Monday, June 02, 2003
Het angstzweet der kolonialen
Amsterdam, 2 juni 2003
Titel: Het angstzweet der kolonialen
Schrijver: Nico Dros

Uitgever: Uitgeverij G.A. van Oorschot
Bladzijden: 209
Prijs: Euro 17,50
ISBN: 90 282 4010 1
Het kopen van boeken is een lust op zich. De gang naar de boekhandel, het doelloos ronddwalen en oppakken van een titel, het weer neerleggen, toch nog even bekijken en de achterflap bestuderen, of even door de bladzijden ritselen. De meeste boeken legt de kooplustige toch maar weer gauw neer, bij sommigen slaat de twijfel toe en bij een enkeling weet je meteen dat je iets bijzonders in handen hebt.
Dat overkwam mij bij de essaybundel "Het angstzweet der kolonialen" van Nico Dros.
Nico Dros was voor mij een onbekende auteur. Hij is schrijver van twee romans en een verhalenbundel en hij heeft historisch onderzoek gedaan naar Javaanse arbeidsverhoudingen in de 19de eeuw.
In "Angstzweet" heeft de historicus de overhand, maar je voelt de aanwezigheid van de schrijver in alle negen essays.
De essays schetsen een dwarsdoorsnede door de Nederlandse koloniale geschiedenis van Indië. Dros doet dit door dramatische verhalen naar voren te halen die illustratief zijn voor het koloniale contact tussen de Hollandse heersers en de inheemse bevolking.
Hij wil het positieve en glorieuze beeld corrigeren dat in het VOC jubeljaar 2002 door de gevestigde geschiedenis geschetst werd. Tegenover de glorie stelt hij de donkere zijde van de koloniale geschiedenis. Hij doet dit in rake, economisch vertelde essays. Aan het eind van ieder essay besteed hij bovendien nog aandacht aan de manier waarop het onderwerp in Nederland sindsdien ontvangen is en verwerkt is door de literatuur en de wetenschap.
In het eerste essay vertelt hij het verhaal van twee jong geliefden Sara en Pieter. Twee jongelingen van Hollandse vaders en inlandse moeders, die te Batavia rond 1629 in het kasteel van Jan Pieterz. Coen opgroeien. Zij werden verliefd en treffen elkaar heimelijk en werden daarbij betrapt. Coen onstak in woede en wilde de twee ongehuwden gelijk terechtstellen. Dit kon voorkomen worden, maar na een rechtszaak werd Sara´s leven gespaard en werd Pieter alsnog terechtgesteld. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van beleg en oorlog om Batavia.
Slauerhoff schreef over het drama zelfs een toneelstuk, dat nooit is opgevoerd. En daar heeft W.F. Hermans zich weer over opgewonden. Hij zag hier weer het bewijs in dat men in Nederland alleen maar voor de makkelijke weg koos.
In het tweede essay verhaalt Dros over de furie die in oktober 1740 neerdaalde over de Chinese bevolking van Batavia.
Tegen de achtergrond van weer een belegering, ditmaal van Chinezen, werd de Chinese bevolking in de stad Batavia door het Hollandse volk uitgeroeid. In totaal werden er ongeveer tienduizend mensen in een paar dagen tijd uitgemoord. Men vreesde verraad van de Chinezen binnen de stadsmuren.
In het thuisland werd de furie als een schok ontvangen. Dros beschrijft vervolgens een klassiek spel Hollands zwartepieten om de schuldige gezagsdrager aan te wijzen.
In het derde essay gaat Dros uitvoerig in op de oorsprong van de Javaanse oorlog die van 1825 tot 1830 woedde. Hij schetst de achtergronden van de ´heilige oorlog´die prins Dipa Negara tegen de Nederlanders voerde.
De Nederlandse gezagsdragers vernederden de prins telkens zodanig dat hij zijn toevlucht zocht tot de Islam. Voor de inheemse bevolking werd hij een heilige die zij blindelings volgden.
Het Nederlandse gezag kon hem en zijn aanhang alleen onder de knie krijgen door de tactiek van de verschroeide aarde. Iedere opstandige Desa werd in brand gestoken.
Dipa Negara stemde op het laatst in met onderhandelingen. Tegen de afspraken in werd hij gevangen genomen en verbannen.
In het volgende, vierde, essay "De koffiestruik is doof voor bevelen", legt Dros zeer helder uit hoe de Nederlanders in de 19de eeuw Indië exploiteerden.
Het "cultuurstelsel" heeft Nederland veel profijt gebracht. Het werd in de 19de eeuw ontwikkeld om de opbrengsten op de plantages te verhogen.
In de traditionele Javaanse gelaagde samenleving moesten boeren een tribuut (belasting) aan hun vorst betalen. Dit kon in natura, in geld, maar ook in zogenaamde herendiensten. Zij moesten dan meewerken bij de aanleg van wegen en het onderhouden van een paleis.
De Nederlanders stelden zichzelf in de plaats van de Javaanse vorsten en eisten de herendiensten voor zichzelf op. Bovendien gingen zij deze diensten administreren en langzaamaan uitbreiden.
Rond 1860 ontstaat er in Nederland een enorm debat rond dit cultuurstelsel, waarbij de conservatieven er erg voor zijn en de liberalen juist erg tegen. Zij willen een vrije arbeidsmarkt inrichten. Ook in de kolonie.
Multatuli doet nu in het verhaal van Dros zijn intrede. Hij toont het zwalken van onze grootste schrijver, maar geeft hem op een belangrijk punt in het debat toch nog gelijk.
Multatuli verdedigde een op juiste wijze uitgevoerde cultuurstelsel. Volgens Multatuli zou de gewone Javaan in een "vrije arbeidsmarkt" onder de knoet van de inlandse "hoofden" leven. Historisch onderzoek heeft volgens Dros inmiddels het gelijk van Multatuli in dezen aangetoond.
In de volgende essays speelt de literatuur een steeds grotere rol. Eerste aan de hand van Multatuli. In het zesde essay gebruikt hij "De stille kracht" van Couperus om de verschillende percepties van macht tussen Europeanen en Javanen duidelijk te maken.
Hij doet in dit titel essay "Het angstzweet der kolonialen" een opmerkelijke observatie.
"Het is aannemelijk dat het inheemse gezag als zodanig onder de Nederlanders meer en meer metafysisch werd in reactie op de koloniale politiek om traditionele gebieders uit het domein van wereldlijk bestuur te verdringen.
Als dat waar is dan is het Oosten in de eeuwenlange koloniale ervaring allengs mystieker geworden, door toedoen van het Westen." (p.132)
De Javaanse geest lijkt niet echt ten onder te kunnen gaan. In de laatste drie essays komt de confrontatie met de Westerse moderne cultuur duidelijk naar voren.
In "Het aantal geesten is oneindig" beschrijft hij aan de hand van brieven hoe missionarissen zich uiteindelijk aan de Javaanse levenswijze aanpassen om succesvol te zijn.
In "Ik kan vaders noodlot niet zijn" kleurt Dros de strijd van de jonge vrouw en prinses Kartini rond 1900.
Zij wil zich ontworstelen en aan de traditie (adat) en eist een eigen rol op. De traditie is uiteindelijk toch sterker en zij wordt tegen haar zin in uitgehuwelijkt. Dros stelt haar en haar brieven als voorbeeld voor veel hedendaagse jonge vrouwen.
"Onze planeet telt vele Kartini´s. Ze hebben enige scholing gehad, ambiëren een vervolgopleiding, een maatschappelijke loopbaan en zekere onafhankelijkheid. Hun verwachtingen van de toekomst worden echter doorkruist door aanspraken uit hun traditionele, of nog vaker: neo- traditionele cultuur."
En hij besluit het essay met een onverbloemde oproep aan de overheid om deze "vrije" dochters tegen hun familie in bescherming te nemen.
Het boek eindigt met de zoektocht van de "Indische jongen" Rob Nieuwenhuys naar de juiste vorm van de roman over de zaak Born.
De schrijver Rob Nieuwenhuys kreeg het niet voor elkaar om al zijn literaire ambities met behulp van de dramatische intrige van de moordzaak op Born uit 1934 in een grote Indische roman te persen.
Nieuwenhuys wilde de Javaanse geest erin vangen, maar dit lukte niet. Dros meent dat een volgende poging niet zal lukken.
Met deze laatste verzuchting lijkt Dros aan te kondigen dat hij zichzelf niet in staat acht, ondanks alle studie over Indië, dat zijn zoektocht naar een dramatisch gegeven voor een grote Indische roman mislukt is.
Het lijkt een aankondiging dat zijn volgende roman de Javaanse geest niet als onderwerp zal hebben.
Hij heeft met dit boek prachtige historische essays geschreven die een evenwichtig beeld schetsen van drie eeuwen koloniale geschiedenis. Laat dat een troost zijn.
Daan Diederiks
© The Amsterdam Post
© The Amsterdam Post, D. Diederiks

Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.