|
Ontslagaanbod kabinet
78ste vergadering TK 1998-1999
Woensdag 19 mei 1999 15.00 uur Aan de orde is de behandeling van:
de brief van de minister-president inzake het ontslagaanbod van het kabinet.
De beraadslaging wordt geopend.
Minister Kok : Mevrouw de voorzitter ! Ik wil
enkele opmerkingen maken ter toelichting
op de brief die hedenmiddag aan Hare Majesteit
de Koningin is gezonden en in afschrift is
verstrekt aan de leden van de Kamer, waarin
ik namens het kabinet het ontslag aanbied
van alle ministers en staatssecretarissen.
Dat is uiteraard een belangrijk en emotionerend
moment, ook voor een professional, zoals
de minister-president is. Het is een besluit
dat is gebaseerd op de ontknoping vannacht
in de Eerste Kamer bij de verwerping van
het voorstel tot grondwetswijziging. Het
is ook gebaseerd op de besprekingen in de
ministerraad vandaag, waar zeer grondig en
diepgaand is gesproken over de situatie die
zich als gevolg van de gang van zaken in
de Eerste Kamer heeft voorgedaan. Ik ben
mij er zeer wel van bewust -- ook de ministerraad,
hedenmorgen en hedenmiddag -- dat wij te
maken hebben met een bijzondere politieke
situatie, waarbij van enig in de Tweede Kamer
gebleken conflict tussen de Tweede Kamer
en de regering geen sprake is. Desondanks
heeft het verloop van de gedachtewisseling
in de ministerraad tot de conclusie geleid
dat tot het indienen van het ontslag moest
worden overgegaan.
Er was in de ministerraad volledige eensgezindheid
over de zwaarwegendheid van de ontstane situatie
die het het kabinet onmogelijk maakte om
dit belangrijke onderdeel van de kabinetsvoornemens,
neergelegd in het regeerakkoord -- ten tweeden
male, na het regeerakkoord in 1994 -- te
realiseren. Dat is een bittere pil voor het
gehele kabinet. Het is een ernstig verlies
dat wij kennelijk de overtuigingskracht niet
hebben weten op te brengen om voldoende senatoren
aan de zijde van de regering te krijgen terzake
van aanvaarding van het voorstel. Het is
een bittere pil intrinsiek, dus op de zaak
zelf betrekking hebbend, omdat het invoeren
van een correctief referendum voor het gehele
kabinet, gelet ook op de plaatsing van dit
onderwerp in twee opeenvolgende regeerakkoorden,
van zeer, zeer vitale betekenis is.
In de raad is heden uitgebreid van gedachten
gewisseld over de vraag hoe op de ontstane
situatie moet worden gereageerd. In de brief
heb ik daarover het een en ander gezegd.
De brief is uiteraard opgesteld op basis
van een mandaat dat aan de minister-president
en beide vice-premiers is gegeven om het
gewisselde in de ministerraad op de hoofdpunten
geconcentreerd goed vast te leggen. Uit de
inhoud van de brief moge u zijn gebleken
dat een meerderheidsopvatting in de raad
was dat het wenselijk was, juist gelet op
de vitale betekenis van het alsnog zo spoedig
mogelijk toepassen van de mogelijkheden van
een correctief referendum, het voorstel hernieuwd
bij de Tweede Kamer in te dienen, uiteraard
door een dan nog missionair kabinet. Die
gedachte was gebaseerd op de verwachting
dat, als dit een voldoende draagvlak zou
hebben in een missionair kabinet -- het kabinet
dat thans zijn ontslag heeft ingediend --
dit opnieuw aan de Tweede Kamer zou kunnen
worden voorgelegd, met de wetenschap dat
de eerste lezing ervan dan in deze periode
zou plaatsvinden en dat de tweede lezing
in de Tweede en de Eerste Kamer zou kunnen
plaatsvinden nadat de provincialestatenverkiezingen
van 2003 een beeld hadden kunnen geven van
de nadien nieuw samen te stellen Eerste Kamer.
Over dat voorstel is geen overeenstemming
bereikt, aangezien een minderheid in het
kabinet, bestaande uit de bewindslieden van
D66-huize, nadrukkelijk toegelicht en uitgebreid
besproken de voorkeur gaf aan een ander politiek
antwoord op de ontstane situatie, te weten
het aanbieden van ontslag door het gehele
kabinet. De ministers van D66-huize hebben
aangegeven dat dit, indien dat niet onmiddellijk
door alle bewindslieden zo zou worden gezien,
in elk geval voor henzelf zou moeten gelden.
Dat heeft in de besprekingen in de ministerraad
een situatie gecreëerd, waarbij de bewindslieden
van PvdA- en VVD-huize voor de vraag stonden
hoe met dat ontstane feit om te gaan. De
conclusie van daarna plaatsgevonden hebbend
beraad is geweest dat deze ministers hebben
besloten eveneens hun ontslag aan te bieden.
In deze ontstane situatie werd het uitgangspunt
"samen uit, samen thuis" van doorslaggevend
belang geacht.
Vervolgens heeft de ministerraad mij gemachtigd
om het ontslag van ministers en staatssecretarissen
aan Hare Majesteit aan te bieden. Ik heb
dat zojuist gedaan. De Koningin heeft dat
verzoek om over te gaan tot ontslagverlening
in overweging genomen. Zij heeft mij verzocht
om met de ministers en staatssecretarissen
alles te doen en te blijven doen wat nodig
in het landsbelang. In de uren die volgen,
zal zij via de Rijksvoorlichtingsdienst nadere
bekendmakingen doen over een snelle, ruime
consultatieronde, waarbij adviseurs van de
Koningin haar raad kunnen geven over de vraag
hoe met de nu ontstane situatie om te gaan.
Mevrouw de voorzitter ! De verleiding is
groot om op dit moment en op deze plaats
toevoegingen van politieke aard te doen aan
hetgeen gisteren en vannacht is gebeurd in
de Eerste Kamer en aan hetgeen zich wellicht
spontaan zou kunnen opdringen bij het in
ogenschouw nemen van de situatie. Tegenover
de Kamer en de ministerraad, namens welke
ik hier sta, acht ik het correct om aan die
verleiding het hoofd te bieden en het bij
deze korte verklaring te laten.
De voorzitter : Ik stel de Kamer voor, in
het thans volgende debat spreektijden van
vijf minuten per fractie te hanteren. Ik
doe dit voorstel in de wetenschap dat sommigen
uwer die spreektijd waarschijnlijk zullen
overschrijden, maar ik hoop in staat te zijn
om naar vermogen rechtvaardig te beoordelen
in hoeverre dat ook echt moet. Na vijf minuten
geef ik de sprekers wel een signaal dat zij
die grens overschrijden. Men weet dan dat
het betoog binnen geringe tijd moet worden
afgerond.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Mevrouw de
voorzitter ! Ik dank de minister-president
voor het afschrift van de brief dat wij zojuist
hebben ontvangen. Ook dank ik hem voor zijn
verklaring. Brief en verklaring geven duidelijk
antwoord op de eerder deze middag door ons
gestelde vraag: waar staan wij nu? Brief
en verklaring scheppen duidelijkheid: het
kabinet heeft zijn ontslag aangeboden. Als
ik spreek over de brief en inga op een deel
van de verklaring die de minister-president
zojuist aflegde, dan is er één zin die mij
niet bevalt. Dat is de zin, toegelicht door
de minister-president, waarin staat dat er
nog een poging is gedaan om op de kortst
mogelijke termijn het voorstel tot wijziging
van de Grondwet ongewijzigd opnieuw in te
dienen. Het is, Mevrouw de voorzitter , niet
meer 1848; het is 1999 en ik vind dan ook
dat de Staten-Generaal -- en bij mijn weten
maakt de Eerste Kamer daarvan deel uit --
in deze zin van de brief niet serieus zijn
genomen. Die zin bevalt ons dus niet. Ik
vraag de Minister om hierop in te gaan.
Er is voor de CDA-fractie één uitkomst mogelijk
van de nu ontstane situatie, andere wegen
zijn er wat ons betreft niet: het woord moet
nu aan de kiezer zijn. Een kabinet dat minder
dan een jaar geleden, al leek dat jaar soms
lang, vertrouwen kreeg van de kiezer, is
nu demissionair en heeft dat vertrouwen verspeeld.
De voortekenen waren er: drie architecten
van het kabinet-Kok II vertrokken vrijwel
onmiddellijk door de zijdeur, respectievelijk
naar Groningen, naar de backbenches en naar
Amsterdam; er kwam geen motto, ondanks vele
pogingen daartoe; er kwam geen bezieling.
De heer Bolkestein (VVD): voorzitter ! Sinds
wanneer is een zetel in deze Kamer te bereiken
via een zijdeur?
De heer De Hoop Scheffer (CDA): voorzitter !
Als een van de architecten van het kabinet
kun je vertrekken naar de backbenches. Dat
is wat mijn collega Bolkestein heeft gedaan,
en hij was niet de enige. Ik geloof dat ik
feitelijk geen enkel fout woord gebruik of
verkeerde opmerking maak als ik constateer
dat drie architecten van het tweede kabinet-Kok
vertrokken, respectievelijk naar Groningen,
naar de backbenches en naar Amsterdam. Misschien
kwamen het motto en die bezieling er daardoor
wel niet, ik weet het niet.
Het tweede kabinet-Kok was vanaf het begin
zielloos en strompelend, met een onzichtbare
minister-president en met een staatssecretaris
van Justitie die misschien wel een rechtvaardig
en streng asielbeleid wilde voeren, maar
die dat onmogelijk werd gemaakt. Een kabinet
dat met veel tamtam verlaging van lasten
aankondigde; het werd lastenverzwaring. Een
kabinet dat op het belangrijke punt van arbeid
en zorg niet verder kwam dan een conceptnota.
Een kabinet dat mee moest maken dat de betrouwbaarheid
van de overheid ter discussie stond en staat
in een enquête over mensen en hun gezondheid.
Een kabinet zonder vlag en zonder lading.
Het is dan ook onze opvatting dat niet zozeer
de nacht van Wiegel -- en wat had het kabinet
een haast met het naar de Eerste Kamer brengen
van het wetsvoorstel -- maar het tien maanden
doormodderen van het tweede kabinet-Kok ons
heeft gebracht waar wij nu zijn: naar een
demissionair kabinet. Derhalve dient het
oordeel onvermijdelijk en noodzakelijk te
zijn...
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Mevrouw de
voorzitter ! Op het onderwerp oorlog en vrede
kom ik aan het slot van mijn betoog terug.
Misschien dat de Mevrouw die zojuist plotseling
binnenkwam, daarover tevreden kan zijn. Ik
hoop dat althans. Ik bedoel dit buitengewoon
serieus. De Kamer zal dadelijk horen waarom
ik dit zeg.
Het oordeel is derhalve nu onvermijdelijk
en noodzakelijk aan de kiezer. Als ik eindig
waar ik begon, bij de brief die wij hebben
gekregen en bij de verklaring van de minister-president,
dan vraag ik van hem bevestiging van onze
opvatting dat het CDA uit die brief niet
zou wensen te lezen en niet wenst te lezen
dat de Partij van de Arbeid en de VVD zouden
overwegen verder te gaan in een kabinet dat
meer zou mogen of zou moeten doen dan het
uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Ik
hoor graag van de minister-president een
bevestiging van onze opvatting.
Ik spreek een enkel woord over Kosovo. Nederland
is niet formeel, maar wel materieel in oorlog.
De vluchtelingenstromen gaan door. De NAVO
bombardeert. En vele mensen zullen zeggen:
is dat nu een moment voor een kabinetscrisis?
Nee, zullen velen geneigd zijn te antwoorden.
Ik hecht eraan hier op te merken dat de brede
politieke steun -- ook van de zijde van de
CDA-fractie in de Tweede Kamer -- die bestaat
voor de lijn die het tweede kabinet-Kok in
deze buitengewoon ernstige crisis heeft gekozen,
er naar onze opvatting ook onder de huidige
omstandigheden borg voor moet staan dat noodzakelijke
besluitvorming kan worden genomen. Wij zullen
als CDA-fractie in de Tweede Kamer daaraan
blijven meewerken, ook als wij zeggen: "Het
woord is aan de kiezer". Dat bedoelde ik
met mijn opmerking dat oorlog en vrede ook
in dit debat een rol spelen.
De heer Melkert (PvdA): Mevrouw de voorzitter !
Wij stellen het zeer op prijs om op dit tijdstip
van gedachten te kunnen wisselen met het
kabinet, met de minister-president, direct
nadat de minister-president het ontslag van
zijn kabinet aan de Koningin heeft aangeboden.
Wij hechten er wel aan om ons ook nog nader
te kunnen beraden op de thans ontstane situatie,
omdat de gebeurtenissen elkaar natuurlijk
snel hebben opgevolgd. Maar ik wil graag
namens mijn fractie in dit debat enkele kernpunten
naar voren brengen, zoals wij de situatie
zien en vooral ook voelen.
Dit debat gaat over democratisering, over
het sneuvelen van een wetsvoorstel, na een
hele lange voorbereidingsperiode, in een
uiteindelijk toch heel bescheiden poging
om in dit land -- Nederland, met zijn goede,
maar soms ook wel erg sterk verankerde tradities
-- een stukje vernieuwing in te brengen.
Een stukje maar. Het mocht niet zo zijn.
Dit debat gaat ook over verantwoordelijkheid,
over verantwoordelijkheid om goed, krachtig,
consistent en ook buiten onze grenzen representatief
bestuur te bieden voor alle vraagstukken
die binnenslands en buitenslands spelen.
Ik zal er dadelijk nog iets over zeggen.
En dit debat gaat ook over onze oprechte
teleurstelling over hoe het gelopen is, niet
binnen één jaar, maar na vijf jaar van samenwerking
tussen Partij van de Arbeid, VVD en D66 in
een voor de Nederlandse verhoudingen unieke
en geslaagde constellatie.
Verantwoordelijkheid heeft de PvdA genomen
in alle stadia. Ik wil graag namens mijn
fractie complimenten uitspreken aan het adres
van Minister Peper van Binnenlandse Zaken
voor de wijze waarop hij de aanvaarding van
het wetsvoorstel gisteren heeft verdedigd
en aan het adres van premier Kok voor de
wijze waarop hij het bijzondere belang van
de aanvaarding van dit wetsvoorstel op een
heel precieze wijze heeft geformuleerd. Hij
heeft geen enkel misverstand laten bestaan
over de intenties van het kabinet. Wij hebben
onze verantwoordelijkheid genomen in alle
stadia, in de Tweede en in de Eerste Kamer,
om hier tot een goed resultaat te komen.
Wij betreuren het zeer dat de indiening
van het ontslag nodig was. Ik moet echter
constateren, gelet op wat in de brief is
aangegeven als de loop en de volgorde der
gebeurtenissen, dat de indiening van het
ontslag onvermijdelijk was. Wij betreuren
evenzeer de opstelling van onze twee coalitiepartners.
Ik noem wat dat betreft de VVD in de Eerste
Kamer. Ik wil wel graag zeggen dat onze kritiek
zich niet richt op de inspanningsverplichting
die de Tweede-Kamerfractie van de VVD is
aangegaan in dezen. Onze kritiek treft wel
de resultaatsverrichting. Wij betreuren ook
de methodiek, de weg waarlangs, die door
onze coalitiepartner D66 is gekozen om uiteindelijk
tot een inderdaad voor dit belangrijke punt
gewenste uitkomst te komen.
Verantwoordelijkheid willen wij blijven
nemen. Ik wil graag iets zeggen over de vraag
binnen welke grenzen wij daartoe mogelijkheden
zien. Ik ga daarvoor terug naar 1998, naar
vorig jaar. Toen is op basis van het mandaat
van de kiezers de ruimte gevonden om tot
het tweede kabinet-Kok te komen, op basis
van het regeerakkoord, zoals wij dat kennen.
Het tweede kabinet-Kok kwam er, omdat wij
tevreden waren over het eerste kabinet-Kok .
Wij wilden dat het beleid daarvan werd voortgezet.
De kiezers gaven ons daarvoor de ruimte.
Ik zeg, met de minister-president gisteravond,
dat de ruimte om daarmee door te gaan ernstig
is aangetast door de loop der gebeurtenissen
gisteravond en vannacht.
Dat betekent, afgezet tegen het mandaat
van de kiezers van 1998, dat nu slechts de
volgende vragen aan de orde zijn. Is er nog
ruimte? In die formulering schuilt nog enig
licht, misschien een sprankje van hoop. Zo
ja, dan moet die worden onderzocht. Het kabinet
heeft daartoe zelf een poging ondernomen
vandaag. Dat waarderen wij. Is die ruimte
er niet, dan overschrijden wij de grenzen
van het mandaat van de kiezers van 1998.
Die grenzen zijn immers vorig jaar getrokken
door de keuzes van toen. Op deze basis zullen
wij onze verantwoordelijkheid de komende
dagen nemen en zullen wij bijdragen aan de
advisering om zo spoedig mogelijk tot een
verstandige oplossing te komen.
Wij willen daarbij bijdragen aan één ding
dat ons zeer ter harte gaat in de situatie
die nu is ontstaan. De regeerbaarheid van
ons land om de economische kracht die in
de afgelopen jaren is toegenomen, ook verder
te stimuleren; daarin mogen wij nooit versagen.
Om de sociale rechtvaardigheid te vergroten
die ons land moet kenmerken in het Europa
van de 21ste eeuw. Ook dus om door te gaan
met de prioriteiten uit het regeerakkoord:
onderwijs, zorg, kinderopvang, politie, justitie,
gelijkere inkomensverdeling en het blijven
investeren in de kracht en de innovatie van
onze economie. Ook om onze verantwoordelijkheid
te dragen voor de bijdragen van onze mannen
en vrouwen in Kosovo en van de partners van
ons Noord-Atlantisch bondgenootschap in de
missie om uiteindelijk rechtvaardigheid,
vrede en terugkeer van de vluchtelingen naar
Kosovo tot stand te brengen. Dat vraagt van
ons dat wij ons daarvoor blijven inspannen,
ongeacht de problemen waarin wij ons thans
bevinden. Ik wil daaraan graag de vraag verbinden
in de richting van de minister-president
of hij wil toelichten hoe de in ieder geval
tijdelijke demissionaire status van zijn
kabinet zich verhoudt tot het kunnen blijven
uitvoeren van zoveel mogelijk van deze taken.
Ik heb namelijk wel eens de indruk dat demissionair
te snel met passief wordt verward. Er blijft
een regering die uiteraard verantwoording
moet blijven afleggen jegens de volksvertegenwoordiging.
Er moet wel geregeerd blijven worden, juist
op de genoemde sleutelpunten in het binnenland
en zeker in het buitenland. Voor de PvdA-fractie
geldt: als het kan, gaan wij door met sterk
en sociaal, als het moet, vragen wij de kiezers
een nieuw mandaat voor sterker en socialer!
De heer Marijnissen (SP): De heer Melkert
begon zijn betoog met de opmerking dat nog
een aantal zaken door zijn fractie nader
bekeken moeten worden omdat de ontwikkelingen
erg snel gaan. Halverwege zijn betoog sprak
hij over een onderzoek naar de ruimte die
er mogelijk nog bestaat. Ruimte voor wat?
Is er een mogelijkheid dat de PvdA-fractie
een lijmpoging onderneemt met de VVD om vervolgens
gezamenlijk, bogend op een meerderheid in
deze Kamer, voort te gaan?
De heer Melkert (PvdA): Ik vind het op zichzelf
een reële vraag van de heer Marijnissen ,
gelet op wat ik als kader heb aangegeven
voor onze benadering, maar toch komt die
vraag te vroeg. Voor het kunnen beantwoorden
van die vraag, zijn namelijk niet alleen
de opvatting of de voorkeur van de PvdA-fractie
doorslaggevend, maar uiteindelijk de opvattingen
en, naar ik verwacht, ook de adviezen die
hierover zullen worden uitgebracht. Ik geef
de richting en de kaders aan waarbinnen onze
advisering zal plaatsvinden, maar ik geef
er tevens de voorkeur aan om de toelichting
daarop te doen plaatsvinden in het verkeer
met het staatshoofd, zoals dat hoort.
De heer Marijnissen (SP): Daar kan ik mij
van alles bij voorstellen, hoewel, wij zijn
hier natuurlijk wel in debat; het lijkt mij
dan toch een terechte vraag. Ik herinner
aan de verkiezingscampagne, aan de inzet
van de minister-president, aan de toewijding
van de drie Paarse partijen waar het ging
om de totstandkoming van Paars II, inclusief
de wederzijdse concessies die gedaan zijn,
aan de verkiezingstijd waarin steeds gehamerd
is op Paars I als inzet van de verkiezingen.
Als ik dat alles voeg bij uw opmerking van
zo-even, dat het van belang is dat het kabinet
toch vooral doorgaat om de punten die u zo
belangrijk vindt te realiseren, dan lijkt
mij dat dit rechtstreeks leidt tot een poging
van de kant van de PvdA-fractie om samen
met de VVD verder te gaan.
De heer Melkert (PvdA): De heer Marijnissen
heeft echt het goede recht om deze vraag
te stellen, maar ik meen dat ik het recht
heb om het moment te bepalen waarop het nodig
en mogelijk zou zijn om hierop een antwoord
te geven. En dat moment is niet nu.
De heer Marijnissen (SP): Ik begrijp nu dat
u het eerst wilt vertellen aan het staatshoofd.
Dat is uw keuze. Ik vind het merkwaardig,
want het lijkt mij dat dit bij uitstek de
plek en de gelegenheid is voor u om aan te
geven hoe het politiek verder moet. Er zijn
andere partijen die zeggen dat er nieuwe
verkiezingen moeten komen. Is dat dan de
juiste conclusie?
De heer Melkert (PvdA): Als de heer Marijnissen
goed naar mijn bijdrage heeft geluisterd
-- hem kennende zal hij dat hebben gedaan
-- heeft hij goed gehoord in welke richting
die bijdrage gaat, en dan wil hij mij ongetwijfeld
ten goede houden dat daar een vervolginvulling
aan vastzit en dat ik eraan hecht inderdaad
de mores in acht te nemen die in dezen ook
gelden, namelijk dat wij adviseren op het
moment dat dat advies wordt gevraagd. Daarover
willen wij dan vanzelfsprekend met iedereen
die daarvoor belangstelling heeft in discussie
gaan.
De heer Marijnissen (SP): Wanneer mogen de
Kamer en het Nederlandse volk vernemen wat
in dezen de optie van de Partij van de Arbeid
is?
De heer Melkert (PvdA): Zo spoedig mogelijk.
De heer Dijkstal (VVD): Mevrouw de voorzitter !
Met dank aan de heer De Hoop Scheffer wil
ik opmerken dat het vanzelfsprekend is dat
dit debat vandaag plaatsvindt. Daar kan geen
twijfel over bestaan, zij het dat er wellicht
enige beperking in het debat zit in verband
met de rol die Hare Majesteit de Koningin
in een situatie als deze heeft. Ik ben de
regering erkentelijk voor de brief en voor
de toelichting die de minister-president
daarop gegeven heeft. Ik wil mij aansluiten
bij de woorden van waardering die de heer
Melkert heeft uitgesproken voor de wijze
waarop het kabinet, bij monde van minister
Peper en van de minister-president, gisteren
het debat heeft gevoerd.
De VVD-fractie acht de gebeurtenissen van
gisteren in de Eerste Kamer ernstig, en wel
om twee redenen.
In de eerste plaats omdat door de uiteindelijke
uitslag van de stemming het wetsvoorstel,
gericht op wijziging van de Grondwet om een
correctief referendum mogelijk te maken,
het niet heeft gehaald. Ik zeg dit met enige
betrokkenheid, omdat dat wetsvoorstel twee
lezingen door moest en ik het wetsvoorstel
meerdere malen, hier en aan de overkant,
zelf heb mogen verdedigen. Verder meen ik
dat het een bijdrage levert aan een verdere
modernisering van onze democratie. Daarom
is het te betreuren dat het wetsvoorstel
het niet heeft gehaald.
In de tweede plaats vinden wij het ernstig
dat het niet halen van dat wetsvoorstel heeft
geleid tot het zeer verstrekkende gevolg
waar wij heden kennis van hebben genomen,
namelijk dat het kabinet haar ontslag aan
heeft geboden. Ik denk dat je mag zeggen
dat de aanleiding tot dit geheel is: de uitslag
van de stemming in de Eerste Kamer en in
het bijzonder de tegenstem van een VVD-senator,
die de meerderheid niet mogelijk heeft gemaakt.
Daar lijkt mij geen twijfel over te zijn.
De vraag is of de oorzaak van de val van
het kabinet daarna niet gevonden moet worden
in de beslissing, die men overigens kan begrijpen,
van D66 om niet meer deel uit te maken van
dit kabinet in deze context. Ik betreur dat.
Ik betreur beide feiten. Ik betreur het eerste,
de aanleiding, en ik betreur het tweede,
de oorzaak. Ik begrijp dat de beslissing
van D66 genomen is ondanks -- ik ga nu af
op de brief -- de bereidheid van het kabinet
om het voorstel voor grondwetswijziging opnieuw
in de Kamer in te dienen. In de brief staat
één passage op dit punt die mij niet helder
is. Ik zou het op prijs stellen als de minister-president
daar een toelichting op zou kunnen geven.
Dat betreft de zin in de laatste alinea,
waarin het gaat over het wederom indienen
van het wetsvoorstel. Daarin staat: "De ministers
van D66-huize konden dit voorstel niet steunen,
omdat zij dat een onvoldoende politiek antwoord
achtten op de ontstane situatie...". Ik kan
niet geheel begrijpen wat daarmee wordt bedoeld.
Misschien kan de minister-president dat nader
toelichten.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Had de heer
Dijkstal dat een redelijke weg gevonden,
zoals in de brief is verwoord, namelijk om
het voorstel opnieuw in te dienen? Ik heb
daar zojuist het mijne van gezegd. Wat is
zijn opvatting daarover?
De heer Dijkstal (VVD): De logische consequentie
van een traject ingaan, waarin je vindt dat
het correctief referendum mogelijk moet worden
gemaakt en dat dus uiteindelijk op deze wijze
strandt in de Eerste Kamer, is dat je nagaat
of er een mogelijkheid is om dat toch voor
elkaar te krijgen. Nu kun je allemaal inschattingen
maken hoe dat dan staatsrechtelijk moet en
hoe dat politiek allemaal zal uitpakken,
maar het is wel een logische stap. En als
die stap kennelijk vanuit het kabinet bezien
kan helpen in het oplossen van ook een ander
probleem, zou ik daar a priori niet op tegen
zijn. Hoe realistisch dit allemaal is, is
vers twee, maar ik ga nu af op wat in de
brief van de minister-president, van het
kabinet aan ons is meegedeeld.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Ik begrijp
goed dat u geen formele bezwaren ziet, zoals
ik zojuist heb geuit, tegen het direct na
verwerping van een voorstel wederom indienen
van het voorstel en de positie van in dit
geval de Eerste Kamer in dezen. Dat vindt
u geen probleem?
De heer Dijkstal (VVD): Nee, dat vind ik
niet; niet een probleem op zichzelf. voorzitter !
De vraag is natuurlijk: hoe nu verder? Ik
bevind mij een beetje in dezelfde positie
als de heer Melkert -- en misschien ook straks
nog van anderen -- dat een zekere terughoudendheid
past in het hier in te nemen standpunt, omdat
ik verwacht dat er ook een raadpleging van
de fractievoorzitter s zal plaatsvinden door
Hare Majesteit de Koningin en wij ons daar
nog nader -- ook misschien gehoord de uitkomsten
van dit debat -- definitief op willen beraden.
Maar ik denk wel dat het zeer voor de hand
ligt dat ik nader inga op wat wij toch als
een ernstig gevolg beschouwen van die gebeurtenis
gisteren. En ook ik -- dat zal niemand verbazen
-- kies daarbij het startpunt van de verkiezingen
van vorig jaar mei 1998. Mijn voorganger
de heer Bolkestein en ik hebben naderhand
bij herhaling gezegd: wij vonden het een
helder mandaat van de kiezer om de coalitie
Paars I voort te zetten in Paars II. En dat
geldt dan in ieder geval -- ik maak daar
één kleine kanttekening bij -- voor PvdA
en de VVD, kijkend naar de verkiezingsuitslag.
Verder was het natuurlijk ook een zaak voor
D66 om zijn eigen positie daarin te bepalen.
Dat is gebeurd en dat heeft in de formatie
geleid tot wat ons betreft een goede kabinetsploeg
en wat ons betreft een goed regeerakkoord.
Dat hebben wij natuurlijk gedaan in de hoop
en met de bedoeling om de komende vier jaar
te gebruiken om wat daarin is afgesproken
en wat er overigens nog moet gebeuren, tot
goede uitvoering te brengen.
Dat doel staat wat ons betreft, naar de
inhoud kijkend van dat regeerakkoord, natuurlijk
nog steeds voorop. En dan is de logische
consequentie van die gedachte dat je dan
zou moeten pleiten voor een poging om te
kijken of de coalitie zou kunnen worden hersteld
en misschien zelfs ook -- maar dat hangt
natuurlijk af van de positie die D66 daarin
inneemt -- van de vraag of het zelfs denkbaar
is dat PvdA en VVD dat verder zouden kunnen
uitvoeren. Dat is een logische consequentie
van de gedachte die ik net heb neergelegd.
Daarbij spelen twee omstandigheden nog een
rol. Naar de eerste heeft de minister-president
verwezen, namelijk dat er geen conflict is
met de Tweede Kamer. Je zou nog één stap
verder kunnen gaan: waarom de Tweede Kamer
te ontbinden als er geen conflict is met
de Tweede Kamer. Dat kun je op die manier
zeker meewegen. Een andere bijzondere omstandigheid,
die ik ook uitdrukkelijk wil noemen, is de
bijzonder ernstige situatie in Kosovo, waarbij
Nederland de volle verantwoordelijkheid heeft
genomen om in internationaal verband mee
te werken aan de oplossing van de problemen
daar. Ik hoef dat verder niet toe te lichten.
De vraag is wel of dat eigenlijk niet om
een missionair kabinet vraagt. Ik wil in
dit verband in ieder geval zeggen dat ik
de opmerking van de heer De Hoop Scheffer
op dit punt gewaardeerd heb, omdat ik het
met hem eens ben dat, hoe je verder ook denkt
over missionair en demissionair en alles
wat hier in de politieke context van Nederland
speelt, het in ieder geval zo zou moeten
zijn dat wij politiek in deze Kamer zoveel
mogelijk gezamenlijk optrekken, met een kabinet
van welke status dan ook om te proberen die
situatie daar tot een oplossing te brengen.
Dus, zoals gezegd, ik waardeer dat.
De heer Schutte (GPV): Mevrouw de voorzitter !
Ik begrijp niet zo goed waarom de heer Dijkstal
na de val van dit kabinet, als hij voorzichtig
aftast welke mogelijkheden er zijn, weer
zo gauw teruggrijpt naar het regeerakkoord
van het inmiddels gevallen kabinet. Het is
toch naar de aard van het regeerakkoord duidelijk
en het is ook meermalen duidelijk gemaakt
door woordvoerders van de fractie van de
VVD, dat zo'n regeerakkoord compromissen
bevat, waarin voor de VVD mooie en minder
mooie dingen zaten. Is het dan niet logisch
dat, als dit kabinet valt, je dan niet zegt:
ik ga weer terug naar het regeerakkoord om
te kijken of ik daar iets mee kan. Het is
logischer om het bredere spectrum te bekijken,
namelijk de vraag of al dan niet met dit
regeerakkoord moet worden doorgegaan. Misschien
kan de VVD een nog veel beter regeerakkoord
sluiten, dat voor de VVD veel aantrekkelijker
is.
De heer Dijkstal (VVD): Ja, dat is op zichzelf
waar en er zijn wat dat betreft vele "misschienen".
Maar in ieder geval zit er bij ons ook de
notie achter dat het landsbelang -- en de
VVD gaat ervan uit, en ik denk de andere
coalitiepartners ook, met het kabinet, dat
wat wij hebben afgesproken dat landsbelang
dient -- niet gediend is met een kabinet
dat er vroegtijdig mee ophoudt en met een
lange verkiezingsperiode. Wie weet hoe lang
het nog duurt voordat wij een nieuw kabinet
hebben. Natuurlijk moet dat worden afgewogen
tegen de democratische aspecten die hier
een rol spelen. Ik kom daar zo nog op terug.
Er kan ook worden afgewogen -- en dat zal
iedereen politiek zeker doen -- hoe interessant
verkiezingen zijn. Ga ik dan nog meeregeren?
Kan ik er nog wat meer uitsleuren? Wij kiezen
vooralsnog, overtuigd als wij een jaar geleden
waren voor dit programma, in deze coalitie,
in dit kabinet, voor een poging om na te
gaan of daar voortgang aan kan worden gegeven.
Ik erken wel dat hier heel dicht naast ligt
de op zichzelf zeker normale reactie op de
val van een kabinet: uitschrijven van nieuwe
verkiezingen. Dat moet tegen elkaar worden
afgewogen. Wij zullen dat ook tegen elkaar
afwegen, maar ik laat hier wel de lichte
voorkeur blijken die ik voor de eerste optie
heb in dit verband.
Daar lijkt -- ik zeg dat voorzichtig en
ik leg dit de minister-president vragenderwijs
voor -- een zekere steun voor te zijn bij
het kabinet. Ik leid dat af uit twee elementen.
De minister-president heeft gisteren in de
Eerste Kamer geen machtswoord uitgesproken.
Ik heb hem daar ook voor gewaardeerd. Hij
heeft wel zeer zware woorden uitgesproken,
maar hij heeft in de staatsrechtelijke verhoudingen
het machtswoord niet uitgesproken. Ik kan
mij voorstellen dat hij dat niet gedaan heeft,
daarin in principe gesteund door het kabinet,
omdat hij als het verkeerd zou aflopen op
dat moment de mogelijkheid open wilde houden
om in het kabinet na te gaan welke consequentie
daaraan te verbinden zou zijn. Dus ook de
consequentie: wij gaan gewoon door. Wij hebben
daar kennis van genomen. Wij weten dat het
kabinet vandaag vergaderd heeft. Wij kennen
de uitslag daarvan. Dat lijkt mij in ieder
geval een signaal dat men dat vanuit het
kabinet en de minister-president een interessante
optie vond.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Mevrouw de
voorzitter ! Als u mij toestaat, wil ik even
terug naar een eerder deel van het betoog
van collega Dijkstal , toen hij de balans
aangaf tussen een demissionair kabinet en
de stem van de kiezer en datgene wat hij
daarvoor zei. Wordt die balans wat hem betreft
nog be‹nvloed door de vraag of eventueel
verdergaan zou moeten of kunnen met twee
dan wel drie partijen?
De heer Dijkstal (VVD): Ik heb in ieder geval
net gezegd dat mijn logische voorkeur --
ik ga nu op de lichte voorkeur voor de eerste
optie door -- ligt in de voortzetting van
de coalitie die wij een jaar geleden met
elkaar welbewust en om een goede reden zijn
aangegaan. Als dat onverhoopt niet mogelijk
is -- ik zeg dit omdat ik ook respect wil
betonen aan de positie waarin D66 verkeert,
maar we horen straks hoe zij dat zelf waardeert
-- is voor mij niet direct de weg afgesneden
tot de vraag: waarom zou een coalitie van
VVD en Partij van de Arbeid nu niet mogelijk
zijn, gegeven ook de meerderheid die in dit
huis voor zo'n coalitie bestaat? Verder dan
dat ga ik op dit moment niet. Het gaat alleen
om de vraag of het zinvol zou zijn om die
mogelijkheid nog onder ogen te zien.
voorzitter ! Er is nog een tweede reden waarom
ik denk dat het kabinet of in ieder geval
leden in het kabinet daar enige belangstelling
voor hebben. Dat is een andere passage in
de brief die ik nog niet helemaal goed begrijp.
Ik vraag de minister-president of hij daar
nog een nadere toelichting op kan geven.
Dat is de volgende alinea. De eerste zin
is duidelijk "omdat de ministers van D66-huize
hebben gemeend hun ontslag te moeten aanbieden".
Daarna staat er: "Gegeven deze situatie hebben
vervolgens de ministers van PvdA- en VVD-huize
besloten hun ontslag aan te bieden". "Gegeven
deze situatie" geeft een soort beoordeling
van dat eerste. Daar komt dan bijna automatisch
uit voort dat dat andere ook moet gebeuren.
Misschien is het nuttig dat de minister-president
daar nog iets naders over aan de Kamer meedeelt.
De heer Schutte (GPV): Acht de heer Dijkstal
het denkbaar -- en dus ook juist -- dat,
nadat het ontslag was aangeboden door de
D66-ministers, de overige ministers zonder
nadere formatie door zouden zijn gegaan?
De heer Dijkstal (VVD): Dat laatste lijkt
mij inderdaad ver te gaan. Ik had mij ook
kunnen voorstellen dat er nog een andere
modaliteit is, waarbij de portefeuille ter
beschikking wordt gesteld, wat zoals ik altijd
heb geleerd in het staatsrecht, een iets
andere betekenis heeft dan het ontslag aanbieden.
Ik kan het ook niet helemaal overzien. Daarom
vraag ik daar ook een nadere verklaring over.
De heer Schutte (GPV): Conform de opdracht
die het staatshoofd indertijd bij de formatie
heeft gegeven, is een driepartijencoalitie
tot stand gekomen. Dat was toen de opzet.
Dan lijkt het mij niet mogelijk om zonder
een nadere opdracht van het staatshoofd terecht
te komen bij een tweepartijencoalitie.
De heer Dijkstal (VVD): Daar hebt u gelijk
in, maar ik ben niet zozeer op zoek naar
de materiële betekenis van het verschil tussen
ontslag aanbieden of portefeuilles ter beschikking
stellen. Naar mijn gevoel zal de Koningin
dat in beide gevallen in overweging nemen,
of woorden van dergelijke strekking, en zich
laten adviseren, om daarna een suggestie
te doen hoe dat opgelost kan worden, met
elke modaliteit. Daarom denk ik dat dit op
zichzelf niet van belang is, maar het intrigeert
mij een beetje, meer in politieke zin, waarom
die twee zinnen op deze wijze achter elkaar
staan.
De inzet die de VVD de vorige jaren heeft
gekozen en ook nu weer kiest, is dat wij
op grond van onze beginselen en onze gedachten
over hoe maatschappelijke problemen het beste
kunnen worden opgelost, een bijdrage leveren
aan de oplossing van die maatschappelijke
problemen. Daar gaat het allemaal om. Dan
gaat het over dat heel brede terrein van
sociaal beleid, economisch beleid, financieel
beleid, welzijnsbeleid en noem maar op. De
heer Melkert en de heer De Hoop Scheffer
hebben hierover al gesproken. Dat zijn heel
ingewikkelde vraagstukken, waarvan sommige
dringend een nadere oplossing behoeven. Wij
vinden dat wij alles in het werk moeten stellen
om onze bijdrage te leveren aan de oplossing
van die problemen.
De heer De Graaf (D66): Mevrouw de voorzitter !
Een partij moet staan voor haar idealen en
voor haar afspraken. Dat uitgangspunt is
binnen en buiten het parlement bepalend voor
het handelen van D66. Dat geldt voor de fracties
van D66 in de Tweede en de Eerste Kamer en
voor de ministers en staatssecretarissen
van D66-huize in het nu demissionaire kabinet.
D66 heeft dertig jaar lang pogingen gedaan
de ernstig verzwakte democratie in Nederland
te verbeteren door de invoering van een correctief
wetgevingsreferendum. Het referendum vormt
een bescheiden, maar dwingende en beslissende
stap in de richting van een meer open democratie,
die niet alleen wordt gevormd door het zenden
van vertegenwoordigers naar Den Haag, maar
ook door mensen het recht te geven in zwaarwegende
gevallen de beleids- en besluitvorming te
corrigeren. Het is een aanvulling op ons
democratisch bestel en geen vervanging. Het
is een aanvulling die, naar telkens blijkt,
door een ruime meerderheid van de bevolking
-- een ruim tweederde meerderheid -- wordt
gewenst. Een volwassen democratie durft zich
open te stellen voor verandering en verbetering.
De heer Schutte (GPV): Ik zou niet direct
vallen over de laatste opmerking van de heer
De Graaf , als ik de laatste dagen niet al
vele malen uit zijn mond en van zijn partijgenoten
heb gehoord: een ruime meerderheid van de
Nederlandse bevolking wil dat. Waarschijnlijk
bedoelt hij dan dat er opiniepeilingen over
zijn geweest. Maar hoe ziet hij deze dan
in relatie tot de verkiezingsuitslag van
vorig jaar? Er was toen één partij die dit
als een kernpunt naar voren heeft gebracht,
maar er kwam een uitslag voor die partij
die haaks staat op die opiniepeilingen.
De heer De Graaf (D66): De heer Schutte weet
net als ik dat kiezers hun stem bepalen op
grond van zeer veel verschillende argumenten.
Een daarvan betreft de voorstellen die partijen
doen om de democratie te verbeteren. De heer
Schutte weet ook dat niet alleen uit snelle
opinieonderzoeken, maar uit elk onderzoek
naar dit specifieke onderwerp blijkt dat
een ruime meerderheid van de Nederlandse
bevolking dat democratische instrument graag
wil toevoegen aan het arsenaal van de democratie
in Nederland.
De heer Schutte (GPV): Ik betwist niet het
recht van de heer De Graaf om te wijzen op
opiniepeilingen in dezen, maar als hij dat
doet, is enige terughoudendheid gewenst,
als de verkiezingsuitslag daar zo haaks op
staat. Als het voor hem echt zo'n wezenlijk
punt was -- en dat is het voor hem -- dan
had hij er in ieder geval in moeten slagen
om dat bij de kiezers over te brengen.
De heer De Graaf (D66): voorzitter ! Het zal
ook de heer Schutte niet verbazen dat politieke
partijen die altijd in een minderheidspositie
zijn -- zo is het in Nederland nu eenmaal
-- proberen, niet alleen door de kiezersgunst
maar ook door verbindingen aan te gaan met
andere partijen, hun idealen te verwezenlijken.
En dat is precies wat D66 in de afgelopen
jaren heeft gedaan.
Het zal niemand verbazen en het heeft ongetwijfeld
niemand verbaasd dat D66 in de afgelopen
vijf jaar het dragen van regeringsverantwoordelijkheid
mede afhankelijk heeft gesteld van de verwerkelijking
van dat democratische principe. Wij vonden
en vinden het referendum het waard om ervoor
te vechten. Dat beloofden wij onze kiezers
en dat hebben wij dan ook gedaan.
Om die reden is het referendum in 1994 in
de programmatische grondslag van het eerste
kabinet-Kok opgenomen. De voortgang van die
grondwetsherziening in eerste lezing verliep
onder dat kabinet voorspoedig. Wij stelden
het zeer op prijs dat onze coalitiepartners
de Partij van de Arbeid en de VVD, in meer
of mindere mate enthousiast voor het referendum,
loyaal aan de afspraken en de coalitiegrondslag
meewerkten. D66 vond dat niet alleen een
kwestie van loyaliteit maar ook van politiek
fatsoen.
Na de verkiezingen van 1998 hebben de Partij
van de Arbeid en de VVD D66 nadrukkelijk
uitgenodigd om deel te nemen aan de onderhandelingen
voor een tweede Paarse coalitie. En voor
ons, ik zeg dat ronduit, betekende dat geen
gemakkelijke positie. Het was geen gemakkelijke
opgave, nu immers de electorale beloning
voor deelname aan Paars I zacht gezegd achterwege
was gebleven. Om die reden hebben wij onze
coalitiepartners zeer nadrukkelijk onder
ogen gebracht dat een deelname van D66 afhankelijk
was van duidelijke, onvoorwaardelijke afspraken
over voor ons belangrijke programmapunten.
En daartoe behoorden onder meer extra financiële
ruimte voor de volksgezondheid en voor onderwijs,
meer aandacht voor het milieu en de daadwerkelijke
afronding en invoering van het referendumvoorstel.
Naar wij dachten, mocht en kon D66 erop
vertrouwen dat de duidelijke afspraken over
het referendum ook gehonoreerd zou worden
met de volledige inzet van de andere twee
partijen. Het referendum maakte daarom onlosmakelijk,
en wat ons betreft zeer vooraanstaand, deel
uit van de programmatische grondslag van
het tweede Paarse kabinet.
voorzitter ! Vannacht is iets onherstelbaars
gebeurd. Voor niemand was mis te verstaan
dat D66 doorslaggevend belang hechtte aan
de aanvaarding van de tweede lezing van het
referendumvoorstel in de Eerste Kamer. Om
redenen van politieke duidelijkheid en helderheid
heeft mijn partij tevoren aangegeven dat
gebrek aan die volledige steun van ten minste
de coalitiepartijen in de Eerste Kamer voor
haar niet aanvaardbaar was en kon zijn. Elke
stem telde in de Eerste Kamer. En voor een
politiek ideaal, ik zeg dat maar met nadruk,
ook als het om de Grondwet gaat, mag men
vechten. Daar kan geen misverstand over bestaan.
Elke stem telde in de Eerste Kamer. En dat
was natuurlijk ook in de zomer van 1998 volstrekt
duidelijk.
D66 betreurt het zeer dat het referendum
het niet heeft gehaald. Die democratische
stap voorwaarts is afgestemd. Een politiek
ideaal van D66 is afgestemd met behulp van
een senator van de VVD.
De heer Marijnissen (SP): Mevrouw de voorzitter !
Ik denk dat de heer De Graaf terecht zegt
dat het referendum voor D66 een heel belangrijk
punt was. Dat is volgens mij de indruk van
iedereen in Nederland. Dat werd het vervolgens
ook na de coalitiebesprekingen voor het kabinet.
Nu zegt de heer De Graaf hier: wij konden
rekenen, wij moesten kunnen rekenen op de
steun van de andere twee coalitiepartijen.
In de Tweede Kamer is dat gelukt; in de Eerste
Kamer is het de eerste keer wel gelukt en
de tweede keer net niet. Dat was gisteravond.
Maar had D66 ook niet mogen rekenen op de
volledige steun van het kabinet? Ik zal het
preciezer zeggen. Wat vond de heer De Graaf
van het optreden van de minister-president
gisteren in de Eerste Kamer? Laat ik het
nog anders zeggen. Vond hij dat de minister-president
daar eigenlijk het machtswoord had moeten
spreken? Had de minister-president moeten
zeggen: indien dit hier niet wordt aangenomen,
is het kabinet weg?
De heer De Graaf (D66): voorzitter ! Ik heb
grote waardering voor de inzet en de argumentatie
die de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties gisteren heeft betoond.
Dat geldt ook voor het optreden van de minister-president
in derde termijn in de Eerste Kamer. De minister-president
heeft zeer indringende woorden gesproken,
die wij allemaal 's nachts, niet in de zaal
maar via de televisie, hebben kunnen horen.
Volgens mij waren die woorden niet voor tweeërlei
uitleg vatbaar. Ik verwijs naar de passage
waarin de minister-president zei dat bij
verwerping de ruimte voor het kabinet ernstig
zou zijn aangetast. Dat is niet formeel het
machtswoord. Ik zal niet verhelen dat ik
gisteren duidelijk heb laten weten dat naar
mijn oordeel een kabinet wat mij betreft
tot het uiterste mag gaan. Het is aan het
kabinet, en aan de minister-president in
de eerste plaats, om de afweging te maken
of het kabinet dat wil, of de minister-president
dat wil en of het ook zin heeft. Ik laat
het antwoord op die vraag graag aan de minister-president.
De heer Marijnissen (SP): Dat is de ene kant
van de zaak. De andere kant van de zaak is
dat mijn indruk bij het horen van de woorden
was dat misschien politieke ruimte werd gemaakt
voor voortzetting van Paars, maar zonder
D66. Ik was dan ook niet verbaasd dat de
vorige spreker, de heer Dijkstal , nadrukkelijk
refereerde aan deze woorden van de minister-president,
gisteren in de Eerste Kamer gebezigd, om
zijn opvatting te schragen dat er mogelijk
ook binnen het kabinet vergaande belangstelling
bestaat voor een voortzetting van het kabinet
zonder D66.
De voorzitter : U wilt nu weten wat mijnheer
De Graaf daarvan vindt?
De heer De Graaf (D66): Gek genoeg had ik
dat al afgeleid uit de gebaren en lichaamstaal
van collega Marijnissen ! Ik kan daar simpel
over zijn. De vraag of andere partijen menen,
in het kabinet en in de Tweede Kamer, dat
zij kunnen doorgaan in de samenstelling van
een kabinet zonder D66 en zonder verkiezingen,
is aan hen om te beantwoorden. Ik zal duidelijk
maken wat mijn positie is.
voorzitter ! Ik zei dat een democratische
stap voorwaarts, een politiek ideaal van
mijn partij, is afgestemd met behulp van
de stem van een VVD-senator. Die heeft daarvoor
zijn eigen argumenten aangevoerd en gehanteerd.
Hij heeft ook afgewogen welke consequenties
aan zijn stemgedrag verbonden waren. Een
duidelijke argumentatie van Minister Peper
kon hem niet vermurwen. Een zeer indringende
oproep van de minister-president al evenmin.
Wellicht het belangrijkste is dat de VVD
als partij, de leiding daarvan, niet bij
machte is gebleken om de stem van die senator
voor het wetsvoorstel te verzekeren. Ik zeg
dit overigens in alle oprechtheid, ook tegen
de heer Dijkstal . De VVD is daarbij in gebreke
gebleven, een essentiële voorwaarde voor
deelname van D66 aan het kabinet te honoreren
en te verzilveren, ondanks de inzet en inspanningen
die, naar ik heb begrepen, door de heer Dijkstal
zelf zijn gepleegd. Ik kan het niet anders
zien. De politieke situatie van vannacht
maakte dat een kabinetscrisis ophanden was.
Van D66 kan immers niet worden gevraagd om
in het belang van Paars zichzelf te verloochenen
en belangrijker, onze kiezers te verloochenen
en onze beloften aan de kiezers te verloochenen.
Het kabinet als geheel heeft dat in ieder
geval gezien. Ik verwijs naar hetgeen de
minister-president vannacht in de Kamer zei
en hetgeen in de brief van de minister-president
aan Hare Majesteit staat.
De fractie van D66 meent dat het kabinet
niet verder kan nu de programmatische grondslag
van het kabinet en de coalitie onder medeverantwoordelijkheid
van een lid van de VVD ernstig is aangetast.
Ik treed niet in de motieven van de heer
Wiegel . Dat is aan de VVD. Zijn politiek
daad staat echter en is volstrekt helder,
niet als lid van de lijst-Wiegel , maar als
lid van de VVD.
De heer Melkert (PvdA): De heer De Graaf
heeft begrijpelijkerwijs nog eens omstandig
het belang uiteengezet van het wetsvoorstel
dat poogt om het referendum in Nederland
ingang te doen vinden. Hoe ziet hij in de
gegeven situatie, afgezet tegen de door hem
geschetste positie van zijn partij, de mogelijkheden
om zo spoedig mogelijk het hoofd op te richten
en te pogen het land opnieuw een klein stukje
progressiever te maken, ook op dit terrein?
Hoe gaan wij dit gezamenlijk aanpakken?
De heer De Graaf (D66): voorzitter ! Samenwerking
met de heer Melkert doet altijd deugd, zij
het dat wij, naar ik vrees -- dat mocht u
uit mijn woorden afleiden -- niet meer gezamenlijk
aan een coalitie kunnen werken die een kabinet
schraagt. Als de heer Melkert mij echter
hier verzekert dat hij er alles aan zal doen
om het referendum weer direct te laten indienen
door welk kabinet dan ook, vindt hij mij
aan zijn zijde.
De heer Melkert (PvdA): Mevrouw de voorzitter !
De heer De Graaf haalt mij de woorden uit
de mond. Dat verbaast mij ook niet, omdat
dit natuurlijk de vrucht is van vijf jaar
samenwerken en samen proberen dit te realiseren.
Is er -- dit is een directe vraag aan het
adres van de heer De Graaf -- een maximalere
inspanning denkbaar in de gegeven betreurenswaardige
situatie dan het opnieuw indienen van het
wetsvoorstel en het opnieuw mobiliseren van
de krachten die er in Nederland zijn en afgaande
op de opiniepeilingen in de toekomst misschien
ook tot een sterkere vertegenwoordiging in
Tweede en Eerste Kamer zullen kunnen leiden,
teneinde langs deze weg te proberen het referendum
erdoor te krijgen? Waarom is dan in het kabinet
die mogelijkheid voor de geestverwanten van
de heer De Graaf niet draagbaar gebleken?
De heer De Graaf (D66): Ik heb zojuist duidelijk
gemaakt dat, als een voor D66 zo belangrijk
punt niet volledig unaniem door de coalitiegenoten
wordt gedragen, D66 niet verder kan in een
kabinet waarvan de programmatische en politieke
grondslag mede wordt gevormd door dat belangrijke
wetsvoorstel. Ik ben dan ook van mening dat
een reparatie van dit kabinet in deze samenstelling
niet mogelijk is. Het betekent ook dat doorgaan
met dit kabinet -- nog daargelaten de staatsrechtelijke
bezwaren die de heer De Hoop Scheffer heeft
genoemd -- onder directe inzending van een
letterlijk hetzelfde wetsvoorstel over het
referendum door mij niet wordt gezien als
een mogelijkheid waardoor D66 aan deze coalitie
kan blijven deelnemen. Aanvaarding van dat
wetsvoorstel is immers opnieuw afhankelijk
van een Eerste Kamer waar de tweederde meerderheid
dan volledig zal ontbreken, zoals de heer
Melkert evengoed weet als ik. De komende
Eerste Kamer gaat door tot 2003 en na de
tweede lezing is de samenstelling van die
Eerste Kamer volstrekt onzeker. Ik heb, eerlijk
gezegd, geen behoefte aan een fopspeen. D66
is daar de leeftijd voor ontstegen.
De heer Melkert (PvdA): Maar nu echt even
heel serieus, Mevrouw de voorzitter .
De heer De Graaf (D66): Dat ben ik.
De heer Melkert (PvdA): Ik vind het niet
juist dat u nu over een fopspeen spreekt.
Wij hebben te maken met een situatie waarin
je niet voor elkaar hebt gekregen wat je
zielsgraag wilt. Toch wil je doorgaan en
proberen binnen de kortst mogelijke termijn
te bereiken wat je graag ziet en wat je ook
in het belang van het land acht. Bovendien
ben je optimistisch over je eigen overtuigingskracht
en ga je ervan uit dat in de Tweede en straks
ook in de Eerste Kamer de vertegenwoordiging
van PvdA, D66 en het verlichte deel van de
VVD zodanig representatief zal zijn dat wij
die tweederde meerderheid hebben. Daar gaan
wij toch voor? Leidt uw opstelling er niet
toe dat u in feite het kroonjuweel in de
kast legt, de deur dichtdoet, de sleutel
omdraait en er voorlopig niet meer naar omkijkt?
Is dat niet het hoofd in de schoot leggen,
juist op dit belangrijke punt?
De heer De Graaf (D66): voorzitter ! D66 blijft
vechten voor de democratische verbetering,
dus ook wanneer het gaat om het referendum.
Dat dit gisteren is afgestemd, is buitengewoon
treurig, maar dat betekent niet dat mijn
partij zegt dat het hiermee voor altijd afgelopen
en uit is. Ik ben alleen niet bereid om mijn
geestverwanten te adviseren in een kabinet
te blijven waarvan de programmatische grondslag
ernstig is aangetast omdat gisteravond, toen
het moment er was waar het om ging, dus niet
over vijf of tien jaar, die ene stem bepalend
was en de volledige steun van alledrie de
coalitiepartijen en elke senator nodig was.
Het heeft de VVD eraan ontbroken om het mogelijk
te maken, omdat niet alle leden van de VVD
in de Eerste Kamer ervoor waren, dat het
referendum daadwerkelijk in de Grondwet kwam.
Het betekent dat wij blijven vechten voor
het referendum, maar dat wij niet meer in
dit kabinet kunnen zitten.
De heer Melkert (PvdA): Ik ben het voor 100%
eens met wat gisteren is gebeurd.
De heer De Graaf (D66): Ik ben het er niet
mee eens.
De heer Melkert (PvdA): Ik deel uw analyse.
Ik zou geen dag verloren willen laten gaan
om het opnieuw te proberen. Dat doet u door
uw opstelling nu wel.
De heer De Graaf (D66): Ik nodig de heer
Melkert uit om met mij een initiatiefvoorstel
terzake in te dienen, als hij dat geen dag
wil laten wachten.
De heer Melkert (PvdA): Ik ben daartoe bereid.
Wij zullen morgen de voorbereidingen hiertoe
treffen. Ik zal dat graag tezamen met de
heer De Graaf doen.
De heer De Graaf (D66): Uitstekend. Dat is
bij dezen afgesproken. Dat geeft een nieuwe
vorm aan een samenwerking die in het kabinet
thans niet kan worden voortgezet.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Ik ben verbijsterd,
ook uit democratisch oogpunt, over de opvatting
die de heer Melkert hier tentoonspreidt.
Ik ben blij met de zin die collega De Graaf
uitsprak: afgezien van de staatsrechtelijke
bezwaren. Wat is in zo'n procedure het gewicht
en de waarde van een stemming van de Eerste
Kamer? Wij gaan gewoon door en wij dienen
het opnieuw in? Dat kunt u als vertegenwoordiger
van D66 toch niet menen.
De heer De Graaf (D66): Heeft u mij horen
zeggen dat ik vind dat dit kabinet door moet
gaan in deze samenstelling en morgen het
voorstel weer moet indienen? Nee. Ik ben
met de heer De Hoop Scheffer van mening dat
het kabinet en deze Kamer zich moeten beraden
over de situatie rond het onderwerp referendum.
Er is staatsrechtelijk geen enkel bezwaar
als vanuit deze Kamer, zoals zo-even is aangekondigd
door de heer Melkert en mij, een initiatiefvoorstel
terzake wordt ingediend. Het kabinet dat
doorgaat zal niet zomaar morgen, ook om diezelfde
staatsrechtelijke reden van de heer De Hoop
Scheffer, het opnieuw kunnen proberen.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Daarmee constateer
ik dat u mijn staatsrechtelijke bezwaren,
die ik in eerste termijn heb verwoord, deelt.
De heer De Graaf (D66): Ja, zij het dat het
niet zo kan zijn dat er tot in lengte van
jaren nooit een referendumvoorstel in beide
Kamers aanhangig kan worden gemaakt door
een kabinet.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Dat is uw
goed recht, maar dat is geheel wat anders
dan wat in de brief staat en wat collega
Melkert zo-even tot mijn verbijstering ondersteunde.
De heer De Graaf (D66): Ik rond af. Het kabinet
heeft naar het oordeel van mijn fractie terecht
consequenties verbonden aan de ontstane politieke
situatie. Het is ook juist dat het kabinet
als collectief ontslag heeft gevraagd aan
Hare Majesteit en geen scheiding heeft willen
aanbrengen tussen de verschillende bestanddelen.
De motieven zijn wellicht verschillend, maar
het besluit is uiteindelijk eensgezind. De
fractie van D66 zal indien dat ons wordt
gevraagd, adviseren dat het nu demissionaire
kabinet alles zal doen wat in het landsbelang
nodig is, in het bijzonder met het oog op
de internationale situatie, en voorts verkiezingen
voor de Tweede Kamer uitschrijft om een nieuw
kabinet mogelijk te maken op een nieuwe programmatische
grondslag. Ik acht nieuwe verkiezingen ook
een democratisch vereiste, als de politieke
en programmatische grondslag aan een kabinet
is ontvallen.
voorzitter ! Ik zei: een partij moet staan
voor haar idealen en afspraken. Een man een
man, een woord een woord, het is vaker in
deze Kamer gezegd. Ik zeg het na. Het is
ontzettend jammer dat het zo is gelopen.
De heer Rosenmöller (GroenLinks): voorzitter !
Ik dank de minister-president voor de brief
en de verklaring namens het kabinet. Gemengde
gevoelens maken zich van de fractie van GroenLinks
meester. Dat klinkt op zichzelf merkwaardig
op een moment dat een oppositiepartij een
breuk in de coalitie op een presenteerblaadje
krijgt aangeboden. De fractie van GroenLinks
is teleurgesteld over het sneuvelen van het
wetsvoorstel omtrent het referendum gisteravond
in de Eerste Kamer. Er waren hoge drempels,
te hoge drempels vonden wij. Materieel stelde
het niet heel veel voor. Maar toch was het
een betekenisvolle stap vooruit in het democratiseringsproces.
Zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer
hebben de fracties van GroenLinks tot tweemaal
toe het wetsvoorstel gesteund. De regering
verdient wat ons betreft een compliment voor
de wijze waarop zij ook gisteren, tot de
vierde keer toe, heeft getracht een voldoende
meerderheid te krijgen voor dit op zich toch
belangrijke wetsvoorstel. Uiteindelijk werd
"de nacht van Wiegel " toch de aanleiding
tot de val van het tweede Paarse kabinet.
Dat Frits Bolkestein als "oppositieleider"
van het eerste Paarse kabinet in snelheid
en effectiviteit werd verslagen door Hans
Wiegel als "oppositieleider" van het tweede
Paarse kabinet, is toch voor velen een geweldige
verrassing geweest!
Mevrouw de voorzitter ! Het kabinet heeft
zijn ontslag ingediend bij Hare Majesteit.
Gegeven de politieke lading die de afgelopen
dagen ontstond rondom het debat, is dat de
enig denkbare en juiste weg. Daarmee wordt
ook duidelijk -- de regering stelt dat terecht
in de brief -- dat het referendum een belangrijke
zaak is van drie partijen en niet -- zoals
soms wel een bagatelliserend is gezegd --
een speeltje van D66.
Mevrouw de voorzitter ! De fractie van GroenLinks
-- en dat is de andere kant van de zaak --
heeft een klein jaar geleden geen parlementaire
steun gegeven aan het tweede Paarse kabinet.
Er zijn voor ons dus bepaald erger dingen
te bedenken dan de val van dat kabinet. Het
tweede Paarse kabinet kwam moeilijk uit de
startblokken en is eigenlijk nooit echt goed
op gang gekomen. Er was sprake van tien maanden
incidentenpolitiek. Daar is nu een eind aan
gekomen. De timing is echter wel buitengewoon
ongelukkig. Ook dat valt weer te plaatsen
onder het hoofdje: mixed feelings. De timing
is ongelukkig, want een land dat betrokken
is bij een oorlog, zit nu met een demissionair
kabinet. Dat vraagt, gegeven deze situatie
die wij als een feitelijkheid accepteren
en onder ogen zien, afspraken tussen de hele
Kamer en het demissionaire kabinet, opdat
Nederland op zo krachtig mogelijke wijze
in internationaal verband een bijdrage kan
leveren aan een zo snel mogelijk te bereiken
politieke en diplomatieke oplossing voor
het drama in Europa, in Kosovo. Uiteraard
zijn wij bereid die bijdrage te leveren.
Mevrouw de voorzitter ! De brief die wij
van de minister-president kregen, maakt melding
van meningsverschillen in de vanochtend gehouden
ministerraad. Op zich is dat opvallend en
uiterst ongebruikelijk. De minister-president
heeft in zijn verklaring gezegd dat hij door
de ministerraad was gemandateerd en dat de
brief op deze wijze door hem en de beide
vice-premiers is opgesteld. Een enkele vraag
daarover. Was hij zelf degene die geprobeerd
heeft -- mogelijkerwijs vanuit de woorden
die hij gisteravond in de Eerste Kamer sprak
en de ruimte die daar nog in zat -- om de
missionaire status van het tweede Paarse
kabinet overeind te houden door middel van
het voorstel van PvdA- en VVD-ministers om
het wetsvoorstel betreffende het referendum
zo snel mogelijk opnieuw in te dienen? Mag
daar -- moet daar -- een relatie worden gelegd
of gezocht? Konden de VVD-ministers hun vrinden
van D66 in het debat in de ministerraad meer
zicht op succes bieden? Ofwel, ging het om
iets substantieels -- uiteraard in acht nemend
dat niemand weet hoe een tweede lezing verloopt,
omdat er altijd verkiezingen zijn bij een
grondwetswijziging -- of was het een lege
dop, om een variant te gebruiken van de kwalificatie
die collega Thom De Graaf eraan gaf.
Diens reactie van zo-even verbaasde mij
eerlijk gezegd enigszins. Als je echt wilt
blijven vechten voor het referendum, zou
dat natuurlijk ook in zo'n kabinet kunnen.
Met alle discussie die mogelijk is over de
staatsrechtelijke vraag of dit wel correct
is tegenover de Staten-Generaal, blijf ik
nu toch een beetje zitten met een gevoel
van: kroonjuweel weg, lievelingskabinet weg.
Dat is toch niet heel veel, dacht ik zo.
De heer De Graaf (D66): Ik vraag mij natuurlijk
in de eerste plaats af hoe de heer Rosenmöller
zelf de situatie kwalificeert waarin er is
afgesproken dat het referendum in deze kabinetsperiode
wordt gerealiseerd en dat de procedure door
dit kabinet wordt afgerond, terwijl dit door
toedoen van een lid van een van de coalitiepartijen
niet wordt verwezenlijkt. Stel dat u in een
kabinet zou zitten en dat een voor u zeer
relevant punt, een punt waar u veel aan gelegen
is en dat cruciaal is voor uw stellingname
en uw positie in het kabinet, door zulk stemgedrag
niet zou worden gehonoreerd. En stel dat
uw collega's dan zouden zeggen: weet je wat,
we dienen het morgen gewoon opnieuw in en
dan zien wij wel hoe het gaat; het zal best
goed gaan. Zou u dat dan prima vinden en
overgaan tot de orde van de dag? Ik niet.
De heer Rosenmöller (GroenLinks): Nogmaals,
ik deel uw teleurstelling over de wijze waarop
de Eerste Kamer gisteren heeft gestemd. Het
wetsvoorstel had beter verdiend. Toch kreeg
ik net, vooral bij het interruptiedebat tussen
u en de heer Melkert , een beetje de indruk
dat u na uw optreden in Netwerk vrijdagavond
een bepaalde weg voor uzelf had afgesloten.
Ik heb er begrip voor dat u zich krachtig
en stellig hebt uitgesproken over dit onderwerp,
dat voor velen van groot belang is en dat
voor uw positie in de coalitie van cruciale
betekenis is. Ik heb mij namelijk ook afgevraagd
wat mijn reactie zou zijn geweest als D66
dit had geslikt. Ik zal u die niet geven,
maar u kunt die misschien raden. Vandaar
dat ik vind dat je de pendant daarvan voor
je rekening moet nemen.
De heer De Graaf (D66): Zo wordt het wel
een beetje tweeslachtig wat u zegt; het is
zelfs op de rand van hypocrisie als u mij
verwijt dat ik mijn geestverwanten in het
kabinet niet adviseer om morgen gewoon over
te gaan tot de orde van de dag en maar te
bekijken of een nieuw voorstel het over een
aantal jaren wel zal houden. Ik blijf vechten
voor het referendum. Ik weet dat u het met
mij eens bent en dat u met mij mee wilt vechten,
net als de heer Melkert . Dat is tenminste
iets. Dan doen wij dat maar niet in dit kabinet,
dan proberen wij het referendum op den duur
op een andere manier te verwezenlijken. Maar
het ging om het politieke punt dat het gisterennacht
mogelijk was en dat het niet gebeurde; niet
door toedoen van een onafhankelijke senator,
maar door het stemgedrag van een lid van
een van de coalitiefracties. Daar kan D66
niet overheen stappen, omdat het gaat om
de grondslag van de coalitie en om het aanvaarden
en accepteren van het belang dat elk van
de drie partijen in een coalitie inbrengt.
Daar moet u toch ook begrip voor hebben.
Het verbaast mij een beetje dat u enerzijds
zegt dat u er alle begrip voor hebt, maar
anderzijds vraagt waarom wij morgen niet
gewoon doorgaan om later een nieuw voorstel
in te dienen.
De heer Rosenmöller (GroenLinks): U doet
geen recht aan mijn bijdrage. Overigens,
als u initiatieven neemt -- u heeft die aangekondigd
-- als u bezig bent met het smeden van een
coalitie, dan houden wij ons daarvoor beschikbaar,
ook vanwege de positie die wij de afgelopen
jaren op dit terrein hebben ingenomen. Als
u daarin een beperkte verbreding van het
draagvlak ziet, dan zou ik zeggen: incasseer
die. Uit het interruptiedebat meende ik echter
op te moeten maken dat de oplossing waar
de PvdA- en VVD-ministers uiteindelijk in
het kabinet mee gekomen zijn, eigenlijk niet
meer mogelijk was; die oplossing was geblokkeerd.
Nogmaals, ik begrijp uw teleurstelling en
uw opstelling in de coalitie heel goed. Vanuit
een dergelijke nieuwe situatie moet je natuurlijk
dat referendum zo snel en effectief mogelijk
geregeld zien te krijgen. Maar goed, dat
is mijn perceptie. Nogmaals, het is dus niet
alleen maar kritiek op uw opstelling, integendeel.
Rest de vraag: hoe nu verder? Voor het antwoord
daarop ga ik terug naar het mandaat dat dit
kabinet op 6 mei 1998 kreeg, maar misschien
ook wel naar een paar dagen of weken daarvoor.
Wat was namelijk de inzet van de drie partijen
die het eerste Paarse kabinet vormden? Dat
was continu‹teit, zowel in beleid als in
samenstelling. Die vraag werd aan de kiezer
voorgelegd en de kiezer heeft die inzet gehonoreerd.
Maar voor een van de partijen was het kantje
boord. Dat was een van de belangrijkste onzekerheden
bij de fracties van VVD en PvdA. Het ging
zelfs zo ver dat iedereen het eens was met
de stelling: zonder D66 is het geen Paars.
Dat was volgens mij een campagnethema van
mijn collega De Graaf en andere mensen van
D66, maar iedereen onderschreef dat dit de
stelling was. Het ging zelfs zo ver dat de
avond v¢¢r de verkiezingen, tijdens het lijsttrekkersdebat,
de lijsttrekker van de Partij van de Arbeid
-- nu in een andere rol hier onder ons --
nog de vriendelijke geste maakte naar de
lijsttrekker van D66, opdat daarmee misschien
zelfs de bijdrage in de richting van het
schemergebied kon worden bereikt. Dat maakt
dat ik hier de stelling overeind houd dat
die verkiezingen gingen over de vraag of
Paars ook als zodanig door kon gaan. Als
Paars nu valt, om welke reden dan ook, dan
rest er dus slechts één weg: dat is weer
de weg naar de kiezer. Ik kan mij niet voorstellen,
zeg ik ook tegen collega Dijkstal , dat je
terugkijkend op die campagne en op de wijze
waarop de verkiezingen een uitspraak van
de kiezer hebben opgeleverd en hier een samenstelling
van de Kamer hebben bereikt, zegt dat wij
gaan proberen om een kabinet van Partij van
de Arbeid en VVD te maken. Dat zou ik echt
in strijd vinden met de inzet van toen, met
de inzet van drie partijen. Daarom rest wat
ons betreft nog slechts één weg. En dat is
de weg naar de kiezer.
De heer Marijnissen (SP): Mevrouw de voorzitter !
Het kabinet is gevallen en de SP stemde voor
in de Eerste Kamer! In eerste lezing in de
Tweede Kamer, in eerste lezing in de Eerste
Kamer, in tweede lezing in de Tweede Kamer,
in tweede lezing in de Eerste Kamer; mijn
fractie heeft al die keren v¢¢r gestemd.
En toch valt het kabinet. Dat is dan op een
rare manier weer een teleurstelling voor
een oppositiepartij! Kort en goed, aan ons
heeft het niet gelegen!
Waren er dan geen redenen voor de SP-fractie
om toch tegen het correctief referendum te
stemmen? Die hadden er kunnen zijn. Maar,
zoals iedereen weet, wij hebben hier steeds
inhoudelijk geargumenteerd dat wij het een
stap vooruit vonden. Er was wel het een en
ander op af te dingen, gezien de drempels.
Maar evenzogoed, wij zijn niet zo'n opportunistische
partij dat wij dit wetsvoorstel, dit beetje
goede wetsvoorstel hadden willen laten sneuvelen
alleen om redenen van politiek spektakel.
En zoals zo vaak in het verleden, zoals
de geschiedenis ons heeft geleerd, is er
nog nooit een oppositiepartij of een oppositie
in de Kamer in geslaagd om een kabinet naar
huis te sturen. Dat doet een kabinet altijd
zelf, omdat het onderling verdeeld is, hetzij
in het kabinet, hetzij in de coalitie.
Mevrouw de voorzitter ! Ik heb zojuist bij
interruptie al gezegd dat ik mij gisteravond
over een aantal dingen verbaasd heb. Ik heb
mij natuurlijk verbaasd over de commotie,
over de uitkomst, over de VVD-opstelling
en over die ene tegenstemmer, waarvan ik
hoorde dat de heer Van Mierlo vandaag heeft
gezegd dat het net een kind is met een vuurwapen.
Ik moet wel zeggen dat het dan een kind is
dat erg goed kan schieten, want het referendum
is dood en Paars is bijna begraven.
Ik heb mij echter ook verbaasd over de rol
van de minister-president. Ik heb zojuist
bij interruptie al aan de heer De Graaf gevraagd
hoe hij dat heeft ervaren. Ik vond het ten
eerste opmerkelijk dat de minister-president
er gisteravond was. Als wij een Kamer van
bezinning hebben, wat de Eerste Kamer is,
dan moeten de leden daarvan in volledige
vrijheid en onafhankelijkheid en zonder dubbele
agenda's -- daarmee bedoel ik het al of niet
voortbestaan van het kabinet -- kunnen beslissen
over een wetsvoorstel, nota bene in het kader
van de Grondwet. Maar als de minister-president
dan toch besluit om naar de Eerste Kamer
toe te gaan om extra gewicht te geven aan
het betoog van de Minister van Binnenlandse
Zaken, dan komt bij mij onmiddellijk de vraag
op waarom daar niet onmiddellijk door de
minister-president is gezegd: luister eens,
als dit wetsvoorstel niet wordt aangenomen,
is dat het einde van Paars. Ik had toen al
sterk de indruk dat er bij de minister-president
iets leefde van een mogelijkheid van de voortzetting
van deze coalitie, maar dan zonder D66. Daarover
heeft de heer Dijkstal zich eigenlijk al
vrij expliciet uitgesproken. De heer Melkert
is daar iets implicieter over geweest. Ik
zal er dadelijk nog iets over zeggen, want
eerst zal ik iets zeggen over de vraag hoe
het is gegaan met de Eerste Kamer.
Ik heb mij de afgelopen weken echt verbaasd
over de argumenten die over en weer zijn
gebruikt over de vraag of de Eerste Kamer
wel of niet zinvol is. De vraag is heel simpel.
Als er bestaansrecht is voor de Eerste Kamer,
dan vind ik dat de Tweede Kamer zich wat
terughoudender moet opstellen. Het kabinet
discussieert natuurlijk met de Eerste Kamer,
net zoals met de Tweede Kamer, maar dreigementen
en dat soort zaken doen geen recht aan de
positie die de Eerste Kamer wordt toegedicht
door de voorstanders ervan. Als men echter
vindt dat de Eerste Kamer alleen maar moet
nazeggen wat de Tweede Kamer heeft gezegd,
dan sta ik op het standpunt dat de Eerste
Kamer beter kan worden opgeheven.
Ik wil ook nog iets zeggen over de regeerakkoord.
Wat zich hier de laatste dagen heeft afgespeeld,
heeft natuurlijk ook een relatie met het
fenomeen regeerakkoord. Kijkend naar de dikte
van een regeerakkoord en wat daar allemaal
in geregeld mag zijn, kroonjuweel of geen
kroonjuweel, zijn mijn ervaringen met regeerakkoorden
de laatste jaren in deze Kamer allesbehalve
positief. Eerst een objectief punt. Het maakt
coalities kwetsbaar, want degene die belangrijke
dingen opgenomen heeft gezien in een regeerakkoord,
komt nogal eens met een machtswoord. Dat
hebben wij de heer De Graaf ook horen uitspreken.
Het eist ook fractiediscipline. Dat lukt
niet altijd -- dat hebben wij gisteravond
gezien -- maar evenzogoed is die wel altijd
aanwezig. Het is voorts de dood in de pot
als het gaat om een effectieve controle van
het kabinetsbeleid door de Kamer. Het maakt
een vrije, open gedachtewisseling hier vaak
onmogelijk.
Ik denk dat wij hier vandaag
het eind van een episode markeren, het einde
van de Paarse periode. Het referendum mag
dan weliswaar een ondergeschikt punt zijn
in vergelijking met alle andere belangrijke
zaken die wij hier bespreken, evenzogoed
lijkt het erop dat het met Paars over en
uit is. Dat is in de ogen van mijn fractie
winst. De SP-fractie is daar niet rouwig
om, vanwege het feit dat wij hopen en ook
vermoeden dat er na nieuwe verkiezingen meer
ruimte zal zijn voor de strijd tegen de groeiende
tweedeling en in het verlengde daarvan de
mogelijkheden om echt iets te doen aan de
armoede. Wij hopen en vermoeden dat er dan
genoeg geld komt voor de zorg en het onderwijs
en dat wij afkomen van megalomane projecten
als de Betuwelijn en de HSL. Laten wij het
rekeningrijden en de privatiseringen daarbij
ook niet vergeten.
Het is mijn indruk dat men binnen Paars
ook wel een beetje op elkaar was uitgekeken.
Ik heb de heer De Hoop Scheffer ook al iets
horen zeggen in die richting. Uit de reactie
zojuist van de heer De Graaf op mijn interruptie
kreeg ik de indruk, al zal hij dat waarschijnlijk
bij hoog en bij laag bestrijden, dat zelfs
D66 een beetje op Paars was uitgekeken. Paars
II heeft in onze ogen tot nu toe -- verder
kunnen wij niet kijken, want er is geen vervolg
-- niet veel meer gebracht dan het op de
winkel passen. Paars I entameerde nog een
nieuwe politiek, het neoliberale beleid,
de bezuinigingen op de sociale zekerheid
en de collectieve sector, meer markt en minder
overheid. Daar waren wij het overigens niet
mee eens. Bij Paars II hebben wij het afgelopen
jaar echter heel weinig aan daden en zeker
aan motto's en idealen kunnen ontdekken.
Nu Paars II tot een eind is gekomen, roept
dat de vraag op wat nu te doen. D66 is definitief
weg. Dat heeft de heer De Graaf zojuist nog
eens aangegeven. Wat te denken van de mogelijkheid
van een voortzetting van het kabinet, maar
dan zonder D66? Gezien datgene wat in de
verkiezingscampagne is gezegd -- ik kan dat
adstrueren met een trits citaten; ook de
heer Rosenmöller verwees daar zojuist nog
naar -- maar ook gelet op wat daarna tijdens
de formatie is gezegd door de deelnemende
fractievoorzitter s van toen, vind ik het
politiek onmogelijk om zomaar, ook al is
het via de Koningin, over te gaan tot de
voortzetting van deze coalitie, zonder D66.
Er werd ook op gespeculeerd dat het CDA wellicht
tussentijds ge‹nteresseerd raakt in een tussenperiode.
De heer De Hoop Scheffer deed dat overigens
niet. Hij wuifde dat van zijn kant onmiddellijk
weg, en terecht, want dat is helemaal uitgesloten. voorzitter !
Zoals ik ook al bij de regeling van werkzaamheden
zei, plakken en lijmen kan hier niet aan
de orde zijn, anders dan het plakken en lijmen
voor de verkiezingsaffiches.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): voorzitter !
Laat ik mij voor alle helderheid en bij uitzondering
een keer volledig bij collega Marijnissen
aansluiten als het gaat om zijn analyse van
de positie van het CDA.
De heer Marijnissen (SP): Kijk aan.
De heer Van Dijke (RPF): Mevrouw de voorzitter !
Ik bedank de minister-president voor de brief
dat wij mochten ontvangen en voor de uiteenzetting
die hij zojuist heeft gegeven. Ik stel vast
dat de situatie waarin ons land zich bevindt
een ernstige is. Niet voor niets is het woord
crisis vandaag waarschijnlijk het meest gebruikte
woord. Het tweede kabinet-Kok is gevallen,
nauwelijks tien maanden oud. Los van de waardering
die je kunt hebben voor een kabinet, is het
feit zelf ernstig. Hoe kon het nu zover komen?
De formulering die de premier vannacht aan
de overkant van het Binnenhof gebruikte,
niet aanvaarding van het wetsvoorstel zou
de ruimte voor het kabinet om verder te gaan
zeer beperken, doet vermoeden dat het correctief
wetgevingsreferendum een dragende pijler
onder dit kabinet was. De gang van zaken
vandaag onderstreept dat nog eens. Alsof
er geen belangrijker zaken zijn in ons land
om aan te pakken!
Overigens heeft de heer Wiegel vannacht
moed getoond door het belang van de zaak
zelf de doorslag te laten geven. Daar moet
het de wetgever toch om gaan, zeker bij grondwetswijziging.
De snelle val van het kabinet onderstreept
wat wij bij het aantreden van het kabinet
hebben opgemerkt. Vanaf het begin bleek dat
dit kabinet geen duidelijke politieke agenda
had. Vanaf het begin was het een onmogelijke
en onlogische coalitie. In het debat over
de regeringsverklaring heb ik gezegd dat
de coalitie veel details geregeld had, maar
dat er niet meer dan een schijn van eensgezindheid
was. De diepere gedachte achter dit kabinet
bleef ons in elk geval onduidelijk.
In de afgelopen maanden is de schone schijn
van Paars verbleekt. Fundamentele meningsverschillen
leidden tot stagnatie op tal van terreinen.
Paars is uitgeregeerd. Dit voorjaar viel
op hoe leeg de Kameragenda was. Het ontbrak
aan overeenstemming over nieuwe initiatieven.
Op tal van belangrijke terreinen kon de coalitie
niet tot nieuwe beleidsvoorstellen komen.
Of het nu gaat om volksgezondheid, mobiliteit,
het asielbeleid of het milieubeleid, het
kabinet stond stil. Waar een gezamenlijke
visie en een gezamenlijke missie ontbreken,
kan een kleine oneffenheid een kabinet gemakkelijk
opbreken. Met de val van dit kabinet is ook
zijn grondslag komen te vervallen. Het regeerakkoord
zal niet worden uitgevoerd. Ik merk op dat
wij daar in zijn algemeenheid niet rouwig
om zijn. Dat geldt zeker voor een aantal
punten uit het regeerakkoord waar mijn fractie
grote moeite mee had, met name principiële
moeite.
Volgens de brief zagen de ministers van
VVD- en PvdA-huize aanleiding om het wetsvoorstel
correctief referendum ongewijzigd opnieuw
aan de Tweede Kamer aan te bieden. Wij vinden
dat hieruit weinig respect voor de Eerste
Kamer spreekt. Welk probleem had deze handelwijze
opgelost, in het licht van de politieke situatie
die is ontstaan? Ik houd het er maar op dat
het een ultieme poging was om D66 binnenboord
en het kabinet overeind te houden. Laten
wij ons maar gelukkig prijzen dat dit niet
de basis is geworden voor de voortzetting
van Paars II.
Dit alles gezegd hebbend, is het voor mijn
fractie evident dat het uitschrijven van
nieuwe verkiezingen nu de enig juiste weg
is. Een lijmpoging lijkt ons onrealistisch,
zeker nu hetgeen gisteren is gebeurd door
collega De Graaf onherstelbaar wordt genoemd.
Een reconstructie zou niet correct zijn,
gelet op de ontstaansgeschiedenis van dit
kabinet.
voorzitter ! Intussen is Nederland feitelijk
in oorlog. Het is bizar dat een kabinet in
deze situatie dan toch over een ondergeschikt
punt onderweg struikelt. Derhalve moet een
demissionair kabinet in deze situatie leiding
geven aan het land. Ik vertrouw erop dat
dit kabinet in samenwerking met de volle
breedte van de Kamer zijn verantwoordelijkheid
op dit punt zal nemen.
De heer Van der Vlies (SGP): Mevrouw de voorzitter !
Dominee Kersten, de heer Schmelzer, de heer
Wiegel ; zomaar drie parlementariërs uit deze
eeuw. Zij hebben dit gemeen dat er in de
parlementaire geschiedenis nachten naar hen
zijn vernoemd. De SGP-fractie heeft, wat
je er verder ook over zeggen kunt, waardering
voor het dualistische optreden van senator
Wiegel , omdat hij in een principieel staatsrechtelijke
kwestie de rug recht heeft gehouden, ondanks
zware politieke en mentale druk. Hij is weliswaar
lid van een coalitiefractie, maar je mag
toch hopen dat er geen gewetensdwang was
rond afspraken in een regeerakkoord. Stemmen
zonder last of ruggespraak, naar eigen geweten
en inzicht, zo hoort het.
Iedereen zal begrijpen dat mijn fractie
er niet rouwig om is dat de grondwetswijziging
inzake het correctief wetgevingsreferendum
in tweede lezing in de Eerste Kamer sneuvelde.
Zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste
Kamer hebben de SGP-leden tegen gestemd.
Dat te zeggen is natuurlijk heel wat anders
dan een juichstemming over de ontstane situatie.
Met klimmende verbazing namen wij er kennis
van -- zie de brief die nu geagendeerd is
-- dat een meerderheid van ministers in de
ministerraad een dagdeel lang serieus heeft
overwogen om, nota bene op de dag dat het
wetsvoorstel door het parlement werd verworpen,
hetzelfde wetsvoorstel opnieuw en ongewijzigd
voor de eerste lezing bij de Tweede Kamer
in te dienen. Dat grenst toch haast aan minachting
voor het parlement. Je zou die woorden liever
niet uitspreken, maar moeten ze niet gezegd
worden? Wat dat betreft kunnen wij de ministers
van D66-huize, zoals de brief dat keurig
zegt, wel begrijpen. Onze analyse van de
toedracht is dat de schuld voor de ontstane
situatie, dat is geen onbekende vraag bij
een kabinetscrisis, geheel bij D66 ligt.
De politieke leiding van D66 heeft vroegtijdig
helder gesteld politieke consequenties te
zullen verbinden aan het stemgedrag van VVD-senatoren
die zouden tegenstemmen, ook als dat er slechts
één zou zijn. Gisteren is dat heel regelmatig
in het nieuws geweest. Het is dan ook consistent
nu de daad bij dat woord te voegen. D66 breekt
dus.
Je kunt kijken naar die ene senator
in de Eerste Kamer, maar wat heeft hij eigenlijk
gedaan? Wat is daar gebeurd? In de Eerste
Kamer werd, zoals hier vaak gebeurt, gestemd
over een belangrijk wetsvoorstel. Dan zijn
er doorgaans voor- en tegenstemmers. Niets
bijzonders. Het gevolg van het afhaken van
de ministers van D66-huize is dat ook de
andere ministers besloten om hun ontslag
aan te bieden. Dat is intussen gebeurd, zo
heeft de minister-president ons meegedeeld.
Het kabinet is dus demissionair. Er zijn
bij welhaast elke zin van de brief van de
minister-president van heden aan de Koningin
vragen gesteld, waarbij ik mij graag aansluit.
Een aanvullende vraag onzerzijds zou nog
zijn of de drie ministers van D66-huize niet
meteen kunnen zijn opgestapt dan wel uitgetreden.
Nu begrijpen wij de brief zo dat zij gewoon
deel uit blijven maken van het demissionaire
kabinet. Ik krijg op dat punt graag een reactie.
Is dat nog overwogen of niet? Die vraag heb
ik niet horen stellen en die voeg ik nog
toe aan de over de brief gestelde vragen.
Ik heb gehoord "samen uit, samen thuis".
Ik begrijp dus dat ze blijven, maar het had
ook een optie kunnen zijn natuurlijk. Het
is al eerder gebeurd. Daar zijn voorbeelden
van in de geschiedenis.
voorzitter ! Dan de vraag: hoe nu verder?
Hare Majesteit zal consulteren en beslissen
en wij bidden haar daarbij wijsheid toe.
Voor het overige past ons dus terughoudendheid.
Ik veroorloof mij daarom nog slechts een
enkele verkennende opmerking.
Een lijmpoging lijkt nauwelijks kansrijk
als wij letten op de woorden zojuist door
collega De Graaf gesproken. Een reconstructie
van het kabinet, een herijkt regeerakkoord
"ja" of "nee", een aanvullende personele
invulling van de vacatures uit kringen van
de PvdA en de VVD, al of niet via een korte
informatieronde; het zou allemaal overwogen
kunnen worden, maar de vraag moet wel gesteld
worden of zoiets nu overtuigend genoeg zal
zijn voor de burger. Immers, de glans was
allang van Paars af.
Een andere optie is de de laatste tijd meest
gebruikelijke, te weten zo gauw mogelijk
nieuwe verkiezingen, een nieuwe formatie,
een nieuw kabinet. Deze optie is in elk geval
staatsrechtelijk zuiver, maar heeft onder
de gegeven omstandigheden -- collega's voor
mij herinnerden daar al aan -- nadelen. En
dan noem ik de situatie van Kosovo, waar
ik niet meer inhoudelijk op inga, en ook
de discussie die in dit huis loopt over het
enquêterapport terzake van de Bijlmerramp.
Op zichzelf is dat natuurlijk ook best een
probleem. Wij moeten de commissie uit ons
midden, de enquêtecommissie, in haar werk
en aanbevelingen en getrokken conclusies
recht doen, nog los van de vraag of wij die
alle zullen kunnen overnemen. Daar gaat het
debat over waar ik mij niet in meng. Maar
op zichzelf moet die commissie wel recht
worden gedaan. Over die bevindingen moet
ook een inhoudelijk volwaardig debat gevoerd
kunnen worden met de regering. En dat is
nu van een hypotheek voorzien sinds een paar
uur. Zou daarom dan ook niet te denken zijn
aan de snelle vorming van een rompkabinet
met een afgebakend mandaat, een missionaire
status; een kabinet dat ook de opdracht heeft
nieuwe verkiezingen op een goed gekozen moment
-- wij denken aan het najaar -- uit te schrijven.
De heer Schutte (GPV): Mevrouw de voorzitter !
Over de gebeurtenissen van gisteren en de
afgelopen nacht zal in de komende tijd en
misschien wel langer nog veel gesproken en
geschreven worden. Vandaag zijn pas enkele
aspecten aan de orde. Als je de commentaren
volgt, ook vanavond, dan overheersen toch
de kritische commentaren in de richting van
de gebeurtenissen van de afgelopen 24 uur.
Daar is reden voor. Ik zal daar straks ook
iets over zeggen. Maar er zijn ook goede
argumenten om op een aantal positieve aspecten
te wijzen van hetgeen gebeurd is.
Eén daarvan is dat door de uitslag van de
stemmingen in de Eerste Kamer in ieder geval
voorkomen is dat een grondwetsherziening
tot stand is gekomen, niet op grond van vrijwillige
overtuiging van een voldoende meerderheid,
maar afgedwongen door een regeerakkoord.
Wij hebben daar bij de behandeling in dit
huis uitvoerig over gesproken en onze bezwaren
tegen die gang van zaken kenbaar gemaakt.
Niet zozeer dus de inhoudelijke bezwaren
tegen het wetsvoorstel als wel "zo ga je
niet met de Grondwet om". De afgelopen nacht
heeft in ieder geval één winnaar opgeleverd
en dat is de Grondwet. Je zou ook nog kunnen
zeggen, als je in termen van winnaars mag
spreken in dit verband, dat ook de VVD-fractie
in de Tweede Kamer in zekere zin als winnaar
kan worden beschouwd, hoe vreemd dat misschien
ook mag klinken in de discussie van vandaag.
Met name de woordvoerder van de VVD-fractie
bij dit onderwerp heeft bij de diverse debatten
hier in de Kamer daarover duidelijk gemaakt
dat eigenlijk het enige argument waarom de
VVD-fractie hier voluit medewerking gaf aan
het wetsvoorstel, was de afspraak in het
regeerakkoord "een man een man, een woord
een woord". Dat was het en dat is uiteraard
ook heel waardevol. Maar het was ook duidelijk
dat inhoudelijk de instemming binnen de VVD-fractie
veel minder was, zo niet in belangrijke mate
ontbrak. Men mag de heer Wiegel daarom dankbaar
zijn dat hij ervoor zorgt dat toch gebeurt
wat de VVD-fractie in dit huis uiteindelijk
echt wilde.
Een tweede positief punt is dat het erop
lijkt dat via deze gang van zaken van gisteren
en wat er de komende dagen gaat gebeuren,
een weeffout in de formatie van vorig jaar
ongedaan kan worden gemaakt. Die weeffout
is dat niet alleen de twee grote winnaars
van de verkiezingen in het kabinet kwamen,
maar ook de grootste verliezer. Ook daarover
hebben wij gesproken bij het aantreden van
het kabinet. Dat het zo gebeurd is, was een
gegeven, maar het was naar mijn overtuiging
wel een weeffout bij de formatie. Deze weeffout
hield vanaf het begin een risicofactor in,
omdat -- en D66 had daar uiteraard het volste
recht toe -- een aantal zaken die niet onomstreden
waren, werden bestempeld als van eminent
belang, waardoor ze het voortbestaan van
het kabinet onder omstandigheden op het spel
zouden kunnen zetten. Die risicofactor is
zeer realistisch gebleken.
Er is zeker ook iets negatiefs te zeggen
over de gebeurtenissen van de afgelopen 24
uur. We zijn nog pas een jaar na de verkiezingen.
Er is in het afgelopen jaar veel op de rails
gezet, maar veel verder dan de rails zijn
de meeste zaken niet gekomen. Er is weinig
resultaat bereikt, terwijl de boodschap van
de kiezers duidelijk was: regering regeer!
Als ik terugkijk naar het afgelopen jaar,
waren incident en conflict vaak overheersend
en was er weinig geëffectueerd beleid. In
die zin is het afgelopen jaar helaas een
veelszins verloren jaar geweest. Als we er
nu rekening mee moeten houden, ook gehoord
de reacties van de fracties vanavond, dat
verkiezingen de meest waarschijnlijke optie
zijn, gevolgd door een nieuwe formatie en
het opnieuw inwerken van een nieuw kabinet,
dan moet gevreesd worden dat het niet bij
een verloren jaar zal blijven. Dat is duidelijk
negatief te beoordelen.
Tegen die achtergrond is het misschien begrijpelijk
dat in het debat in het kabinet vandaag een
poging is ondernomen om de zaak toch weer
snel op de rails te krijgen. Ik heb tegen
die poging als zodanig geen bezwaar, maar
ik heb weinig goede woorden over voor de
vorm die daarbij voor ogen stond om het hetzelfde
wetsvoorstel opnieuw, zij het in eerste lezing,
bij de Tweede Kamer in te dienen. Hierop
is al kritiek geuit door anderen. Ik sluit
mij daarbij aan. Wat in de Eerste Kamer is
gebeurd, is geen ongelukje geweest. Er is
terecht gezegd: het debat was goed; de argumenten
zijn uitstekend gewisseld. Op een gegeven
moment komt het dan tot een stemming. Je
moet het resultaat daarvan accepteren, hoezeer
je het ook kunt betreuren. Daarbij past niet
de gelijktijdige afspraak: we gaan nu naar
de Tweede Kamer terug om samen met de steun
van de Tweede Kamer de Eerste Kamer opnieuw
voor de keuze te stellen. Je neemt dan niet
serieus wat de Eerste Kamer heeft gedaan.
Er kan natuurlijk een moment komen dat er
zoveel nieuwe ontwikkelingen zijn geweest
-- de tijd is voortgeschreden en de opvattingen
kunnen veranderd zijn -- dat je de zaak opnieuw
aan de orde stelt. De heer De Graaf heeft
daar gelijk in. Maar dat kan natuurlijk niet
binnen 24 uur.
De bewindslieden van D66 hebben terecht
geconstateerd dat hun aftreden onvermijdelijk
is geworden. Terecht, omdat dit ook duidelijk
van tevoren zo door de verschillende instanties
binnen D66 gezegd zou zijn. Als dat gevolg
er niet aan gegeven was, zou de kritiek terecht
geweest zijn: ze zeggen wel wat, maar ze
doen het niet. Dat zou de geloofwaardigheid
niet ten goede gekomen zijn. Uit dat gegeven
is uiteindelijk terecht de conclusie getrokken
dat ook alle bewindslieden hun portefeuille
ter beschikking moesten stellen, gelet op
de programmatische grondslag van het kabinet
en de opdracht die aan de vorming van het
kabinet ten grondslag lag.
Ik denk niet dat we de weeffout die bij
de formatie gemaakt is zomaar kunnen gaan
herstellen door de vraag te stellen of we
niet alsnog een VVD/PvdA-coalitie kunnen
gaan vormen, zeker niet als daarbij het argument
zou zijn -- en dat speelt toch mee -- dat
we dan nog een krachtige coalitie kunnen
hebben, die voor de moeilijke opgaven die
we in verschillende opzichten tegemoet gaan,
een goed antwoord zou kunnen betekenen. Zo'n
coalitie zou kwetsbaar zijn, gezien alles
wat er is gebeurd, en in de Eerste Kamer
waarschijnlijk niet over een meerderheid
beschikken, maar dat is niet doorslaggevend.
voorzitter ! Paars was niet onze keuze. Eerlijk
gezegd had Paars I nog wel eens iets verfrissends.
Dat mag een compliment zijn uit mijn mond.
Bij Paars II was het moeilijker om dat te
ontdekken. Het Paarse vuur was al aan het
doven. Jammer voor de verloren tijd, maar
voor het land biedt het wellicht een nieuwe
kans.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Ik heb begrepen
dat de heer Schutte hedenmiddag in een radio-uitzending
de mogelijkheid heeft geopperd om zonder
verkiezingen een andere coalitievorm te proberen.
Is dat correct? Mag ik vragen wat hij daarmee
heeft bedoeld?
De heer Schutte (GPV): Ik bedoelde daarmee
dat wij nog maar een jaar zitten nadat de
kiezers zich hebben uitgesproken. Na die
verkiezingen is er een conclusie getrokken
over wat de meest logische vertaling daarvan
zou kunnen zijn. U weet ook dat de verkiezingsuitslag
meestal zo is dat er niet één mogelijkheid
van vertaling aanwezig is. Nu gebleken is
dat de keuze die toen gemaakt is, niet meer
gecontinueerd kan worden, is het geen noodzaak
van regel van staatsrecht om te zeggen dat
er maar één mogelijkheid is, namelijk opnieuw
naar de kiezers gaan. Als wij drie jaar achter
de rug hadden, zou je dat kunnen zeggen,
maar na een jaar is het geen verkeerde vraag
of wij op basis van de verkiezingsuitslag
van toen tot een formatie kunnen komen van
een andere coalitie dan die van nu.
Dan moet de bereidheid daartoe wel aanwezig
zijn. Ik heb onder andere in uw richting
gedacht, maar ik heb begrepen dat u die bereidheid
sowieso niet hebt. Dan heeft het ook geen
zin om ervoor te pleiten. Nu u ernaar vraagt,
zeg ik dat u binnen het mandaat van de kiezers
had kunnen blijven, als u had meegedacht
over de vraag of er bijvoorbeeld een coalitie
kan komen van de Partij van de Arbeid met
het CDA, aangevuld met een andere fractie
in de Kamer. Dat zou onderzocht kunnen worden.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): De heer Schutte
heeft mijn bereidheid -- of liever gezegd:
gebrek daaraan -- goed ingeschat. Ik zal
mijn argumenten daarvoor geven. Ik ben het
met de heer Rosenmöller eens dat de kiezer
vorig jaar wel heel helder een mandaat heeft
gegeven aan een tweede Paarse coalitie. De
heer Schutte raakt wat ver van huis met zijn
redenering dat het mogelijk is om tot een
totaal andere coalitie te komen zonder de
kiezer te raadplegen, vandaar dat wij niet
bereid zijn om daarover na te denken. Ik
ben het wel met hem eens dat je dat niet
ieder jaar zou moeten doen.
De heer Schutte (GPV): Mijn antwoord hierop
is dat de vertaling die Paars aan de verkiezingsuitslag
heeft gegeven, op z'n minst van vraagtekens
is te voorzien, omdat de grootste verliezer,
met tien zetels verlies, deel uitmaakt van
de coalitie. Als je het hebt over regels
van democratie en respect voor de kiezers,
kan ik mij ook iets anders voorstellen. Als
dat mogelijk is, moet het ook mogelijk zijn
dat een grotere partij die vijf zetels verliest,
op z'n minst overweegt of er voor haar een
taak ligt. De heer De Hoop Scheffer heeft
ervoor gekozen om dat niet te doen en dus
praat ik er niet meer over.
Minister Kok : Mevrouw de voorzitter ! Ik dank
de Kamer voor haar inbreng, haar reactie
op de brief en voor de verklaring die ik
mocht afleggen. Ik heb uiteraard ook deze
keer met grote belangstelling kennisgenomen
van de commentaren die door de fractievoorzitter s
naar voren zijn gebracht. Ik wil mij zoveel
mogelijk beperken tot de opmerkingen en beschouwingen
die rechtstreeks of in belangrijke mate waren
gericht aan het kabinet en aan de minister-president.
Ik begrijp heel goed dat een moment als
dit zich leent voor beschouwingen die teruggrijpen
op het oordeel van fracties over het onderwerp
waarover vannacht de ernstige problemen zijn
ontstaan, en op hun oordeel over de samenstelling
en het beleid van het kabinet. Naar de mening
van een aantal woordvoerders was er sprake
van gebrek aan beleid of gebrek aan beleid
dat overeenstemt met de voorkeur van hun
fractie. Ik heb daar uiteraard met belangstelling
kennis van genomen, maar de Kamer zal het
mij niet kwalijk nemen dat ik, ook vanwege
de zakelijkheid van dit debat, vooral op
die elementen zal reageren die ook voldoende
prikkelend waren in de richting van de minister-president
in de nu ontstane politieke situatie. Ik
zal mijn beantwoording als volgt inrichten.
Ik zal allereerst uiteraard nog het nodige
zeggen over de gang van zaken in de afgelopen
nacht en ingaan op enkele beschouwingen die
daaromheen zijn gemaakt. Ik zal verder nader
ingaan op de vragen en opmerkingen die betrekking
hebben op het kabinetsberaad en de brief
daarover. Ik zal vervolgens nog iets zeggen
over de vraag hoe het nu verder moet en reageren
op de vragen die daaromtrent in de richting
van het kabinet zijn geformuleerd.
voorzitter ! Ik ga nu eerst in op de gang
van zaken in de afgelopen nacht. Ik heb het
gewicht van het voorliggende voorstel in
de Eerste Kamer onderstreept en wil daarbij
niets, maar dan ook niets, afdoen aan de
inbreng van Minister Peper . Ik dank de geachte
afgevaardigden ook namens hem voor de waarderende
opmerkingen in zijn richting. De minister
heeft de verdediging namens het kabinet tot
aan het einde gedaan. De heer Marijnissen
heeft gevraagd hoe de minister-president
eigenlijk op het idee is gekomen om naar
de Eerste Kamer te gaan. Ik sta mij eigenlijk
het volgende af te vragen: stel dat ik dat
niet had gedaan; wat zou dan vandaag in deze
Kamer de vraag zijn geweest? Dan was er waarschijnlijk
gevraagd: waarom bent u toch op dat barre
moment in die nacht niet even daarheen gegaan?
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Waar was
je, Wim?
Minister Kok : Precies, dan was er gevraagd:
waar was je, Wim? Dan was er gesproken over
een onzichtbare minister-president en dergelijke.
Ik bedoel: het is niet goed of het deugt
niet. Ik voel mij eigenlijk een beetje in
het gezelschap van de heer Marijnissen . Hij
verzuchtte immers: stem je eens een keer
voor als oppositiepartij, en dan valt het
kabinet toch! Ik zie hem nu een beetje verontwaardigd
kijken. Hij stemt vaker voor, dat is inderdaad
waar.
De heer Marijnissen (SP): voorzitter ! Ik
had mijn introductie in eerste termijn alleen
maar zo gekozen om eindelijk eens af te kunnen
rekenen met dat beeld dat onder anderen ook
door de minister-president steeds geschetst
wordt, als zou de SP-fractie alleen maar
tegen stemmen. Wij steunen het kabinet heel
vaak, alleen op cruciale momenten denken
wij inderdaad wel eens anders.
Minister Kok : Maar goed, het blijft natuurlijk
sneu voor u en voor ons dat het deze keer
niet zo heeft mogen zijn.
voorzitter ! Ik dacht, na samenspraak met
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
dat er wel wat voor te zeggen was om, gelet
op het gewicht van het onderwerp, gelet op
de moeizaam verlopende totstandkoming van
voldoende zicht op voldoende steun voor het
onderwerp en gelet op het vereiste van de
tweederde meerderheid, in de Kamer enkele
opmerkingen namens het kabinet te maken.
Ik heb, terugkijkend op de afgelopen nacht,
niet de indruk gekregen dat mijn opmerkingen
daar voor tweeërlei uitleg vatbaar waren.
Die indruk heb ik vandaag ook niet gekregen
in de gedachtewisselingen in het kabinet
en in de Tweede Kamer. Ik heb wel rekening
willen houden met de grenzen die werden gesteld
door het feit dat de ministerraad enkele
uren na dat debat ook over deze aangelegen
kwestie zou komen te spreken.
Ik heb het gewicht van mijn woorden en de
opmerkingen over de wel bijzonder geringe
ruimte die nog voor het kabinet aanwezig
zou zijn om zijn werkzaamheden te doen bij
het eventueel optredende scenario dat ik
toen schetste, zo gekozen vanwege het gewicht
van het onderwerp en de plaats daarvan in
het regeerakkoord enerzijds en vanwege de
zekerheid die voor mij bestond -- die in
de achterliggende dagen ook steeds duidelijker
was geworden -- over de houding van de fractie
en de bewindslieden van D66 ten aanzien van
dit onderwerp anderzijds.
voorzitter ! Het heeft niet mogen helpen.
Sommige van de geachte afgevaardigden hebben
met enige opluchting kennisgenomen van de
uitkomst. Ik blijf het echter buitengewoon
betreuren dat de uitkomst zodanig is geweest
dat een cruciaal onderdeel van de regeerakkoordafspraken
niet bleek te kunnen worden gerealiseerd.
De heer Marijnissen (SP): Ik heb de minister-president
vrij expliciet gevraagd waarom hij niet het
machtswoord heeft gesproken. Met andere woorden,
waarom heeft hij niet gezegd dat als het
wetsvoorstel de Eerste Kamer niet passeert,
het kabinet zal verdwijnen? Ik zal het anders
zeggen. Was hetgeen zich vandaag heeft ontrold
een verrassing voor de heer Kok ?
Minister Kok : Ja, dat was een grote verrassing
voor mij. Ik had, tot enkele momenten voor
de stemming en de stemverklaring van de zijde
van de VVD-fractie, niet de indruk dat het
wetsvoorstel het niet zou halen. Ik had die
indruk, gebaseerd op intu‹tie en niet op
politieke contacten op het allerlaatste moment,
na de dringende oproep van de zijde van het
kabinet, die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar
was en die geen afbreuk deed of beoogde te
doen aan de eigen verantwoordelijkheid waar
vanuit de senatoren hun positie moeten kunnen
bepalen. Tegelijkertijd gaf die oproep aan
wat het zwaarwegende belang was van aanvaarding
met de volle steun van eenieder van de geestverwante
fracties in de Eerste Kamer. Ik had de indruk
dat na dat klemmende beroep er inderdaad
sprake zou kunnen zijn, ook na de keuze van
de heer Bierman om uiteindelijk toch voor
te stemmen, om het met 50 stemmen voor en
25 stemmen tegen te halen. Alles wat daarop
is gevolgd, was voor mij een complete verrassing.
De heer Marijnissen (SP): Mijn vraag spitst
zich vooral toe op hetgeen na de nacht is
gebeurd met het kabinet. Het moet voor de
heer Kok toch geen verrassing zijn geweest
dat de D66-bewindslieden en dat D66 als partij
hun conclusies zouden trekken als het zou
lopen zoals het is gelopen? Dat kon toch
onmogelijk een verrassing zijn voor de heer
Kok ? Het kan dan toch alleen maar zo zijn
dat de heer Kok ervan uitging dat een voortzetting
middels PvdA en VVD tot de mogelijkheden
zou behoren? Een andere verklaring kan ik
niet vinden voor het feit dat de heer Kok
in de Eerste Kamer het machtswoord niet heeft
gesproken.
Minister Kok : Ik kom direct te spreken over
het verloop van het kabinetsberaad, de gang
van zaken daarbij en de conclusies. Ik heb
een klemmend beroep gedaan op een moment
dat de uitslag van de stemming niet bekend
was. Ik heb mijn klemmend beroep gebaseerd
op de eventualiteit van de situatie dat een
of meer van de zo dringend noodzakelijk stemmen
om tot de 50/25-verhouding te komen, zouden
ontbreken.
De heer Marijnissen (SP): Dat is mij duidelijk.
Het is niet zo dat ik het kabinet moet redden.
Wie ben ik! De heer Kok had echter met het
machtswoord mogelijkerwijs de heer Wiegel
een alibi kunnen verschaffen om om te gaan.
Dat kan ik als een hypothese brengen. Misschien
is die helemaal niet waar. Het is wel een
vraag die bij mij als parlementariër opkomt.
Waarom zegt de minister-president in de Eerste
Kamer niet, wetende hoe aangelegen het punt
van het referendum is voor D66, dat als de
Eerste Kamer het wetsvoorstel niet overneemt,
het kabinet weg zal zijn? Ik heb de minister-president
dat niet horen zeggen.
Minister Kok : Ik heb hier niet de bewijzen
bij de hand. Dat heeft de heer Marijnissen
ook niet. Ik heb echter, luisterend naar
de redengeving die vanochtend in alle toonaarden
bij de media was te horen uit de mond van
de heer Wiegel , niet de indruk dat zijn dertig
jaar lang gekoesterde principiële bezwaren
van karakter waren veranderd bij een anders
uitgesproken slotzin. Ik kan echter mijn
gelijk niet bewijzen, zoals de heer Marijnissen
zijn gelijk niet kan bewijzen.
De heer Marijnissen (SP): Ik ben dat ook
absoluut niet van plan. Het is wel een vraag
die bij mij opkomt. Ik stel hem voor de laatste
keer. Waarom heeft de minister-president,
wetende hoe aangelegen dit punt is voor D66,
niet tegen de Eerste Kamer gezegd dat dit
zo'n belangrijk punt is voor het kabinet,
dat als het wetsvoorstel de Eerste Kamer
niet passeert, het kabinet weg zal zijn?
De heer De Graaf is immers heel duidelijk
geweest op dit punt. Ik heb de minister-president
dat niet horen zeggen gisteravond.
Minister Kok : De heer Marijnissen heeft mij
dat inderdaad niet horen zeggen. Ik heb dat
bewust niet gezegd. Ik wilde gaan tot de
grens van de mogelijkheden die voor mij aanwezig
waren. Ik heb in de Kamer uitgelegd aan de
heer De Boer, die mij heeft ondervraagd na
mijn korte verklaring, dat het aan de ministerraad
zou zijn om de uren die zouden volgen hierover
van gedachten te wisselen. Dat is vervolgens
ook gebeurd. Ik heb materieel, exact en zuiver
aangegeven, aan iedereen die het wilde horen
en ook aan de uiteindelijk toch tegenstemmende
heer Wiegel , waarom dit voor het kabinet
deze zware en fundamentele betekenis had.
Het verdere verloop van deze dag is daarmee
niet in tegenspraak gebleken.
De heer Marijnissen (SP): En dat is niet
omdat u op dat moment al rekening hield met
een voortzetting van het kabinet in de vorm
van PvdA met VVD?
Minister Kok : Ik ging ervan uit dat die woorden
voldoende invloed zouden hebben om de gehele
VVD-senaatsfractie te overtuigen.
Dat brengt mij op een aantal elementen die
de gang van zaken in het kabinet en de inhoud
van de brief betreffen. In de eerste plaats
wil ik iets zeggen over de wijze waarop zojuist
vanuit de Kamer is gereageerd op de mededeling
in de brief over het voorstel van ministers
van PvdA- en VVD-huize om op de kortst mogelijke
termijn tot een herindiening van het voorstel
tot wijziging van de Grondwet over te gaan.
De gedachte daarachter was dat deze kwestie
niet alleen in de afgelopen nacht, niet alleen
vandaag en niet alleen op langere termijn,
maar ook in de komende jaren die voor ons
liggen, van groot gewicht blijft en dient
te blijven. Ik heb de indruk dat daar geen
grote verschillen van inzicht over bestaan,
behalve bij degenen die zowel in de Tweede
als in de Eerste Kamer tegen het correctief
wetgevingsreferendum hebben gestemd en waarschijnlijk
bij voorkomende gelegenheden ook tegen zullen
blijven stemmen. Nu het op een buitengewoon
betreurenswaardige wijze (ik hoef de woorden
van afgelopen nacht en van zojuist niet te
herhalen om dat te illustreren) onmogelijk
bleek om dat op korte termijn gerealiseerd
te krijgen -- bij een andere stemuitslag
had het nu al een andere werking kunnen hebben
-- stonden bewindslieden vanmorgen voor de
vraag wat zij zouden kunnen doen om dit onderwerp
dat van zo vitaal belang is, opnieuw in de
Kamers der Staten-Generaal in bespreking
te krijgen. Ik sluit helemaal niet uit dat,
als overeenstemming zou zijn bereikt over
hetgeen in de brief kort is opgeschreven,
er dan een nadere gedachtewisseling zou zijn
gekomen in het kabinet zelve en in de samenspraak
met het parlement over de vraag of er, gelet
op de gedachtewisseling tot en met de Eerste
Kamer gisteren, op een enkel onderdeel wellicht
aanpassingen zouden moeten plaatsvinden.
Er zijn immers door Minister Peper een aantal
nadere verduidelijkingen gegeven die soms
op de uitvoeringswetgeving betrekking hadden,
maar soms ook van andersoortige aard waren.
De gedachte erachter was -- die is nu overigens
natuurlijk gedateerd, want die heeft geen
basis gekregen en wij zitten nu ook in de
situatie waarin wij thans verkeren -- dat,
om dit onderwerp opnieuw in eerste en tweede
lezing in de Staten-Generaal behandeld en
ook, naar de voorkeur van het kabinet, aanvaard
te krijgen, het wel van belang is om daar
niet te veel tijd over te laten verglijden.
Nu is de vraag gesteld hoe het dan staat
met het respect voor het parlement. Dat respect
staat in hoofdletters geschreven. Het parlement
beslist (Tweede Kamer en Eerste Kamer, in
de huidige samenstelling en in de nieuwe
samenstelling) wat het met een dergelijk
grondwetsvoorstel wil doen, zoals een kabinet
(het huidige of een toekomstig) kan beslissen
om een wetsvoorstel aan het parlement voor
te leggen.
De heer Van Dijke (RPF): De minister-president
gebruikte even eerder de woorden "op een
buitengewoon betreurenswaardige wijze". Hij
doelde daarbij op de afhandeling in de Eerste
Kamer, wellicht het stemgedrag daar. Wat
is er nu zo betreurenswaardig aan als senatoren
op grond van hun overtuiging een stem uitbrengen
die daarmee in overeenstemming is?
Minister Kok : Het is niet betreurenswaardig
dat men zijn overtuiging laat gelden, maar
het is betreurenswaardig dat het niet de
gewenste uitkomst heeft gehad. U zult mij
dat niet kwalijk nemen, zoals ik het u niet
kwalijk neem dat u natuurlijk buitengewoon
opgelucht bent dat het zo is gegaan.
De heer Van Dijke (RPF): Maar nu het gegaan
is zoals het is gegaan, is het toch vanzelfsprekend
dat de uitkomst van zo'n stemming gewoon
gerespecteerd wordt en niet binnen 24 uur
een hernieuwde poging wordt gedaan, waarbij
min of meer geldt: wij hebben ons gelijk
niet gekregen, dus wij gaan het nog een keer
proberen? Deze handelwijze kan toch niet
getuigen van respect?
Minister Kok : Laten wij voorzichtig zijn
met al te voortvarend om te gaan met het
begrip "binnen 24 uur". Het gaat om een eerste
lezing in de Tweede Kamer en in de Eerste
Kamer. Daarna in de nieuwe periode gaat het
om een tweede lezing in de Tweede en Eerste
Kamer. Dat is geen 24 uur, dat zijn vele,
vele jaren. De behandeling in tweede lezing
vindt plaats op een moment waarop de Eerste
Kamer niet alleen in de samenstelling verkeert
die straks na de installatie op grond van
de laatstgehouden provincialestatenverkiezingen
aan de orde is, maar de samenstelling die
daarna weer volgt na 2003. Ik meen dat het
van belang zou kunnen zijn om ten behoeve
van de verkiezingen van provinciale staten
in 2003 te kunnen laten blijken dat de uitslag
van die verkiezingen niet alleen voor de
samenstelling van provinciale staten, maar
ook voor de samenstelling van de Eerste Kamer
en dus de mogelijkheden om een dergelijk
voorstel aanvaard te krijgen wel degelijk
haar relevantie heeft. Ik begrijp werkelijk
niet wat dat te maken heeft met gebrek aan
respect voor het parlement. Het geeft wel
aan de waarde die aan het onderwerp wordt
toegekend. Het geeft aan dat een regering,
een kabinet het een aangelegen zaak vindt
om in een opbouw op weg naar een nieuwe periode
opnieuw te trachten hiervoor de steun van
de beide Kamers der Staten-Generaal in wisselende
samenstellingen te winnen. Daar is niets
onhoffelijks of respectloos aan. Men kan
hooguit de vraag stellen: denkt u dat u dan
in zo'n nieuwe ronde kansrijker bent? Ik
weet één ding zeker: als je ervan afziet,
haal je het in elk geval niet.
De heer Van der Vlies (SGP): Dat het kabinet
vanmorgen heeft verkend hoe het verder zou
kunnen op dit thema, kan ik best begrijpen.
Men kent de positie van de SGP-fractie ten
opzichte van het onderwerp. Nu even procedureel.
Dat er gepoogd is de drie partijen bijeen
te houden op het punt van: wij laten dit
niet los, wij gaan er weer tegenaan, wij
zullen iets nieuws ontwerpen en overleg daarover
voeren, kan ik mij nog voorstellen. Zoals
het er evenwel nu staat, is het wel een heel
strakke zin: op de kortst mogelijke termijn,
ongewijzigd opnieuw. Ik leg u dat beeld niet
aan, maar kunt u zich voorstellen dat het
beeld hier en daar wel wat is opgekomen tot
boven de grassprieten van het maaiveld. Een
beetje een verongelijkt clubje dat toch wat
dramt om het er toch weer door te krijgen.
Dat roept u op door het zo te zeggen, zoals
u het zegt. Nogmaals, ik leg u die maat niet
aan, maar het gaat om de schijn van die maat.
Kunt u zich dat voorstellen?
Minister Kok : Ik reageer dan maar op de trefwoorden:
verongelijkt, nee, wel ongelukkig. Drammen,
nee, maar wel vol overtuiging dat een nieuwe
poging wellicht nieuwe kansen kan creëren,
natuurlijk gebaseerd op de opvatting dat
dit een onderwerp is dat het nastreven waard
is. Daarover scheiden de geesten een- en
andermaal. Dat is eerder in deze Kamer en
in de Eerste Kamer gebleken.
De heer Van der Vlies (SGP): Dat gebeurt
wel. Binnen een paar uur nadat 75 senatoren
een uiterste gewetensvolle beslissing hebben
genomen. Ik ga daar zonder meer van uit.
Voor- en tegenstemmers, wie het ook zijn.
Dat kan je een keer niet uitkomen -- het
overkomt de SGP-fractie ook af en toe --
maar je hebt het wel te respecteren. Je moet
vervolgens verder. Mijn fractie is gestruikeld
over die zin op die punten die ik net noemde.
Ik vind dat het raakt aan het schofferen,
bruuskeren van wat er is gebeurd.
Minister Kok : Ik hecht eraan met nadruk tot
uitdrukking te brengen dat dit op geen enkele
wijze zo is beoogd in het maken van die afwegingen.
Ik probeer dat zo geserreerd mogelijk te
zeggen. Ik moet rekening houden met het feit
dat dit gedateerd is, dat er een gedachtewisseling
is geweest in het kabinet waarin tegenover
elkaar geplaatste opmerkingen zijn gemaakt.
Ik moet voluit recht doen -- ik wil dat ook
graag; er is specifiek om gevraagd -- aan
de inbreng van de ministers van D66. De discussie
heeft zich gedurende een deel van de vergadering
van de ministerraad -- in dit verband vroeg
de heer Dijkstal nog naar de betekenis achter
de laatste zin van de lange, eerste alinea
van de brief -- gericht op de vraag: wat
is onder de gegeven omstandigheden -- waarbij
binnen het kabinet geen verschil van inzicht
bestaat over hoe zwaarwegend de consequenties
zijn van de ontstane situatie -- het antwoord
van het kabinet? Dan kan men zich mogelijk
voorstellen dat in een gedachtewisseling
in het kabinet naast elkaar liggen de gedachten
van een aantal collega's die zeggen dat hieraan
consequenties moeten worden verbonden in
de zin van terugtreden -- in de zin van:
het kan zo niet langer -- en de gedachten
van degenen die zeggen: neen, het is waarschijnlijk
beter om hierop niet terug te treden, maar
-- en dit bedoel ik niet agressief of zo
-- opnieuw in de aanval te gaan.
De heer De Hoop Scheffer (CDA): Mijn kritiek
richtte zich mede op het woordje "ongewijzigd".
Ik begrijp nu uit het nader antwoord van
de minister-president dat het ook mogelijk
zou zijn geweest om wijzigingen aan te brengen
teneinde een grotere kans te maken om het
voorstel aangenomen te krijgen. Dat staat
dan wel erg in de functie van het overeind
houden van het kabinet. Hebben wij in het
verleden niet ook al eens gediscussieerd
over de snelheid waarmee dit kabinet dit
wetsvoorstel wilde voorleggen aan de huidige
Eerste Kamer en niet aan die in zijn nieuwe
samenstelling? Hoe moet ik in dat licht de
besprekingen van morgen beoordelen?
Minister Kok : Voorzover ik weet, heeft de
Eerste Kamer volstrekt zelfstandig en in
volledige vrijheid de procedure voor de behandeling
van dit grondwetsvoorstel in tweede lezing
bepaald. Naar aanleiding van ontstane publiciteit
is op enig moment in deze Kamer van gedachten
gewisseld over de vraag of er niet sprake
was van oneigenlijke druk vanuit het kabinet.
De daarover gestelde vragen heb ik toen duidelijk
beantwoord. De Eerste Kamer heeft in volle
vrijheid de procedure voor behandeling van
dit onderwerp bepaald. In de afgelopen nacht
heeft dat geleid tot de eerder beschreven
afronding. Als het gaat om een nieuwe ronde,
dan is er geen sprake van overhaasting. Zoals
gezegd, bestrijken de eerste en tweede lezing
in beide Kamers een termijn van vele, vele,
vele jaren. Nogmaals, dit laat onverlet dat
andere debat dat voluit in de ministerraad
heeft plaatsgevonden, over de vraag of dit
de juiste politieke reactie van het kabinet
op de ontstane politieke situatie zou zijn.
Dat was geen debat over de vraag: wie is
hier onvoorzichtig of voorzichtig? Neen,
het ging over de vraag: moet uit de opgedane
ervaring de consequentie van terugtreden
worden getrokken, of is er aanleiding om
een nieuwe ronde in te gaan? In mijn presentatie
blijf ik hierover zo neutraal als het maar
kan. Niet omdat dit onderwerp mij niet zou
bezighouden -- ook thans -- maar omdat ik
in die beantwoording zoveel mogelijk de indruk
wil vermijden dat door mijn aanwezigheid
hier een van de denklijnen meer aandacht
krijgt dan de gedachten die daar tegenover
zijn geplaatst. Het ging -- dit in antwoord
op de opmerkingen van de heer Dijkstal --
om de vraag: welke politieke reactie, gelet
ook op het gewicht van dit onderwerp in het
regeerakkoord en de daaromtrent gemaakte
afspraken, moet er volgen op het sneuvelen
van dit onderwerp in de Eerste Kamer?
De heer Rosenmöller (GroenLinks): De minister-president
behoort als PvdA-Minister tot het gezelschap
van PvdA- en VVD-ministers, dat het in de
brief bedoelde voorstel heeft gedaan. Had
de Minister de gedachte om dit te doen en
dit ook in de loop van deze ochtend voor
te stellen aan de ministerraad, gisterenavond
al in het hoofd en, zo ja, had dit een relatie
met de precieze woorden die hij uitsprak?
Die zouden hem immers nog de ruimte verschaffen
om dit te doen. Die ruimte zou er niet meer
zijn als het definitieve machtswoord was
gesproken.
Minister Kok : Ik zal precies en eerlijk antwoorden;
dit geldt trouwens ook voor de andere onderdelen
van mijn antwoord. Eerlijk duurt het langst;
dit wordt ook allemaal gereconstrueerd, het
wordt exact bekeken en het moet ook op een
zeer gewetensvolle manier van een antwoord
voorzien worden. Ik zeg nu naar eer en geweten
dat de gedachte om dit te doen vanochtend
in de ministerraadsvergadering als suggestie
naar voren is gebracht. Daarmee heb ik indirect
een antwoord op uw vraag gegeven, maar er
zat gisteren ook al een bepaalde gedachte
achter de keuze van de woorden in de Eerste
Kamer. Toen die gedachte opkwam, toen ze
een beetje werd geproefd en besproken, heb
ik gezegd dat ik het toch van groot belang
vond dat in elk geval de ondertekenaars van
het grondwetsvoorstel, dus de minister-president
en de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, in het bijzonder zouden
nadenken over de vraag of deze weg aan het
kabinet zou kunnen worden voorgelegd. Dat
is een antwoord op de vraag of de minister-president
ook in die hoedanigheid duidelijk betrokken
was bij dat debat.
De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dan mag
ik misschien een vervolgvraag stellen, want
ik heb in eerste termijn gezegd dat het ongebruikelijk
is -- en toen drukte ik me nog voorzichtig
uit -- dat wij een afschrift krijgen van
een brief van de minister-president aan de
Koningin waarin zo openlijk gesproken wordt
over de positie van groepen ministers in
de ministerraad en de verdeeldheid in die
raad. Kunt u toelichten waarom de ministerraad
erop gestaan heeft de Koningin -- maar via
de Majesteit ook de Tweede Kamer -- zo te
informeren, toeredenerend naar de situatie
dat het de ministers van D66 waren die uiteindelijk
geen andere weg zagen dan het aanbieden van
het ontslag?
Minister Kok : voorzitter ! Hier wordt werkelijk
niet naar iets toegeredeneerd. Hier wordt
een beknopt, maar waarheidsgetrouw beeld
gegeven van een ontwikkeling en een gedachtewisseling,
een beeld dat relevant is voor de afronding.
De heer Dijkstal heeft gevraagd wat er eigenlijk
wordt bedoeld met de passage "gegeven deze
situatie hebben vervolgens de ministers van
PvdA- en VVD-huize besloten eveneens hun
ontslag aan te bieden". De naakte mededeling
dat ik namens alle ministers het ontslag
van het kabinet aan de Koningin heb aangeboden,
mist iedere basis als aan de Kamer geen inzicht
wordt gegeven in de politieke afweging binnen
het kabinet over de politieke en beleidsinhoudelijke
wijze waarop op de v |