dinsdag, maart 15, 2005
 
UN High Level Report (pdf)
A more secure world:
Our shared responsibility

Foreword by the

United Nations Secretary-General

Historians may well look back on the first years of the twenty-first century as a decisive
moment in the human story. The different societies that make up the human family
are today interconnected as never before. They face threats that no nation can hope
to master by acting alone - and opportunities that can be much more hopefully
exploited if all nations work together.
The purpose of this report is to suggest how nations can work together to meet
this formidable challenge. It is the work of a panel of sixteen eminent and experienced
people, drawn from different parts of the world, whom I asked a year ago
to assess current threats to international peace and security; to evaluate how well
our existing policies and institutions have done in addressing those threats; and to
recommend ways of strengthening the United Nations to provide collective security
for the twenty-first century.
The Panel has met, and even surpassed, my expectations. This is a report of great
range and depth, which sets out a broad framework for collective security, and indeed
gives a broader meaning to that concept, appropriate for the new millennium. It suggests
not only ways to deal with particular threats, but also new ways of understanding
the connections between them, and explains what this implies in terms of shared
policies and institutions. In so doing, it also offers a unique opportunity to refashion
and renew the United Nations, which world leaders defined four years ago, in the
Millennium Declaration, as “the indispensable common house of the entire human
family”.
 
Wet raadplegend referendum Europese Grondwet
(Tekst geldend op: 15-03-2005)

Wet van 27 januari 2005, betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het op basis van de resultaten van de Europese Conventie te sluiten verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa aan een raadplegend referendum te onderwerpen, teneinde de betrokkenheid van de burgers bij de toekomstige hervormingen van de Europese Unie die voortvloeien uit de Europese Conventie te verhogen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister: Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;
b.
referendum: raadplegend referendum, bedoeld in artikel 2;
c.
referendumcommissie: referendumcommissie, genoemd in artikel 24;
d.
verdrag: verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

Artikel 2
Er wordt een raadplegend referendum gehouden over het verdrag, zoals dat is ondertekend voor het Koninkrijk.

Hoofdstuk 2. De kiesgerechtigdheid

Artikel 3
1.
Kiesgerechtigd voor het referendum zijn diegenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2.
Voor de beoordeling of aan de vereisten voor het kiesrecht is voldaan, is de toestand op de drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8, bepalend. Het vereiste van het hebben bereikt van de achttienjarige leeftijd wordt beoordeeld naar de toestand op de dag van de stemming.

Artikel 4
Artikel B 6 van de Kieswet is van toepassing.

Artikel 5
De registratie van de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente in de gemeentelijke administratie voor de verkiezingen van de Tweede Kamer geldt tevens als registratie van de kiesgerechtigdheid voor het referendum.

Artikel 6
De artikelen 34 en 35 van de Tijdelijke referendumwet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 34, eerste en tweede lid, in plaats van «elk nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
b.
in artikel 34, derde lid, in plaats van «vanaf het tijdstip waarop het besluit van de voorzitter van het centraal stembureau tot toelating van het inleidend verzoek tot het houden van een referendum onherroepelijk is geworden» wordt gelezen: met ingang van de dag waarop deze wet in werking is getreden;
c.
in artikel 34, vierde lid, in plaats van «de dagtekening van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110» wordt gelezen: de dagtekening van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Hoofdstuk 3. Kieskringen, stemdistricten en stembureaus

Artikel 7
1.
Artikel E 1, eerste lid, van de Kieswet is van toepassing.
2.
De artikelen 37, 38, 41, eerste lid, en 42 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 38, derde lid, in plaats van «een referendum» wordt gelezen: het referendum;
b.
in artikel 41, eerste lid, in plaats van «nationale referenda» wordt gelezen: het referendum.
3.
De hoofdstembureaus voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer treden op als hoofdstembureaus voor het houden van het referendum.

Hoofdstuk 4. De stemming

Artikel 8
1.
De referendumcommissie stelt zo spoedig mogelijk de dag van de stemming vast, in overeenstemming met Onze Minister. De bekendmaking van het besluit geschiedt door kennisgeving in de Staatscourant.
2.
Als dag van de stemming wordt aangewezen:
a.
indien het verdrag voor, op of binnen vijf weken na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, is of wordt ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn die aanvangt op de vijfentachtigste dag en eindigt vijf maanden na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd;
b.
indien het verdrag ten minste vijf weken na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, wordt ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn die aanvangt op de vijftigste dag en eindigt vier maanden na de datum waarop het verdrag is ondertekend voor het Koninkrijk.
3.
De artikelen 110, derde lid, en 111 van de Tijdelijke referendumwet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 110, derde lid, in plaats van «vier maanden» wordt gelezen: vier dan wel vijf maanden;
b.
in artikel 111, eerste lid, in plaats van «artikel 110, tweede lid» wordt gelezen: artikel 8, tweede lid.

Artikel 9
1.
De tekst van het verdrag is gedurende vier weken voorafgaande aan de stemming kosteloos ter secretarie van elke gemeente verkrijgbaar. De burgemeester brengt dit ter openbare kennis.
2.
De burgemeester draagt er zorg voor dat de samenvatting, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, ten minste veertien dagen voor de stemming aan het adres van de kiezers wordt bezorgd.
3.
Bij de samenvatting wordt van de verkrijgbaarheid van de tekst van het verdrag ter gemeentesecretarie mededeling gedaan.
Artikel 10
De artikelen 115 tot en met 120 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 115 in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag;
b.
in artikel 115 in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
c.
in onderdeel a van artikel 117 in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
d.
in onderdeel d van artikel 117 in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
e.
in artikel 118, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
f.
in artikel 119, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
g.
in artikel 119, tweede lid, onderdeel c, in plaats van «artikel 34» wordt gelezen: artikel 6;
h.
in artikel 120, eerste lid, in plaats van «een nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
i.
in artikel 120, eerste lid, in plaats van «datum van het in artikel 110 bedoelde koninklijk besluit» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8;
j.
in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet» wordt gelezen: het verdrag.

Hoofdstuk 5. De stemopneming door het stembureau

Artikel 11
De artikelen 121, 122, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 122, tweede lid, 123, 124 en 125, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 122, eerste lid, onderdelen a en b, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag;
b.
in artikel 123, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
c.
in artikel 123, eerste lid, en in artikel 125, eerste lid, de woorden «en kiesgerechtigden» buiten toepassing blijven.

Artikel 12
De burgemeester draagt er zorg voor dat de processen-verbaal, met daarbij gevoegd de opgaven van de door hem vastgestelde aantallen stemmen, onverwijld worden overgebracht naar de voorzitter van het hoofdstembureau.

Artikel 13
Artikel 127 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing.

Hoofdstuk 6. De vaststelling van de uitslag van het referendum

Artikel 14
De artikelen 128 tot en met 131, 133, eerste lid, 134, 135, eerste tot en met derde lid, en 136, onderdelen a tot en met d, van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a.
in artikel 129, eerste lid, in plaats van «provincie» wordt gelezen «kieskring» en de woorden «en van de in de artikelen 122 en 125, derde lid, bedoelde aantallen kiesgerechtigden voor het referendum» buiten toepassing blijven;
b.
in artikel 131 in plaats van «artikel 126» wordt gelezen: artikel 12;
c.
in artikel 135, eerste lid, in plaats van «een nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
d.
in artikel 136, onderdelen a en b, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag.

Artikel 15
Het centraal stembureau stelt vervolgens vast of een meerderheid van de kiesgerechtigden die bij de stemming een geldige stem hebben uitgebracht zich voor het verdrag heeft uitgesproken.

Artikel 16
De artikelen 138 en 139 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing.

Artikel 17
De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van het referendum zo spoedig mogelijk openbaar door plaatsing van een afschrift van het proces-verbaal in de Staatscourant.

Artikel 18
De voorzitter van het centraal stembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en Onze Minister.

Artikel 19
Artikel 142 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid in plaats van «artikel 126» wordt gelezen: artikel 12.
Hoofdstuk 7. Bepalingen inzake beroep

Artikel 20
Geen beroep kan worden ingesteld tegen:
a.
een besluit van het stembureau, het hoofdstembureau of de burgemeester inzake het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag van het referendum;
b.
het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.

Artikel 21
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen besluiten van het centraal stembureau inzake het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag van het referendum.

Artikel 22
Artikel 145 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van «artikel 144» wordt gelezen: artikel 21.

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Artikel 23
De artikelen 147 en 150 tot en met 164 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat in de artikelen 147, 150, eerste lid, 151 tot en met 156, 157, eerste lid, en 159 tot en met 161 in plaats van «een referendum» wordt gelezen: het referendum.

Hoofdstuk 9. De referendumcommissie

Artikel 24
1.
Er is een referendumcommissie.
2.
De referendumcommissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.
3.
De leden van de referendumcommissie worden door de Tweede Kamer der Staten-Generaal benoemd. De benoeming van de voorzitter vindt plaats op voordracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de overige leden worden benoemd op voordracht van onderscheidenlijk de Kiesraad, de Adviesraad internationale vraagstukken, de Raad voor het openbaar bestuur en de Sociaal-Economische Raad. Elk van de adviesorganen, genoemd in de tweede volzin, doet een voordracht van ten minste twee personen.
4.
Indien het verdrag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ondertekend voor het Koninkrijk, worden de leden zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze wet benoemd.

Artikel 25
1.
De referendumcommissie heeft een secretaris.
2.
De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de referendumcommissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de referendumcommissie.
3.
Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.
4.
De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de referendumcommissie.
5.
Onze Minister benoemt de secretaris en de andere medewerkers.

Artikel 26
1.
De referendumcommissie heeft tot taak:
a.
het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid;
b.
het vaststellen van een feitelijke samenvatting van het verdrag;
c.
het verstrekken van subsidies ten behoeve van maatschappelijke initiatieven die zich ten doel stellen het publieke debat in Nederland over het verdrag dan wel het referendum te bevorderen.
2.
De referendumcommissie stelt een regeling vast met betrekking tot:
a.
de nadere bepaling van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en de wijze van verstrekking;
b.
het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c.
de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d.
de bevoegdheid om besluiten te nemen over subsidieverlening;
e.
de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
f.
de verplichtingen voor de subsidieontvanger, waaronder de rapportage over toepassing van de subsidie;
g.
de vaststelling van de subsidie;
h.
de betaling van de subsidie en de eventuele verlening van voorschotten en
i.
overige onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering van dit hoofdstuk.
3.
Het subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is € 1 miljoen.4.
In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de referendumcommissie zo spoedig mogelijk na de afwikkeling van de krachtens het eerste lid, onderdeel c, verstrekte subsidies een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid en de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk. Het verslag wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 27
Artikel 167 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing.

Artikel 28
Indien de Tijdelijke referendumwet is vervallen voor het tijdstip waarop deze wet vervalt, wordt in deze wet in plaats van «Tijdelijke referendumwet» gelezen: Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004.

Artikel 29
1.
Onze Minister kan bepalen dat tijdens het referendum experimenten plaatsvinden met het oog op nieuwe voorzieningen die de kiesgerechtigde in Nederland in staat stellen om in een stemlokaal naar keuze te stemmen.
2.
Op experimenten als bedoeld in het eerste lid is hetgeen bij of krachtens de Experimentenwet Kiezen op Afstand met betrekking tot zodanige experimenten is bepaald, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30
1.
Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2.
In afwijking van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 kan over deze wet geen referendum op grond van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 worden gehouden.

Artikel 31
Deze wet vervalt op een door bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip ligt na de vaststelling van het verslag, bedoeld in artikel 26, vierde lid.

Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Wet raadplegend referendum Europese Grondwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 27 januari 2005

Beatrix

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,

Th. C. de Graaf

Uitgegeven de derde februari 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner
donderdag, maart 03, 2005
 
The Holy Alliance Proclamation
In the Name of the Holy and Undivided Trinity

Their Majesties the Emperor of Austria, the King of Prussia, and the Emperor of Russia, in consequence of the great events which have occured in Europe in the course of the last three years, and especially in consequence of the benefits which a divine Providence has been pleased to confer on those states whose governments have placed their confidence and hope solely in it, having become profoundly convinced that it is necessary to base the principles of conduct to be adopted by the Powers in their mutual relations on the sublime truths contained in the eternal religion of Christ our Saviour; declare solemnly that the present act has for its sole object to manifest, in the face of the universe, their unalterable determination to adopt as their rule of conduct, whether in the administration of their respective states or in their political relations with all other governments, no other principles than those of their holy religion, precepts of justice, of charity, and of peace, which, far from being exclusively applicable to private life, ought, on the contrary, directly to influence the resolutions of princes and guide all their decisions, as offering the only means of consolidating human institutions and remedying their imperfections.

In consequence their Majesties have adopted the following articles: -
Art. I In accordance with the words of Holy Scripture, which command all men to regard one another as brothers, the three contracting monarchs will remain united by the bonds of a true and indissoluble brotherhood, and, regarding each other as compatriots, they will lend one another aid and succour in all places, and under all circumstances; believing themselves to be placed towards their subjects and their armies in the position of a father towards his children, they will direct them in a similar spirit of brotherhood, for the protection of religion, peace, and justice.
Art. II As a result, the only principle in operation, either between the said governments or between their subjects will be that of redering reciprocal service; to display to one another, by an unalterable good-will, the mutual affection with which each should be animated; to regard one another without exception as members of one and the same Christian nationality; the three allied princes themselves only considering themselves as delegated by Providence to govern three branches of one and the same family, to wit: -
Austria,
Prussia,
Russia;
thus confessing that the Christian nation of which they and their people form a part has really no other sovereign than Him to whom alone supreme power belongs, because in Him alone are contained all the treasures of love, of knowledge, and of infiniet wisdom, that is to say in God, our divine Saviour Jesus Christ, the incarnate Word.

Their Majesties consequently recommend to their people with the most earnest solicitude, as being the only means of enjoying that peace that is born of a good conscience, and which alone is lasting, daily to fortify themselves more and more in the principles and practice of those duties which our divine Saviour imposed on mankind.

Art. III All the Powers that may wish solemnly to avow the sacred principles by which this act is inspired, and that recognise how important it is to happiness of nations so long distracted that in future these truths should exercise their due influence over the destinies of man, will be received with much ardour and affection into this Holy Alliance.

Signed in Paris in the year of grace 1815 the 14(26) September.

(Signed) Francois.
Frédéric- Guillaume.
Alexandre.

Source: Bertrant Russel, Freedom and Organization, 1814-1914, p. 45-46, published 2001.


Powered by Blogger

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.