatschappij gewaarborgd is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Kraneveldt. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 241 (29800-VIII).
**
*N
Mevrouw Vergeer (SP): Voorzitter. De staatssecretaris heeft sinds Pasen een kruiwagen vol destructieve maatregelen over de Kamer uitgestort. Onlangs is bijvoorbeeld gezegd dat teruglopende reclame-inkomsten niet worden gecompenseerd. Verder ging het om het opheffen van de NPS. De laatste week zijn echter heel wat kikkers uit de kruiwagen gesprongen, waaronder niet de minste. Ik noem in dit verband: de raad van bestuur, de visitatiecommissie en de voorzitter van de NPS. Met een dermate zwaarwegende kritiek kan de staatssecretaris de kruiwagen beter even stopzetten en de kikkers verzamelen. Ik wens haar daarbij heel veel succes.
*N
De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Mijn conclusie uit dit debat is dat blijkbaar het draagvlak bij de mensen die erover gaan belangrijker is dan het draagvlak bij de mensen om wie het gaat. Daar schrik ik van, zeker bij een staatssecretaris van deze partij. Dat valt mij van haar tegen. Gelukkig heb ik gehoord dat alleen het CDA zich echt gebonden acht aan de stukken. Voor de VVD is alles bespreekbaar. Boris Dittrich zei dat elk plan bespreekbaar is. Ik hoor graag van de staatssecretaris of er elementen in het plan zitten die voor haar onbespreekbaar zijn. Het is misschien wel prettig dat je, als je afspraken hebt gemaakt, ook duidelijk maakt op welke punten die muurvast liggen.
In eerste termijn heb ik gezegd dat ik niet geloof dat er een inhoudelijke reden is voor opheffing van de NPS. Mijnheer Bakker, wat maakt u het mij moeilijk om daarin te blijven geloven met uw tirade tegen de grachtengordel. Het is nog flauwekul ook, want ik krijg de laatste paar dagen alleen maar mailtjes van mensen van buiten de grachtengordel die hun favoriete programma's om onduidelijke redenen door de coalitie zien afgepakt.
*N
Mevrouw Örgü (VVD): Voorzitter. Ik ga kort in op de motie over de NPS. De NPS maakt een aantal mooie programma's. Als wij echter eerlijk zijn, moeten wij erkennen dat de staatssecretaris aanzienlijk meer geld heeft uitgetrokken voor programma's op het terrein van kunst, cultuur en educatie dan in het huidige bestel beschikbaar is. De NPS is in het verleden opgericht voor het maken van dit soort programma's. De VVD-fractie vindt het belangrijk dat deze goede programma's uitgezonden kunnen blijven worden. De raad van bestuur krijgt de mogelijkheid om daar in de programmering ruimte voor te maken. De fractie van de VVD zal deze motie dan ook niet steunen.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): De staatssecretaris heeft zojuist erkend dat de politiek de raad van bestuur geen opdracht kan geven om programma's uit te zenden. Als de NPS wordt opgeheven, worden in principe ook die programma's opgeven. Realiseert u zich dat?
Mevrouw Örgü (VVD): U weet net zo goed als ik dat het terrein van kunst, educatie en cultuur heel belangrijk is voor de VVD-fractie. De middelen daarvoor worden geoormerkt. Er gaat meer geld naar categorie C dan in het huidige bestel. De goede programma's van de NPS kunnen in het toekomstige bestel ook uitgezonden worden. De raad van bestuur kan daartoe keuzes maken in de programmering. Voor ons is van belang dat de middelen voor categorie C -- kunst, educatie en cultuur -- geoormerkt worden. Daarin wordt het brede karakter van het publieke bestel zichtbaar.
De heer Van Dam (PvdA): Een ander belangrijk punt voor de VVD is de reclame. De staatssecretaris heeft zojuist gezegd dat de raad van bestuur alle instrumenten heeft om te voorkomen dat het reclamebudget daalt. Er komt 54% meer reclamezendtijd. De staatssecretaris zegt vervolgens tegen de raad van bestuur: programmeert u maar zodanig dat u meer reclame-inkomsten binnenhaalt. Daar gaat de kunst en cultuur, en al die programma's voor kleinere doelgroepen. De raad van bestuur moet van de staatssecretaris geld gaan verdienen.
Mevrouw Örgü (VVD): In eerste termijn heb ik de staatssecretaris om duidelijkheid gevraagd over bepaalde doorberekeningen. Ik wijs erop dat de raad van bestuur veel meer bevoegdheden krijgt.
Voor ons is categorie C heel belangrijk. De functies daarin zijn belangrijk. Voor die categorie is geoormerkt geld vrijgemaakt dat gaat naar kunst, cultuur en educatie. Dat is meer dan in de huidige situatie. Waarom zouden wij ons dus zorgen moeten maken over de programmering van goede programma's die nu door de NPS worden uitgezonden? Een garantie kan de Kamer niet geven. Dat kan ik niet en dat kan de heer Van Dam ook niet. Dat zou hij volgens mij ook niet willen. Wij willen het in ieder geval niet. De raad van bestuur zal hierover beslissingen nemen en ik ga ervan uit dat die dat op een goede wijze zal doen.
*N
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Dit debat ging over de ruimte die er nog zou zijn en de vraag of die ruimte er is binnen de coalitievoorstellen. Een deel van het debat ging dat bestek enigszins te buiten, maar grotendeels ging het daarover.
Het antwoord is voor mij niet glashelder geworden. Toen wij dit debat begonnen, had ik ook niet verwacht dat wij het zouden kunnen afsluiten met een kristalheldere conclusie over de ruimte voor de oppositie om straks met voorstellen te komen. De aardigste bijdrage in dit verband kwam van mevrouw Örgü. Op de vraag van mevrouw Halsema naar mogelijke steun van de VVD-fractie voor oppositionele voorstellen die aansloten bij de VVD-ideeën, deelde mevrouw Örgü de Kamer mee dat zij had begrepen dat het voor de CDA-fractie geen principieel punt zou zijn als er voorstellen zouden komen die iedereen blij maken. Ik wil weten wanneer de oppositie voorstellen zal doen waarmee alleen de VVD-fractie blij wordt. Kunnen wij dan samen blij zijn? Dat is volgens mij de essentie van de vraag die centraal stond in dit debat, namelijk welke ruimte de fracties elkaar onderling laten, en niet welke ruimte mij wordt gelaten door in dit geval de CDA-fractie.
Mevrouw Örgü (VVD): Ik begrijp mijn collega Rouvoet heel goed, maar ik heb die opmerking geplaatst omdat ik meerderheden in de Kamer nodig heb om bepaalde voorstellen gerealiseerd te krijgen. Die meerderheden kan ik niet alleen met de GroenLinks-fractie halen. O, ik hoor dat anderen ook mee willen doen. Dan is het allemaal bespreekbaar.
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat is toch nog verblijdend nieuws. Ik begrijp uit de nadere toelichting van mevrouw Örgü dat zij niet eerst bij de fracties van CDA en D66 te biecht hoeft te gaan om te vragen of zij mag meespelen met de anderen, als er voorstellen komen van de fracties van PvdA, GroenLinks, misschien wel de ChristenUnie en anderen en als wij samen met haar steun een meerderheid kunnen vormen. Wij kunnen samen blij worden met meer dan 75 leden van de Kamer en de VVD-fractie is daarvoor niet gebonden aan instemming van haar coalitiefracties. Dat is toch nog verheugend nieuws aan het eind van dit debat. Voor het overige zullen wij -- ik zou bijna zeggen helaas -- nog twee maanden in spanning moeten blijven om te zien waarin het precies kan eindigen.
*N
De heer Bakker (D66): Ik ben blij dat de staatssecretaris zich niet gek heeft laten maken en in haar beantwoording heeft uiteengezet dat het nieuwe bestel helder is, met ambities voor kijkers, makers en de omroep als geheel, en dat het om de programma's gaat en niet om de structuur. Dit terwijl de discussie de afgelopen dagen vooral leek te gaan over de structuur en dan nog over een bijzonder onderdeel daarvan.
Met alle politieke retoriek die wij mogen hebben in dit huis, ben ik van de heer Van Dam toch beter gewend dan toen hij zei dat favoriete programma's worden afgepakt van de kijker. Favoriete programma's zijn niet door de politiek gegeven en worden ook niet door de politiek afgepakt. Zij worden bedacht, gemaakt, ontwikkeld en uitgezonden door Hilversum. Het gaat erom dat de politiek de faciliteiten biedt om dat mogelijk te maken. De faciliteiten voor typisch publieke programma's, zoals die van de NPS, die wij allemaal waarderen, worden alleen maar groter in de C-functie en trouwens ook in de A-functie. Ik begrijp daarom niet waarom hij dat heeft gezegd.
Natuurlijk is onzekerheid ontstaan onder de makers en over programma's. Als men iets wil veranderen kan men dat nu eenmaal niet doen door te zeggen dat op voorhand alles hetzelfde blijft.
Natuurlijk, maar die onzekerheid is niet alleen ontstaan over de NPS-programma's. Dat geldt voor een heleboel andere programma's en voor een heleboel andere programmamakers. Daar hoor ik helemaal niemand over. In dat opzicht is de verontwaardiging nogal selectief. Dan gaat het er niet om of er inhoudelijke redenen zouden zijn voor de opheffing. Integendeel, ik denk dat er straks een echte publieke omroep resulteert waarin meer ruimte is voor uitstekende programma's, waaronder die van de NPS, in plaats van minder.
De heer Van Dam (PvdA): De heer Bakker zei dat de politiek faciliteiten verstrekt en dat de faciliteiten soms weer worden weggehaald. Het is toch bekend dat het weghalen van tussen de 50% en 100% van het budget van programma's hetzelfde is als de stekker eruit trekken.
De heer Bakker (D66): Nee, het budget wordt niet weggehaald. De taak wordt aangescherpt. Zoals u weet, kan volgens de Mediawet 25% van de programma's nu nog bestaan uit louter verstrooiing. Dat betekent dus dat daar nogal wat geld naar toe gaat. De taak wordt aangescherpt, maar het budget blijft gelijk. Er is dus alle ruimte voor goede publieke televisie. Daar gaat het om. Daar vinden goede programma's weer hun plaats. Een beetje vertrouwen moet men wel hebben. U doet nu net alsof wij de kijkers programma's afpakken. Het programma Sesamstraat is in 1979 begonnen bij de VARA. Het is op een goed moment bij de NPS terechtgekomen. Er is geen enkele reden om te denken dat Sesamstraat vanaf 2008 niet meer uitgezonden zal worden. Het programma zal ergens neerdalen in het bestel. Als dat niet zo zou zijn, hoeven wij daar niet eens boos om te worden, dan worden de kijkers daar vanzelf wel boos om. Kortom, ik begrijp niets van die opwinding. Als men wil dat de NPS een gegarandeerde positie in het toekomstige bestel heeft, dan staat niets de NPS in de weg om alsnog een ledenomroep te worden, gewoon met betalende leden, net als al die andere omroepen. Dat mag. Dat zou de weg zijn in het toekomstige bestel.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Die laatste opmerking is interessant. U zegt eigenlijk: als de NPS verzuilt en een ledenvereniging wordt, mag zij blijven bestaan. Er is één punt dat mij blijft intrigeren. Is er een uitgewerkte versie van het Paasakkoord, waar de handtekeningen van de drie fracties onder staan?
De heer Bakker (D66): Dat is een boeiende vraag. De onderhandelingen die hebben plaatsgevonden hebben geresulteerd in een aantal afspraken. Ik geloof niet dat er reden is om daar heel geheimzinnig over te doen. Die afspraken zijn het fundament van het akkoord. Vervolgens heeft de staatssecretaris die afspraken meegenomen en bij mijn beste weten uitgewerkt in een document, waarmee dat Paasakkoord nader uitgewerkt is. Dat heeft vervolgens als basis gediend voor het stuk dat is aangeboden ter bepaling van het totale kabinetsstandpunt. Het totale kabinetsstandpunt is zo'n 40 bladzijden dik. Het stuk waar ik het net over had, is beperkter. Maar het is niet aan mij om dat stuk te openbaren, want dat stuk is voor de ministerraad gemaakt.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Als ik het goed begrijp, ligt er een uitgewerkte versie van het Paasakkoord waar de handtekeningen van de drie partijen onder staan. U wilt het alleen zelf niet publiek maken. Dus ik moet het wappen.
De heer Bakker (D66): Er staan fysiek geen handtekeningen onder, want het is een door de staatssecretaris uitgewerkte versie van het Paasakkoord. Ik zie mevrouw Halsema moeilijk kijken. Ik zal het nog één keer precies uitleggen. Er is een aantal dagen onderhandeld. Dat heeft geleid tot een uitwerking van het Paasakkoord. Dat heeft ook tot teksten geleid. De finale onderhandelingen hebben geleid tot een aantal laatste afspraken. Daarmee is de staatssecretaris op pad gegaan om het regeringsstandpunt verder voor te bereiden. Zoals gezegd, heeft dat bij mijn beste weten geleid tot een document waarin die uitwerking tot stand is gekomen. Dat document is niet langs de fracties gegaan om de handtekening eronder te zetten. Het is een intern document ten behoeve van het kabinet.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Maar als ik u goed begrijp gaat het om een eerste document. Ik word er toch wel erg nieuwsgierig naar, want het wordt wel interessant om het aan de stukken toe te voegen.
Als dat document volstrekt identiek is aan wat er uiteindelijk ligt, zal de heer Bakker zelf niet de moeite nemen om erover te praten. Het is wellicht handig voor de Kamer om te zien hoe het proces van interne geheime besluitvorming is gelopen, omdat dat het debat vollediger maakt.
De heer Bakker (D66): Ik ga er niet over of het stuk moet worden gepubliceerd. Een intern kabinetsstuk is niet van mij. De tekst van het Paasakkoord verdiende uitwerking en daarover is onderhandeld, wat tot een nader document heeft geleid. Ik heb het finale document niet. Dat is van de staatssecretaris, die de laatste afspraken erin heeft verwerkt. Dat is de basis van het kabinetsstandpunt.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is geen kabinetsstuk. Het is een stuk van de fracties dat naar het kabinet is gegaan.
De heer Bakker (D66): Naar mijn beste weten is het stuk door de staatssecretaris opgesteld en aan het kabinet ter hand gesteld.
*N
De heer Atsma (CDA): Voorzitter. Het CDA heeft de NPS nooit beschouwd als een fundament van het publieke bestel. Wij willen dat er een publiek bestel komt dat wordt opgebouwd uit verschillende functies. Binnen het totaal van die functies zien wij geen rol voor de NPS. Dat is niet nieuw. Wij hebben dat eerder gesuggereerd. Mevrouw Halsema heeft dus geprobeerd, mij woorden in de mond te leggen die ik niet heb gezegd.
Ik heb gezegd dat wij vinden dat de programma's kunnen blijven, maar daar gaan wij niet over. Daar gaan de omroepen over. Ik kreeg vanmiddag een e-mail in handen uit Hilversum, waarin stond dat het kunstprogramma Opium van de radio verdwijnt, omdat er een omroep bij komt die de plek van Opium op de zondagavond moet innemen. Ik hoor daarover niemand. Dat is van alle tijden en het zal ook in de toekomst gebeuren. De afgelopen maanden zijn er programma's van de buis verdwenen, bijvoorbeeld B&W, waarover wij niemand horen. De programma's zijn van de omroepen en de Raad van Bestuur stuurt daarin.
Dit is een hoofdlijnendebat, omdat de Kamer daarom had gevraagd om duidelijkheid te krijgen. De staatssecretaris heeft duidelijkheid gegeven en mijn fractie wil dat ook doen. Wij vinden dat "Met het oog op morgen" de komende maanden verder moet worden uitgewerkt, voor zover dat nodig is. Er is al gewezen op het wetgevingstraject dat mogelijk moet worden ingezet. Wat de CDA-fractie betreft, heeft de staatssecretaris de ruimte om daartoe aanzetten te geven. Laat dit alvast de eerste stap onderweg naar morgen zijn.
*N
De heer Van der Vlies (SGP): Ik dank de staatssecretaris voor haar reactie. Ik heb mijn politieke analyse in eerste termijn al gegeven. Daaraan is niet veel veranderd, behalve dat mevrouw Örgü, vriendelijk als altijd, heeft gezwaaid naar de PvdA-fractie en gezegd dat alles besproken kon worden. Eerder zei zij dat er wel afspraken zijn gemaakt, zoals de heren Bakker en Atsma bevestigden. De kernvraag is, of het als onaanvaardbare ontrouw zou worden beschouwd als een fractie van die afspraken weg zou lopen. Op het antwoord moeten wij twee maanden wachten.
*N
Staatssecretaris Van der Laan: Voorzitter. Verschillende leden hebben aangegeven hoe zij ertegenover staan en een aantal heeft concrete vragen gesteld. Met het oog op de tijd stel ik voor dat ik mij beperk tot het beantwoorden van de vragen.
Mevrouw Halsema stelde informeel een vraag over de opdrachten die ik niet zou kunnen geven. Ik heb geconstateerd dat de raad van bestuur vorige week vrijdag heeft verklaard dat de raad het als een opdracht ziet dat de NPS de waarborgen worden gegeven die gegeven moeten worden. Een man een man, een woord een woord: daar ga ik van uit.
De heer Van Dam heeft gevraagd wat voor mij onbespreekbaar is. Nou lijkt het mij ingewikkeld om alle veertig pagina's door te nemen om vervolgens bij elke regel aan te geven hoe ik erover denk. Dat is niet aan de orde. Ik sta voor het kabinetsstandpunt en voor alle voorstellen die ik doe. Dat is voor nu genoeg. Deze vraag is typisch een vraag voor het debat van na de zomer. Ik verdedig bij voorbaat het gehele plan. Ik ga hier niet op verzoek van de heer Van Dam anticiperen op hetgeen voor mij wel of niet onbespreekbaar is. Dat lijkt mij een alleszins redelijke positie.
De heer Van Dam (PvdA): Nee, want dit debat is wordt nu juist gehouden om helderheid te krijgen over de vraag wat in afspraken is vastgelegd en wat nog openstaat.
Staatssecretaris Van der Laan: Dan vertel ik u bij dezen dat ik achter mijn kabinetsplan sta. Anders had ik het niet zo moeten opschrijven. Dan had ik er steeds een sterretje bij moeten zetten om aan te geven dat ik op dat punt nog best wel om te turnen ben. Zo werkt dat niet. Ik sta achter het kabinetsplan. Ik verdedig dit plan en ik ga u niet van tevoren vertellen over welke paragraaf en over welke zinsnede ik nog eventueel bereid ben van opvatting te wijzigen.
Dit is mijn plan. Ik ben blij met de steun van de Kamer. Die komt inderdaad vooral van de coalitiepartijen, die een meerderheid in deze Kamer hebben. Ik denk dat die positie heel duidelijk is.
De heer Van Dam (PvdA): Dan is er volgens mij één duidelijke oplossing. De heer Bakker heeft gesproken over een document waarin die afspraken staan. Dat document lijkt mij relevant voor ons debat en dat moet openbaar worden. Ik begrijp dat het bij de staatssecretaris ligt en ik verzoek haar om dat document met afspraken naar de Kamer te zenden.
Staatssecretaris Van der Laan: In het proces zijn er verschillende documenten geweest. Dat zijn gewoon de reguliere documenten op basis waarvan je besprekingen voert. Zoals iedereen weet, worden ook in de WOB-procedure interne stukken opgesteld voordat er een definitief kabinetsstandpunt is. Het kabinetsstandpunt is uiteindelijk het enige document dat daadwerkelijk openbaar wordt gemaakt. De gemaakte afspraken zijn volledig verwerkt in het kabinetsstandpunt. Er zit geen millimeter verschil tussen de gemaakt afspraken en de manier waarop die zijn verwoord in het kabinetsstandpunt. Dat is een uitgebreid stuk met een duidelijke visie, een duidelijke opbouw van veertig pagina's. De afspraken die daaraan ten grondslag liggen zijn op schrift gesteld. Daar ga ik niet geheimzinnig over doen. Dat heeft de heer Bakker ook niet gedaan, maar het zijn wel interne stukken ter voorbereiding van het uiteindelijke kabinetsstandpunt. Zij hebben volstrekt geen status. In het kabinetsstandpunt is dat verwoord wat wij met elkaar hebben afgesproken.
De heer Van Dam (PvdA): Ik probeer het nog één keer. Ik vind dat de Kamer moet weten over welke onderdelen tussen het kabinet en de drie coalitiefracties in de Kamer afspraken zijn gemaakt. Ik vind dat de staatssecretaris dat document openbaar moet maken. Voor mijn part stuurt ze een brief naar de Kamer waarin zij aangeeft over welke onderdelen van het plan afspraken zijn gemaakt. Waarom doet de staatssecretaris daar zo geheimzinnig over?
Staatssecretaris Van der Laan: Ik doe daar helemaal niet geheimzinnig over. Ik heb in eerste termijn uitgelegd dat ik besprekingen heb gevoerd met de fracties om draagvlak voor het kabinetsstandpunt mogelijk te maken. Op basis van die gesprekken is het kabinetsstandpunt verwoord. Zo werkt het in het leven. Wij hebben het een en ander opgeschreven om duidelijkheid te creëren en om misverstanden in het proces van draagvlakverwerving te voorkomen. Dat schrijf je op om te kijken of je elkaar goed hebt begrepen, om te kijken waarover overeenstemming bestaat. Ik sta ervoor in dat alles wat is opgeschreven en uitgewisseld, in het kabinetsstandpunt staat. Dat doe je niet alleen maar mondeling. Dat zou heel onverstandig zijn geweest. Het kabinetsstandpunt is datgene waarvoor draagvlak bestaat. Ik begrijp uit dit debat dat dit de situatie is waar wij allemaal voor staan.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. In een regeerakkoord werkt het zo dat de afspraken die drie partijen met elkaar hebben gemaakt, nauwkeurig worden beschreven, zodat de buitenwereld en de Tweede Kamer ook weten aan welke afspraken die drie partijen zijn gebonden. Nu hebben wij een rare situatie. Wij hebben afspraken die de status lijken te hebben van een hernieuwd en aangepast regeerakkoord, maar niemand wil ons vertellen wat de afspraken zijn die voor drie partijen zijn vastgelegd en die niet gecorrigeerd mogen worden door een van hen. Ik moet zeggen dat ik dat gewoon spelbederf vind. Ik wil weten welke delen van de plannen open zijn en welke delen van de plannen de status van een regeerakkoord hebben en waarvoor dus geldt dat het parlement er eigenlijk niet meer aan te pas komt. Dat vind ik, eerlijk gezegd, een heel terechte vraag. Als de staatssecretaris mij niet tegemoet wil komen, dan doe ik hierbij een appèl op de coalitiepartijen om de Kamer wel tegemoet te komen.
Staatssecretaris Van der Laan: Voorzitter. De laatste vraag was niet tot mij gericht. Daar zal ik ook verder niet op ingaan.
Mevrouw Halsema (GroenLinks). De vraag was wel tot u gericht.
Staatssecretaris Van der Laan: Dan kom ik tot een herhaling van hetgeen ik heb gezegd voordat u de vraag stelde. Alle besprekingen die zijn gevoerd om draagvlak voor het kabinetsstandpunt mogelijk te maken, zijn verwerkt in het kabinetsstandpunt. Meer kan en wil ik daar niet over zeggen.
De heer Van Dam heeft gezegd dat er programma's zouden zijn afgepakt. De heer Bakker heeft er al iets over gezegd. Ik vind het betreurenswaardig dat de heer Van Dam een ongenuanceerde uitspraak doet. Ik heb in eerste termijn heel duidelijk aangegeven dat de politiek er niet over gaat, dat de budgetten volledig beschikbaar blijven en dat het dus niet gaat om het afpakken of toekennen van programma's.
Voorzitter. Mevrouw Halsema stelt in de eerste overweging van haar motie dat de opheffing van de NPS buiten medeweten van en zonder overleg met de betrokkenen tot stand is gekomen. Er zaten maar drie minuten tussen het slot van mijn inbreng en de inbreng van mevrouw Halsema. Of zij heeft dat niet meer kunnen verwerken in haar overwegingen of zij heeft de indruk dat ik geen contact heb gehad. Het is natuurlijk volledig voor haar rekening om te bepalen of datgene wat ik daarover heb gezegd, hout snijdt. Ik ontken in ieder geval dat ik geen overleg zou hebben gepleegd met betrokkenen. Ik ontraad de Kamer de aanvaarding van de motie, omdat die leidt tot het intrekken van het voorstel ten aanzien van de NPS. Dat vormt voor mij een belangrijk onderdeel van het kabinetsstandpunt.
De Kamer zal begrijpen dat ik de motie van het lid Kraneveldt niet kan overnemen en dat ik de aanvaarding ervan ontraad. Ik wil graag melden dat ik het punt van mevrouw Kraneveldt over het belang van het recht doen aan de principes van de journalistieke onafhankelijkheid volledig steun. Dat is vanzelfsprekend. In het model van het kabinet is juist heel duidelijk aangegeven dat op het punt van onafhankelijke en objectieve journalistiek een heel cruciale rol is weggelegd voor de NOS. De kijker moet het vertrouwen hebben dat hij kijkt naar een onafhankelijk en objectief programma. Daarnaast hebben de omroepverenigingen een zeer onafhankelijke en autonome positie. Ook zij moeten tot een volstrekt onafhankelijke journalistieke positie komen om op hun wijze vorm te geven aan opinie en maatschappelijk debat. Ik ontraad echter de aanvaarding van de motie in verband met het feit dat daaraan de programmastichting als voorwaarde wordt verbonden.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter: Ik stel voor, aan het eind van de vergadering over de ingediende moties te stemmen.
**
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.
*!Stemmingen*!
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de publieke omroepen, te weten:
- de motie-Halsema c.s. over intrekking van het voorstel om de NPS op te heffen (29800-VIII, nr. 240);
- de motie-Kraneveldt over een programmastichting of werkmaatschappij op basis van een redactiestatuut (29800-VIII, nr. 241).
De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Halsema.
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. GroenLinks heeft vanavond samen met de PvdA, de SP en de LPF een motie ingediend om opheffing van de NPS ongedaan te maken. Wij sluiten niet uit dat ten minste één partij die motie graag verworpen zou zien. Wij zouden haar dat plezier niet gunnen. Wij hebben er namelijk begrip voor dat coalitiepartijen plus staatssecretaris nog wat tijd nodig hebben om het hals over kop genomen besluit op zich in te laten werken, voordat men van gedachten verandert. Wij wensen hun een kalme en bedachtzame zomer toe. Ik houd mijn motie aan tot daarna.
De voorzitter: Op verzoek van de indieners stel ik voor, hun motie (29800-VIII, nr. 240) van de agenda af te voeren.
**
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Kraneveldt.
**
*N
Mevrouw Kraneveldt (LPF): Voorzitter. Om precies dezelfde redenen als mevrouw Halsema aangaf mogen de coalitie en de staatssecretaris samen gaan nadenken over mijn motie. Ik wil ook die motie graag aanhouden.
De voorzitter: Op verzoek van mevrouw Kraneveldt stel ik voor, haar motie (29800-VIII, nr. 241) van de agenda af te voeren.
**
Daartoe wordt besloten.
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
