vrijdag, juni 30, 2006
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN
30 559
De situatie rondom de nationaliteit van mw. A. Hirsi Ali
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 juni 2006
Hierbij informeer ik u over de conclusie die ik heb getrokken ten aanzien
van het Nederlanderschap van mevrouw Ayaan Hirsi Ali en over de
uitvoering van de moties (TK 2005–2006, 30 559, nr. 1 en TK 2005–2006,
30 559, nr. 3) die zijn aangenomen in het debat van 16 mei jongstleden.
Daarop volgend zijn er tijdens de regeling van werkzaamheden op 23 mei
jongstleden aan de minister-president en mij, door de leden Halsema
(GroenLinks), Van der Vlies (SGP) en Nawijn (Groep Nawijn) vragen
gesteld (Handelingen II, 2005–2006, blz. 81–5002). Voorts heeft de vaste
commissie voor Justitie in haar procedurevergadering van 24 mei 2006
een aantal vragen gesteld in relatie tot de naturalisatiekwestie van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali. In deze brief zal ik achtereenvolgens op de
hierboven genoemde onderdelen ingaan.
Beslissing ten aanzien van het Nederlanderschap van mevrouw
Ayaan Hirsi Ali en uitvoering van de moties (TK 2005–2006,
30 559, nr. 1 en TK 2005–2006, 30 559, nr. 3)
Op 15 mei jongstleden heb ik aan mevrouw Ayaan Hirsi Ali meegedeeld
dat, gelet op haar publieke uitlatingen, met name die in de Zemblauitzending
van 11 mei jongsleden, waarin zij te kennen gaf over haar
naam en geboortejaar te hebben gelogen, vooralsnog moest worden
aangenomen dat zij door het naturalisatiebesluit van 1997 geen Nederlander
was geworden. Haar mededeling hield in, dat zij ten onrechte de
naam Ayaan Hirsi Ali, geboren op 13 november 1967, voerde, terwijl zij in
werkelijkheid Ayaan Hirsi Magan heette en geboren is op 13 november
1969.
Ik heb met de brief van 15 mei gehandeld zoals ik in alle vergelijkbare
gevallen handel. Steeds wanneer er reden is om aan te nemen dat iemand
die zich op een naturalisatiebesluit beroept een andere naam en/of
geboortedatum blijkt te hebben dan in het naturalisatiebesluit is opgenomen,
wordt door mij een brief van deze strekking geschreven, met het
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2005–2006
KST99016
0506tkkst30559-6
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2006 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 1
doel duidelijkheid te verkrijgen over de identiteit en over de naturalisatie,
in overeenstemming met de strekking van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Ik heb betrokkene, zoals in alle andere gevallen, uitgenodigd om binnen
zes weken op mijn mededeling te reageren, zodat daarna definitief vastgesteld
zou kunnen worden of zij inderdaad Nederlander was geworden.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft daarop in zijn reactie
verklaard, dat
– Zij de naam Ayaan Hirsi Ali kon voeren, omdat haar vaders vader bij
geboorte de naam Ali heeft verkregen en de naam Magan pas later
heeft verworven;
– Zij gedwaald heeft in haar uitlatingen dat zij over haar identiteit heeft
gelogen.
Ik onderschrijf de stelling, dat, als de naam van de grootvader inderdaad
Ali is, zij de naam Ayaan Hirsi Ali kon voeren. Dit is door deskundigen
bevestigd. Volgens het Somalisch namenrecht, zoals dat bekend is uit de
tekst van de Codice civile Somalo en uit wat meer in het algemeen bekend
is uit het Islamitisch namenrecht, is de namenreeks een geaccepteerde
wijze van identificeren en wordt een persoon in dat geval aangeduid met
de eigennaam, de naam van de vader en de naam van de vaders vader.
Volgens de regels die als bestendige beleidspraktijk daarvoor worden
gehanteerd, kan de naam van de grootvader in Nederland als geslachtsnaam
worden geregistreerd.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali voert daarnaast aan, dat
zijn cliënte ook de naam Ali mocht voeren, omdat ook twee andere voorvaders
die naam droegen. Ook uit het ambtsbericht dat ik aan de minister
van Buitenlandse Zaken heb gevraagd blijkt dat het acceptabel kan zijn om
een naam van één van de voorvaderen te gebruiken. Ik teken daarbij aan
dat voor het gebruiken van deze naam in het algemeen nodig zal zijn het
voorkomen van deze naam in het geslachtsregister aan te tonen. Vanwege
het gebrekkige bestuurlijke en juridische systeem ter plaatse, is dat in dit
geval echter niet mogelijk, nog daar gelaten dat niet is vast te stellen of
deze handelwijze in het ter plaatse geldende recht in de desbetreffende
tijd ook werkelijk geldig was.
Om de waarde van de argumenten van de gemachtigde te kunnen
toetsen, heb ik zowel de gemachtigde om ondersteunende bewijsstukken
gevraagd, als zelfstandig onderzoek gedaan door een ambtsbericht aan de
minister van Buitenlandse Zaken te vragen.
Ook in andere gevallen, waarin twijfel over de identiteit bestaat van
personen waarvan de geldigheid van het naturalisatiebesluit ter discussie
staat pleeg ik nader onderzoek te doen.
Nu er twijfel is ontstaan over de identiteit van mevrouw Ayaan Hirsi Ali,
niet in het minst door toedoen van betrokkene, heb ik het nodig geoordeeld
materiaal te verkrijgen dat de verklaringen van de gemachtigde
geloofwaardig ondersteunt.
De gemachtigde van mevrouw Ayaan Hirsi Ali heeft naar aanleiding van
mijn verzoek om onderbouwing van zijn stelling omtrent de naam van de
grootvader een aantal verklaringen van familieleden overgelegd, waaronder
één van de broer en één van de schoonzuster van betrokkene,
waarin wordt aangegeven, dat de grootvader van mevrouw Ayaan Hirsi
Ali bij geboorte de naam Ali kreeg en dat deze later de naam Magan heeft
gekregen. Deze getuigen maken, naar mij door de minister van Buitenlandse
Zaken is bericht, een betrouwbare indruk.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 2
In het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken is een verklaring
van de broer van mevrouw Ayaan Hirsi Ali opgenomen waarin hij
uiteenzet dat de grootvader bij geboorte de naam Ali droeg en vanaf
± 1870 tot aan zijn dood in 1945 de naam Magan heeft gevoerd. Om deze
reden komt deze laatste naam in de namenreeks van de volgende generaties
voor.
Gezien het feit dat het mij niet mogelijk is om langs andere weg zekerheid
te verkrijgen over naam of geboortejaar van betrokkene, ben ik genoodzaakt
af te gaan op het materiaal dat mij door betrokkene is geleverd en
het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken. Ik ben bereid
dit als voldoende ondersteunend te aanvaarden.
In mijn onderzoek zijn geen betekenisvolle blijken van het tegendeel
gebleken. Dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse
Zaken blijkt dat de familie in de registers in Kenia uitsluitend onder de
naam Magan geregistreerd staat, doen niet af aan het gegeven, dat als de
grootvader de naam Ali heeft gedragen, mevrouw Ayaan Hirsi Ali deze
naam mocht voeren.
Betrokkene heeft inmiddels verklaard, dat haar mededeling dat zij over
haar identiteit heeft gedwaald, niet de werkelijkheid weergeeft, omdat zij
naar Somalisch recht en gewoonte de naam Ali mocht voeren (bijlage 1)1.
Daarom ben ik van mening dat er voldoende reden is om thans in rechte
aan te nemen dat het naturalisatiebesluit de juiste naam bevat.
Bij acceptatie van de juistheid van de naam Ali, acht ik de onjuistheid van
het geboortejaar op zichzelf onvoldoende om de identificatie van betrokkene
in twijfel te stellen. Hoewel een onjuist geboortejaar in voorkomende
gevallen wel kan leiden tot onderzoek naar de identiteit van betrokkene, is
ook in andere gevallen waarin alleen het geboortejaar onjuist was, niet
definitief door de rechter vastgesteld dat het Nederlanderschap niet
verkregen is.
Alles in aanmerking nemende ben ik tot de conclusie gekomen, dat het
naturalisatiebesluit van 1997 mevrouw Ayaan Hirsi Ali voldoende identificeert
en dat zij daarom het Nederlanderschap inderdaad heeft verkregen.
Ik stel vast dat zonder de door mij gevolgde procedure de feiten die voor
de conclusie die ik thans heb getrokken doorslaggevend zijn geweest, niet
op tafel waren gekomen.
Toezegging lid Van der Vlies
Nu de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali bekend zijn, kan met de uitvoering van de
toezegging aan het lid Van der Vlies tijdens het debat van 16 mei jongstleden,
om het wettelijk systeem betreffende nationaliteit en identiteit aan
een onderzoek te onderwerpen, worden gestart. Ik hoop u in het najaar
daarover verder te berichten. De reden dat dit enige tijd neemt is, dat een
eventuele herziening van het wettelijk systeem verregaande consequenties
kan hebben en dus zorgvuldig in kaart moeten worden gebracht en na
overleg met de nodige deskundigen tot stand zal moeten komen.
Vragen lid Halsema e.a.
Het lid Halsema heeft op een drietal onderdelen vragen gesteld.
Het eerste onderdeel betreft uitlatingen van de minister van Buitenlandse
Zaken in het programma Kamerbreed.
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt
Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 3
Deze uitlatingen moeten worden gezien in het licht van de toezeggingen
die ik tijdens het debat heb gedaan en er wordt mee bedoeld dat gelijke
gevallen, gelijk dienen te worden behandeld. Dit is steeds de lijn die ik in
mijn beleid hanteer.
Het tweede onderdeel betreft de vraag of ik een afspraak met de ministerpresident
en vice-premier Zalm heb geschonden toen ik maandag 15 mei
jongstleden de antwoorden op de kamervragen van de heer Nawijn over
mevrouw Ayaan Hirsi Ali naar de Kamer stuurde. Mede namens de
minister-president bericht ik u in antwoord op vraag 2 dat er geen
concrete afspraken zijn gemaakt in het telefoongesprek dat ik op
maandagochtend 15 mei jongstleden met de minister-president voerde.
De minister-president vroeg mijn bijzondere aandacht voor een zorgvuldige
afweging en vroeg mij ervoor zorg te dragen dat goede afstemming
zou plaatsvinden. Eerst na verzending van de brieven aan mevrouw Ayaan
Hirsi Ali en aan de Tweede Kamer terzake de beantwoording van de
vragen van de heer Nawijn heb ik de minister-president geïnformeerd. In
het gesprek op de daaropvolgende dag heb ik de minister-president geïnformeerd
omtrent de toedracht van mijn beslissing en is vastgesteld dat
de afstemming met de minister-president onvoldoende zorgvuldig heeft
plaatsgevonden, zoals door mij in het debat van 16 mei jongstleden met
Uw Kamer is aangegeven. Ook met vice-premier Zalm heb ik gesproken,
ondermeer op maandagavond 15 mei jongstleden. Ook in dat gesprek is
geen afspraak omtrent het tijdstip van verzending van de brief en de
antwoorden op de kamervragen gemaakt.
Ten derde vraagt het lid Halsema of mijn belofte d.d. 19 mei jongstleden,
dat mevrouw Ayaan Hirsi Ali haar Nederlanderschap behoudt of terugkrijgt,
in de Ministerraad is besproken en of dit staand kabinetsbeleid is. In
de Ministerraad van 19 mei jongstleden is intensief gesproken over de
consequenties van de aangenomen moties tijdens het debat van 16 mei
jongstleden. Uitgangspunt van het recht en dus van het kabinetsbeleid is
dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Mijn uitlating tijdens het
lijsttrekkersdebat van de VVD op 19 mei jongstleden stemt hiermee
overeen.
Zowel het lid Halsema als het lid Nawijn hebben gevraagd naar het door
mij toegezegde feitenrelaas over de gang van zaken in 2002, onder andere
gebaseerd op de memoranda van de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND). In bijlage 21 van deze brief treft u het feitenrelaas aan. Ook de meer
specifieke vragen over de gang van zaken op het ministerie van Justitie
worden hiermee beantwoord.
Vragen vaste commissie voor Justitie
Per brief van 26 mei jongstleden (kenmerkt 06-JUST-B-51), heeft de vaste
commissie voor Justitie naar aanleiding van de naturalisatiekwestie van
mevrouw Ayaan Hirsi Ali mij verzocht om het volgende:
a. een overzicht van alle zaken van identiteitsfraude in relatie tot naturalisatie
sinds 2000 en de gevolgen daarvan voor betrokkenen;
b. informatie of sinds 2003 een wijziging in het beleid terzake heeft
plaatsgevonden en indien dat het geval is, wat daarvan de gevolgen
zijn geweest;
c. inzicht in de positiebepaling van de Staat bij de uitspraak van de rechtbank
Den Haag d.d. 28 april 2005 waartegen de Staat cassatie heeft
aangetekend;
d. informatie over of er mij op dit moment identiteitsfraudezaken in
relatie tot naturalisatie bekend zijn en welke gevolgen dit voor betrok-
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- kenen heeft.
tiepunt Tweede Kamer.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 4
Op deze verzoeken zal achtereenvolgens worden ingegaan.
Ad a: een overzicht van alle zaken van identiteitsfraude in relatie tot
naturalisatie sinds 2000 en de gevolgen daarvan voor betrokkenen
In 74 zaken hebben onjuiste identiteitsgegevens geleid tot een (voorlopig
of definitief) oordeel dat geen rechtsgevolg kan worden verbonden aan de
verlening van het Nederlanderschap vanaf 2000. Deze 74 zaken kunnen als
volgt worden onderverdeeld:
• In 11 zaken is een voorlopig oordeel omtrent het Nederlanderschap
toegezonden aan de betrokkene, maar is door de IND nog niet
gekomen tot een definitief oordeel omtrent het Nederlanderschap,
omdat nog wordt gewacht op de zienswijze van de betrokkene, omdat
nog onderzoek plaatsvindt of omdat de zaak wordt aangehouden (zie
ad d);
• In 63 zaken is gekomen tot een definitief oordeel omtrent het Nederlanderschap.
In 58 van deze zaken is definitief geoordeeld dat de betrokkene
geen Nederlander is en in 5 van deze zaken is geconcludeerd dat
de betrokkene wel Nederlander is geworden.
Hierop zijn 22 procedures gevolgd ex artikel 17 van de Rijkswet op het
Nederlanderschap. Deze civielrechtelijke procedure houdt in dat een direct
belanghebbende de rechtbank kan verzoeken vast te stellen of hij al dan
niet Nederlander is. Ik benadruk dat het hier geen bestuursrechtelijke
bezwaar- of beroepsprocedure betreft; de rechter toetst de vraag of de
betrokkene Nederlander is ten volle, niet alleen de rechtmatigheid van de
beslissing. In dit totaal van 22 procedures:
• zijn 15 verzoekschriften afgewezen;
• zijn 2 verzoekschriften toegewezen;
• is 1 verzoekschrift ingetrokken; en
• staan 4 verzoekschriften open.
In 52 gevallen staat derhalve vast dat betrokkene geen Nederlander is
geworden.
Alle voorgaande cijfers betreffen het aantal meerderjarige personen
waarvan is geconcludeerd dat zij het Nederlanderschap wegens het
gebruik van een onjuiste identiteit niet hebben verkregen. In een aantal
gevallen zijn gezinsleden in hetzelfde dossier opgenomen, die in geval
van fraude van de hoofdpersoon ook het Nederlanderschap niet hebben
verkregen. Deze gezinsleden zijn in bovenstaand overzicht niet meegeteld.
Ook de zaak van mevrouw Ayaan Hirsi Ali is niet meegeteld.
In een korte tijd is het merendeel van de zaken boven water gehaald.
Echter, het is mogelijk dat een beperkt aantal zaken aan mijn aandacht is
ontsnapt.
Ten aanzien van de gevolgen voor deze betrokkenen kan ik u het volgende
meedelen. Op grond van de redenering zoals deze is vervat in de
uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2005, die de vaste bestuurspraktijk
steunt, moeten de betrokkenen geacht worden nooit Nederlander
te zijn geworden.
Dat de betrokkenen nooit Nederlander zijn geworden, betekent dat zij
steeds vreemdeling zijn gebleven en dat de Vreemdelingenwet 2000
derhalve bij voortduring op hen van toepassing is geweest.
Er kunnen zich hierbij drie situaties voordoen:
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor onbepaalde duur, kan deze geacht worden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 5
nog altijd voort te bestaan. De IND beziet in deze gevallen of de
verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor bepaalde duur en de geldigheidsduur van
deze verblijfsvergunning is nog niet verstreken, dan kan deze worden
geacht nog steeds voort te bestaan. De IND beziet in deze gevallen of
de verblijfsvergunning wordt ingetrokken.
• Indien de vreemdeling voorafgaand aan de verlening of verkrijging van
het Nederlanderschap in het bezit was van een verblijfsvergunning
(regulier dan wel asiel) voor bepaalde duur en de geldigheidsduur van
deze verblijfsvergunning is verstreken, dan is de vreemdeling niet
meer in het bezit van die verblijfstitel en verblijft hij onrechtmatig in
Nederland. Een eventueel in te dienen verblijfsaanvraag zal aan de
hand van de merites van het individuele geval beoordeeld worden.
Uiteraard is bij een verblijfsaanvraag van belang dat de identiteit
ondubbelzinnig vaststaat.
Wanneer de betrokken vreemdeling de identiteit heeft rechtgezet met
gebruikmaking van de daarvoor passende documenten en in het bezit is
gesteld van een verblijfsvergunning kan een verzoek om naturalisatie of
een optieverzoek ingediend worden. Wanneer aan alle geldende voorwaarden
voor naturalisatie of optie wordt voldaan kan de betrokken
vreemdeling alsnog worden genaturaliseerd.
Ad b: informatie of sinds 2003 een wijziging in het beleid terzake heeft
plaatsgevonden en indien dat het geval is, wat daar de gevolgen van zijn
geweest
In de wijze waarop met onjuiste identiteit werd omgegaan is geen wijziging
gekomen in 2003 of daarna. Uitgaande van de vaste jurisprudentie
op dit punt is in de in april 2003 herziene Handleiding voor de toepassing
van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegelicht op welke wijze wordt
gehandeld indien is gebleken van de verkrijging van het Nederlanderschap
onder gebruikmaking van een valse identiteit.
Ad c: inzicht in de positiebepaling van de Staat bij de uitspraak van de
rechtbank Den Haag d.d. 28 april 2005 waartegen de Staat cassatie heeft
aangetekend
Op 28 april 2005 geeft de rechtbank ’s-Gravenhage een beschikking op
grond van artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), die
aanmerkelijk afwijkt van de bestendige jurisprudentielijn. Anders dan
voorheen gaat in deze uitspraak de rechtbank uit van het wél hebben
verkregen van het Nederlanderschap bij gebruikmaking van een valse
identiteit. Zij stelt dat de met de invoering van artikel 14, eerste lid, RWN
beoogde rechtszekerheid meebrengt dat het Nederlanderschap van
betrokkene met een beschikking zou moeten worden ingetrokken.
Tegen deze uitspraak is op 27 juli 2005 cassatie aangetekend. Op dat
moment was het de tweede zaak in cassatie; in de andere openstaande
cassatiezaak heeft de Hoge Raad op 11 november 2005 uitspraak gedaan.
In het verzoek van 27 juli 2005 tot cassatie, waarop nog geen uitspraak is
gedaan, voert de Staat aan dat, ook al is duidelijk dat betrokkene de
persoon is die het naturalisatieverzoek heeft ingediend, betrokkene desondanks
niet is genaturaliseerd, indien hij niet onder zijn juiste identiteitsgegevens
staat vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Wel
wordt daarbij de aantekening gemaakt, dat dit niet betekent dat élke
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 6
onjuiste gegevensverstrekking/vermelding op het besluit leidt tot het
zonder rechtsgevolg blijven van het naturalisatiebesluit.
Immers, in iedere administratie kunnen foutieve vermeldingen voorkomen
als gevolg van een vergissing of een verschrijving. Daarbij moet worden
bedacht dat veel namen die op een Koninklijk Besluit worden opgenomen
niet in oorsprong in het Latijnse alfabet zijn geregistreerd (maar bijvoorbeeld
in het Arabisch of het Chinees), zodat deze namen een transcriptie
naar het Latijnse alfabet hebben ondergaan. Het komt hierdoor voor dat
dezelfde naam verschillende transcripties heeft gekregen (bijvoorbeeld de
heer Al Amri is tegelijkertijd ook de heer El Amri1). Om vergissingen te
voorkomen is de Minister van Justitie gemachtigd correcties aan te
brengen in een Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Deze machtiging is
verleend voor het herstel van een aantal kennelijke administratieve
misstellingen in naturalisatiebesluiten die een gevolg zijn van een andere
interpretatie of onoplettendheid bij de vertaling of administratie van de
namen van een persoon. Vanzelfsprekend wordt in deze gevallen er wel
van uitgegaan dat het naturalisatiebesluit rechtsgevolg heeft gehad en
betrokkene het Nederlanderschap heeft verkregen.
Ad d: informatie over of er mij op dit moment identiteitsfraudezaken in
relatie tot naturalisatie bekend zijn en welke gevolgen dit voor
betrokkenen heeft
Naar aanleiding van de eerdergenoemde moties is besloten alle zaken
waarin sprake is van onjuiste persoonsgegevens en waarin nog geen
definitief oordeel is gevormd omtrent het Nederlanderschap, voorlopig
aan te houden, in elk geval tot het onderzoek naar aanleiding van de
toezegging aan het lid Van der Vlies tijdens het debat van 16 mei jongstleden
is afgerond.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M. C. F. Verdonk
1 De namen El Amri of Al Amri is uiteraard
niet de naam van de bij deze zaak betrokken
vreemdeling.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 559, nr. 6 7
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.
