woensdag, juli 27, 2005
 
Verkort vonnis Rechtbank Amsterdam over Mohammed B.
Rechtbank Amsterdam, 13/129227-04

Datum uitspraak: 26-07-2005
Datum publicatie: 26-07-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank veroordeelt Mohammed B. tot een levenslange gevangenisstraf voor onder andere de moord op Theo van Gogh.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/129227-04

Datum uitspraak: 26 juli 2005

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
laatst bekende [adres],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 en 12 juli 2005.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting nader is omschreven. Van de dagvaarding en de vordering nadere omschrijving zijn kopie�n als respectievelijk bijlage I en bijlage II aan dit verkorte vonnis gehecht. De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.



3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde,

op 02 november 2004 in de Linnaeusstraat te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een pistool, merk HS, zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] geschoten en met een mes de halsorganen van [slachtoffer] doorgesneden en met twee messen in de bovenbuik van [slachtoffer] gestoken, waardoor [slachtoffer] zodanige verwondingen aan de darmen en nier en lever en milt en longen en strottenhoofd en slokdarm en bloedvaten heeft opgelopen, dat hij daaraan, door bloedverlies en weefselschade, is overleden, welk misdrijf is gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele politieke en/of constitutionele structuur van Nederland ernstig te ontwrichten,


ten aanzien van het onder 2A. primair telastegelegde,

op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedacht rade [inspecteur] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en G05, brigadier van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die [inspecteur] en G05 heeft geschoten,


ten aanzien van het onder 2B. telastegelegde,

op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam G06, hoofdagent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en [agent] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend met een pistool in hun richting te wijzen, nadat hij, verdachte, met voorbedachten rade [slachtoffer] had doodgeschoten en andere politieambtenaren had beschoten,


ten aanzien van het onder 2C. primair telastegelegde,

op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2], beiden hoofdagent van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] heeft geschoten,


ten aanzien van het onder 2D. primair telastegelegde,

op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade G04, hoofdinspecteur van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en G07, inspecteur van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland en [hoofdagent 3] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, en [brigadier 1] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een aantal kogels in de richting van die G04 en G07 en [hoofdagent 3] en [brigadier 1] heeft geschoten,


ten aanzien van het onder 2E. telastegelegde,

op 02 november 2004 op de Mauritskade te Amsterdam [brigadier 2] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend met een pistool in zijn richting te wijzen, nadat hij, verdachte, kort daarvoor met voorbedachten rade [slachtoffer] had doodgeschoten en andere politieambtenaren had beschoten,


ten aanzien van het onder 3. telastegelegde,

op 02 november 2004 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS, 9mm, en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, 9mm, met het oogmerk om een terroristisch misdrijf, te weten de moord op [slachtoffer], als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken,


ten aanzien van het onder 4. primair telastegelegde,

op 02 november 2004 te Amsterdam in de Linnaeusstraat te Amsterdam ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer2] en [slachtoffer3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, merk HS, een aantal kogels in de richting van die [slachtoffer2] en [slachtoffer3] heeft geschoten, waarbij de hak van een schoen van [slachtoffer2] door een kogel is geraakt en [slachtoffer3] door zijn been is geschoten,


ten aanzien van het onder 5. primair telastegelegde,

op 02 november 2004 te Amsterdam door geweld en bedreiging met geweld opzettelijk heeft verhinderd dat [lid van de Staten-Generaal], in de periode van 02 november 2004 tot en met 17 januari 2005, vergaderingen van de Staten-Generaal bijwoonde en daarin vrij en onbelemmerd haar plicht vervulde, door een dreigbrief, gericht aan [lid van de Staten-Generaal]] met een mes op het lichaam van [slachtoffer] te steken, nadat hij, verdachte, met een pistool zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] had geschoten en met een ander, gekromd, mes de halsorganen van [slachtoffer] had doorgesneden en met dat andere, gekromde, mes in de bovenbuik van [slachtoffer] had gestoken, welke brief onder meer de navolgende passages bevatte:
- ‘Dit is een open brief aan de ongelovige fundamentalist, [lid van de Staten-Generaal]’ en
- ‘Deze brief is Insha Allah een poging om uw kwaad voor eens en altijd het zwijgen te doen opleggen’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal]: wenst de dood als u werkelijk van uw gelijk overtuigd bent’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal] je zal jezelf stuk slaan op de Islam!’ en
- ‘Ik weet zeker dat jij, O [lid van de Staten-Generaal], ten onder gaat’,
welk misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk, te weten het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen en de fundamentele politieke en/of constitutionele structuur van Nederland ernstig te ontwrichten,


ten aanzien van het onder 6. primair telastegelegde:

op 02 november 2004 te Amsterdam [lid van de Staten-Generaal] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, te weten moord cq. doodslag op haar met een terroristisch oogmerk, door een dreigbrief gericht aan [lid van de Staten-Generaal] met een mes op het lichaam van [slachtoffer] te steken, nadat hij, verdachte, met een pistool zeven kogels in de rug en rechterflank en linkerarm en nek van [slachtoffer] had geschoten en met een ander, gekromd, mes de halsorganen van [slachtoffer] had doorgesneden en met dat andere, gekromde, mes in de bovenbuik van [slachtoffer] had gestoken, welke brief onder meer de navolgende dreigende passages bevatte:
- ‘Dit is een open brief aan de ongelovige fundamentalist, [lid van de Staten-Generaal]’ en
- ‘Deze brief is Insha Allah een poging om uw kwaad voor eens en altijd het zwijgen te doen opleggen’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal]: wenst de dood als u werkelijk van uw gelijk overtuigd bent’ en
- ‘[lid van de Staten-Generaal] je zal jezelf stuk slaan op de Islam!’ en
- ‘Ik weet zeker dat jij, O [lid van de Staten-Generaal], ten onder gaat’.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. Nadere bewijsoverwegingen.

5.1. Medeplegen.

Ten aanzien van de moord op [slachtoffer], de bedreiging van [lid van de Staten-Generaal] en het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie is telastegelegd dat verdachte deze feiten zou hebben begaan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen.


De rechtbank overweegt omtrent het mededaderschap het volgende.

Uit het dossier, met name uit de verklaringen van een aantal andere als verdachte gehoorde personen, komt het beeld naar voren van een netwerk van radicale jonge moslims, waartoe ook verdachte behoort en waarin hij wellicht een leidende of onderwijzende rol speelt. Leden van dit netwerk, ook wel bekend als de zogenaamde ‘Hofstadgroep’, houden huiskamerbijeenkomsten, ook bij verdachte thuis, waarin een zekere [lid Hofstadgroep] de gewelddadige Jihad predikt. Ook worden er films bekeken waarop mensen worden onthoofd of ledematen van mensen worden geamputeerd. Er zijn vingerafdrukken en bloedsporen van sommige leden van dat netwerk in de woning van verdachte gevonden. Bij velen van hen zijn door verdachte geschreven, dan wel uit het Engels vertaalde en van een voorwoord voorziene, radicaal-fundamentalistische documenten aangetroffen. Verdachte is sedert mei 2004, toen zijn bijstandsuitkering stopte, zonder traceerbare inkomsten. Mogelijk is hij financieel door leden van dit netwerk onderhouden. Op 02 november 2004 had verdachte de beschikking over een vuurwapen met bijbehorende munitie. Mogelijk is hem dat, of de middelen om dat aan te schaffen, door medestanders geleverd. Voorts hebben getuigen verdachte in de periode voorafgaand aan 02 november 2004 en op de dag zelf samen met anderen gezien op en nabij de Linnaeusstraat te Amsterdam.

Al met al wel aanwijzingen, maar niet het wettig en overtuigend bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking van een of meer van hen met verdachte tot het begaan van deze misdrijven, zoals voor het medeplegen in de zin van het Wetboek van Strafrecht wordt vereist.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het medeplegen.

Volledigheidshalve zij in dit verband nog opgemerkt dat verdachte het deelnemen aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk in deze procedure niet is telastegelegd. Dat delict staat wel op een aan verdachte uitgereikte kennisgeving van verdere vervolging. Op dat punt zal dus wellicht nog nader onderzoek volgen.

5.2. Terroristisch oogmerk.

Ten aanzien van alle feiten is telastegelegd dat verdachte deze zou hebben begaan met een terroristisch oogmerk.

De rechtbank overweegt omtrent het terroristisch oogmerk het volgende.

Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel is gelet op artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht vereist dat verdachte de misdrijven heeft begaan met het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard [slachtoffer] te hebben vermoord uit geloofsovertuiging. Dit sluit terroristisch oogmerk echter niet uit. Bij beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van terroristisch oogmerk zijn de volgende omstandigheden van belang. De moord is gepleegd in een drukke straat, tijdens spitsuur, op een bekende Nederlander, en op een gruwelijke wijze. Daar komt bij dat op het lichaam een brief is achtergelaten met dreigende inhoud, niet alleen aan Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] maar ook aan geheel Nederland. Bovendien heeft verdachte, naar een getuige verklaart, aan een omstander op diens uitroep: “Dit kan toch niet, dit kan je toch niet maken” gereageerd met de mededeling: “Dat kan ik wel en dan weten jullie ook wat je te wachten staat.”

Al deze feiten tezamen genomen rechtvaardigen de conclusie dat verdachte welbewust heeft beoogd de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen. De rechtbank acht aldus het terroristisch oogmerk in feit 1, feit 5. primair en feit 6. primair wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het schieten op de politieagenten en de daarmee verbonden bedreigingen ligt dit anders. Weliswaar gebeurde dit ook in een drukke straat en tijdens spitsuur, maar de overige omstandigheden die hiervoor zijn opgesomd, ontbreken. Vast staat dat verdachte de agenten heeft beschoten om hen te doden en tevens te bewerkstelligen dat zij op hem zouden terugschieten zodat hij als martelaar zou sterven. Hieruit blijkt echter onvoldoende het kennelijke doel de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen.


Dit geldt ook ten aanzien van de poging tot moord op de twee omstanders in de Linnaeusstraat, [slachtoffer3] en [slachtoffer2]. Verdachte heeft zich - door met een pistool te schieten in een drukke straat - willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een omstander dodelijk getroffen kan worden. Verdachte heeft die kans ook aanvaard en op de koop toe genomen. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat verdachte [slachtoffer3] en [slachtoffer2] met terroristisch oogmerk probeerde te vermoorden.

Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2A. primair, 2B, 2C. primair, 2D. primair, 2E. en 4. primair telastegelegde terroristisch oogmerk.

5.3. Samenloop.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven dat zijns inziens de moord op
[slachtoffer] en de pogingen tot moord op de twee omstanders zich verhouden als een voortgezette handeling, nu er aan de beide feiten hetzelfde wilsbesluit ten grondslag ligt:
[slachtoffer] vermoorden. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Er is hier sprake van meerdere wilsbesluiten. De rechtbank zal deze feiten derhalve als meerdaadse samenloop kwalificeren.

De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat alle onder 2. telastegelegde feiten zich verhouden als een voortgezette handeling. Ook dit standpunt deelt de rechtbank niet, nu aan elke poging tot moord, dan wel bedreiging van een politieagent, een nieuw wilsbesluit ten grondslag ligt.

Tot slot is de officier van justitie van mening dat ook de feiten 5. en 6. zich verhouden als een voortgezette handeling. Ook hier volgt de rechtbank de officier van justitie niet. Gelet op de omstandigheid dat de beide feiten niet los van elkaar gedacht kunnen worden, terwijl door de gelijktijdigheid waaronder zij zijn begaan het ene feit als het ware opgaat in het andere feit en bovendien het kenmerkende van beide feiten de bedreigende inhoud van de brief is, verhouden de feiten 5. en 6. zich als eendaadse samenloop.

6. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en de maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft filmmaker en columnist [slachtoffer] op gruwelijke wijze vermoord. Hij heeft hem in de Linnaeusstraat in Amsterdam op de fiets ingehaald en hem met een pistool beschoten. [slachtoffer] is gewond van zijn fiets gesprongen en naar de overkant van de straat gerend. Verdachte is hem al schietend achterna gegaan. Hierbij zijn ook twee omstanders door een kogel geraakt. [slachtoffer] is uiteindelijk getroffen door 7 kogels. Terwijl het slachtoffer gewond op straat lag heeft verdachte met een groot mes zijn keel doorgesneden en dit mes vervolgens in zijn borst gedrukt tot aan de wervelkolom. Hierna heeft verdachte met een fileermes een dreigbrief aan Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] op het lichaam van [slachtoffer] gestoken.

Verdachte heeft vervolgens de patroonhouder weer met patronen gevuld en zijn pistool herladen, en is via het Oosterpark naar de Mauritskade gelopen, waar hij een vuurgevecht met de politie is aangegaan. Verdachte heeft op de Mauritskade 8 politieagenten geprobeerd te vermoorden door op hen te schieten met zijn pistool en 3 politieagenten bedreigd met de dood door met zijn pistool in hun richting te wijzen.

De politie slaagde er uiteindelijk in verdachte in zijn been te schieten om hem aan te houden.

De moord op [slachtoffer] heeft een golf van afschuw en verontwaardiging over Nederland doen gaan. [slachtoffer] is op genadeloze wijze afgeslacht. Dit gebeurde in een drukke straat in Amsterdam-Oost tijdens de ochtendspits. Het is een wonder dat slechts twee omstanders zijn getroffen door rondvliegende kogels.

Moord is ��n van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en wordt daarom bedreigd met levenslange gevangenisstraf. Verdachte heeft met dit misdrijf het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en er blijk van gegeven geen enkel respect voor het menselijk leven te hebben. Verdachte veroorzaakt met deze moord onzegbaar veel leed bij de nabestaanden van [slachtoffer], waaronder diens 14-jarige zoon.

Een omstandigheid waarover nagenoeg alle getuigen zich hebben verbaasd, is de rust en kalmte waarmee verdachte de moord heeft begaan. Sommige getuigen verklaren dat verdachte na de moord nog rustig bleef staan, alsof om te kijken of hij zijn werk goed had gedaan. Anderen verklaren dat verdachte zo rustig naar het Oosterpark liep, dat het leek alsof hij zijn hond aan het uitlaten was.

Verdachte heeft ter terechtzitting in zijn laatste woord als zijn motief kenbaar gemaakt, dat hij handelde uit zijn geloofsovertuiging. De rechtbank houdt het er op dat verdachte, een overtuigingsdader, een radicale interpretatie van de Islam aanhangt en dat [slachtoffer] in de ogen van verdachte een zogenaamde ‘Vijand van de Islam’ was die moest sterven.

Verdachte heeft de moord en de bewezen verklaarde feiten jegens mevrouw [lid van de Staten-Generaal] bovendien begaan met het oogmerk de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen en/of de politieke en constitutionele structuren van Nederland te ontwrichten of te vernietigen.
De wetgever heeft met de Wet terroristische misdrijven van 10 augustus 2004 tot uitdrukking gebracht dat misdrijven die zijn begaan met een terroristisch oogmerk tot de ernstigste misdrijven behoren.

De terroristische aanslag op [slachtoffer] heeft in de samenleving grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Bovendien heeft deze aanslag een destabiliserende werking gehad. Zo vond er in de dagen na de moord een aantal aanslagen plaats op moskee�n en islamitische scholen.

Ook over het vuurgevecht met de politie heeft verdachte in zijn laatste woord gesproken. Hij schoot om te doden en om gedood te worden, aldus verdachte. Verdachte toont ook met deze beschieting geen enkel respect te hebben voor het menselijk leven. Hij heeft de politieagenten willen gebruiken als zijn beulen, zodat hij, in zijn visie, als martelaar zou sterven. Hoewel geen van de politiemannen en -vrouwen gewond is geraakt en verdachte na een schot in zijn been kon worden aangehouden, blijkt uit de toelichting op hun vorderingen als benadeelde partij hoezeer een en ander hen heeft aangegrepen. Naar de ervaring leert zullen zij nog lang de emotionele gevolgen kunnen ondervinden.

Verdachte heeft voorts Tweede-Kamerlid [lid van de Staten-Generaal] opzettelijk verhinderd haar werk als lid van de Staten-Generaal uit te oefenen, door haar te bedreigen met een terroristisch misdrijf. Zij kreeg door deze bedreiging maximale beveiliging en moest onderduiken, waardoor zij de vergaderingen van de Tweede Kamer enige maanden niet kon bijwonen. Dit misdrijf wordt door de wetgever als zeer ernstig beschouwd, omdat het functioneren van de volksvertegenwoordiging in het geding is. De strafbaarstelling van dit feit heeft mede ten doel het voorkomen van een omverwerping van het parlement. De maximumstraf op dit misdrijf is dan ook een levenslange gevangenisstraf. Het aldus bedreigen van mevrouw [lid van de Staten-Generaal] heeft bovendien voor haar persoonlijke consequenties gehad. In haar aangifte geeft mevrouw [lid van de Staten-Generaal] aan dat zij door de bedreigingen en het daarop volgende leven in de hoogste graad van beveiliging ook psychisch en lichamelijk het nodige te verwerken heeft gehad.

In algemene zin gaat de rechtbank bij de vraag welke straf of maatregel moet worden opgelegd uit van de veronderstelling dat verdachte toerekeningsvatbaar is. Dit sluit echter niet uit dat er feiten kunnen zijn die deze veronderstelling logenstraffen. De rechtbank achtte termen aanwezig hiernaar onderzoek te laten doen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport van 20 juni 2005 van [psycholoog] en [psychiater], beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Bovendien heeft de [psycholoog] ter terechtzitting een toelichting op het rapport gegeven. De conclusie van het rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij gebrek aan medewerking van verdachte geen volledig gedragskundig onderzoek heeft kunnen plaatsvinden. Er zijn, aldus de deskundigen, geen aanwijzingen dat hij zijn medewerking op pathologische gronden heeft geweigerd. Voor zover het onderzoek wel informatie heeft opgeleverd, was die te summier om een stoornis te kunnen vaststellen. Een religieuze radicalisering - met alle extreem gewelddadige idee�n en de verheerlijking van geweld die daarbij horen - kan zorgwekkend genoemd worden, aldus het rapport. Deze vaststelling rechtvaardigt echter niet zonder meer de conclusie dat er sprake is van een pathologische afwijking. Het is de deskundigen derhalve niet mogelijk geweest te adviseren over de vraag of er bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het plegen van de telastegelegde feiten. De deskundigen kunnen daarom geen gronden vaststellen voor enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid.


De rechtbank is met de deskundigen van mening dat het door verdachte toegepaste buitensporige geweld, zelfs in combinatie met zijn wens daarbij als martelaar te sneuvelen, op zich onvoldoende grond is voor het aannemen van een psychische stoornis die aan de basis van zijn handelen zou kunnen liggen, hoezeer men dat welhaast zou hopen. En hoezeer de radicale opvattingen, de obsessie met geweld en het totalitaire denken van verdachte uitnodigen tot speculaties over het bestaan van oorzaken, waardoor verdachte de greep op zichzelf zou zijn kwijtgeraakt.

Nu de gedragswetenschappers geen stoornis hebben kunnen vaststellen en die ook anderszins niet is komen vast te staan, blijft de rechtbank bij het uitgangspunt dat verdachte de feiten volledig kunnen en dus ook worden toegerekend.

Ten aanzien van de motieven van verdachte, die ook een rol kunnen spelen bij de strafmaat, houdt de rechtbank rekening met het rapport van 20 mei 2005 van [deskundige] op het gebied van het Recht van de Islam en het Midden-Oosten en de daarop door hem ter terechtzitting gegeven toelichting. De deskundige schetst in zijn rapport de ontwikkeling in het denken van verdachte zoals dat op grond van de door verdachte geschreven en vertaalde documenten gereconstrueerd kon worden. De deskundige concludeert dat verdachte uiteindelijk in het stadium terecht is gekomen waarin hij er vast van overtuigd is dat gewelddadige actie geboden is, waarna verdachte de daad bij het woord heeft gevoegd door [slachtoffer] te vermoorden. De teksten uit deze laatste periode wijzen maar in ��n richting: het verlangen om gehoor te geven aan het gebod om de Islam met geweld te verdedigen en wraak te nemen voor beledigingen de Islam aangedaan. De deskundige verwijst naar het document ‘Verplichting van het doden van degene die de profeet (sallallahu alaihie wa sallam) uitscheld’, welk document verdachte op 02 juli 2004 heeft vertaald uit het boek ‘As Sarim alMasloel 3la Satmie Arrasoel’ van de 14de eeuwse auteur Ibn Taymiyyah. Verdachte vestigt de aandacht op het feit dat naar zijn mening in Nederland de strijd tegen de Islam via de media gevoerd wordt. Nu is er voor hem een ideologische rechtvaardiging om personen die die strijd voeren en de Islam en de profeet Mohammed beledigen, te vermoorden. De moord op [slachtoffer] kon op grond van dit document als een religieuze plicht beschouwd worden, aldus de deskundige. Ter terechtzitting concludeert de deskundige dat verdachte zichzelf zag als een instrument van Allah.

De rechtbank hecht eraan in dit verband te vermelden dat de [deskundige] ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat verdachte een zeer extreme, maar ook uitzonderlijke interpretatie van de Koran aanhangt.

De rechtbank heeft ten slotte kennis genomen van een Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van, zij het aanzienlijk minder ernstige, geweldsdelicten.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en een ontzetting van het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen.

De rechtbank stelt voorop dat ook bij de meest ernstige misdrijven betekenis toekomt aan het inzicht dat de pleger van die misdrijven, vanuit overwegingen van humaniteit, in beginsel het perspectief moet worden geboden dat hij op enig moment weer in de samenleving terug zal kunnen keren.

Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf, waarbij dit uitzicht niet bestaat, dient gereserveerd te blijven voor die uitzonderlijke gevallen, waarbij het gaat om zeer ernstige misdrijven en waarin het maatschappelijk belang, gelet op het gevaar dat verdachte opnieuw een feit van vergelijkbare ernst zal begaan, vordert dat de samenleving voorgoed van verdachte gevrijwaard blijft.

Bij de vraag of er in deze zaak sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval en met name hoe groot het gevaar is dat verdachte opnieuw zo ernstige misdrijven zal begaan, houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de persoon van verdachte en het inzicht dat hij ter terechtzitting in zijn persoon heeft gegeven. Op de vraag van de oudste rechter of verdachte zich wellicht verder zal ontwikkelen en een eventueel minder radicale vorm van de Islam zal kunnen aanhangen, heeft verdachte geantwoord dat hij elke dag tot zijn Heer bidt om hem te behoeden dat hij anders zal gaan denken dan dat hij nu denkt. Ook in zijn laatste woord, zijn laatste kans om de rechtbank te overtuigen van een mogelijke inkeer of een mogelijk besef van de ernst van zijn daden en hun in onze democratie onaanvaardbare gevolgen, heeft verdachte de rechtbank te kennen gegeven dat hij geenszins van plan is zijn manier van denken in heroverweging te nemen. Integendeel, hij heeft zelfs gezworen dat als hij weer vrij komt, hij precies hetzelfde zal doen.

Dit alles in overweging nemende, komt de rechtbank tot het oordeel dat vanuit oogpunt van speciale preventie geen re�el uitzicht bestaat op resocialisatie van verdachte en terugkeer in de samenleving zonder dat dit een onaanvaardbaar gevaar met zich mee brengt. De samenleving moet dan ook maximaal beschermd worden tegen verdachte. In deze zaak is daarom slechts ��n straf passend en geboden, een levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn vordering tot ontzetting van verdachte van het actief en passief kiesrecht. Ontzetting uit het kiesrecht is een bijkomende straf die tot doel heeft een veroordeelde uit te sluiten van het democratisch proces. De gedachte van de officier van justitie achter zijn vordering is dat verdachte ook op deze wijze uit de maatschappij wordt geplaatst. Verdachte heeft in zijn document ‘Grondwet van een fundamentalist, deel 5’ uiteengezet hoezeer naar zijn mening een democratie in strijd is met de wetten van Allah. Verdachte verwerpt het democratisch stelsel in al zijn facetten. Gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen over de standvastigheid van verdachte in zijn ideologie en de hem op te leggen levenslange gevangenisstraf, acht de rechtbank de mogelijkheid niet re�el dat verdachte ooit gebruik zal maken van zijn actief of passief kiesrecht.


Onttrekking aan het verkeer.
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage III aan dit verkort vonnis is gehecht, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot en/of met behulp van deze voorwerpen de bewezen geachte zijn begaan en/of voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.


De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.

Column Producties B.V.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij Column Producties B.V. van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.267,13 (achtduizendtweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van Column Producties B.V. voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.



Met betrekking tot de vorderingen van de politieambtenaren tot vergoeding van de immateri�le schade stelt de rechtbank voorop, dat er in deze sprake is geweest van een uitzonderlijke situatie die een hoge vergoeding rechtvaardigt. Verdachte heeft met het doel om zelf gedood te worden en de politie te doden de verschillende aankomende politiewagens onder vuur genomen. Met name die omstandigheid heeft een negatieve invloed gehad op de verwerking van de gebeurtenissen. Ook de media-aandacht heeft de verwerking negatief be�nvloed. Door alle aandacht worden de politieambtenaren steeds weer met de gebeurtenissen geconfronteerd.


[benadeelde partij1].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2A. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


G05.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G05 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2A. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.


De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van G05 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


G06.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G06 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2B. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van G06 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[benadeelde partij2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2B. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[hoofdagent 1].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2C. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [hoofdagent 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[hoofdagent 2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij
[hoofdagent 2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2C. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [hoofdagent 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


G04.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G04 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van G04 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


G07.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij G07 van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.



In het belang van G07 voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[benadeelde partij5].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij5] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[benadeelde partij6]]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij6] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2D. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[benadeelde partij7].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij7] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2E. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.


[slachtoffer2].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro), bestaande uit € 1.000,- ter vergoeding van immateri�le schade en € 85,- ter vergoeding van de beschadigde schoen. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


[benadeelde partij9].
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij9] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4. primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 83, 83a, 121, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1, 2A. primair, 2B, 2C. primair, 2D. primair, 2E, 3, 4. primair, 5. primair en 6. primair is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Moord, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.

Ten aanzien van de feiten 2A. primair, 2C. primair, 2D. primair en 4. primair:

Poging tot moord, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feiten 2B. en 2E:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.


Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit begaan is met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken.


Ten aanzien van feit 5. primair en 6. primair:

Eendaadse samenloop van

Door geweld en bedreiging met geweld een lid van de vergadering van een kamer der Staten-Generaal opzettelijk verhinderen die vergadering bij te wonen en daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.

en

Bedreiging met een terroristisch misdrijf.


Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen op de beslaglijst, waarvan een kopie als bijlage III aan dit verkorte vonnis is gehecht.

De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen.

Column Producties B.V.
Wijst de vordering van de benadeelde partij Column Producties B.V., gevestigd op het [adres] toe tot een bedrag van € 8.267,13 (achtduizend-tweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent).

Veroordeelt verdachte aan Column Producties B.V. voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Column Producties B.V., te betalen de som van € 8.267,13 (achtduizendtweehonderdzevenenzestig euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

[benadeelde partij1].
Wijst de vordering van de [benadeelde partij1], [adres] toe tot een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij1], te betalen de som van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


G05.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G05, [adres] toe tot een bedrag van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan G05 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G05, te betalen de som van € 3.500,- (drieduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


G06.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G06, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan G06 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G06, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


[benadeelde partij2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij2], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

[hoofdagent 1].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 1], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [hoofdagent 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[hoofdagent 1], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

[hoofdagent 2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [hoofdagent 2], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [hoofdagent 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[hoofdagent 2], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

G04.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G04, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan G04 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G04, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


G07.
Wijst de vordering van de benadeelde partij G07, [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan G07 voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
G07, te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


[benadeelde partij5].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij5], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij5], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


[benadeelde partij6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij6], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij6], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


[benadeelde partij7].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij7], [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij7], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


[slachtoffer2].
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer2], te betalen de som van € 1.085,- (duizendvijfentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 (acht) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.


[benadeelde partij9].
Wijst de vordering van de [benadeelde partij9], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij9] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij9], te betalen de som van € 2.675,- (tweeduizendzeshonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.


Dit vonnis is gewezen door
mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter,
mrs. M.J. Diemer en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juli 2005.
dinsdag, juli 26, 2005
 
Requisitoir in de strafzaak tegen Mohammed B.
Inhoudsopgave

1. Het verloop van het onderzoek
2. Terroristisch oogmerk
3. Medeplegers of medeplichtigen?
4. Herkomst wapens
5. De strafbare feiten
6. Feit 1: Moord op Theo van Gogh
7. Feit 4: twee burgerslachtoffers
8. Terug naar feit 1: de moord op Theo van Gogh
9. Feit 2: Beschieting van politiemensen
10. Feit 3: Vuurwapen en munitie
11. Verklaringen van de verdachte
12. De voorbedachten rade
13. Feit 5 en 6: Hirsi Ali
14. Het terroristisch oogmerk
15. Bewezenverklaring
16. Samenloop
17. Beslag
18. De slachtoffers
19. Strafmaatoverwegingen
20. De persoon van de verdachte
21. De ernst van de feiten
22. Het doel van de straf
23. Eis

Graag Uw aandacht voor een geluidsfragment:

Rob Muntz : "Maar jij denkt niet dat er ooit een idioot opstaat die....".
Theo van Gogh : "Dat kan ik me niet voorstellen".
Rob Muntz : "Jij gelooft in de goedheid van de mens?"
Theo van Gogh : "Nee, niet in de goedheid van de mens, in mijn eigen arrogantie.
Dat heeft dermate veel uitstraling dat die kogel zal voor mij
niet komen, denk ik hoor."
Rob Muntz : "Dat mensen dat afschrikt, je bent ongezond kwetsbaar".
Theo van Gogh : "Ze denken, denk ik, het is de dorpsgek dus waarom zou je hem
neerschieten. Kan ik me iets bij voorstellen. Maar goed...."
Rob Muntz : "Maar als je de metro.....ik bedoel he"
Theo van Gogh : "If it happens, it happens".

Theo van Gogh op vrijdag 29 oktober 2004 in een interview met Rob Muntz. Vier dagen later werd hij vermoord.

Dit proces, meneer de voorzitter, edelachtbaar college, gaat over de moord op Theo van Gogh, het schieten op omstanders en politiemensen en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali.
Dit proces gaat over meer. Het gaat over vrijheid van meningsuiting, tolerantie en intolerantie, een manier van godsdienstbeleving die uitmondt in een terroristische actie. En meer dan in andere strafzaken staat de persoon van het slachtoffer, Theo van Gogh, centraal: het slachtoffer, bewust gekozen vanwege zijn al dan niet vermeende ideeën en sympathieën.
Ik zal dan ook uitgebreid, meer dan gebruikelijk, stil blijven staan bij de persoon van Theo van Gogh.
Verwacht u van mij geen korte biografie en zeker geen hagiografie, want een heilige was hij beslist niet. Beoordeeld alleen aan de hand van zijn columns en televisieoptredens, ontstaat het beeld van een onverbeterlijk criticaster, die beledigen tot kunst heeft verheven. "Functioneel beledigen" noemde hij dit, een onderdeel van zijn boodschap; het waarschuwen tegen de vijfde colonne die probeert in Nederland de vrije manier van leven aan te tasten. Als columnist zocht hij voortdurend de rand van het toelaatbare op. Velen moesten het van hem ontgelden, joods, christelijk of islamitisch, politici en bestuurders. Heilige huisjes bestonden niet voor hem. Hij had een broertje dood aan huichelachtigheid en schroomde niet zich soms grof en beledigend te uiten. Drie keer werd hij aangeklaagd wegens uitlatingen die antisemitisch werden gevonden of beledigend voor christenen en islamieten. Nooit werd hij veroordeeld. Theo van Gogh propageerde de vrijheid van meningsuiting in zijn meest absolute zin. In een column in Vrij Nederland schreef hij dat alleen vrije meningsuiting in de breedste zin van het woord, dus inclusief het recht van discriminerende imams om hun vooroordeel uit te dragen, ons vrije burgers kan redden van de barbarij. Aan de vrijheid van meningsuiting mochten volgens hem geen grenzen zitten. Eén geboren provocateur, zo wordt hij wel genoemd. Dit is het beeld dat de verdachte voor zich heeft gehad toen hij besloot om Van Gogh tot het doelwit te maken van zijn aanslag.

Theo van Gogh was nog veel meer. Een filmer, die Gouden Kalveren en andere filmprijzen won voor films en televisieseries als 06, Blind date, In het belang van de staat en Najib en Julia. Één van zijn laatste films, Cool, wordt thans gereed gemaakt voor roulatie in de Verenigde Staten, een eer die slechts weinig Nederlandse films ten deel valt. In zijn films laat Van Gogh ook zien dat hij veel meer is dan alleen een verbeten columnist. Een voorbeeld vormt de film Cool. Deze gaat over de allochtone criminele jongeren op de Glenn Mills-school. Met deze film heeft Van Gogh twee Marokkaanse jongens van deze school de kans gegeven een carrière als acteur te starten. Ook geeft deze film blijk van veel inlevingsvermogen in de jonge criminelen die op deze school terecht zijn gekomen. In zijn televisieserie Najib en Julia speelt Van Gogh luchtig en zachtmoedig met vooroordelen van Nederlandse en Marokkaanse jongeren. In zijn meest recente film over de moord op Pim Fortuyn, 06/05, laat van Gogh in een klein nevenplot een mooie relatie opbloeien tussen de hoofdrolspeler, een onderzoekend fotograaf, diens dochter en haar Marokkaanse vriendje. In al deze films laat Van Gogh zich van een geheel andere kant zien. Met geen mogelijkheid kan worden gezegd dat hij allochtonen of Marokkanen zou discrimineren. Integendeel, zou ik zeggen. Bekend is ook dat Van Gogh voor zijn acteurs en actrices een vaderlijk regisseur was. Zij werkten graag met hem samen, vaak voor langere tijd.
Tenslotte, meneer de voorzitter, edelachtbaar college, u hebt het gisteren nog kunnen horen, was Theo van Gogh ook een geliefde zoon, broer, partner en vader. In Vrij Nederland omschreven zijn ouders hem als lief, zorgzaam en familieziek. Zelf zei Theo van Gogh dat zijn zoon "de enige was aan wie hij zich volledig had uitgeleverd". In gesprekken met de familieleden van Van Gogh is mij duidelijk geworden – en gisteren hebt u dat ook gehoord – dat het verdriet over het verlies van Theo van Gogh nog zeer diep zit.
De verdachte heeft zelf in zijn afscheidsbrief geschreven dat het overlijden van zijn moeder voor hem een keerpunt is geweest. Heeft Mohammed ooit wel eens bedacht wat de dood van Theo van Gogh voor diens familie betekent?
Nog een tweede kortere vooropmerking. In januari heb ik tijdens de eerste pro forma zitting al betoogd dat de strafzaak tegen Mohammed B. een beeld geeft van de Islam, een vrij schokkend beeld van een terroristische ideologie, geïnspireerd door een uitzonderlijk extreme uitleg van de Koran. Ik heb toen betoogd dat dit geen algemeen gedeeld beeld was.
Ik wil dit met kracht herhalen. In deze strafzaak staat niet de Islam terecht, niet de Marokkanen of welke religie of allochtone minderheid dan ook. We moeten waken, zoals een Franse onderzoeksrechter vorige week in NOVA zo mooi zei, voor een apocalyptische botsing der beschavingen. Het gaat niet om een strijd tussen Islamitische en westerse waarden. Hoezeer de verdachte en zijn geestverwanten ons dat willen doen geloven. Het gaat om een zeer beperkte groep mensen. Zij maken misbruik van de Islam. Zij willen hun onverdraagzame terroristische ideeën dwingend aan ons opleggen. Aan onze samenleving. Een open en pluriforme samenleving, waarin voor iedereen plaats is die bereid is om zich te houden aan de beginselen van een democratische maatschappij.

1. Het verloop van het onderzoek

Het verloop van het onderzoek is bepaald niet standaard geweest. Op 2 november 2004 werden er naast de verdachte nog acht andere personen aangehouden. Vier van hen werden in de loop van dezelfde week weer in vrijheid gesteld. Gebleken was dat zij niet in verband konden worden gebracht met de organisatie die de Hofstad-groep wordt genoemd. In de dagen daarop werden nog een negende en tiende verdachte aangehouden. Tot ongeveer medio december heeft het onderzoeksteam zowel het onderzoek naar de moord uitgevoerd als het onderzoek naar de zes andere verdachten. In december zijn deze verdachten overgedragen aan de officier van Justitie van het Landelijk Parket. Vervolgens heeft het onderzoeksteam nog vele hand- en spandiensten verricht ten behoeve van het onderzoek van het Landelijke Parket. Het proces-verbaal van de politie dat thans voor u ligt, is het verbaal dat betrekking heeft op de moord op Theo van Gogh, het schieten op omstanders en de politie en de bedreiging van Ayaan Hirsi Ali op 2 november 2004.

Al snel in het onderzoek werd duidelijk dat ook de verdachte onderdeel vormde van de terroristische organisatie die als Hofstadgroep bij het Landelijk Parket in onderzoek is. Voor deze feiten heeft de verdachte een kennisgeving verdere vervolging gekregen. Na afdoening van deze strafzaak zal ik daar een beslissing over nemen.
Dit laatste onderzoek vormt uitdrukkelijk geen onderdeel van het procesdossier dat nu voor u ligt. Wel heb ik de verklaringen van alle verdachten uit het onderzoek Arles in Rotterdam bijgevoegd om de persoon van de verdachte wat meer reliëf te geven. Van belang in die verklaringen zijn uiteraard die gedeelten waarin deze verdachten praten over Mohammed B.. Ik ben mij ervan bewust dat dat niet veel is. Hun verklaringen geven wel een inzicht in de rol die B. binnen de Hofstadgroep heeft gespeeld, zeker in het licht van het rapport van de deskundige Peters en wat is gebleken over de verspreiding van de stukken die de verdachte zelf heeft geschreven of heeft vertaald.
Voor het Rotterdamse onderzoek is recent Nouredine El F. aangehouden. Met een machinegeweer in zijn rugzak. Hij heeft in de zomer van 2004 aan de AIVD verteld dat Mohammed B. levensgevaarlijk is. Ik heb met mijn collega’s van het landelijk parket gesproken over de mogelijkheid en het nut deze man als getuige te horen. Hij legt echter geen verklaring af. Om deze reden heb ik ook afgezien van zijn verhoor.

Na de vorige zitting hebt U een aantal nieuwe stukken ontvangen. Van belang zijn met name de volgende:

1. Het rapport van de deskundige Peters. Dit rapport geeft een heldere beschrijving van de ideologische ontwikkeling van de verdachte; van sociale Nederlander naar een onverdraagzame en gewelddadige fundamentalist.
2. Het rapport van het Pieter Baan Centrum. Al eerder op deze zitting geconstateerd: geen conclusie, maar wel meer inzicht in de persoon van de verdachte.
3. Tapgesprekken van de verdachte. Hij belde alleen maar met zijn familie. De gesprekken zijn sociaal van aard.
4. Gesprekken die de verdachte in het Penitentiair Ziekenhuis in Scheveningen en het Huis van Bewaring Demersluis heeft gevoerd.
Hij heeft alleen bezoek ontvangen van zijn broer Hassan. Zij bevatten veel informatie over de persoon van de verdachte.
5. Brieven van en naar de verdachte in de Huizen van Bewaring. Ook deze zeggen iets over de persoon van de verdachte.

Opvallend in het onderzoek is het uitblijven tot op heden van enige wens van de verdachte. Ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten is het stil gebleven. Ook het rapport van Peters en het rapport van het Pieter Baan centrum hebben niet geleid tot enig verzoek.

Het proces-verbaal is opgebouwd volgens de Abrio-methodiek. In deze methodiek wordt er eerst een onderzoeksdossier gevormd, waarin alle stukken in rubrieken worden genummerd. Uit dit onderzoeksdossier wordt vervolgens onder mijn verantwoordelijkheid een procesdossier gevormd. Hierin komen alleen die processtukken die voor het onderzoek relevant zijn. Dit verklaart waarom in sommige rubrieken de nummering van de processtukken hiaten vertoont.

Ik wil hier de politie complimenteren met het onderzoek en het proces-verbaal. Natuurlijk is het onbevredigend dat sommige onderzoeksvragen uiteindelijk niet kunnen worden beantwoord. Het onderzoek zelf is uitputtend geweest en ook alle kleine aanwijzingen zijn uitgezocht.

Het methodiekendossier geeft een helder overzicht van alle bevoegdheden die tijdens het onderzoek zijn uitgeoefend. Dat zijn er vele geweest.
Ook het onderzoek naar de persoon van de verdachte is omvangrijk geweest. Het team is bij het horen van getuigen gestuit op een muur van stilzwijgen. Vooral als het gaat om de meest recente periode van het leven van de verdachte tot 2 november jl. In het bijzonder zijn directe familie, zijn vader, broer en zussen, hebben geweigerd enige informatie over de verdachte te verschaffen. Over het doen en laten van de verdachte in het jaar 2004 is dan ook vrij weinig bekend. Toch geven met name de afgeluisterde gesprekken tussen de verdachte en zijn broer Hassan tijdens bezoekuren in het Huis van Bewaring wel enig inzicht in de persoon van Mohammed B.. Ik meen dat het onderzoek van de politie goed en volledig is geweest en dat er een dossier voor u ligt dat recht doet aan het belang van de strafzaak. Het vormt een uitstekende basis voor een beoordeling door de rechtbank.

2. Terroristisch oogmerk

Het terroristisch oogmerk speelt in deze zaak een grote rol. Met uitzondering van het subsidiair ten laste gelegde in feit 6, wordt B. ervan verdacht dat hij alle misdrijven heeft begaan met een terroristisch oogmerk. Dit oogmerk is in het Wetboek van Strafrecht ingevoerd met de Wet Terroristische Misdrijven. Deze wet is op 10 augustus 2004 in werking getreden. De Wet terroristische misdrijven geeft uitvoering aan het Europese Kaderbesluit Terrorismebestrijding. De ratio van dit besluit kan worden afgeleid uit de aanhef. Daar wordt vastgesteld dat terrorisme een van de ernstigste schendingen is van de beginselen waarop de Europese Gemeenschap is gegrondvest. Doel is een meer slagvaardig optreden tegen terroristen.
In de Wet terroristische misdrijven worden enkele nieuwe strafbare feiten geïntroduceerd, zoals de rekrutering ten behoeve van de Jihad, de samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven en de deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarnaast wordt in artikel 83 Sr. een definitie gegeven van een terroristisch misdrijf. Hieronder wordt verstaan een groot aantal misdrijven die worden begaan, ik citeer, met: "Het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land vrees aan te jagen dan wel een overheid of een internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen." (art. 83a Sr.) Het Openbaar Ministerie moet in deze zaak dus bewijzen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om door middel van de strafbare feiten mensen bang te maken, de overheid tot iets te dwingen of de fundamenten van de Nederlandse maatschappij te ontwrichten of te vernietigen.

Het belang van het terroristisch oogmerk is niet symbolisch. De wet bepaalt dat indien een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk de maximum op te leggen gevangenisstraf met de helft wordt verhoogd. Indien op dat misdrijf een gevangenisstraf van ten hoogste 15 jaar is gesteld wordt dat levenslang of 20 jaar. De vraag rijst dan wat het doel is van het terroristisch oogmerk bij misdrijven waarop al levenslange gevangenisstraf is gesteld, zoals moord. De Memorie van Toelichting bij de Wet Terroristische Misdrijven is hieromtrent bijzonder kort. Deze wijst alleen op het belang in verband met artikel 140a Sr., de deelname aan een terroristische organisatie. Alleen in de Nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken 28463, nr. 6) is de Minister van Justitie hierover duidelijker.
In de eerste plaats is er een volkenrechtelijke verplichting. Het oogmerk is ook van belang voor de rechtsmachtbepaling. Voor terroristische misdrijven geldt het universaliteitsbeginsel: de Nederlandse rechter is bevoegd om te oordelen over terroristische misdrijven waar deze ter wereld zijn begaan en door verdachten van elke nationaliteit. Voorts wijst de Minister wederom op de strafbaarstelling van de terroristische organisatie en tenslotte kan de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk ook van belang zijn voor de daadwerkelijk op te leggen straf. Dit laatste blijkt ook impliciet uit het Europese Kaderbesluit. Op dit laatste kom ik terug.

3. Medeplegers of medeplichtigen?

Op de vorige twee pro forma zittingen heb ik telkens aangegeven wat de stand van zaken van het onderzoek was. Ik ben daarbij vrij uitvoerig ingegaan op de vraag of er sprake is van medeplegers op de moord van Theo van Gogh of dat er andere mensen zijn die de verdachte bij de moord geholpen zouden hebben. Na de laatste pro forma-zitting is het onderzoek daar naar in volle omgang voortgezet.

Dit onderzoek heeft zich vooral gericht op een viertal potentiële verdachten. Twee van hen bevinden zich in voorlopige hechtenis in het kader van het onderzoek van het Landelijk Parket naar de zogenaamde Hofstadgroep. Twee anderen betreffen Tsjetsjenen die op 19 april en 18 mei van dit jaar zijn aangehouden.
De eerste Tsjetsjeen noem ik Murad J.. Hij had in de woning van de verdachte zijn vingerafdruk achtergelaten op een cassettebandje. De tweede Tsjetsjeen, Bislan I., had zijn vingerafdruk achtergelaten op het testament van de verdachte dat bij zijn vriend, Rachid Bo. is aangetroffen. Het onderzoek tegen Murad heeft opgeleverd dat hij al langere tijd contact heeft met de verdachte. Dit blijkt met name uit emailcontacten uit 2003 en uit de verklaring van deze Tsjetsjeen zelf. Hij heeft Jihadistische documenten van de verdachte. Hij is naar eigen zeggen meerdere malen bij de verdachte thuis geweest. Wat hij daar deed, weten wij niet. Ook is zijn telefoonnummer in de stukken van de verdachte aangetroffen. Verder blijkt uit het onderzoek dat Murad contacten heeft gehad met meerdere personen die rechtstreeks of indirect te linken zijn aan de verdachten die in de Rotterdamse zaak vast zitten. Ten slotte is gebleken dat Murad in de zomer van 2004 samen met de verdachte een aantal goederen heeft verhuisd van een adres in Amsterdam naar zijn eigen woonplaats in Schiedam.
Bij deze goederen waren ook administratieve bescheiden van de tweede Tsjetsjeen, Bislan I. Het onderzoek tegen deze tweede Tsjetsjeen, heeft het volgende opgeleverd. Van Bislan I. is een vingerafdruk gevonden op een blaadje van het testament van de verdachte. Er is geen verklaring gekomen voor deze vingerafdruk. Er wordt nog onderzocht of zijn vingerafdruk op of onder de inkt van de tekst van het testament staat. Een resultaat is niet op afzienbare termijn te verwachten.
De eerste Tsjetsjeen, Murad, is inmiddels heengezonden. Voor zover de onderzoeken een verdenking hebben opgeleverd ten aanzien van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, is dit onderzoek overgedragen aan de Nationale Recherche. Bislan zit nog in voorlopige hechtenis. In elk geval is geen bewijs gekomen dat Murad of Bislan de moord op Van Gogh zou hebben medegepleegd of dat zij de verdachte hierbij behulpzaam zijn geweest.

Wat betreft de personen die als verdachte van het onderzoek Arles van het Landelijk Parket nog in voorlopige hechtenis zitten, heeft het onderzoek zich met name gericht op de huisgenoot van de verdachte, Ahmed H., en Mohammed Bo..
Wat betreft H. blijft het opvallend dat hij als huisgenoot van de verdachte nooit iets heeft gemerkt. Messen, patronen of een vuurwapen heeft hij nooit gezien in de bijzonder kleine woning waar zij samen woonden. De woonkamer van de Marianne Philipstraat 27 meet ruim 15 vierkante meter en de aangrenzende slaapkamer ruim 10 vierkante meter (OIG 55). Verder is er alleen een kleine open keuken. In de nacht van 1 op 2 november heeft H. samen met twee anderen de avond bij de verdachte doorgebracht. ’S ochtends is hij om half 6 opgestaan en heeft samen met B. gegeten en het ochtendgebed gedaan (VER 2.4). Vervolgens is hij om half 7 weer gaan slapen. Een half uurtje later ging hij naar de WC. Dit moet de tijd zijn geweest dat de verdachte zich opmaakte om te vertrekken naar de Linnaeusstraat. H. sliep die nacht in de woonkamer. Opvallend is dat hij niets heeft gezien van de grote messen, het vuurwapen, de patronen, de walkman en andere goederen die de verdachte voor de aanslag bij zich heeft gestoken. Echter, aanwijzingen dat H. heeft geholpen zijn er verder niet.
Gaat het om Mohammed Bo., dan blijft het opvallend dat hij in elk geval rond 8 uur zich in zijn werkplaats schuin tegenover de woning van Theo van Gogh bevond en vervolgens geen alibi heeft voor de ruim drie kwartier daarna. Onderzoek heeft geen nieuwe gegevens opgeleverd. Ook ten aanzien van hem moet worden aangenomen dat hij geen directe betrokkenheid heeft gehad bij de dood van Theo van Gogh.

Meerdere getuigen hebben verklaard dat zij andere personen op 2 november hebben gezien. Zij brachten deze personen in verband met de moord op Theo van Gogh. Ik heb U dit op de eerste zitting in januari voorgehouden. Die verklaringen vormden even zo vele aanwijzingen voor helpers op 2 november. Daar is het echter bij gebleven. Er is niets nieuws bij gekomen. Ik volsta hier met te verwijzen naar mijn betoog van 26 januari 2005.

Tot slot: er is onderzoek gedaan naar de gegevens van de GSM-palen in de buurt van de Linnaeusstraat. Straalde de GSM van een potentiële verdachte op 2 november 2004 een paal aan nabij de Linnaeusstraat? Met andere woorden: was een van de ons bekende personen ten tijde van de moord in de buurt. Het onderzoek heeft hiervoor geen aanwijzingen opgeleverd (AMB 82).

Maar toch ..... de verdachte moet hulp hebben gehad, al was het maar financiële (FIN 1 en FIN 2). Op 19 mei 2004 ontving de verdachte voor het laatst een uitkering. Die zelfde dag nam hij bijna het gehele bedrag op. Tussen 19 mei en 28 oktober heeft de verdachte in totaal € 200,-- van zijn rekening opgenomen. Daar kan niemand 5 maanden van leven. Na 6 augustus stond hij alleen nog maar rood. Op 28 oktober plunderde hij zijn rekening. Hij nam € 930,-- op en stond toen maximaal rood. Ongeveer op die dag gaf hij Rachid Bo. een enveloppe met € 1650,-- , zijn nalatenschap. Waar haalde de verdachte die extra € 720,-- vandaan? En hoe betaalde hij het vuurwapen, dat volgens de deskundige (verhoor RC d.d. 7 juli 2005) op de illegale markt tussen € 1000,-- en € 1500,-- moet hebben gekost. De verdachte moet dus na 19 mei aanzienlijke financiële ondersteuning hebben gehad. Het vuurwapen is ofwel door iemand anders betaald of de verdachte heeft het gratis gekregen. Ook dat is hulp.

Gisteren heeft de rechtbank ook een groot aantal andere aanwijzingen voor medeplegen of medeplichtigheid voorgehouden. Ook mijn conclusie luidt, dat er onvoldoende bewijs is voor het bestaan van medeplegers of medeplichtigen.

In een interview in Trouw van afgelopen vrijdag uit de zuster van Theo van Gogh, Josien, hierover haar ernstige zorgen, en boosheid: "Is Theo van Gogh vermoord door één zonderling, een godsdienstfanaat, of door een professioneel terreurnetwerk. ... ... Waarom kozen zij Theo uit? En waarom moest hij dood op zo’n gruwelijke manier? Wie planden dit?"
Heel terechte vragen. En begrijpelijk is haar zorg, dat straks de zaak is afgedaan en dat het dan stil wordt.
Het is de verdachte die weigert om inzicht te geven in deze vragen. Met Josien van Gogh ben ik eens: het is laf om te zwijgen. Ik begrijp dat zij het zwijgrecht onverdraaglijk vindt. Ook dat vind ik begrijpelijk Maar met mij weet zij ook dat dit een basisbeginsel is in een beschaafde rechtspleging.
Ik kan nu alleen toezeggen dat vooral onderzoek naar de Hofstadgroep ook gericht blijft op alle onbeantwoorde vragen in het onderzoek naar de moord op Theo van Gogh. Als daar wat nieuws wordt gevonden, dan wordt daar uiteraard verder onderzoek naar gedaan.

4. Herkomst wapens

Het onderzoek naar de herkomst van het vuurwapen heeft niets nieuws opgeleverd. Uiteindelijk zijn wij blijven steken in het jaar 2000 toen dit vuurwapen als onderdeel van een grote partij vuurwapens in Zagreb is gestolen. Wat er vervolgens met het wapen is gebeurd, hoe het wapen en door tussenkomst van wie in handen van de verdachte is geraakt, is onbekend.
Wel zijn er van de CIE Utrecht een aantal processen-verbaal ontvangen over een Marokkaan die onder meer het wapen zou hebben geleverd, waarmee Theo van Gogh is doodgeschoten (INL 47 t/m 50). Deze Marokkaan is getapt, aangehouden en verhoord. Hij ontkent. De tap heeft niets opgeleverd. De CIE-informatie vormt geen bewijs. Dit deelonderzoek had dus geen resultaat.
Dat zelfde geldt overigens ook voor de gebruikte Kukri machete, waarvan wij de herkomst niet hebben kunnen vaststellen.

-start presentatie-

5. De strafbare feiten

Ik keer nu terug naar de gebeurtenissen van 2 november 2004.

Om inzichtelijk te maken hoe de verklaringen van de getuigen, aangevers en politieagenten, technische rapporten en andere processen-verbaal op elkaar aansluiten, heeft de politie op mijn verzoek een aantal beelden gemaakt. Deze dienen ter ondersteuning van mijn relaas. John Pel van de politie Amsterdam zal voor mij de computer bedienen.

-Moord Theo van Gogh-

Er zullen geen schokkende foto’s of andere beelden worden vertoond. De slachtoffers weten dat de beelden worden getoond. Zij weten dat zij de zaal kunnen verlaten en later terug kunnen keren.

Op 26 januari 2005 heb ik de dagvaarding voorgedragen. Die dagvaarding is op kleine onderdelen gewijzigd. Zoals gisteren aan de orde is gekomen gaat het bijvoorbeeld om de toevoeging van enkele namen van politieagenten en het toevoegen van enkele subsidiaire feiten.

De feiten; het gaat om:

1. moord met terroristisch oogmerk op Theo van Gogh;
2. poging tot moord met terroristisch oogmerk op een tweetal omstanders (dit zijn personen die door kogels van verdachte op de Linnaeusstraat zijn geraakt);
3. poging tot moord met terroristisch oogmerk op politieagenten;
4. verboden wapen- en munitiebezit begaan met terroristisch oogmerk;
5. bedreiging met geweld tegen een lid van de tweede kamer, Hirsi Ali, waardoor zij verhinderd werd haar werk te doen, met terroristisch oogmerk;
6. bedreiging van Hirsi Ali met een terroristisch misdrijf.

6. Feit 1: Moord op Theo van Gogh

De moord op Theo van Gogh.

-3 pd’s-

2 november 2004. Het was dinsdagochtend erg druk. Meer dan 50 ooggetuigen hebben verklaringen afgelegd over wat er op de Linnaeusstraat gebeurde. Op de minder drukke Mauritskade waren dat meer dan 20 getuigen.
Op de Linnaeusstraat reden trams reden af en aan. Auto’s reden langzaam omdat er sprake was van filevorming. Ook fiets- en voetpaden waren vol met mensen.
Ik sprak zojuist over getuigen, maar doe met het woord getuige die mensen te kort. In hun verklaringen valt op dat een aantal van hen zich er van bewust werd dat zij in de schootslijn zaten van een schietende man. Sommigen zagen hun leven aan zich voorbij trekken. Auto’s in de file konden geen kant op. Zo duikt een vader in een passerende auto over zijn kinderen op de achterbank van zijn auto. Andere mensen blijven juist verstijfd staan. Iedereen wordt ongewild geconfronteerd met de schokkende gewelddadigheden van de verdachte. Die confrontatie heeft bij vrijwel iedereen emotionele sporen nagelaten. Via de politie heeft een groot aantal van hen de weg gevonden naar Slachtofferhulp. Daarmee zijn diepgewortelde gevoelens van onmacht, verontwaardiging en verbijstering nog niet weggenomen. Het moet verdachte bekend zijn geweest dat dit stukje Amsterdam op dit tijdstip van de dag zo druk zou zijn. Hij heeft immers de plaats voorverkend. De directe getuigen zullen de gebeurtenissen nog lang heugen.

-kaartje (zonder fietsroute)-

Nummer 133: de woning van Theo van Gogh in de Pythagorasstraat te Amsterdam. Als hij in Amsterdam was, reed hij bijna elke ochtend op zijn fiets een vaste route van zijn huis naar zijn werk, de productiemaatschappij Column in Amsterdam-Zuid.

- kaartje met groene fietsroute-

Zijn vaste route werd gereconstrueerd aan de hand van verklaringen van bekenden van Theo van Gogh, getuigen en enkele videocamera’s. Het eerste deel van die fietsroute voerde over de Linnaeusstraat en van daar uit verder naar Amsterdam-Zuid.
Deze fietsroute is van belang. Ten eerste om te kijken waar de verdachte op 2 november 2004 voor het eerst contact heeft gemaakt met Van Gogh.
Maar nog meer omdat juist rondom deze fietsroute een aantal getuigen de verdachte heeft gezien in de weken vóór de moord. Vooral na de uitzending van Opsporing Verzocht op 29 november van het vorig jaar hebben zich veel getuigen gemeld. De getuigen konden de verdachte herkennen door de in die uitzending getoonde foto van de verdachte.

-afleggedrag (zonder groene pijl)-
Negen getuigen hebben de verdachte voor 2 november gezien. De nummers verwijzen naar de nummers die de getuigen in het dossier hebben gekregen. Hun verklaringen moeten zowel individueel als in samenhang te worden bekeken.

-afleggedrag (met groene pijl)-
De verdachte wordt een maand voor de moord gezien vlak bij het huis van Theo van Gogh; dat zijn de getuigen 10.2 en 10.9.
Half oktober 2004 stapt de verdachte op de tram op de Middenweg ter hoogte van de woning van Theo van Gogh. Hij stapt uit op de plek waar Van Gogh is vermoord. Dat heeft de getuige 8.5 verklaard.
Twee weken voor de moord ziet getuige 10.1, omstreeks half negen onder het treinviaduct van de Linnaeusstraat de verdachte lopen. Dit ziet hij op twee verschillende dagen.
Ook bij het treinviaduct ziet een andere getuige, 1.27, de verdachte zowel op 1 als 2 november. De verdachte staat dan passerende fietsers te bekijken. Beide keren weer om half negen.
Dit wordt door getuige 8.9, bevestigd. Die ziet dat de verdachte op de 1e november 2004 rond kwart over acht uur bij het treinviaduct in een starthouding bij zijn fiets staat. Ook hij zegt dat de verdachte passerende fietsers staat te bekijken.
Weer een andere getuige, 10.6, heeft een man gezien die erg veel lijkt op verdachte. Deze man zat op drie dagen in de tweede helft van oktober op een bankje voor het stadsdeelkantoor, de plaats waar Theo van Gogh later is vermoord. Dat was telkens rond 9 uur in de ochtend. Diezelfde getuige zag ook Theo van Gogh daar vaak fietsen.
Tot slot van deze opsomming getuigen 1.25 en 8.6. Zij hebben drie weken, twee weken en twee dagen voor de moord de verdachte gezien op de hoek van de Linnaeusstraat met het Oosterpark. 8.6 is tramconducteur en heeft de verdachte zien opstappen bij het OLVG en uitstappen op de Linnaeusstraat. Getuige 1.25 komen we op 2 november nog tegen.

De verklaringen van deze getuigen maken duidelijk dat de verdachte Theo van Gogh voor 2 november in de gaten heeft gehouden. De verdachte wist dus dat Theo van Gogh omstreeks half negen het treinviaduct zou passeren en wat later in de Linnaeusstraat zou zijn. Een beklemmend idee: een man die stiekem observeert, een man die slechts denkt aan het moment dat hij Theo van Gogh gaat vermoorden?

2 November 2004.
Van de moord zijn velen getuige geweest.

-Lokaties van getuigen-

De verdachte wordt al om 18 minuten over 8 lopend gezien op de fietsroute voor het treinviaduct. Theo van Gogh pint om iets na half 9 bij de Primera op de Middenweg. Vanaf die winkel ben je in een rustig gemiddeld fietstempo in twee minuten bij het stadsdeelkantoor (AMB 17). Rond 5 over half 9 zal Theo van Gogh in de buurt van het Stadsdeelkantoor zijn gekomen.

Hier is het Stadsdeelkantoor met vele getuigen en daar tegenover wordt uiteindelijk het ontzielde lichaam van Theo van Gogh gevonden.
Aan de concentratie van de getuigenverklaringen is te zien hoe druk het was op de plek waar Van Gogh werd vermoord.
Curieus is dat verdachte tot en met zijn 7e levensjaar gewoond heeft in de Domselaerstraat (PRS pag. 3529). Hij was dus goed bekend met de omgeving die hij uitkoos voor de moord op Theo van Gogh.

Het gebeurde allemaal in de Linnaeusstraat.

-Linnaeusstraat, zonder routes-

Voor Uw oriëntatie: Boven is het spoorwegviaduct. In het midden met het licht grijze dak staat het stadsdeelkantoor en rechtsonder de ingang van het Oosterpark, waar de dader na de moord naar toe zal lopen.
Theo van Gogh kwam aan fietsen vanaf het treinviaduct. Zie de groene lijn.

-Linnaeusstraat met groene lijn-

Getuigen (GET 1.5 en 1.6) hebben hem daar die ochtend zien fietsen.

-Linnaeustraat met ook rode lijn-

Op een gegeven moment zien zij ook de verdachte fietsen.
De rode lijn geeft de verdachte aan.
De getuige verklaart:
"Iets voor het Stadsdeelkantoor zag ik dat er een man op het fietspad naast Theo van Gogh reed. ……Plotseling zag ik dat deze man met zijn rechterarm in de richting van Theo van Gogh wees."

Enkele beelden van de Linnaeusstraat op 2 november 2004:

-start filmpje Linnaeusstraat. Stop als beide fietsen in beeld zijn-

De voorste fiets is de damesfiets van de verdachte. De achterste fiets met het mandje is van Theo van Gogh. De fietsen staan voor het Stadsdeelkantoor. Zij zijn daar later door omstanders tegen het hek gezet.

-filmpje verder-

De Linnaeusstraat vanaf het spoorviaduct.
Links het Stadsdeelkantoor; rechts de plaats waar Theo van Gogh is aangetroffen.

-Linnaeusstraat met groene en rode lijn-

De verdachte rijdt naast Theo van Gogh.
Getuige:
"Ik zag dat Theo van Gogh opzij keek naar de man. Meteen daarna hoorde ik een aantal knallen; ik denk 4 of 5."
En een andere getuige verklaart:
"Ik dacht toen dat deze man Theo van Gogh aan de kant duwde en een por in zijn linker zij gaf. Ik hoorde vrijwel direct hierop een enorme knal. Direct daarna hoorde ik weer zo’n knal."
Ook twee andere getuigen hebben gezien en gehoord dat er op een man wordt geschoten (GET 1.23 en 1.43).

-Linnaeustraat met 4*-

De technische recherche heeft 4 hulzen nabij de twee achtergelaten fietsen gevonden (FTO 2). Deze zijn verschoten met het pistool dat later bij de verdachte in beslag is genomen (NFI 3). Bij de verdachte zelf zijn zogenaamde schiethanden aangetroffen (NFI 8).

-Linnaeusstraat met fietsen-

Linksonder herkent U de fiets van Theo van Gogh aan de oranje boodschappentas.
De vier getuigen hebben hierna gezien hoe Theo van Gogh aan zijn aanvaller probeerde te ontkomen. Ik citeer twee getuigen.
De ene verklaart:
"Ik zag dat Theo van Gogh zijn fiets neergooide en ik hoorde hem tegen de man roepen: doe het niet, doe het niet. Ik zag dat de man zijn fiets ook neergooide. Ik zag dat Theo van Gogh naar de overkant van de straat rende."
En de ander:
"Ik zag dat de man op de fiets half ten val kwam en over zijn fiets leunde. Ik hoorde dat hij riep:’ Nee, nee’. Ik zag toen onmiddellijk dat dat Theo van Gogh was. …… Ik zag dat Theo probeerde over te steken naar de even zijde van de Linnaeusstraat."
Achter het hek van het stadsdeelkantoor werd één kogel gevonden. Hierop zat bloed van het slachtoffer (FTO 2 / NFI 9 / NFI 10). Theo van Gogh vluchtte dus met een zware verwonding voor zijn leven.

-Linnaeusstraat met groene en rode lijn-

De getuigen zien vervolgens Theo van Gogh rennen, rennen voor zijn leven. De verdachte loopt rustig achter hem aan.

-Linnaeusstraat met daarop groene + rode lijn en huls-

Ook tijdens het oversteken schiet de verdachte nog op Van Gogh (GET 1.34). Midden op de straat is één huls gevonden (FTO 2 en NFI 3). Vermoedelijk heeft de verdachte ook toen meer dan een keer geschoten. Ik ga er van uit dat de verdachte zijn vuurwapen volledig heeft geladen. Dan kunnen er 15 patronen in de houder en eventueel nog een in de kamer van het vuurwapen. In totaal zijn er 14 hulzen op de Linnaeusstraat gevonden (FTO 2). Dus een of maximaal twee hulzen zijn niet gevonden. Deze kan, of kunnen, door passerende auto’s of trams zijn verplaatst. Ná de schietpartij, maar vóór dat de politie de Linnaeusstraat heeft kunnen afzetten.

7. Feit 4: de twee burgerslachtoffers

Twee omstanders zijn geraakt. Een man in zijn been, een vrouw in de hak van haar schoen (AAN 1 / GET 1.45 en 1.45a / NFI 8).
Ik citeer eerst de anoniem gebleven getuige. Die staat bij het Stadsdeelkantoor:
"Ik zag dat een man die voor Theo van Gogh stond kennelijk geraakt werd……De man die … … geraakt werd, liep voor Theo van Gogh. Ik zag dat deze man bleef staan maar een schokbeweging maakte……Later bleek ook dat deze man geraakt was, want ik ben na de schietpartij naar het politiebureau gereden en daar zag ik dat deze man gewond naar binnen werd gebracht. Ik schat de afstand tussen de man met het wapen en ……deze neergeschoten man en Theo van Gogh ……op ongeveer 9 meter."
Dan het burgerslachtoffer zelf:
"Ik hoorde knallen. Ik zag mensen voor het stadsdeelkantoor uit elkaar stuiven. Ik zag dat mensen hun spullen lieten vallen en ik hoorde mensen gillen. Ik zag een man met een zwart voorwerp in zijn hand en ik twijfelde er niet aan dat deze man net had geschoten. Ik heb me omgedraaid en ben gaan rennen bij de man vandaan. Vrijwel meteen daarna, ik zal een meter of tien hebben gerend, voelde ik een scherpe pijn in mijn rechterbovenbeen aan de achterkant. Ik realiseerde me meteen dat ik door een kogel geraakt moest zijn. Ik dacht nog zoiets van: ‘zo voelt dat dus’. Ik ben door blijven lopen. Onderweg zag ik bloed. Ik zag ook aan de voorkant van mijn rechterbeen een gat. Ik bleef doorlopen naar het politiebureau." Einde van dit citaat.
Op het politiebureau wordt het hem zwart voor de ogen.

Het tweede slachtoffer is een vrouw (AAN 2 / GET 1.44). Ik citeer:
"Ik hoorde Theo van Gogh iets schreeuwen. Ik stond 3 meter achter de man met het pistool. Theo werd beschoten, draaide zich om en rende weg. Ik zag en hoorde dat de man bleef schieten. Ik ben ook gaan rennen in dezelfde richting als Van Gogh. Tijdens het rennen heb ik de man met het pistool ingehaald. Ik vermoed dat ik hierdoor gewond ben geraakt omdat ik tijdens het rennen iets aan mijn voet voelde. Later bleek dat ik geraakt was. In de hak van mijn schoen zat een kogel". Einde citaat.
De foto’s van de schoen zitten in het dossier. Naar de schoen is onderzoek gedaan (FTO 2). De hak van de schoen bleek in de breedterichting geperforeerd door een kogel.

8. Terug naar feit 1: de moord op Theo van Gogh

Terug naar Theo van Gogh.
Een getuige ziet dat Theo van Gogh om een auto heen rende. De verdachte achtervolgt hem rustig. Andere getuigen verklaren dat Theo van Gogh aan de overzijde van de Linnaeusstraat meteen achter een auto in elkaar zakte.

Inmiddels is de aandacht gewekt van een groot aantal getuigen. Deze zien hoe Theo van Gogh weer door de verdachte wordt beschoten.
De technische recherche vindt later 9 hulzen nabij en onder het lichaam van Theo van Gogh (FTO 2).

-Linnaeusstraat met 9 hulzen-

Van het grote aantal getuigen, citeer ik er enkele.
Ik begin met de eerste getuige (GET 1.12):
"Ik zag Van Gogh op de grond liggen. ……Ik zag dat er een man voor Van Gogh stond. Ik zag dat deze man een groot pistool in een van zijn handen had. Ik zag dat hij het pistool met gestrekte arm gericht hield op het lichaam van Van Gogh. Ik hoorde Van Gogh in paniek roepen: ‘Genade, genade, niet doen, niet doen.’ ……Ik zag dat Van Gogh met zijn handen afwerende bewegingen maakte. Vervolgens zag ik dat de man met het pistool, dat hij nog steeds gericht hield op het lichaam van Van Gogh, zo’n 7 à 8 schoten afvuurde."
Een eerdere getuige weer, die vanuit zijn woning op de 2e verdieping alles zag gebeuren:
"Ik zag een man bij een ander man staan. Een man lag op zijn rug, op de grond. De onderlinge afstand tussen beide mannen was ongeveer een halve meter tot maximaal een meter. Ik zag in de rechterhand van de staande man een zwart vuurwapen, een pistool. …… Ik hoorde 2 of 3 schoten. …… Ik zag dat de man het slachtoffer twee keer schopte."
Tot slot de volgende getuige (GET 1.32):
"Ik zag een man op straat liggen, …… ik zag dat dit Theo van Gogh was. Ik zag dat de man met de schoudertas die op het trottoir stond, een wapen in zijn hand had. ……Ik hoorde dat Theo van Gogh riep: ’Niet doen, niet schieten’ … … Ik zag dat de man die het wapen in zijn hand had, dit op Theo van Gogh gericht hield en nog een aantal keer schoot in zijn richting."
Een groot aantal andere getuigen (o.m. GET 1.9, 1.18, 1.20, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11 en 2.13) zien ook dat de verdachte op korte afstand op de liggende Theo van Gogh schoot en tegen zijn lichaam aan schopte.

De verdachte knielt dan bij Theo van Gogh.

-kukri-mes-

Hij pakt een groot kapmes (WWM 3) uit zijn tas, een Kukri-mes met een lemmet van 33 cm.

-kukri-mes met uitvergroting snijdeel-

Het Kukri-mes is een replica en als wapen een wanproduct, aldus de deskundige van het tropeninstituut (WWM 6). Om het scherper te maken is dit mes bijgeslepen (WWM 8).
Ook maakt de verdachte gebruik van een kleiner mes, een fileermes met een lemmet van 13,5 cm (WWM 4).

-kleine mes toegevoegd-

Uit de getuigenverklaringen maak ik het volgende op. De verdachte snijdt met het Kukri-mes de keel van het slachtoffer door. Hierna plant hij het mes in de borst van Theo van Gogh.
Verdachte pakt dan uit zijn tas een wit papiertje en legt dit op het bovenlichaam van Van Gogh neer. Hij priemt dit briefje met het fileermes op het lichaam van Theo van Gogh. Dit witte papiertje is de dreigbrief gericht aan Hirsi Ali.
Ik citeer weer de meest aansprekende getuige:
"Vervolgens zag ik dat de schutter een groot mes in zijn hand had. Het mes pakte hij volgens mij uit een tas. Vervolgens zag ik dat de schutter bij het lichaam van Van Gogh neerhurkte, achter diens hoofd. Ik zag dat hij het mes in de hals van Van Gogh drukt. Ik zag vervolgens dat hij met het mes snijdende, zagende bewegingen maakte in de hals van Van Gogh. Hij was als het ware zijn keel aan het doorzagen. Toen zag ik dat hij het mes met beide handen vastgreep en dat hij het met kracht in de borst drukte. Ik zag dat hij het mes, gebruik makend van het gewicht van zijn bovenlichaam, in de borst van Van Gogh duwde. Hij was echt stevig aan het drukken. Nadat de schutter dat gedaan had, zag ik dat hij een velletje papier ergens vandaan pakte. Vervolgens zag ik dat hij nog een tweede, kleiner mes in een van zijn handen had. …… Ik zag dat hij het velletje papier op de buik van Van Gogh legde. Daarna zag ik dat hij het tweede, kleinere mes door het velletje papier heen in de buik van Van Gogh stak."

Andere getuigen (GET 1.18, 1.9, 1.20, 1.24, 1.25, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11 en 2.13) verklaren voor het grootste deel hetzelfde. Het moet een gruwelijk gezicht zijn geweest:
"Ik voelde afgrijzen, alsof ik zelf gestoken werd, zo voelde dat.", aldus een getuige.

Volgens het sectierapport is Van Gogh door 8 kogels getroffen. Zijn keel is met 4 zagende bewegingen opengereten. Twee messen staken in zijn lichaam. De schotletsels en het halsletsel, ieder apart en in combinatie, kunnen het intreden van de dood zonder meer verklaren (FTO 2 / NFI 2).

De 14 hulzen die op de Linnaeusstraat zijn gevonden zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met het pistool van de verdachte (NFI 3), hard technisch bewijs.

Terug naar de Linnaeusstraat:

-Linneausstraat terug in beeld-

Er ontstaat een vreemde rust. De verdachte kijkt om zich heen (GET 2.3). Hij blijft staan kijken naar de dode Theo van Gogh. Hij is rustig, kalm, niet in paniek, lijkt niet opgewonden. Dit valt de getuigen op. Dat geldt ook voor de daaraan voorafgaande gebeurtenissen. Drie korte citaten:
"Ik zag dat de man dit alles heel koelbloedig en kalm deed. Hij maakte een hele doordachte weloverwogen indruk, hij wist duidelijk waar hij mee bezig was. Theo van Gogh werd gewoon afgeslacht ..... De man deed ook geen haast om weg te komen. Hij bleef het lichaam van Theo bekijken.", aldus een getuige (GET 2.8).
Een andere getuige:
"Hij stond heel rustig te kijken naar Theo. Te kijken alsof hij zijn werk wel goed gedaan had." (GET 1.35).
En tot slot:
"Het viel me op dat de man tijdens het hele voorval uiterst kalm en beheerst alles deed. Het schokte mij zeer omdat het leek of het de man allemaal niets deed. Hij liep ook rustig weg." (GET 2.4).

Dan loopt de verdachte richting Oosterpark.

-Vertrek B.-

De verdachte had een schoudertas bij zich.

-rode cirkel rond de schoudertas-

Die tas heeft hij onderweg laten vallen. Let u op de rode cirkel. Drie agenten van de technische recherche staan bij de stoeprand bij die bewuste tas.

-schoudertas-

In deze schoudertas heeft de verdachte zijn pistool, messen, patronen en walkman vervoerd. Diverse getuigen zien dat verdachte deze tas laat vallen. Op deze tas ligt dan een wit washandje (GET 1.18, 1.20, 1.24 ,2.5, 2.9, 2.11 en 2.13).
In dat washandje blijken later twee patronen van 9 mm te zitten (FTO 2 / WWM 6).

-filmpje Linneausstraat-

Nogmaals de route van de verdachte. Ook deze opname is op 2 november gemaakt.

-stop bij ambulance-

Theo van Gogh ligt achter de ambulance.

-door tot tas in beeld, dan stop-

Net achter de twee ambulancebroeders ziet u nogmaals de tas op de stoep liggen.

-verder tot hoekpand, dan stop-

Hier liep de verdachte dus van het lichaam van Theo van Gogh naar het Oosterpark. Ook ziet U aan het einde links de ingang van het Oosterpark. Het gele hoekpand, ook links vlak voor het park, aan het einde van de straat komt zo terug.

-foto hoek Linnaeusstraat-

Daar is het gele hoekpand. Een getuige (GET 2.5) was in het stadsdeelkantoor. Hij had de verdachte in het vizier. Om later de politie te kunnen helpen, maakte hij deze foto. Het is een bijzondere foto van 2 november 2004.

-rode streep-

Daar liep dus de verdachte.

-cirkel rondom verdachte-

Hier staat de verdachte op de foto (aanwijzen). Het is de man met de beige jas.

actiepunt: foto hoek Linnaeusstraat met pijl richting park komt in beeld.

Even later zal de verdachte oversteken en het Oosterpark in gaan.

-gele cirkel rond getuige 1.25-

Een getuige (aanwijzen), die al enkele keren is aangehaald. Hij leunt uit het raam en heeft alles goed kunnen zien. Ik citeer:
"Ik zag dat hij mijn kant op kwam lopen. Op het moment dat de man precies onder mij liep zag ik dat hij het vuurwapen in zijn rechterhand had. Verder zag ik dat hij in zijn linkerhand een magazijn had. Verder zag ik kleine messing patronen. Ik zag dat de man bezig was met zijn magazijn te herladen."
Ook anderen verklaren hierover:
"Ik zag dat de rustige man zijn pistool geklemd had onder zijn linkerarm. ……ik zag dat de rustige man met zijn rechterhand patronen in de onderkant van het handvat stopte. Ik heb er zeker drie in zien verdwijnen." Dit verklaart een andere getuige (GET 1.11).
Kennelijk bedoelt deze getuige met het handvat, de patroonhouder. Daar konden 15 patronen in. (ook: GET 1.20 en 1.34).

Op 7 juli jl. is door de rechter-commissaris een vuurwapendeskundige gehoord. Hij concludeert dat de verdachte ter plekke een aantal handelingen heeft verricht, die je onmogelijk kunt verrichten zonder die geoefend te hebben. Om een houder te kunnen vullen met patronen – tijdens het lopen – zonder met patronen te strooien moet je behoorlijk hebben geoefend. Het is bijzonder dat de technische recherche vanaf de plek waar Van Gogh werd vermoord tot aan de hoek met het Oosterpark geen losse patronen heeft gevonden. "Zelfs getrainde politiemensen lukt dat niet zo goed. Zeker niet onder de geschetste omstandigheden. Alle mensen die ik spreek melden dat onder stressvolle omstandigheden de fijne motoriek verdwijnt en dan heb ik het over getrainde mensen van arrestatieteams.", aldus de getuige deskundige bij de RC.

Het blijft niet bij lopen en vullen. Verdachte spreekt een omstander aan. Twee getuigen verklaren hier over, (GET 1.11 en 1.20). De verdachte zegt:"wat kijk je". De omstander antwoordt "dat kun je toch niet maken". Verdachte zegt: "Dat kan ik wel, waarom niet...., hij heeft het er naar gemaakt". Verdachte stopt dan de patroonhouder weer in het pistool. De omstander zegt wederom: "dit kan toch niet, dit kan je toch niet maken.", waarop verdachte zegt: "Dat kan ik wel en dan weten jullie ook wat je te wachten staat." De omstander reageert en zegt: "Ik ga weg, ik wil hier verder niet meer over praten." en de omstander fietst weg.

Diverse getuigen hebben de tegenwoordigheid van geest om politieagenten te wijzen op de verdachte en zijn looproute (GET 2.2 / 2.14 / AMB 1 / AMB 2). De getuige geeft zijn collega opdracht een foto te maken vanuit het Stadsdeelkantoor. Dat is deze foto. Die getuige is naar buiten gesneld. Hij ziet de verdachte vervolgens het park inlopen en hij schiet een agent aan in een politiebus. De getuige stapt in de politiebus.

-Oosterpark-

Op enkele momenten zien zij verdachte nog lopen. In het Oosterpark lopen ook vrouwen met kinderen. Daarom krijgen de agenten, die al op de verdachte in het park af gaan, opdracht hem niet aan te houden. De veiligheid van het publiek in het park gaat voor. De situatie was daar niet controleerbaar. Een professionele beslissing.

-Oosterpark met rode route-

De verdachte is dwars door het park gelopen. De getuige en de politieman zien hem met versnelde pas richting Mauritskade lopen. Dit wordt via de portofoon doorgegeven.

9. Feit 2: Beschieting van politiemensen

Zo komen we bij feit 2: de beschieting van de politiemensen.

-Mauritskade-

De Mauritskade. Ook de komende beelden zijn allemaal op 2 november opgenomen.
Vanuit het park gekomen loopt verdachte op de Mauritskade af.

-Mauritskade met pijl-

De verdachte komt aanlopen. Op deze plek zal het eerste vuurgevecht plaatsvinden met politie. Die rijden naar de Mauritskade om de verdachte aan te houden. Een vuurgevecht waarbij de eerste kogels steeds van verdachte komen. Ook hier geldt dat burgers ongewild getuige worden van een schietpartij en zelfs in de kogelwisseling belanden (GET 1.39 en 3.8).

Nu volgt een overzichtsfilmpje van de Mauritskade. Ik zal een aantal plekken aanwijzen, die straks in het betoog belangrijk worden.

-start filmpje Mauritskade-

De aanlooproute van verdachte, vanuit het Oosterpark (aanwijzen).

-filmpje stoppen als vluchtheuvel geheel zichtbaar is-

Aan de linkerzijde een politiebus van de hondenbrigade (aanwijzen) Die bus zal als tweede politievoertuig worden beschoten.
De vluchtheuvel mist een gele verkeerszuil met verkeersbord. Die verkeerszuil ligt nu links op het fietspad (aanwijzen).
De politieauto die als eerste door de verdachte werd beschoten kwam van links; dus vanuit de richting van de filmer. Hij wordt ongeveer hier beschoten en is via de vluchtheuvel (aanwijzen) over de betonnen rand (aanwijzen) tegen een schutting aangereden (aanwijzen) en vervolgens verderop terecht gekomen (aanwijzen)
Midden op de weg een grijze onopvallende surveillancewagen van de politie (aanwijzen).

-film verder tot reclamebord links nog maar half in beeld is-

We gaan verder
Links de politieauto die het eerst is beschoten (aanwijzen).
Aan de rechterzijde liggen 5 politiehulzen (aanwijzen).
De politiebus midden op de weg werd als derde beschoten (aanwijzen).

-film verder tot politiebus links van het midden-

Dezelfde politiebus, maar nu van dichterbij. (aanwijzen)
Rechts liggen 10 hulzen die afkomstig zijn uit het wapen van verdachte. (aanwijzen)

-film verder tot boom links net uit beeld is-

Middenachter ligt de politiemotor, die zo vaak op de televisie is geweest. (aanwijzen)
Rechts staat de blauwe vrachtauto die de politie bij de aanhouding wilde helpen. (aanwijzen)
Vlak voor de vrachtauto zal de verdachte geraakt worden. (aanwijzen);

-verder film afmaken-

Het door de verdachte gebruikte wapen.

-Mauritskade met rode route-

Daar komt dus de verdachte de Mauritskade op.

Aanwijzen:

* de auto van G. en G05, eerst beschoten (feit 2 A)
* de burgerauto van de politie van A. en G06, die zijn niet beschoten (feit 2 B)
* de bus van de hondenbrigade van W. en Aa., als tweede beschoten (feit 2 C)
* de wijkteambus van G04, G07, J. en De G., als derde beschoten (feit 2 D)
* niet in beeld is de motor van De R., hij is niet beschoten (feit 2 E)
* de vrachtauto, en de plaats waar de verdachte is geraakt

Politieagenten die geschoten hebben op de verdachte zijn in het proces-verbaal en de tenlastelegging met een nummer aangeduid. Dat is voor hun eigen veiligheid. De rechtbank is bekend met de namen van deze agenten.

Nu over naar de feitelijke gebeurtenissen.

-Mauritskade met 5 hulzen-

Nabij de uitgang van het park zijn vijf hulzen aangetroffen van de verdachte (FTO 4). Van links komt een politieauto aanrijden.

-gele lijn 1e auto-

De gele lijn toont de rijroute van de 1e politieauto.
De verdachte begint te schieten bij de 5 hulzen.

Aangever G. (AAN 7) zit met G05 in de auto. Ik citeer G.:

"Ik bestuurde het politievoertuig en G05 zat naast mij. .... ...Terwijl we aanreden hoorde ik over de portofoon dat de verdachte in het park liep. Ik hoorde dat collega Gerrit S. de verdachte in het oog had. ... ...Ook hoorde ik hem zeggen dat de verdachte een wapen in zijn hand had. ... ...Vervolgens zijn we uitgestapt om de kogelwerende vesten aan te trekken. ... ...Plotseling hoorde ik Gerrit over de mobilofoon of portofoon roepen dat de verdachte was gaan rennen in de richting van de Mauritskade. ......ik was in de veronderstelling dat hij bij het OLVG het park uit zou lopen ... ... Plotseling, nadat we een meter of dertig gereden hadden, hoorde ik dat G05 schreeuwde: ‘naast je, bukken, kijk uit, hij schiet!’. ... ...Tegelijkertijd dook G05 naar voren. Ik keek naar links en zag vlak naast mijn auto een man staan. Ik zag dat deze man mijn kant op keek en ik dacht bij zijn uiterlijk meteen aan Bin LAden. Hij voldeed volledig aan het signalement dat Gerrit had gegeven. ... ...Tegelijkertijd zag ik in een flits dat de man een zwart vuurwapen in zijn hand vasthield ... ... Ik zag dat hij dit vuurwapen op de auto richtte waar wij inzaten. Ik hoorde G05 schreeuwen: ‘bukken, rijden!’. Vrijwel tegelijkertijd hoorde ik een knal. Ik hoorde en merkte dat de ruit van de linkerachterportier werd verbrijzeld. Ik voelde wat langs mijn hoofd suizen. Ik realiseerde me dat de man op mij schoot. In een reflex voelde ik aan mijn hoofd en concludeerde dat ik niet was geraakt. Op het moment dat dit gebeurde stonden wij stil met de auto omdat we niet verder konden rijden ... .... We konden geen kant meer op en ik voelde dat we in de val zaten ... .... De hele situatie was zeer bedreigend. Het was duidelijk dat de verdachte het op ons had voorzien. Ik was bang door hem neergeschoten te worden, geliquideerd te worden. Direct nadat ik aan mijn hoofd had gevoeld, pakte ik mijn pistool uit mijn holster en bracht dit voor mijn lichaam. Terwijl ik dit deed hoorde ik wederom twee knallen. Ik voelde twee klappen in mijn rug en voelde pijn. Door die klappen ging mijn bovenlichaam naar voren en ik klapte tegen het stuur aan. Ik voelde pijnscheuten in mijn rug en was er van overtuigd dat ik geraakt was. ... ...Ik realiseerde me meteen dat ik weg moest ... ... Ik heb geen idee meer hoe ik gereden ben. Ik heb met mijn rechterhand het hoofd/lichaam van G05 naar beneden gedrukt en heb vol gas gegeven. Wat er toen precies gebeurd is weet ik niet meer. Ik heb van die gele blokken geraakt, een vluchtheuvel gepakt en een verkeerszuil geraakt ... ... Ik had maar een doel, ‘weg hier ... ...Toen ik wegreed bevond de verdachte zich nog steeds links van mij. Ik passeerde hem dus min of meer rechts. Op het moment dat ik wegreed, hoorde ik nog een vierde knal. ... ...Nadat we over de gele betonblokken waren gereden kwamen we ongeveer 10 meter verderop op het voetpad tot stilstand. ... ...Ik zag dat G05 nog steeds naar voren gebogen zat. Kort daarop keek ze om en ik hoorde haar zeggen ’ hij staat nog steeds achter ons.’ Ik keek achterom en zag hem staan met het pistool op ons gericht. Ik hoorde nog steeds knallen. ... ...Terwijl ik naar voren gebukt zat verliet G5 rechts de auto".

En de verklaring van G05 (AAN 4):
"Ik hoorde mijn collega gas geven, ik hoorde de motor van de auto brullen. We zijn een aantal meters, best een flink stuk nog, naar voren geschoten met de auto. Het was heel druk en we konden bijna geen kant op. Meteen daarna hoorde ik mijn collega, die achter het stuur zat roepen: ‘aahh ik ben geraakt!!!’. Het was allemaal heel hectisch, ik voelde doodsangst, geen paniek, maar ook bezorgdheid om mijn collega. ... ...Er is voor mij geen twijfel aan dat de man schoot om ons te doden. Hij had op elk moment weg kunnen komen, wij waren op dat moment, daar ben ik zeker van, de enige politieauto aan de kant waar hij stond. ... ...Wat me opviel was de rust, de kalmte van de man. Elke beweging ging heel rustig, heel zeker".

De politieauto van Groenedaal en G05 is dus eerst dwars over een verkeersheuvel en verkeerszuil gereden. Vervolgens over betonblokken die het fietspad markeren. Dan tegen een schuttingmuur en even verderop tot stilstand gekomen.

-pitauto-

De politieauto is meerdere malen geraakt; daar is technisch onderzoek naar gedaan (FTO 6).

-kogelinschot zijportier-

Dit is het eerste of tweede inschot is in de linkerachterportier. Deze kogel is terecht gekomen in de draaiknop van de rugleuning van de stoel van de bestuurder (FTO 7, blzz. O16190, 016200 en 016201).

G. verklaarde dat één kogel door de achterruit is gegaan.

-verbrijzelde achterruit-

Deze kogel heeft de bovenkant van de rugleuning van de stoel van de bestuurder geschampt. Voor G. zonder meer kantje boord.

-kogelwerend vest-

Agent G. heeft geluk gehad. De kogel kwam in zijn vest terecht. G. bukte. Waarschijnlijk daarom werd hij in de schouder getroffen, terwijl de inslag in het vest onder in het rugpand zit.

-achterzijde pitauto-

Toen G. en G05 wegreden, werden zij nogmaals van achteren beschoten. Via twee houten schotten van de toolbox achter in hun auto kwam deze kogel uiteindelijk tegen de stalen rugleuning tot stilstand (FTO 7, blzz. 016190 t/m –194).

Het verhaal gaat verder:

-Mauritskade met route pitauto-

De auto van G. en G05 reed dus over de betonnen wegrand. Vlakbij stond een grijze onopvallende personenauto, net achter de vluchtheuvel (aanwijzen). In die auto zaten A. en G06. Zij hadden een uniform aan. De verdachte kon hen als politiemensen herkennen.

Ik citeer G06 (AAN 5):
"Ik reed die dag met een onherkenbare politieauto, samen met een collega. ... ...We waren beiden in uniform gekleed. ... ...Korte tijd later, ... ..., hoorden wij dat de verdachte het park uitliep, mogelijk bij de Mauritskade. Toen ik daar kwam aanrijden, zag ik een man uit de richting van het park komen, die volledig aan het voldeed aan het signalement. ... ...Op dat moment zag ik dat de man een vuurwapen in beide handen had, hij had de armen gestrekt ... ....Ik gaf mijn collega opdracht om het te melden en plotseling zag ik een politiewagen die bijna recht op me af reed. ... ...Op dat zelfde moment hoorde ik schoten. Toen ik naar de verdachte keek, zag ik dat hij met zijn wapen als het ware meebewoog met de rijdende politiewagen. ... ...Ik zag dat de schutter nu plotseling op de rijbaan schuin links van mij stond, ongeveer 3 tot 4 meter bij mij vandaan. Ik zag dat de man mij recht aankeek en dat hij het wapen recht op mij gericht had. Ik keek de man aan. Ik dacht meteen: ‘hier ga ik’. Ik bedoel daarmee dat ik er niet aan twijfelde of de man zou mij neerschieten ... ... Ik was doodsbang dat de man dichterbij zou komen en me zou afknallen ... ... de man bleef staan en ik bewoog niet. ... ... Ik zag na enkele momenten dat de man langs mijn auto liep. ... ... Ik ben uitgestapt toen de man zeker een meter of 15 verder was. ... ... Ik zag dat de verdachte zich naar opzij draaide, naar die politie auto die aan kwam rijden, dat bleek later een hondegeleidersbus te zijn. Ik hoorde vervolgens een aantal knallen. Het kan niet anders of de verdachte moet op die politieauto hebben geschoten ... ... ik schat nog 5 of 6 keer. ... ... ik zag dat de verdachte zijn wapen met twee handen richtte op de politiebus die aan kwam rijden en ik hoorde opnieuw een aantal knallen. ... ...Ik voelde mij, door het enige tijd op mij gerichte wapen, bijzonder bedreigd. Ik ben ervan overtuigd dat de verdachte op mij geschoten had, als ik een beweging had gemaakt".

En politievrouw A. (AAN 13):
"De man schoot op de rijdende surveillanceauto. Hij wees al schietend mee met de auto. Ik dook omlaag in de auto en riep bukken. Vlak voordat ik bukte, zag ik de autorecht op ons afreed, uit koers raakte, schuin naar links over de