Citaten Inzake Opsporing
Citaten horend bij het artikel: Een Pleidooi voor Druglegalisering
Inhoud
- Eindrapport
- 10.3 Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit
- F. Allochtone en buitenlandse groepen
- G. Drugbeleid
- Bijlagen
- IV.2.1. De overheersende rol van de drugshandel in de georganiseerde criminaliteit
- IV.2.2. De organisatie van de drugshandel
- IV.2.2.2.2. Het aandeel van buitenlandse groepen
- IV.2.4. De besteding van inkomsten
- IV.2.5. Plaatselijke variaties van het beeld
- VII.1. Inleiding: einde van het Cali-kartel?
- VII.3. De Colombiaanse cocaïnehandel in de Verenigde Staten
- De ernst van de situatie
- De situatie in Nederland ...
- ... in vergelijking met die in andere landen
- VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst
- Verantwoording
Citaten Inzake Opsporing
Enquêtecommissie opsporingsmethoden
Eindrapport
10.3 Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteitF. Allochtone en buitenlandse groepen
Allochtone en buitenlandse groepen spelen een grote rol in de drughandel die direct verbonden is met de drugeconomie in de landen van herkomst. Dat geldt in het bijzonder groepen in de Surinaamse, Marokkaanse en Turkse gemeenschap. Zij zijn gespecialiseerd in respectievelijk handel in cocaïne, hasj en heroïne. Winsten worden veelal niet witgewassen in Nederland maar geïnvesteerd in de landen van herkomst en op de internationale markt.
De commissie heeft voorts moeten constateren dat de verwevenheid van allochtone en buitenlandse groepen met politieke en economische machthebbers in de herkomstlanden in sommige gevallen verontrustend groot is. De commissie wijst in het bijzonder op Surinaamse en in mindere mate op Marokkaanse relaties. De commissie is van oordeel dat de internationale betrekkingen de intensieve bestrijding van georganiseerde criminaliteit niet in de weg mogen staan.
Hoewel het drugbeleid als zodanig buiten het kader van het onderzoek valt, heeft de commissie wel enige aandacht geschonken aan de relatie tussen het drugbeleid en de georganiseerde criminaliteit. Vast staat dat de hasjhandel in de jaren zeventig en tachtig relatief ongemoeid is gelaten, waardoor de handelaren toen meer ruimte hebben gekregen. De groothandel om de coffeeshops te bevoorraden kwam mede daardoor in handen van criminelen. Ondanks intensivering van de opsporing van hasjhandel sinds het eind van de jaren tachtig, is Nederland een belangrijke schakel in de internationale drugeconomie gebleven. Over de vraag of vanuit deze optiek verdere regulering of zelfs legalisering van het gebruik van en de handel in softdrugs en moglijk XTC wenselijk en/of noodzakelijk is, is de commissie verdeeld.
Ten aanzien van de effecten van liberalisering van het beleid voor de volksgezondheid, internationale betrekkingen en verschuivingen naar andere illegale markten en activiteiten, lopen de inschattingen en opvattingen binnen de commissie uiteen.
Een deel van de commissie meent dat verantwoorde liberalisering een groot positief effect zal hebben op de aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit. Het andere deel van de commissie is hiervan niet overtuigd. Dat neemt niet weg dat de gehele commissie oog heeft voor de paradox in de drugbestrijding: een verbod schept, zolang de vraag blijft bestaan, illegale handel en vormt aldus een voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit.
Bijlagen
IV.2. De handel in drugsIV.2.1. De overheersende rol van de drugshandel in de georganiseerde criminaliteit
De opbrengst van drugshandel
De nieuwste schatting van de opbrengst komt van de eerder genoemde Van Dijk, Steinmetz en anderen (1995) en heeft betrekking op de Nederlandse markt voor soft drugs. Zij komen tot de slotsom dat de binnenlandse omzet aan soft drugs een waarde van 0,8 miljard gulden bedraagt, dat voor een waarde van 1,8 miljard wordt geëxporteerd naar het buitenland, dat de transitohandel door Nederland (waar geen enkele transactie in Nederland aan te pas komt) 3,9 miljard waard is en voor de internationale handel die wel door Nederlanders wordt georganiseerd, maar die het land niet eens aandoen, komen zij tot het fantastische bedrag van 12,5 miljard per jaar. Deze poging is alleszins de moeite waard, maar ook dit rapport levert geen definitieve waarheid op. Met name de schatting van het enorme bedrag aan internationale handel berust op weinig meer dan de indruk van de geïnterviewde «godfathers» dat de geschatte jaarlijkse omzet van hash en marihuana 10 tot 20% bedraagt van het totaal aan transito-handel en internationale handel. En door een schatting van de transito-handel, op grond van gegevens over inbeslaggenomen soft drugs van de CRI, van het aldus berekende totaal af te trekken, houdt men voor internationale handel een omzet over van 1450 ton. Dit is goed voor 12,5 miljard gulden per jaar.
Het gaat bij zulke groepen, of het nu groepen van de gevestigde Italiaanse mafia betreft of meer recent opgekomen Turkse criminele drugsgroepen, om groepen die als geheel groter, zelfs veel en veel groter zijn dan Nederlandse groepen en om groepen die verknoopt zijn met het bedrijfsleven, de politiek en de bureaucratie in de landen waar zij hun activiteiten ontplooien. De grootste Nederlandse hash-handelsgroep is in omvang niet te vergelijken met de Colombiaanse kartels, de Italiaanse mafia of de Marokkaanse hashgroepen en hun invloed op de Nederlandse politiek en economie is naar verhouding gering.
De Colombiaanse kartels produceren, verwerken, transporteren en verkopen cocaïne, marihuana en ook heroïne en gros. Zij vormen zeer grote organisaties als men de tienduizenden mensen telt die in het bronland bij de verschillende handelingen betrokken zijn. Toch moeten ze niet worden voorgesteld als grote hecht georganiseerde en centraal gecoördineerde mega-bedrijven. De bazen regelen vanuit hun kantoren het opkopen van de grondstof, de raffinage daarvan, het smokkeltransport overzee en zij zorgen ervoor dat de talrijke functies worden vervuld (interne discipline, afscherming tegen de overheid, witwassen en dergelijke) zonder welke hun omvangrijke activiteiten niet ongestoord zouden kunnen plaatsvinden, maar al deze processen verlopen zodanig autonoom dat succesvol strafrechtelijk of zelfs militair optreden tegen één daarvan het functioneren van de kartels niet wezenlijk aan kan tasten. Om dezelfde reden hebben zij het risico gespreid door filialen op te richten in Zuidamerikaanse buurlanden. De cocaïne komt daarom ook naar Nederland via Brazilië en Venezuela en (zoals verderop zal blijken) via Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba. Nederland is voor de kartels belangrijk omdat zij grote partijen ineens per container Europa binnenvaren en daarvoor zijn de havens van Rotterdam en Amsterdam geschikt.
Marokkaanse overheid doet haar uiterste best om vreemde valuta binnen te loodsen die haar onderdanen in den vreemde genereren. Zij stelt gunstige voorwaarden vast voor het beleggen in de bouw en in het toerisme. Zij hoopt met geldzendingen een deel van de grote infrastructurele werken zoals de aanleg van een stuwdam te kunnen financieren. Er zijn drugshandelaren gesignaleerd die investeren in de bouw van moskeeën met een fundamentalistische inslag en ook dat heeft een politieke dimensie. Turkse politieke bewegingen te rechterzijde drijven onder andere op de inkomsten uit drugs. Te linkerzijde drijft de PKK voor een deel op de afgeperste opbrengsten uit de handel in drugs. Ook zijn er in Turkije rijke drugshandelaren die beleggen in sportverenigingen (voetbal). De politieke beweging rond de voormalige legerleider Bouterse doet mee aan de volgende parlementsverkiezingen en hij gedraagt zich met de uitdeling van voedsel onder de armen als een echte Zuidamerikaanse drugslord.
Is de groothandelsmarkt in Nederland sterk gecentraliseerd of niet? De handel in illegale goederen tendeert volgens de gangbare Amerikaanse economische theorie over georganiseerde misdaad (Schelling, 1967) altijd naar concentratie en monopolievorming. De overheid kan immers op een illegale markt niet regelend optreden en de ondernemers maken gebruik van andere middelen dan alleen de kracht van hun concurrentie. Als dit voor de drugshandel in Nederland zou opgaan, mag men enkele grote groepen verwachten in plaats van een heleboel kleine en ligt het voor de hand te veronderstellen dat de hoofdstad daarbij zou domineren. Het tegendeel blijkt echter waar. De markt is heel open, groothandelaren en drugshandelsgroepen zijn werkelijk over het hele land verspreid en het distributienetwerk is zo fijnmazig dat de consument tot in de kleinste stadjes toe alle soorten drugs gemakkelijk kan verkrijgen. Hij hoeft daarvoor niet naar de grote stad te gaan. De prijzen voor drugs van goede kwaliteit zijn in Nederland bovendien laag vergeleken met die in de buurlanden. En ook dit duidt niet op kunstmatige monopolie vorming maar op een betrekkelijke normalisering van de branche. De enige activiteit die de markt wel steeds dreigt te verstoren, is het rippen. Zowel in Amsterdam als in de steden in Oost-Nederland komt dit met enige regelmaat voor.
De prostitutie-scene zelf is niet zo problematisch - de eigendom van prostitutiebedrijven is opmerkelijk gefragmenteerd - maar de horeca in het Amsterdamse Wallen-gebied is volgens de politie voor een belangrijk deel in handen van 16 welbepaalde criminele groepen. En omdat de problemen op straat niet los te zien zijn van de eigendomsverhoudingen in de buurt, laat zich, juist ook op grond van de analyse die de politie van het bureau Warmoesstraat hiervan heeft gemaakt, de stelling verdedigen dat de sociale problemen in de buurt en de vraagstukken van openbare orde geen verschijnselen vormen die los staan van de georganiseerde criminaliteit; zij hebben alles met elkaar te maken. Hier is trouwens ook goed te zien dat niet alleen de verkoop van drugs een groot probleem van georganiseerde criminaliteit vormt, maar ook de omstandigheid dat de onroerend-goed-markt er wordt verstoord door de belegging van de ongecontroleerd grote winsten die in de drugshandel worden gemaakt.
VII.1. Inleiding: einde van het Cali-kartel?
De politie-strategie van de jarenlang volgehouden speuracties heeft gewerkt, de grootste kartels zijn «onthoofd» en ontdaan van hun grootste organisatorische talenten.
Het graf van Don Pablo (Escobar) wordt dagelijks door tientallen mensen bezocht en in dat opzicht leeft deze voorbeeldfiguur voor de armen nog steeds, maar overigens symboliseert dit dat zijn concrete organisatie echt voorbij is. Is daarmee een einde gekomen aan de wereldomspannende handel in cocaïne en de heroïne die in toenemende mate ook uit Colombia komt? Waarschijnlijker is dat zich een verplaatsingseffect zal voordoen. De oude Colombiaanse organisaties van Bogotá, MedellÎn, Cali en Pereira zullen zich hergroeperen en nieuwe talenten komen op.
Het zou van naïveteit getuigen te veronderstellen dat de onthoofdingsstrategie werkelijk effect heeft op de omvang van de internationale handel in drugs. De arrestatie van kopstukken heeft een morele boodschap voor zover het alles wat met drugs te maken heeft in een kwaad daglicht stelt. De wandaden en de door en door slechte karakters van de druglords worden in de media en in de fictie daarom heen (vergelijk de nieuwe filmtrend waarin de eenzame Amerikaanse held het opneemt tegen de almachtige kartelorganisaties) breed uitgemeten en het publiek leert dat de opsporingsinstanties wel degelijk in staat zijn om ze ook op het hoogste niveau nog schurken te pakken. Maar deze ingrepen zullen weinig anders doen dan de topografie van het landschap veranderen, de economische geografie blijft bestaan. De Verenigde Staten vormen een markt van vele miljoenen consumenten, Canada en Australië zijn daar bijgekomen en de markt in Europa is potentieel nog groter dan eerste drie bij elkaar. In Colombia en ook andere Zuidamerikaanse landen zijn alles samengenomen naar schatting van het Amerikaanse Ministerie van Justitie tussen de 800.000 en anderhalf miljoen mensen van de produktie van drugs voor hun levensonderhoud afhankelijk en deze economie heeft een hele nieuwe welvarende klasse van mensen naar voren gebracht. De bronlanden vormen hele of halve narco-staten waarin (individuele personen in) politiek en bestuur belang hebben bij de continuering van deze economie. Op dit ogenblik is Colombia ongetwijfeld het belangrijkste cocaïne-exporterende land en de handelaren zijn uitgezwermd over alle landen waar koopkrachtige vraag bestaat naar het produkt.
Zelden heeft een exportprodukt uit de Derde Wereld zo snel en zo overtuigend een markt veroverd als de cocaïne dat heeft gedaan met de Amerikaanse markt in de jaren zeventig en tachtig en nog nooit is een relatief kleine groep ondernemers zo snel zo schandelijk rijk geworden als de drugslords van Colombia.
Veel van de grote Colombiaanse drugshandelaars zijn in de Verenigde Staten begonnen of hebben daar in ieder geval een tijd als emigrant doorgebracht. Ze hebben zoveel cocaïne naar dat land getransporteerd dat de groothandelsprijs kelderde van 50 à 60 duizend dollars de kilo tot 16 à 20.000 dollars in de jaren tachtig en de verzadiging van de markt blijkt verder uit het feit dat de prijs vanaf dat ogenblik min of meer constant is gebleven. Voor Amerikaanse regeringen was het reden om de «oorlog aan de drugs» te verklaren. President Bush stelde zich in 1990 ten doel de import binnen twee jaar met 10% te reduceren en na tien jaar zou niet meer mogen binnenkomen dan de helft van wat nu in Amerika arriveert. In een geïnformeerd artikel in The Economist dat is vertaald in het Nederlandse weekblad Intermediair van 7 april 1995, staat dat de Amerikaanse regering daar tot nu toe 50 miljard dollar aan heeft gespendeerd. Veel opgeleverd heeft deze inspanning niet en in tal van wetenschappelijke publikaties (McCoy en Block, 1992) en artikelen in de pers is deze oorlog al snel verklaard tot hopeloos en verloren. De Amerikaanse controle-instanties hebben de strijd enorm opgevoerd, maar in de wapenwedloop die is ontstaan en waarin zelfs doorzichtige onderzeeboten en straalvliegtuigen zijn ingezet door de smokkelaars, hebben de Amerikanen het geenszins kunnen winnen. Er zijn belangrijke successen geboekt door de DEA (vergelijk McKlintick, 1993) in de operatie Zwaardvis en in 1992 in de operatie Green Ice waarbij niet minder dan 200 mensen over de gehele wereld werden aangehouden en 40 miljoen dollars cash in beslag werden genomen (Bovenkerk (b), 1995) maar op het in de Verenigde Staten aanwezig volume en de prijs van de cocaïne hebben deze acties geen enkele invloed gehad.
De situatie in Nederland ...
Verder is duidelijk vastgesteld dat er momenteel geen sprake van is dat criminele groepen, op nationaal niveau of op lokaal niveau, bepaalde legale sectoren van de economie onder controle hebben gebracht, hetzij via het bezit van voor de werking van bepaalde sectoren cruciale ondernemingen hetzij via de macht in de betrokken vakbonden (labor racketeering).
Wel doen zich in twee sectoren - met name de horeca (annex onroerend goed) en het wegtransport - ontwikkelingen voor die erop wijzen dat criminele groepen hierin op enige schaal aan het doordringen zijn; in het bijzonder de eigendomsverhoudingen in het Amsterdamse Wallen-gebied moeten in dit opzicht zorgen baren.
In België is tot op heden zeer weinig onderzoek met betrekking tot georganiseerde criminaliteit verricht. Meer recent hebben alleen de werkzaamheden van de Parlementaire Enquêtecommissie Mensenhandel geleid tot enkele studies over de aard en omvang van de vrouwenhandel en de bijbehorende politiecorruptie (Fijnaut, 1993). Ook in Frankrijk is de georganiseerde criminaliteit tot op dit moment geen voorwerp van enig omvattend wetenschappelijk onderzoek geweest. Enkele jaren geleden heeft een Parlementaire Enquêtecommissie wel enig onderzoek verricht naar de activiteiten van de Italiaanse mafia in Frankrijk en omstreken, maar dit onderzoek heeft geen vervolg gekregen in de vorm van een diepgaand en veelomvattend onderzoek (Assemblée Nationale, 1993). Met het Verenigd Koninkrijk is het tot nu toe niet veel beter gesteld dan met België en Frankrijk. Er ligt een enkel flinterdun rapportje van de National Criminal Intelligence Service over de toestand in het land (National Criminal Intelligence Service, 1993) en het Home Affairs Committee heeft in een recent rapport over georganiseerde criminaliteit enkele algemene uitlatingen gedaan over de aard en de omvang van de georganiseerde criminaliteit in het land, maar that is it: volstrekt onvoldoende voor welke zinvolle vergelijking ook (Anderson, 1993; Levi, 1993; Hobbs, 1994).
Wanneer men dan alleen het rapport van het Ministero Dell'Interno over de situatie in 1993 (in het Engels gepubliceerd in 1994) in ogenschouw neemt, dan springen de enorme verschillen met de situatie in Nederland onmiddellijk in het oog. Daar bestaat de top van de georganiseerde criminaliteit uit zo'n 500 groepen (families), verdeeld over de cosa nostra, de camorra, de 'ndrangheta en de sacra corona unita, die de laatste jaren - ondanks alle onderlinge conflicten - nauwer zijn gaan samenwerken en ook in organisatorisch opzicht naar elkaar toegroeien. Al deze groepen zijn van oudsher zeer betrokken bij alle vormen van traditionele georganiseerde criminaliteit. In de voorbije decennia hebben zij echter ook - de ene meer dan de andere - sterke machtsposities opgebouwd in ettelijke legale sectoren van de economie: agro-industrie, tourisme, transport, bouwnijverheid, enzovoort. Deze groepen hadden hiervoor het geld (vooral uit de drugshandel), en wat niet goedschiks kon worden gekocht werd kwaadschiks, via (dreiging met) geweld, in bezit genomen. En deze economische machtsovername is op tal van plaatsen, tot in Rome toe, gepaard gegaan met een overname van de politieke macht.
Welnu, de Nederlandse situatie wijkt van deze situatie in Italië op alle wezenlijke punten helemaal of grotendeels af. Er is in Nederland geen octopus-achtige georganiseerde criminaliteit, de legale economische sectoren zijn hier niet overgenomen door criminele groepen, het gebruik van geweld ligt ontzaglijk veel lager, en van een overname van het bestuur is geen sprake. Kortom: de situatie in Nederland is veel en veel minder ernstig dan die in Italië.
De globalisering van de georganiseerde criminaliteit wordt meer en meer een feit.
De georganiseerde criminaliteit in Nederland zal dus ook meer en meer een onderdeel gaan vormen van een soort wereldomspannend crimineel systeem. Nederland zal ook in de nabije toekomst het actieterrein van de meest uiteenlopende (autochtone, allochtone en buitenlandse) criminele groepen blijven. En hier valt ook niet zoveel tegen te doen, tenzij de Nederlandse overheid en de overheden van vele andere landen bereid én in staat zouden zijn om in grote gezamenlijkheid het optreden van deze groepen (preventief en repressief) te bestrijden. Wat niet waarschijnlijk is. Maar dan nog! De organisatie van belangrijke criminele groepen en hun onderlinge samenwerkingsverbanden is zo flexibel dat onder druk van overheidsoptreden illegale activiteiten gemakkelijk kunnen worden verplaatst, medestanders vlot kunnen worden vervangen, routes voor illegale goederen en crimineel geld à la minute kunnen worden gewisseld. Dergelijke verplaatsingen van het probleem zijn vrijwel de enige effecten die een overheid in een land op haar eentje kan bereiken, afgezien natuurlijk van de concrete resultaten van eventuele strafrechtelijke onderzoeken: aanhoudingen en inbeslagnemingen. Dit geldt dus ook voor Nederland.
Verantwoording
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
