| FrontPage  | Fictie  | Archive  | APILEX  |  Handelingen Asiel Vraagstuk  | Reaction  | History  | School  | Sitemap  | 

apilex.com | adampost.com
Updated, 14 06 2000
Today is The Day...

...AP Online



Vergaderjaar: 1999-2000

83ste vergadering Datum: Dinsdag, 6 juni 2000, Aanvang: 14.00 uur
Voorzitter: Van Nieuwenhoven

Vreemdelingenwet

Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (26732);
het wetsvoorstel Invoering van de Vreemdelingenwet 2000 en daarmee verband houdende wijziging van diverse wetten alsmede intrekking van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000) (26975).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Dittrich (D66)

Mevrouw de voorzitter! Het vreemdelingenbeleid dat vandaag, morgen en overmorgen wordt behandeld, is een van de belangrijkste vraagstukken in de politiek. Hoe gaan wij om met de vele aanvragen van mensen die in Nederland willen komen wonen, werken, leven, al dan niet met familie die er al woont of nog na zal reizen? Over dat soort onderwerpen gaat het onderhavige wetsvoorstel.

Een in het oog springend onderdeel daarvan is het asielbeleid. Het gaat om mensen die elders in de wereld huis en haard verlaten hebben, die uit benarde omstandigheden zijn gevlucht en zich in Nederland melden om er een veilig heenkomen te zoeken en een nieuw bestaan op te bouwen. Voor hen die terecht gevlucht zijn, moet er altijd plaats zijn in Nederland en in de andere EU-lidstaten.

Maar niet iedereen die als asielzoeker naar Nederland komt, voldoet aan de eisen die wij aan het vluchtelingenschap stellen, aan de criteria die in internationale verdragen, zoals het Vluchtelingenverdrag, zijn vastgelegd. In onze wetgeving moet duidelijk zijn aangegeven wie wel en wie niet voor verblijf in Nederland in aanmerking komt. De desbetreffende procedures moeten zorgvuldig zijn. Fouten moeten zoveel vermeden worden, want iemand terugsturen naar een land dat hij ontvlucht is zonder dat duidelijk is of hij een terechte vrees voor vervolging had, kan in het ergste geval een mensenleven kosten.

In de zomer van 1998 is er door de woordvoerders van de coalitiefracties zeer intensief onderhandeld over de tekst in het regeerakkoord met betrekking tot het asielbeleid. Het is geen geheim dat de opvattingen over het vreemdelingenbeleid binnen de coalitie op onderdelen soms ver uiteen lopen. Na intensieve besprekingen kon in de zomer van 1998 uiteindelijk een tekst voor het regeerakkoord geschreven worden waarover alle drie fracties het eens zijn. Met die tekst als uitgangspunt is de nieuwe Vreemdelingenwet door de regering opgesteld. Daar is veelvuldig in de Kamer over gesproken. Er is een aantal wetgevingsoverleggen terzake geweest en zeer veel AO's. Tijdens die discussies bleek dat onder andere de drie coalitiefracties het op onderdelen niet met elkaar en ook niet met de regering eens waren over het wetsvoorstel. Dat heeft weer tot, soms intensief, beraad geleid.

Ik moet zeggen dat voor de coalitie deze Vreemdelingenwet essentieel is. Naar aanleiding van de vele discussies hebben de woordvoerders het wetsvoorstel doorgenomen en zijn er wijzigingsvoorstellen ingediend, zoals ook de oppositie amendementen heeft ingediend. Collega Rouvoet vroeg zich af of dit debat nog wel zin heeft. Ik beantwoord die vraag met een volmondig "ja". In dit debat moeten wij nagaan op welke wijze wij het wetsvoorstel kunnen verbeteren. Wij kunnen elkaar ervan overtuigen dat sommige wijzigingsvoorstellen gesteund moeten worden en andere wellicht niet. Het moet absoluut een open debat zijn. Ik hoop straks de Kamer ervan te kunnen overtuigen dat de amendementen van de fractie van D66 goede voorstellen zijn.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voor het weekend is door de coalitiefracties consensus op een aantal hoofdpunten bereikt, die heeft geresulteerd in een groot aantal amendementen. Is er binnen de coalitie nog ruimte voor steun voor andere constructieve ideeën over de onderwerpen waarop die amendementen betrekking hebben? Het is goed om op dit punt aan het begin van het debat helderheid te bieden. Ik wil graag aannemen dat de heer Dittrich wil kijken naar voorstellen van andere fracties, maar het gaat ook om voorstellen die onderwerpen raken waarover moeizame deals gesloten zijn.

De heer Dittrich (D66)

Dat acht ik zeker denkbaar, als die voorstellen passen binnen de visie die de fractie van D66 heeft. Wij gaan geen voorstellen steunen waar wij het niet mee eens zijn. Natuurlijk moet dat kunnen. Daar is dit debat ook voor. Als de heer Rouvoet spreekt, hoor ik graag de achtergrond van zijn ideeën.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Het antwoord van de heer Dittrich stelt mij gerust. Ik heb toch nog een aanvullende vraag. Wij hebben een groot aantal amendementen ingediend die overeenkomen met hetgeen de heer Dittrich heeft betoogd in het wetgevingsoverleg. Zou hij ook met een wijzigingsvoorstel van GroenLinks kunnen instemmen als de andere coalitiepartijen daar grote moeite mee hebben, als D66 de enige coalitiepartij is die daarmee instemt?

De heer Dittrich (D66)

Dat zal dan uitgebreid in het debat aan de orde komen. Er is een aantal amendementen waarop dat betrekking kan hebben. Dan zal mevrouw Halsema dat gewoon horen. Dit openbare debat is er ook voor om te bekijken hoe fracties zullen stemmen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

De heer Dittrich geeft dus aan dat hij bij de beoordeling van amendementen, van wie ze ook afkomstig zijn, zuiver op grond van inhoudelijke en op de politieke ideologie van D66 gebaseerde argumenten zal bekijken of hij daarmee kan instemmen of niet.

De heer Dittrich (D66)

Ik heb altijd onderwerpen naar voren gebracht die voor D66 van belang zijn. Wij hebben bij ander overleg gehoord dat niet-coalitiefracties soms soortgelijk dachten. Naar mijn mening bestaat die mogelijkheid, maar het moet wel binnen de visie van D66 passen. Dat is logisch.

Tegen de achtergrond van het dichtbevolkt zijn van Nederland bekijkt D66 de inhoud van het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000. Mijn fractie is van oordeel dat het sinds jaar en dag gevoerde restrictieve toelatingsbeleid een juist beleid is en dat dit beleid ook noodzakelijk is. Dat betekent dat niet iedereen die in Nederland wil komen wonen, hier ook mag komen wonen. Er moeten dan ook duidelijke voorwaarden in de wet staan waaraan iemand moet voldoen.

De redenen die mensen opgeven om in Nederland te willen leven, moeten dan ook gecontroleerd worden. Voldoe je aan de voorwaarden, dan mag je hier komen of blijven, maar voldoe je er niet aan, dan mag je geweigerd worden of er mag verlangd worden dat je Nederland verlaat. Nederland moet daarom een degelijk vreemdelingentoezicht uitoefenen en een consequent uitzettingsbeleid voeren.

Vooral de laatste twee aspecten zijn onsympathiek. Het is nooit leuk om iemand die hier wil blijven wonen aan te zeggen dat hij het land moet verlaten. Daarom is het zo belangrijk dat de regels daarover helder zijn en de toepassing ervan verstandig is. Dat houdt naar de mening van mijn fractie in dat een humane benadering op zijn plaats is. De grenzen daarvan zijn in het algemeen moeilijk aan te geven.

Een staatssecretaris van Justitie zal in uitzonderingssituaties het algemeen belang voor ogen moeten houden, maar het menselijke aspect niet uit het oog moeten verliezen. Het zal dus altijd moeilijk zijn om op die evenwichtsbalk algemene regels te maken en uitzonderingen toe te passen. Ik las in de krant dat de staatssecretaris dat zelf niet eens een evenwichtsbalk noemt, maar een scheermes waarop hij balanceert. Dat geeft alleen maar aan dat het extra lastig is.

Dat brengt mij meteen op de kan- en moet-bepalingen die in het wetsvoorstel staan. D66 is het ermee eens dat op verschillende plaatsen in dit wetsvoorstel een facultatieve bepaling is geformuleerd. Het gaat hierbij met name om regels waarbij je van tevoren weet dat daarop uitzonderingen gemaakt moeten kunnen worden. Door de kan-bepaling geef je de hoofdrichting van het beslissen aan, maar geef je de administratie, de IND, ook de mogelijkheid daarvan in lagere regelgeving af te wijken of die regel nader toe te spitsen. Zou je bij die bepalingen een imperatieve formulering gebruiken, dan zou je in zo'n wetstekst in feite meteen een hardheidsclausule moeten inbouwen. Zo'n hardheidsclausule kan in feite alleen maar in uitzonderlijke situaties, en ook dan alleen in individuele gevallen, zeer beperkt worden toegepast. Naar het oordeel van de fractie van D66 geeft dat de administratie te weinig armslag. Kortom, wij zijn het eens met de kan- en de moet-bepalingen, zoals die geformuleerd zijn op één na. Ik kom daar straks op terug.

De fractie van D66 bekijkt deze nieuwe Vreemdelingenwet niet alleen vanuit het besef dat een restrictief toelatingsbeleid noodzakelijk is, maar ook dat de rechtspositie van de individuele vreemdeling die in Nederland wil komen wonen van groot belang is. Daarvoor is een allereerste vereiste dat de gestelde regels duidelijk en rechtvaardig zijn, zodat iedereen weet waaraan hij toe is. Het beleid van de overheid dient inzichtelijk te zijn en toepassing van de regels moet goed gebeuren. Onder de huidige Vreemdelingenwet ontbreekt het daaraan nog wel eens.

Ik wil een voorbeeld geven. Wij zien dat vreemdelingen die een machtiging voorlopig verblijf aanvragen in het buitenland soms maanden en maandenlang op uitsluitsel moeten wachten. De mensen die hun partner naar Nederland willen laten komen, staan bijvoorbeeld garant en voldoen aan alle voorwaarden, maar toch worden zij met nodeloze vertragingen in de bureaucratie geconfronteerd.

Ik wil het nog wat concreter maken. Mij bereiken klachten over de vreemdelingenpolitie in Amsterdam met betrekking tot de behandeling van dit soort zaken. Dossiers over aanvragen voor machtiging voorlopig verblijf die bijvoorbeeld door de ambassades zijn ingestuurd, zouden daar onaanvaardbaar lang blijven liggen. Wil de regering onderzoeken of de trage behandeling van die dossiers structureel is bij alle vreemdelingendiensten en het dus landelijk voorkomt of dat het specifiek is voor Amsterdam? Hoe dan ook, ik hoor graag de reactie van de regering.

In de praktijk zijn de regels voor gezinshereniging ondoorgrondelijk en moeilijk uitvoerbaar. De fractie van D66 meent dat er meer aandacht moet komen voor een regulier vreemdelingenbeleid. Wij constateren dat de politieke aandacht het meest gevestigd is op het asielbeleid. Indertijd was dat voor ons de reden om te pleiten voor een specifieke asielwet en als het ware de Vreemdelingenwet in twee delen te knippen: een asielwet en een aparte wet voor reguliere vreemdelingen. Wij dachten dat op die manier beide onderwerpen de aandacht konden krijgen die zij verdienen. De regering heeft ervoor gekozen beide onderdelen in één wet onder te brengen. Het nadeel daarvan is dat veel aandacht naar het asielbeleid uitgaat, maar uiteraard heeft het ook grote voordelen van onderlinge samenhang.

Mevrouw de voorzitter! Mijn fractie vindt het van belang dat de vreemdeling die voor onbepaalde tijd in Nederland wil wonen een bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal en samenleving heeft. Veel vreemdelingen vinden dat zelf ook belangrijk. Zij doen er op eigen initiatief van alles aan om snel op een goede manier in het Nederlands te kunnen communiceren. Volgens de Wet inburgering nieuwkomers zijn nieuwkomers verplicht, een inburgeringscursus te volgen tenzij zij daarvan zijn vrijgesteld. Op het niet volgen of voltooien van deze cursus staan sancties zoals een korting op de uitkering of het opleggen van een bestuurlijke boete. Uit een tussenrapportage over de werking van de Wet inburgering nieuwkomers blijkt dat een fors percentage van de nieuwkomers de cursus niet afmaakt en dat ook de gemeenten onvoldoende daartegen optreden. Een belangrijke oorzaak van het niet deelnemen aan de cursus is dat de nieuwkomer werk vindt en dan afhaakt. Dat afhaken hoeft niet per se op desinteresse van de vreemdeling, de nieuwkomer te wijzen. Het komt ook voor dat de gemeente of het regionaal opleidingscentrum, het ROC, georganiseerde cursussen niet goed laat aansluiten op bijvoorbeeld het werk. In het aanbod van cursussen kan nog veel verbeterd worden. Ook werkgevers zouden naar de mening van mijn fractie meer moeite moeten doen om cursussen als Nederlandse taal op de werkvloer te organiseren. Je ziet ook dat bij verhuizing van een vreemdeling het inpassen van de inburgeringscursus in de nieuwe plaats gemakkelijker zou moeten worden gemaakt.

In elk geval staat voor ons vast dat de vreemdeling die voor onbepaalde tijd in Nederland wil blijven en die onder het bereik van de Wet inburgering nieuwkomers valt, een inburgeringscursus gevolgd moet hebben. Wij hebben bij het wetgevingsoverleg naar aanleiding van de Invoeringswet waarin de Wet inburgering nieuwkomers centraal stond de suggestie gedaan die de regering heeft overgenomen dat er gekeken moet worden naar de relatie tussen de Wet inburgering nieuwkomers en de nieuwe Vreemdelingenwet. Toen heeft de minister voor het grotesteden- en integratiebeleid gezegd: volgend jaar wordt die wet geëvalueerd en dan zullen wij de suggestie bekijken of het mogelijk is dat een vreemdeling die voor onbepaalde tijd in Nederland wil blijven, eerst de cursus moet hebben afgemaakt. De fractie van D66 wil dat de regering, vooruitlopend op de evaluatie, onderzoek doet naar de mogelijkheden om de verlening van de vergunning voor onbepaalde tijd afhankelijk te maken van het afmaken van de inburgeringscursus. In de te houden evaluatie moet specifiek met die optie rekening worden gehouden. Als uit de evaluatie blijkt dat dit een zinvolle bijdrage is aan het stimuleren van het afmaken van inburgeringscursussen, moet de wet daartoe worden aangepast als uit dat onderzoek blijkt dat dit juridisch mogelijk is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Wij hebben hierover in de wetgevingsoverleggen al verscheidene malen gediscussieerd, maar de heer Dittrich blijft vaag over de vraag hoelang de tijdelijke vergunning kan duren als mensen geen cursus volgen.

De heer Dittrich (D66)

Die vraag hebt u mij in het wetgevingsoverleg inderdaad gesteld. Toen heb ik geantwoord dat u daarmee een punt hebt. Je kunt de vergunning voor bepaalde tijd immers natuurlijk niet tot sint-juttemis laten duren als je tegelijkertijd vindt dat er een maatregel moet komen om te stimuleren tot het afmaken van de cursussen. In dat vaarwater bevindt zich dit punt; daarom voelde ik mij enigszins geholpen toen de regering zei dat zij dit gaat onderzoeken en dat het onderzoek de juridische mogelijkheden in kaart moet brengen. Als uit dat onderzoek blijkt dat dit absoluut niet kan of dat het voor mijn fractie onwenselijk is, moeten wij daar niet aan beginnen. De gedachte lijkt mij op zich echter zeer waardevol.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Ik kan mij die toezegging van de regering eerlijk gezegd niet herinneren, maar het kan zijn dat ik daarbij niet aanwezig ben geweest. De vraag is echter waar voor u de grens ligt. U kunt wel vrijblijvend een onderzoek willen laten verrichten, maar ik hoor graag van de fractie van D66 hoelang er gespeeld mag worden met de vergunningen voor bepaalde tijd. Hoelang kunnen zij opgerekt worden? Ik vind uw antwoord tot nu toe eerlijk gezegd erg onbevredigend. Daardoor blijft uw suggestie voor mij leeg.

De heer Dittrich (D66)

Het is natuurlijk geen vrijblijvende optie. Het gaat er nu om dat een heleboel mensen de inburgeringscursus niet afmaken, bijvoorbeeld omdat zij werk vinden of verhuizen. Onze visie is juist dat men de cursus moet afmaken als men voor onbepaalde tijd in Nederland wil wonen en als men onder het bereik van de wet valt; veel nieuwkomers vallen immers helemaal niet onder de wet. De wet bevat enkele sancties die het afmaken van de cursus proberen te stimuleren. Wij weten dat die sancties niet werken. Vandaar dat mijn fractie een link legt met de vergunning voor onbepaalde tijd. Ik geef graag toe dat dat niet ellenlang zou moeten duren. Ik wil nu geen antwoord geven op de vraag hoeveel maanden of jaren dat moeten zijn, want ik wil eerst dat onderzoek van de regering afwachten. Als een soort leidraad kan ik wel zeggen dat het niet te lang moet duren, want je moet mensen niet te lang in onzekerheid houden. Ik wil echter wel weten waarom zij de inburgeringscursus niet hebben afgemaakt. In dat krachtenveld bevindt dit punt zich.

Mevrouw Albayrak (PvdA)

Ik zie het belang van het onderzoek ter verduidelijking van de werking van sancties en de effectiviteit van de WIN als zodanig. Met het verzoek om dat onderzoek kan ik dus best leven, maar ik hoor graag de visie van de fractie van D66 over de reikwijdte van dat onderzoek. Bent u van mening dat de door u voorgestelde maatregel zowel betrekking zou moeten hebben op statushouders als bijvoorbeeld op mensen die via gezinshereniging naar Nederland komen?

De heer Dittrich (D66)

Het zou moeten gaan om mensen die voor onbepaalde tijd in Nederland willen wonen, welke achtergrond zij ook hebben, en die onder het bereik van de Wet inburgering nieuwkomers vallen. Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk. Er kunnen natuurlijk altijd uitzonderingen worden gemaakt, bijvoorbeeld voor mensen die zo getraumatiseerd zijn dat ze de inburgeringscursus niet kunnen volgen of afmaken. Daarover zou ik willen spreken als het onderzoek is afgerond. Ik ben niet met een amendement op dit punt gekomen omdat ik het verstandig vond van de regering dat zij dat wil onderzoeken.

Voorzitter! Daar waar opvang in de eigen regio veilig en mogelijk is, moet dat krachtig ondersteund worden. De UNHCR heeft in diverse regio's in de wereld vluchtelingenkampen. In 1998 heb ik namens D66 het voorstel gedaan om voor de verre toekomst te werken aan een regiogebonden asielbeleid. Ik nam Irak en Turkije als voorbeeld. Ondersteun de UNHCR en Turkije bij de opzet van de vluchtelingenkampen; maak als Europese Unie afspraken met het regioland om asielzoekers uit het buurland op te vangen; Laat de UNHCR in de kampen de vluchtelingenstatus vaststellen; ondersteun de UNHCR daarbij met mensen en middelen; spreek als Europese Unie af dat degenen die in het regioland door de UNHCR erkend worden op een evenredige manier door de Europese landen worden opgevangen. Degenen, die op een dergelijke manier naar Nederland komen, kunnen de asielprocedure overslaan. Zij kunnen zich in Nederland meteen op inburgering richten. Het spaart in Nederland een lange asielprocedure uit. Je zou deze vluchtelingen kunnen vergelijken met de uitgenodigde vluchtelingen, zoals we die de afgelopen jaren kenden. Helaas heeft deze staatssecretaris het aantal uitgenodigde vluchtelingen niet uitgebreid, zoals de Kamer dat een aantal jaren geleden bij motie heeft gevraagd.

De heer Middel (PvdA)

Kan de heer Dittrich aangeven wat het selecteren van asielzoekers door de UNHCR betekent voor de positie van Nederland ten aanzien van het Vluchtelingenverdrag? Betekent dit dat wij het Vluchtelingenverdrag moeten relativeren? Zo ja, welke gevolgen heeft dat dan in de Europese context?

De heer Dittrich (D66)

In een wet of in een algemene maatregel van bestuur zullen de regio's moeten worden aangewezen waar zo'n systeem kan werken. Het kan natuurlijk niet overal, want er zijn niet overal regiolanden en niet in alle regiolanden kan de UNHCR fatsoenlijk werken. Dit systeem kan vanzelfsprekend niet morgen worden ingevoerd. De regering heeft steeds gezegd dat het Vluchtelingenverdrag zich niet verdraagt met mijn voorstel en dat het dan zou moeten worden opengebroken. Ik denk dat de EU eerst waterdichte afspraken moet maken met de regiolanden en de UNHCR. Men moet ervan verzekerd zijn dat de asielzoekers in kwestie vanuit het regioland niet teruggestuurd worden naar het land van herkomst. Als dit systeem indruist tegen het Vluchtelingenverdrag - waar ik overigens niet van overtuigd ben - moet bezien worden of het kan worden aangevuld. Maar eerst moet nagegaan worden of daarvoor voldoende politiek draagvlak in Nederland is. Ik vind dat de regering zich steeds te terughoudend heeft opgesteld en daarom grijp ik deze gelegenheid aan om haar te vragen, nog eens in te gaan op suggesties op dit punt die van verschillende zijden in de Kamer zijn gedaan. Het is van groot belang dat deze kwestie op de politieke agenda van de EU wordt geplaatst.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voorzitter! De heer Dittrich refereerde aan een schriftelijke reactie van de staatssecretaris op een concreet plan van de RPF-fractie. Ik dank hem voor de samenvatting. Is hij het met mij eens dat voorstellen in die richting gezien moeten worden als een modernisering van het Vluchtelingenverdrag met behoud van verantwoordelijkheid van de desbetreffende landen en het niveau van bescherming? Ik denk dat dat de essentie is van het gevoelige debat over een eventuele herziening van het Vluchtelingenverdrag.

De heer Dittrich (D66)

Als men spreekt over "modernisering" van het Vluchtelingenverdrag bedoelen velen eigenlijk een radicale wijziging ervan. Daar zou ik geen voorstander van zijn. Ik zie het als een aanvulling in de geest van het verdrag zoals dat indertijd tot stand is gekomen. Als ik het woord "modernisering" zo mag zien, zou ik uw vraag wel met "ja" kunnen beantwoorden.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Ik heb inderdaad gesproken over behoud van verantwoordelijkheidsniveau en van beschermingsniveau en met name dat laatste is voor onze fracties essentieel. Inherent aan voorstellen in deze richting is wel dat het individuele recht zoals dat nu gewaarborgd wordt in het Vluchtelingenverdrag - de staatssecretaris heeft daarop terecht gewezen - om bij een individueel land aan te kloppen, niet gehandhaafd kan worden op dezelfde wijze als nu, als men dat wil concentreren in UNHCR-voorzieningen. Vandaar mijn vraag. Gaat u in die richting mee en zegt u "behoud van het beschermingsniveau van het Vluchtelingenverdrag, maar op een andere wijze georganiseerd", dan betekent dat wel een forse internationale discussie om het verdrag in die richting te moderniseren.

De heer Dittrich (D66)

Toen ik in 1998 namens D66 dit voorstel deed, heb ik ook gezegd dat als je dat zo wilt organiseren een individueel asielverzoek van iemand die wel het regioland bezocht heeft maar daar niet de procedure heeft gevoerd en bijvoorbeeld rechtstreeks of uit dat regioland naar Nederland is gekomen, in het aanmeldcentrum kan worden afgedaan of kan worden aangehouden met de mededeling dat betrokkene zich toch moet melden bij de post in het regioland waar dan een zorgvuldige procedure gevolgd moet worden. Dat klinkt allemaal vrij gemakkelijk, maar laten wij wel wezen, het is natuurlijk verre toekomstpolitiek. Maar wel denk ik dat wij die richting op zouden moeten gaan. Wat dat betreft zijn u en ik het geloof ik wel met elkaar eens.

Mevrouw de voorzitter! Ik wil gaan spreken over de lengte van de asielprocedures. Asielzoekers die hun aanvraag hebben gedaan, zitten soms jarenlang in opvang- of asielcentra te wachten op duidelijkheid. Zulke lange wachttijden zijn echt onmenselijk. Asielzoekers met talenten verpieteren en raken gehospitaliseerd. Cursussen of toestemming om tijdens de procedure te mogen werken, maken de lange wachttijden misschien wel iets minder ondraaglijk, maar waar het echt om gaat is om de lengte van de asielprocedures te verkorten. De fractie van D66 is ervan overtuigd dat kortere asielprocedures niet alleen voor het welzijn van de asielzoekers zelf beter zijn, maar dat het effect daar ook nog eens van kan zijn dat minder asielzoekers naar Nederland komen om hier hun aanvraag te doen. Mensensmokkelorganisaties vertellen hun klanten vaak dat je in Nederland al gauw een paar jaar onder de pannen bent, voordat de beslissing valt. Nu zijn de asielzoekprocedures onaanvaardbaar lang. Dat kunnen wij zien en daarom functioneert de huidige Vreemdelingenwet ook niet goed. Er ligt natuurlijk wel een aantal oorzaken aan die lange procedures ten grondslag. Ik wil er een enkele noemen.

In de eerste plaats het grote aantal asielzoekers dat zich in Nederland aanmeldt. In vergelijking met andere Europese landen lijkt het erop alsof de mensensmokkelorganisaties Nederland als een goed asielland zien. Daarbij valt op dat meer dan 80% van alle asielzoekers die zich aanmelden geen identiteitsdocumenten of reispapieren bij zich heeft. Dat vertraagt op zichzelf de asielprocedure, want alles moet onderzocht en gecontroleerd worden, soms moeten individuele ambtsberichten ingewonnen worden in het land van herkomst om te beoordelen of de reis of het vluchtrelaas klopt. De asielzoekers zonder documenten hebben de lange duur van de procedure voor een deel aan zichzelf te wijten, al zeg ik er direct bij dat er asielzoekers zijn die er absoluut niets aan kunnen doen dat zij geen documenten hebben, maar het is wel een probleem.

In de tweede plaats werkt de Immigratie- en naturalisatiedienst tegen de klippen op. De organisatie heeft te maken met een heel moeilijke positie op de arbeidsmarkt. Het is niet eenvoudig om geschikte ambtenaren te werven. Talentvolle jonge ambtenaren vertrekken met enige regelmaat naar het bedrijfsleven. De kwaliteit van de beschikkingen is, om het maar zacht te zeggen, niet om over naar huis te schrijven. Bijna alle asielzoekers die door de IND geweigerd worden, maken bezwaar en gaan tegen een nieuwe weigering in beroep. De rechter vernietigt in een fors aantal gevallen de beslissing van de IND. Dat vernietigingspercentage is wel eens 20 geweest! Ik weet niet wat het percentage nu is - dit is een vraag aan de regering -, maar in elk geval is het een veel hoger percentage dan in andere onderdelen van het administratief recht als fatsoenlijk wordt gezien. Ook gaan asielzoekers in beroep omdat zij de status die zij hebben gekregen, onvoldoende vinden. Zij willen de A-status; daar hangt een aureool omheen dat die "de beste is". Op zich is dit al opvallend, omdat een verblijfsvergunning op humanitaire gronden niet of nauwelijks intrekbaar is en in feite sterker is dan een A-status die formeel wel kan worden ingetrokken.

Mijn fractie is ervan overtuigd dat de nieuwe Vreemdelingenwet wel eens heel wat minder effectief zal kunnen dan de regering beoogt indien de werkwijze en organisatie van de IND niet aanmerkelijk verbeteren. Graag hoor ik dan ook van de regering welke organisatorische verbeteringen de introductie van de nieuwe Vreemdelingenwet zullen begeleiden. Wij kennen de uitspraken van het nieuwe hoofd van de IND die in een interview heeft aangegeven dat de achterstanden aan het eind van 2000 zullen zijn ingelopen. Wat is de stand van zaken op dit punt? Mogen wij de staatssecretaris erop afrekenen als aan het eind van het jaar 2000 blijkt dat de achterstanden niet zijn weggewerkt of dat dit ten koste is gegaan van ander werk van de IND? Voordat ik dit punt in de fractie besprak, had ik de opening van Trouw van vandaag nog niet gezien waarin wordt opgemerkt dat het personeel van de IND vreest voor een chaos na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Daarom klemt de vraag te meer welke verwachtingen de staatssecretaris heeft van het verloop van de introductie. Hoe denkt hij over de suggestie van de ondernemingsraad om de invoeringsdatum niet op 1 januari te stellen, maar de IND iets meer tijd te gunnen om zich beter te kunnen voorbereiden op de nieuwe wet?

De heer Middel (PvdA)

Mevrouw de voorzitter! Mag ik de heer Dittrich vragen wat hij in dit verband precies bedoelt met de term afrekenen? Misschien moet de Kamer zichzelf ook "afrekenen"; zij heeft immers herhaaldelijk - overigens terecht - het punt van de IND ter discussie gesteld?

De heer Dittrich (D66)

Inderdaad. Ik geloof dat de IND door alle woordvoerders met zorgen wordt bekeken. Ik kan mij herinneren dat mevrouw Halsema hierop in verschillende debatten uitgebreid is ingegaan. Ikzelf trouwens ook. Ik vind dit een groot probleem. De Kamer vraagt iedere keer aan de regering ervoor te zorgen dat het goed gaat. Zij krijgt dan al of niet geruststellende antwoorden als: wij werken er aan, wij zijn er mee bezig, wij gaan een slag maken, enzovoorts. De Kamer moet het met die antwoorden doen, omdat zij zich tot de hoofdlijnen beperkt. Als echter rond de voorziene invoeringsdatum van de nieuwe Vreemdelingenwet op 1 januari a.s. blijkt dat de IND het niet aan kan, is dit natuurlijk erg zorgelijk. Ik zal die situatie dan beoordelen in het licht van de uitspraken van de staatssecretaris die hij wellicht in dit debat zal herhalen. Voor ons komt het erop neer dat de IND het goed moet doen en daarvoor is de staatssecretaris politiek verantwoordelijk. De Kamer kan hem daarop aanspreken, maar ook zichzelf omdat zij altijd is meegegaan in die antwoorden. De politieke beoordeling vindt dan hier in de Kamer plaats.

De heer Middel (PvdA)

Wij worden bij de verkiezingen afgerekend, of niet, natuurlijk. De heer Dittrich is echter niet duidelijk over de positie van de staatssecretaris. Als niet gebeurt wat de staatssecretaris toezegt dat zal gebeuren, wat betekent dit dan voor zijn positie? Moet hij dan weg of zo?

De heer Dittrich (D66)

Wij zullen dit dan in dat debat bespreken. Als de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet mislukt doordat de IND daarvoor nog niet klaar is, kan de heer Middel ervan op aan dat de Kamer daarover zal debatteren. Wij zullen dan nalopen welke toezeggingen er zijn gedaan, door welke oorzaak daaraan niet kan worden voldaan en wat daarvan de politieke implicaties zijn.

De heer De Wit (SP)

De heer Dittrich vindt dat de nadruk wat de werking van wet betreft komt te liggen op de IND. Ik ben dat overigens met hem eens. Hoe is het dan te rijmen dat in het wetsvoorstel de belangrijke bevoegdheden en mogelijkheden van de IND worden gekort doordat de bezwarenfase wordt afgeschaft? Is het niet een garantie voor een veel betere werking van de IND als die bezwarenfase wordt gehandhaafd?

De heer Dittrich (D66)

Ik zou die vraag willen beantwoorden als ik thema van de bezwaarfase ga bespreken.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Mag ik uit de vraagstelling van de heer Dittrich aan de staatssecretaris afleiden dat wat D66 betreft de ingangsdatum indien nodig verschoven kan worden? Staat voor zijn fractie die ingangsdatum vast? Of is, als de situatie bij de IND er aanleiding toe geeft verschuiving met een, twee of drie maanden mogelijk?

De heer Dittrich (D66)

Ik heb dat al in het wetgevingsoverleg naar voren gebracht. Ik maak mij grote zorgen over de IND en dat wil ik hier herhalen. Ik heb in het wetgevingsoverleg gezegd dat hoe je over de wet ook denkt - ik denk dat die redelijk goed in elkaar zit - het woorden op papier zijn. Het gaat om de toepassing van de wet door de IND. Problemen die wij in het vreemdelingenbeleid hebben zullen niet worden opgelost door een goede wet aan te nemen. Nee, daar is een goede uitvoering voor nodig. Als de regering zegt dat er geen vuiltje aan de lucht is en op 1 januari van start kan worden gegaan en ik daarin voldoende vertrouwen heb, is dat natuurlijk best. Als de staatssecretaris er ook over aarzelt en zegt dat hij het even moet bekijken omdat hij ziet dat de ondernemingsraad bij de IND al begint te piepen, dan vind ik het logisch dat de invoeringsdatum wordt uitgesteld.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Mijn vraag richt zich op die derde situatie. De staatssecretaris zegt dat hij zeer hecht aan de ingangsdatum van 1 januari. Dat heeft hij uit-en-ter-na gezegd. Zegt D66: wij vinden het zo belangrijk dat de uitvoering goed gebeurt dat wij pleiten voor uitstel?

De heer Dittrich (D66)

Het is de derde keer dat ik dit punt aan de orde stel. Waarom? Omdat ik nog steeds niet overtuigd ben door de beantwoording van de staatssecretaris. Als ik in het wetgevingsoverleg overtuigd was, had ik dit punt niet eens aan de orde gesteld. Zeker nu ik de opening van Trouw van vandaag zie, maak ik mij daarover zorgen. Ik wil overtuigd worden door de staatssecretaris. Misschien overtuigt hij mij wel. Dan zal ik niet op uitstel aandringen. Wij moeten het serieus onder ogen zien.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

De heer Dittrich wil het aanzien. Rond de datum van inwerkingtreding van de wet wil hij er eventueel een debat over voeren, mocht blijken dat de IND niet gereed is. Dat lijkt mij, eerlijk gezegd, nogal riskant. Zou het niet wijs zijn, zeker omdat de staatssecretaris steeds heeft gehamerd op die datum van 1 januari, dat de Kamer een duidelijk signaal geeft dat de wet uitgesteld moet worden?

De heer Dittrich (D66)

U neemt dan veel te grote passen. Ik breng het onder de aandacht en ik merk dat het ook aandacht vangt. Ik probeer onder de aandacht van de regering te brengen dat wij dit een serieus punt vinden. Als de regering met argumenten zegt: je hoeft je geen zorgen te maken, ondanks de krantenberichten, en ik raak daarvan overtuigd, dan is dat zo. Rond de invoering zelf zullen er ook allerlei aspecten spelen. Nu hebben wij het debat en daarom stel ik het nu aan de orde.

Voorzitter! Ik was gebleven bij een aantal redenen waarom die procedures zo lang duren. Er zijn vaak te weinig goede tolken zodat procedures daarom alleen al langer duren. Wordt hier verbetering verwacht? Welke wervingsactiviteiten zijn er geweest om goede tolken aan te trekken? Hoe zal het gaan bij de introductie van de nieuwe wet?

De wetgeving heeft in de loop der jaren allerlei statussen en substatussen gecreëerd die op hun beurt weer tot allerlei procedures hebben geleid.

De vijfde reden is dat die procedures achterstanden hebben doen ontstaan bij de rechtbanken die vreemdelingenzaken behandelen. Een paar weken geleden hebben wij in de Kamer het wetsvoorstel goedgekeurd dat het mogelijk maakt dat meer rechtbanken vreemdelingenzaken zullen behandelen. Ik denk dat dit het probleem van de vele procedures en de lange wachttijden nog niet oplost.

De doelstelling van de regering is om met deze nieuwe wet het aantal procedures drastisch terug te brengen. De fractie van D66 onderschrijft die doelstelling volledig. Voor mijn fractie is het echter niet duidelijk, hoe de regering denkt dat onder de vigeur van het nieuwe systeem de eerste beslissing van de IND binnen zes maanden genomen zou kunnen worden. Welke verbeteringen zijn er bij de IND aangebracht die zo'n optimisme rechtvaardigen? Is de Kamer niet meer dan eens voorgehouden dat de procedures korter zouden kunnen worden, terwijl in feite het tegenovergestelde gebeurde? Op dit punt behoudt de fractie van D66 haar reserves. Wij vragen de regering, nog eens helder uiteen te zetten op grond van welke veranderingen zij meent dat de IND kwalitatief goede beoordelingen binnen zes maanden zou kunnen geven. Verwacht de regering dat er vaak gebruik gemaakt gaat worden van de verlengingsmogelijkheid van zes maanden? Wordt die verlenging in individuele zaken toegepast of gaat de IND de termijn voor aanvragen collectief verlengen? En welke sanctiemogelijkheid is er als de termijn niet gehaald wordt?

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Voorzitter! De heer Dittrich zegt dat hij sterk betwijfelt dat de IND binnen de beslistermijn van zes maanden zal blijven. Tendeert zijn betoog naar een verdere uitbreiding van de beslistermijn of naar de herinvoering van bezwaar?

De heer Dittrich (D66)

Geen van beide. Mijn betoog tendeert naar de stelling dat de IND zijn werk goed moet doen, binnen zes maanden. Dat wil ik bereiken. In het wetsvoorstel staat al dat de beslissing binnen zes maanden genomen moet worden, tenzij er sprake is van een uitzondering, want dan kunnen er nog eens zes maanden bijkomen. Met deze opmerking beoog ik een prikkel te geven om ervoor te zorgen dat de beslissing ook echt binnen zes maanden genomen wordt. Ik heb erbij gezegd dat ik er een beetje sceptisch over ben, omdat achtereenvolgende staatssecretarissen in overleg met de Kamer hebben aangegeven dat de procedures korter moesten, terwijl dat nooit lukte.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Ik neem aan dat ik dan van u mag verwachten dat u later in uw betoog zult aangeven op welke manier de IND zijn werk beter moet doen. Ik neem aan dat u daarvoor concrete suggesties heeft?

De heer Dittrich (D66)

Mijn betoog zal nog lang duren, mevrouw Halsema. Ik kom hierop terug.

Voorzitter! Ik wil stilstaan bij het volgtijdelijk systeem. De regering wil met het wetsvoorstel ook drastisch snijden in het aantal procedures en daartoe heeft zij het stelsel van volgtijdelijke statussen met één voorzieningenpakket per status bedacht. Ik vind het een vernuftige aanpak van het probleem. De grondgedachte is dat iedereen die mag blijven, aanvankelijk voor bepaalde tijd blijft. Of je nu een reguliere verblijfsvergunning hebt aangevraagd of een asielverzoek hebt ingediend, je mag voor bepaalde tijd blijven, maar de termijnen verschillen wel. Bij regulier geldt de vergunning voor bepaalde tijd voor vijf jaar en bij asiel voor drie jaar. Mijn fractie vindt dit verschil in termijnen te rechtvaardigen. Iemand die gevlucht is uit ellendige omstandigheden en noodgedwongen, onvrijwillig zijn land verlaten heeft, moet niet vijf jaar behoeven te wachten om uitzicht te verkrijgen op een nieuw bestaan in Nederland. Dat werkt demotiverend en frustreert de inburgering. Daarom is D66 het ook niet eens met het amendement van het CDA. Wij menen dat de periode van drie jaar asiel in de praktijk in sommige situaties wel vier jaar kan worden, bijvoorbeeld als het besluitmoratorium wordt toegepast. Ik kom daar nog uitgebreider over te spreken.

Omdat het voorzieningenpakket binnen de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd hetzelfde is, gaat de regering ervan uit dat er geen reden is om door te procederen voor een andere status. Er is immers geen andere status meer en voor de voorzieningen hoeft men het ook niet te doen, want die zijn gelijk. Dat klinkt aannemelijk en aantrekkelijk. Toch heb ik hierover een aantal vragen. Bestaat niet het risico dat binnen de verblijfsvergunning voor een bepaalde tijd er toch een belang bestaat bij het voeren van een procedure? Kan een asielzoeker die onder de huidige wet in het oude systeem een A-status of een humanitaire verblijfsvergunning had gekregen, zich toch niet tot de rechter wenden en zeggen dat het voor zijn psychisch welbevinden van vitaal belang is, te weten hoe de overheid hem inschat? Immers, na drie jaar moet bekeken worden of de vergunning kan worden omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Een A-statushouder of iemand met een humanitaire verblijfsvergunning maakt, afhankelijk van de omstandigheden, wellicht meer kans op een bestendig verblijf dan iemand die onder de huidige wet een voorwaardelijke verblijfsvergunning zou hebben gekregen. Als de rechter eenmaal een belang ziet om differentiatie in de vergunning voor bepaalde tijd aan te brengen, dan lijkt mij dat het hek van de dam is. Want dan zal iedereen willen gaan procederen voor die status met meer perspectief op verblijf voor onbepaalde tijd. Ik vraag de regering uiteen te zetten, al is het in het wetgevingsoverleg al aan de orde geweest, hoe zij dit risico ziet en, zo ja, hoe groot zij dit acht.

Wij hebben commentaren gelezen van Vluchtelingenwerk en Amnesty International die aanvoeren dat er wel degelijk situaties zijn waardoor er wel een procesbelang ontstaat wanneer de asielvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend. Zij voeren aan dat, wanneer de vergunningverlening geschiedt op basis van vluchtelingenschap, daarmee vaststaat dat weigering of intrekking of niet-verlenging in de toekomst nog slechts mogelijk is op basis van artikel 1c van het Vluchtelingenverdrag, de zogenoemde cessation clauses. Krijgt een vreemdeling de asielvergunning voor bepaalde tijd op andere gronden en is hij van mening dat die grond onjuist is, dan heeft hij volgens Amnesty International en Vluchtelingenwerk dus wel een procesbelang. Ik meen dat je daar tegenover kunt stellen dat de vreemdeling zich in elk geval kan gaan prepareren voor het moment waarop de overheid, in zijn ogen, onverhoopt tot verblijfsbeëindiging zal overgaan en de vraag acuut wordt of hem dan niet ten onrechte verlening op grond van het vluchtelingenschap onthouden is.

In Ars Aequi van mei 2000 las ik een artikel van prof. Vermeulen die eenzelfde redenering hanteert. Hoe ziet de regering dit? Hoe ziet de procedure er na drie jaar vergunning voor bepaalde tijd uit? Is dit een procedure met alle toeters en bellen? Of is dit een wat meer marginale toetsing? Wil de staatssecretaris hierop ingaan?

Het valt mijn fractie op dat het door de regering voorgestelde volgtijdelijke systeem enige gelijkenis vertoont met het voorstel dat wij in de discussie in 1998 hebben gedaan, toen het ging over het beleid ten aanzien van A-statushouders uit Bosnië. Mijn fractie stelde toen voor, de aan Bosniërs verleende A-status die korter dan drie jaar daarvoor collectief was verstrekt zonder een individuele toetsing, te herbeoordelen. Van degenen bij wie tijdens de herbeoordeling zou blijken dat ze niets meer in Bosnië te vrezen hadden, zou de A-status kunnen worden ingetrokken, net als voor de Bosniërs die in dezelfde periode een voorwaardelijke verblijfsvergunning hadden gekregen. Mijn fractie was toen niet onder de indruk van het argument van de UNHCR dat iemand met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf wel naar bepaalde gebieden veilig kon terugkeren en een A-statushouder niet. Wij hadden toen de redenering dat een gebied wel of niet veilig is voor iemand om naar terug te keren. Het papiertje dat iemand in Nederland gekregen heeft, moet voor de beoordeling van de veiligheid in het land van herkomst geen groot verschil maken. Ik heb er toen voor gepleit dat na de herbeoordeling in sommige situaties de collectief verleende A-status zou kunnen worden ingetrokken. Dat kon ook volgens de huidige wet, al werd die bevoegdheid door de verschillende staatssecretarissen niet toegepast. D66 heeft toen bij motie gevraagd om te kijken naar de intrekbaarheid van een A-status, vanuit de gedachte dat ook vluchtelingenschap een tijdelijke bescherming biedt, maar dat het redelijk is om daarover na drie jaar anders te denken zodat mensen zich op een bestendig verblijf in Nederland kunnen richten.

Ik herinner mij dat dit een heftig debat is geweest. In 1998 was kennelijk de tijd er nog niet rijp voor, ook gelet op de weerstand bij de staatssecretaris die er toen niet aan wilde. Wij hebben toen gezegd dat wij erop zouden terugkomen bij de behandeling van de nieuwe Vreemdelingenwet. Nu ziet mijn fractie die gedachte verder uitgewerkt. Daarom moet ik echt nog de vraag aan de staatssecretaris stellen hoe het komt dat hij in 1998 voor de Bosnische A-statushouders met een niet individueel toegekende maar een collectief verleende A-status niet tot een herbeoordeling wilde overgaan, maar nu voorstelt om dat voor alle mensen met een vergunning voor bepaalde tijd in die drie jaar te doen. Ik krijg daar graag een reactie op.

De heer Middel (PvdA)

Ik begrijp niet zo goed hoe de heer Dittrich alsnog zijn gelijk probeert te halen dat hij in 1998 niet kreeg, omdat hij nu maar even de context van dit punt verwaarloost. Was het niet zo, meneer Dittrich, dat u stuitte op een meerderheid in de Kamer die zei dat bij verlening van de A-status de betrokkenen er gevoeglijk van uit mochten gaan dat een permanent verblijf in Nederland in het verschiet lag en dat het dus van een gigantische hardheid zou getuigen om daar in wezen ad hoc en aan de hand van de Bosnische casus van terug te komen?

De heer Dittrich (D66)

De discussie begon omdat ik zei dat ook een A-status in beginsel tijdelijke bescherming biedt en dat dit ook de reden is waarom in de huidige Vreemdelingenwet staat dat een A-status kan worden ingetrokken. U hebt gelijk dat dit in de praktijk dus niet wordt toegepast, maar zo is die discussie begonnen. Vervolgens zijn er toen allerlei bezwaren geopperd, onder andere dat iemand die een A-status krijgt meteen het gevoel moet hebben dat hij altijd in Nederland kan blijven en dat dit niet teruggetrokken kan worden. Inderdaad hebben wij daar toen geen meerderheid voor gekregen en om die reden heeft de motie, die overigens wel door de Kamer is aangenomen, geleid tot het verzoek om dat te onderzoeken. Nu constateer ik echter dat voor alle mensen - en dus niet alleen voor mensen die een collectieve vergunning hebben gekregen maar ook in individuele gevallen - na drie jaar een herbeoordeling plaatsvindt. Daar ben ik het mee eens. Ik wil niet achteraf mijn gelijk halen, maar ik vind het inconsequent en daarom wil ik van de regering horen waarom zij toen zo tegen was terwijl zij dat nu zelf zo voorstelt.

De heer Middel (PvdA)

Voorzitter! Ik wil nog één poging doen, want ik krijg een beetje vervelend gevoel bij het feit dat deze discussie op deze manier nu weer terugkomt. Ik dacht dat deze discussie toen was afgesloten en dat niet alle leden van de D66-fractie daar even enthousiast over waren. De fout - voorzover je van een fout kunt spreken - lag toch vooral bij de Nederlandse overheid die collectief was overgegaan tot het verlenen van de A-status voor de eerste keer. Gegeven de situatie van dat moment was dat volstrekt begrijpelijk. Mensen die op grond van die collectieve beslissing een A-status hadden gekregen, mochten niet gestraft worden met het feit dat de overheid die fout had gemaakt. Nu komt u er toch weer met een draai op terug en ik vind het jammer als u dit punt weer inbrengt in de discussie over deze wet.

De heer Dittrich (D66)

Ja, ik heb toen al gezegd dat ik erop terug zou komen en ik houd mij aan mijn woord. Sterker nog, daar waar de vergunning collectief was verleend, werd gezegd dat dit niet moest gebeuren terwijl zij nu individueel wordt verleend en voor iedereen opnieuw wordt beoordeeld. Ik wil graag weten hoe de regering daartegenover staat.

Mevrouw de voorzitter! De regering stelt voor dat de IND bij het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet hoeft te motiveren waarom de vergunning verleend is. Expliciet wordt dat ook in artikel 40 naar voren gebracht. Dit motiveringsverbod roept allerlei vragen op. De hoofdregel in het bestuursrecht is dat de overheidsadministratie moet motiveren waarom zij een aangevraagde vergunning verleent. Waarom hier dan niet? Het gaat hier om belangrijke zaken. Mensen moeten weten waar zij aan toe zijn. De regering heeft tijdens het wetgevingsoverleg het motiveringsverbod een extra slot op de deur genoemd. Geen zekerheid kon verschaft worden over de vraag of niet via andere wetten - bijvoorbeeld de Wet openbaarheid van bestuur - bij de rechter inzage gevraagd kon worden in alle documenten die zich in het dossier bevinden, inclusief de minute waarin staat waarom iemand voor bepaalde tijd een vergunning heeft gekregen. Het komt de fractie van D66 uitermate ongelukkig voor dat de uiteindelijke motivering achterwege mag blijven. We hebben dat in het wetgevingsoverleg naar voren gebracht en ik heb toen al een amendement op dit punt aangekondigd. Ik moet zeggen dat ik nog steeds niet overtuigd ben door de argumentatie van de regering op dat punt. Het amendement komt erop neer dat wel degelijk door de IND gemotiveerd moet worden waarom iemand de vergunning voor bepaalde tijd verkregen heeft. Dat zal niet veel extra tijd vergen, omdat zo'n beslissing alleen genomen kan worden als men op de hoogte is van alle relevante gegevens. Ik hecht eraan om op te merken dat het absoluut niet de bedoeling is dat het wel motiveren leidt tot procedures naar aanleiding van de motivering. Voor D66 is het terugdringen van procedures een belangrijk kenmerk van dit wetsvoorstel. Als de asielvergunning voor bepaalde tijd wordt toegekend, is er op dat moment geen rechtens relevant concreet belang om te procederen. Er is eerder sprake van een hypothetisch, potentieel, toekomstig of uitgesteld belang. Prof. Vermeulen oppert dit in Ars Aequi van mei 2000 en mijn fractie is het daarmee eens. Pas aan het eind van de periode van drie jaar komt er een beschikking of de vergunning kan worden verleend voor onbepaalde tijd. Bij afwijzing moet daartegen natuurlijk wel geprocedeerd kunnen worden. Op dat moment is er een voldoende actueel belang.

De heer Wijn (CDA)

Voorzitter! In het amendement-Wijn c.s. op stuk nr. 17, ontvangen op 30 mei, staat dat artikel 40, lid 2, vervalt. In het amendement-Dittrich op stuk nr. 34, ontvangen op 31 mei, staat ook dat artikel 40, lid 2, vervalt. Mag ik uit deze overeenkomst afleiden dat de heer Dittrich niet op de hoogte was van het eerdere amendement?

De heer Dittrich (D66)

Ik was met mijn collega's aan het praten over de Vreemdelingenwet, toen opeens allerlei amendementen van de oppositie binnengebracht werden. Blijkbaar waren die in achterkamertjes met z'n allen besproken. Ik zei toen: hé, wat raar nou dat zij ons niet eens gevraagd hebben om mee te doen met dat amendement.

De heer Wijn (CDA)

Dan vragen wij dat bij dezen. Doet u mee met ons amendement?

De heer Dittrich (D66)

Nou, nee. U hebt de tekst van uw amendement in de hand. De toelichting bij dat amendement is heel erg kort. Aangezien zo'n toelichting een soort memorie van toelichting is, moeten de hoofdpunten daarin worden weergegeven. Een van de hoofdpunten is dat extra procedures worden vermeden, als een motivering wordt toegelaten. Als ik mij niet vergis, staat dat niet in het amendement dat de gehele oppositie heeft ingediend en waar de coalitiepartijen buiten zijn gehouden.

De heer Wijn (CDA)

Dat vind ik erg sneu voor u, maar nogmaals, u bent van harte welkom om met ons mee te doen. Toch heb ik nog een vraag. Als u zegt dat de toelichting van essentieel belang is, moet u het toch met mij eens zijn dat dit niet getuigt van veel vertrouwen in de systematiek van de wet?

De heer Dittrich (D66)

Dat ben ik niet met u eens. Als ik geen vertrouwen zou hebben in de systematiek van de wet en dus het volgtijdelijke systeem plus de motivering niet zou zien zitten, zou ik gewoon tegen de wet moeten zijn. Ik geloof dat u al maanden geleden hebt gezegd dat u tegen de wet was.

De heer Wijn (CDA)

Nee, dat heb ik niet gezegd. Dat zult u ook nergens kunnen aantreffen. De staatssecretaris heeft echter meerdere malen aangegeven dat de systematiek van de wet zo sterk is dat er geen rechtens relevant belang kan zijn om door te procederen. U hebt blijkbaar een toelichting nodig om uzelf daarvan te overtuigen. Ik kan daarom niet anders concluderen dan dat u weinig vertrouwen hebt in het systeem van de wet.

De heer Dittrich (D66)

Nee, ik heb heel veel vertrouwen in het systeem van de Algemene wet bestuursrecht. Zoals u weet, en zoals collega Van der Staaij kan bevestigen, is een hoofdregel dat je het moet motiveren als je een beslissing neemt. Ik vind dat dit ook moet gelden voor dit soort asielvergunningen.

De heer Wijn (CDA)

Ik trek dan toch de conclusie dat uw toelichting overbodig is, als dit al in de systematiek van de wet zit.

De heer Dittrich (D66)

Nee, natuurlijk niet. Daarom is het amendement juist nodig. In het voorliggende wetsvoorstel staat dat er niet gemotiveerd hoeft te worden. Niet alleen de coalitiefracties, maar ook de rest van de Kamer - gezien het amendement waaronder uw naam als eerste staat - vindt dat dit wel moet. Dit is dus een punt waarover wij het allen eens zijn. Het is toch heel erg mooi dat wij als Kamer tegen de regering zeggen dat in de wet moet staan dat er gemotiveerd moet worden. Dat is toch prima. Het is alleen jammer dat de oppositie daarover gezamenlijk, zonder ons erin te kennen, een amendement heeft ingediend.

De heer Wijn (CDA)

Voorzitter! Ik laat het hierbij, want het wordt mij nu iets te potsierlijk.

De heer Van der Staaij (SGP)

Ik begin met een procedureel punt. Ik heb namelijk begrepen dat de mensen van de regeringspartijen niet gestoord konden worden op het moment dat wij met de amendementen bezig waren, omdat zij in overleg waren. Ik vind het een beetje een raar verwijt dat zij erbuiten gehouden zouden zijn.

De heer Dittrich (D66)

Dat is niet juist.

De heer Van der Staaij (SGP)

Maar goed. Inhoudelijk geeft de heer Dittrich aan dat het verschil tussen de amendementen zit in de toevoeging en in de toelichting. Zoals collega Wijn al heeft gezegd, zijn de amendementen qua tekst verder precies hetzelfde. Het is dan relevant om te bekijken wat er precies in de toelichting van het amendement-Dittrich staat. In die tekst staat dat het uitgangspunt blijft dat de vreemdeling bij een dergelijk beroep geen rechtens relevant belang heeft. Begrijp ik uit het voorgaande betoog van de heer Dittrich dat dit eigenlijk niet zozeer een vaststelling, maar meer een veronderstelling is?

De heer Dittrich (D66)

U weet dat u en ik daar allebei vragen over hebben gesteld tijdens de wetgevingsoverleggen en dat daar ook antwoorden op zijn gekomen. Oorspronkelijk stond in lid 2 van het amendement dat er niet geprocedeerd mocht worden. Dat heb ik in het wetgevingsoverleg voorgesteld. U heeft mij toen geïnterrumpeerd en gezegd: als je dat doet, kan de burgerlijke rechter wel eens bevoegd worden. Dat heeft de staatssecretaris toen ook naar voren gebracht. Ik heb mij toen onder andere door u laten overtuigen en gedacht dat dat dan niet in het amendement zou moeten staan, aangezien daardoor anders een procedeermogelijkheid voor de burgerlijke rechter zou worden gecreëerd.

De heer Van der Staaij (SGP)

Maar dan zult u toch met mij eens zijn dat door een opmerking in de toelichting niet ineens het procesbelang kan vervallen.

De heer Dittrich (D66)

Nee, maar in de toelichting staat hoe de indieners het amendement zien. Als u mij vraagt of ik een 100% garantie kan geven dat een burgerlijke rechter ooit zal zeggen dat hij bevoegd is en beslissingen zal gaan nemen, dan kan ik u die niet geven. Dat kunt u echter ook niet.

De heer Van der Staaij (SGP)

U verwees zojuist naar het stuk van prof. Vermeulen in Ars Aequi en zei dat er op grond van bepaalde argumenten geen procesbelang aanwezig hoeft te zijn. In het vervolg van zijn betoog gaf hij echter aan dat het wel van belang is om helderheid te krijgen over de bewijspositie in het kader van een intrekking die betrokkene heeft. Wat zijn uw gedachten daarover? Vindt u de positie van de betrokkene voldoende helder?

De heer Dittrich (D66)

Dat hangt af van de redenen voor de intrekking. Ik wil deze vraag kortheidshalve doorgeleiden naar de regering. Het artikel van de heer Vermeulen gaat namelijk over allerlei andere aspecten. Daarom wil ik aan de regering vragen hoe zij daar tegenover staat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Als ik de heer Dittrich goed beluister, komen wij eigenlijk allemaal op hetzelfde inhoudelijke punt uit - ik ben heel blij dat de coalitie dat steunt - namelijk dat de motivering moet terugkeren en dat een intentieverklaring dat er niet doorgeprocedeerd mag worden, van geen enkele betekenis is voor de rechter. Dat erkent u dus ook.

De heer Dittrich (D66)

De rechter in Nederland is onafhankelijk. Hier vindt een debat plaats en alles wat hier gezegd wordt is voor de wetsgeschiedenis. Ik weet dat rechters die wetsgeschiedenis goed nalezen. Als zij zien dat de hele Kamer en de regering vinden dat je eigenlijk niet zou moeten doorprocederen, kan ik mij voorstellen dat dat een zeer belangrijk gegeven is. De rechter is echter onafhankelijk.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Er liggen twee volstrekt gelijkluidende amendementen. Nu ken ik de procedure in de Kamer een klein beetje en volgens mij betekent dat dat het amendement op stuk nr. 17 in stemming wordt gebracht en het amendement op stuk nr. 34, uw amendement, niet.

De heer Dittrich (D66)

Dat zou het zeker kunnen betekenen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Bent u dan bereid om voor het amendement-Wijn c.s. te stemmen?

De heer Dittrich (D66)

Dat is een goede vraag. Ik heb echter eerst het antwoord van de regering nodig, want de regering zit nog steeds op een heel ander spoor. Daarom ben ik zo blij dat ook de oppositie vond dat dit amendement moest worden ingediend. Wij zijn het er dus als gehele Kamer mee eens. Ik wil dus eerst de reactie van de regering horen. Het kan best zijn dat de regering zegt dat zij, als zij de hele Kamer zo hoort, met een nota van wijziging zal komen. Ik ben voor alles in. Het gaat mij er echter om dat de motivering terug moet komen. Dat heb ik in drie wetgevingsoverleggen gezegd en elders ook. Daar mag u mij dus aan houden.

Voorzitter! Er is een tijd geweest dat ongeveer 20% van de beschikkingen van de IND door de rechter vernietigd werd. Dat is voor het bestuursrecht een ongehoord hoog percentage. En dat gebeurt niet bij de aanvraag tot het verbouwen van een dakkapel, maar bij beslissingen die het leven van mensen verregaand kunnen bepalen. Daarom is in het regeerakkoord door de drie coalitiepartijen overeengekomen dat de kwaliteit van de beslissing in eerste aanleg aanmerkelijk dient te worden verbeterd. Op het eerste gezicht lijkt het schrappen van de bezwaarfase in asielzaken daarmee in tegenspraak te zijn. Praktisch overal in het bestuursrecht kan men eerst bezwaar maken tegen een negatieve beslissing bij het bestuursorgaan zelf om daarna in beroep te gaan bij de rechter. Waarom hier dan niet? Ik kan niet verhelen dat de fractie van D66 het moeilijk heeft met dit onderdeel van het regeerakkoord en het wetsvoorstel.

Om de kwaliteit van de beslissing van de IND op peil te houden, introduceert de regering de voornemenprocedure. Voordat de IND voornemens is, het verzoek af te wijzen, laat hij dat aan de vreemdeling weten. Deze kan dan op dit voornemen beargumenteerd reageren. De IND bekijkt die reactie. Blijft de IND bij de negatieve beslissing, dan zal hij die formeel doen uitgaan. Apert onjuiste beslissingen zullen er door de voornemenprocedure uitgezeefd worden. Dus de kwaliteit van de beslissing in eerste aanleg kan op peil blijven. Maar volgens het regeerakkoord dient dat peil te worden verhoog. Opnieuw vraag ik de regering op welke wijze dat wordt bereikt.

Overigens gaan sommige asielzoekers er met de introductie van de voornemenprocedure op vooruit. Ik denk hierbij aan de aanvragen van asielzoekers die niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond verklaard zijn, of ten aanzien van wie een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel is genomen. Voor hen geldt nu geen bezwaarprocedure en ook geen voornemenprocedure. Zij gaan er dus op vooruit. De fractie van D66 vindt dat de hoofdlijnen van de voornemenprocedure niet in lagere regelgeving moeten worden opgenomen, maar in de Vreemdelingenwet zelf. De uitwerking kan natuurlijk wel in lagere regelgeving. Het opnemen in de wetstekst geeft aan dat de wetgever de voornemenprocedure van bijzonder belang vindt om de kwaliteit van de beslissing van de IND te verbeteren. Daarom hebben wij op dit onderdeel een amendement ingediend. Daarin wordt voorgesteld dat ook de stukken die betrekking hebben op de asielaanvraag en die de asielzoeker niet kon kennen, bij de voorgenomen beslissing moeten worden gevoegd. Het gaat dus niet om openbare stukken, zoals rapporten van Amnesty International of algemene ambtsberichten, maar bijvoorbeeld om brieven die aan de IND zijn gestuurd met daarin informatie over de asielzoeker. Ik heb vernomen dat dit nogal eens voorkomt.

Toch staat of valt de verbetering van de kwaliteit van de beslissing in eerste aanleg met de kwaliteit van de hoor- en beslisambtenaren en de verdere invulling van de voornemenprocedure. Wil de staatssecretaris toezeggen dat de Kamer eerst inhoudelijk de AMvB over de voornemenprocedure kan bespreken, voordat zij in werking treedt? Wil de staatssecretaris ook ingaan op het bezwaar van vluchtelingenwerk dat de asielzoeker in de voornemenprocedure gehoord moet worden, de zogenaamde hoorplicht?

De heer De Wit (SP)

Bent u hiermee niet terug bij een normale procedure van bezwaar? Kunnen wij dan niet beter de voornemenprocedure afschaffen en gewoon bezwaar mogelijk maken? Op die manier wordt de kwaliteit van de beslissingen van de IND verhoogd en wordt een verdere procedure bij de rechter en zelfs hoger beroep voorkomen.

De heer Dittrich (D66)

Beide procedures zijn niet exact gelijk. Om die reden heeft mijn fractie hier ook moeite mee. Het is belangrijk dat de voornemenprocedure in de wet is opgenomen, maar zij is anders dan een normale bezwaarprocedure. In het regeerakkoord is afgesproken dat die laatste procedure geschrapt wordt als er hoger beroep wordt geïntroduceerd. Daar kom ik ook niet op terug.

De heer De Wit (SP)

U heeft gezegd, het te betreuren dat de bezwaarfase wordt afgeschaft.

De heer Dittrich (D66)

Dat klopt.

De heer De Wit (SP)

U zet nu een volgende stap. U wilt het mogelijk maken dat betrokkenen ook in het kader van de voornemenprocedure worden gehoord. Daarmee zit u eigenlijk al in de bezwaarfase.

De heer Dittrich (D66)

U moet scherp luisteren. Ik heb gezegd dat Vluchtelingenwerk er bij de Kamer op aandringt - ik neem aan dat u de brief ook heeft gezien - dat er een hoorplicht komt. De voornemenprocedure is nog vaag, zeker wat daarover in de wet staat. Dat moet nog verder uitgewerkt worden. Ik heb gezegd dat ik dat hier wil bespreken. Daarom wil ik de AMvB eerst hebben. Vluchtelingenwerk vindt dat er een hoorplicht moet komen. Die vraag leid ik door aan de staatssecretaris. Hoe ziet hij dat? Ik kan mij daar wel wat bij voorstellen. Ik zie ook wel bezwaren, maar daarvoor voeren wij dit debat. Eerst hoor ik graag een reactie van de staatssecretaris op dat punt.

Dan kom ik op de ex-nunctoetsing. Een groot nadeel van de huidige wet is dat de rechters in de beroepsprocedure alleen mogen kijken of de IND een terechte beslissing heeft genomen. Zij beoordelen dat aan de hand van de gegevens, die op het moment van de beslissing van de IND bekend waren. Nu zit er tussen de beslissing van de IND en die van de rechter een geruime tijd. Soms is dat zelfs meer dan een jaar. Er kan in de tussentijd dus veel gebeurd zijn. Wordt de asielzoeker afgewezen door de rechter, dan betekent dat in de huidige praktijk al gauw dat er een tweede of soms een derde asielverzoek wordt ingediend. Op zo'n manier komt er nooit een einde aan het procederen. Soms lijkt dit procedurestelsel wel eens op het bekende plaatje op een blikje van Drostechocolaatjes.

Daarom is de fractie van D66 het er zeer mee eens dat de regering in de nieuwe Vreemdelingenwet kiest voor de ex-nunctoetsing. Met de laatste stand van zaken dient door de rechter rekening te worden gehouden. Dit spaart vervolgprocedures uit. Heeft de rechter met de meest recente gegevens rekening gehouden en komt hij tot een afwijzende beslissing, ook in hoger beroep, dan vindt mijn fractie dat er geen argumenten meer zijn voor een tweede of een opvolgend asielverzoek. Mocht een asielzoeker daar toch toe overgaan, dan kan dat tweede verzoek naar onze mening in het aanmeldcentrum worden afgewezen. Gaat de asielzoeker tegen een negatieve beslissing in het aanmeldcentrum in beroep bij de rechter, dan komt hem naar de mening van mijn fractie geen recht op opvang meer toe. Het formeel uitsluiten van het mogen doen van een tweede asielverzoek lijkt mijn fractie weer te ver te gaan. Volgens mij is dat ook in strijd met internationale verdragen.

Er is wel een risico dat de rechter, wanneer hij rekening houdt met de laatste stand van zaken, op de stoel van het bestuur, de IND, gaat zitten. Daarom acht mijn fractie het raadzaam dat de rechter eerst aan de IND vraagt zich uit te laten over de nieuwe feiten en omstandigheden, zoals die door de vreemdeling zijn aangevoerd. De rechter zal van de IND moeten horen of die nieuwe feiten en omstandigheden de genomen beslissing beïnvloeden. Honoreert de IND de nieuw aangedragen feiten en omstandigheden, dan zal de IND de vergunning verlenen. Dan hoeft de rechter daar niet eens meer een uitspraak over te doen. Acht de IND de nieuwe feiten en omstandigheden irrelevant voor de beslissing of wel relevant, maar komen zij toch op andere gronden tot een afwijzing, dan pas is het aan de rechter er zijn oordeel over te geven.

Aangezien in artikel 81 sprake is van een facultatieve benadering, vindt mijn fractie dat dit echt een imperatieve bepaling moet zijn. De rechter moet weten dat hij in beginsel altijd met de nieuwe feiten en omstandigheden rekening dient te houden. In het artikel zelf staan de uitzonderingen op het hoofdbeginsel, namelijk de goede procesorde, de mogelijke vertraging en de relevantie van de feiten en omstandigheden die worden aangedragen. Dat staat al in de tekst. Het is aan de rechter om in elke concrete zaak die hij voor zich krijgt, te beslissen of die uitzonderingen zich voordoen. Daarom is door de coalitiepartijen op dit artikel een amendement ingediend.

De heer Van der Staaij (SGP)

Ik hoorde de heer Dittrich zeggen dat herhaalde aanvragen moeten kunnen worden afgewezen als de procedure nog loopt. Op welke grond zouden die dan afgewezen kunnen worden? Dat begreep ik nog niet helemaal.

De heer Dittrich (D66)

Het is goed dat u dat vraagt, dat ben ik eigenlijk vergeten te zeggen.

Een asielverzoek wordt ingediend en afgewezen. De rechter hoort op de zitting nieuwe feiten en omstandigheden. Hij vraagt aan de IND wat hij daarvan vindt. De IND vindt die niet belangrijk en blijft bij zijn afwijzing. Dan moet de rechter tot beoordeling overgaan. Hij houdt dan rekening met de laatste stand van zaken en komt dan tot een afwijzing.

Nu kan dat niet omdat onder de huidige wet niet ex nunc getoetst mag worden, maar ex tunc getoetst moet worden. Dat betekent dat een heleboel asielzoekers kunnen zeggen dat zij wel bij de rechter zijn geweest, maar dat deze alleen maar met de oude feiten rekening heeft gehouden. Zij hebben er dus alle belang bij, een tweede of derde asielverzoek in te dienen. Als je het ex-nuncsysteem aanhangt, heeft de rechter met de laatste stand van zaken rekening gehouden. D66 vindt in dat geval dat er eigenlijk geen plaats meer is voor een tweede asielverzoek. Er is immers rekening gehouden met de laatste stand van zaken. Ik voeg daaraan toe dat je het formeel nooit kunt uitsluiten, want je moet altijd een asielverzoek kunnen doen. Je kunt in het aanmeldcentrum dan wel tot een snelle afwijzing komen. Immers, de rechter die over de "bodemzaak" geoordeeld heeft, heeft met die laatste stand van zaken rekening gehouden. Het is een aanmerkelijke versnelling van procedures en voorkomt opvolgende asielverzoeken.

De heer Van der Staaij (SGP)

Het gaat dus niet om situaties waarin de rechter nog moet beslissen? Kan een herhaalde asielaanvraag, hangende zo'n zaak bij de rechtbank, al worden afgewezen of moet daarover in de visie van de heer Dittrich toch nog inhoudelijk worden beslist?

De heer Dittrich (D66)

Dat begrijp ik niet. Ik heb het over de situatie waarin de zaak bij de rechter aanhangig is en er nieuwe feiten en omstandigheden worden aangedragen. Het karakter van dit amendement is dat de rechter daarmee rekening moet houden.

De heer Van der Staaij spreekt over een situatie waarin tijdens die procedure al een ander verzoek wordt ingediend. Mij lijkt een dergelijk verzoek al helemaal niet ontvankelijk, omdat de rechter zich eerst nog moet buigen over het verzoek dat al is gedaan.

De heer Van der Staaij (SGP)

Dat is precies mijn vraag. Je weet nog niet of die rechter inderdaad vindt of de goede procesorde zich verzet tegen ex-nunctoetsing. Wat moet je in zo'n situatie dan doen? Hoe moet de IND met zo'n herhaalde aanvraag omgaan?

De heer Dittrich (D66)

Als er serieus te nemen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, moet de IND die bekijken. De IND kan uitstel vragen van de zitting, omdat de asielzoeker nieuwe dingen naar voren heeft gebracht die serieus lijken en goed bekeken moeten worden. De heer Van der Staaij vraagt nu of tijdens die periode waarin onbekend is wat de rechter ervan vindt, de asielzoeker een nieuw asielverzoek kan indienen. Mij lijkt dat heel onlogisch, want over het eerste asielverzoek moet nog door de IND geoordeeld worden. Als de IND met die nieuwe gegevens niets doet, omdat men de feiten niet nieuw vindt of onbelangrijk, dan moet de rechter daarover nog oordelen. Ook in die fase is er geen enkele aanleiding om een nieuw asielverzoek in te dienen. Je zou dan procedure naast procedure krijgen en dat is absoluut niet de bedoeling.

De heer Van der Staaij (SGP)

Is het gevolg van dit amendement niet dat de rechtbank in alle gevallen waarin de appellant zegt dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, de minister om een reactie gevraagd moet worden? Betekent dat geen vertraging van de procedure?

De heer Dittrich (D66)

Dat denk ik niet. Stel dat die nieuwe feiten op het laatste moment, op de zitting, bekend worden dan is het nu al, maar zeker in het nieuwe systeem zo dat eerst aan de IND en de vertegenwoordiger van de IND, de landsadvocaat, gevraagd wordt wat de overheid daarvan vindt. Pas daarna buigt de rechter zich erover. Het is natuurlijk een kwestie van hoor en wederhoor. Ik denk niet dat dit tot vertraging zal leiden. Als het tot een vertraging zou kunnen leiden, dan kan het in strijd met de goede procesorde zijn. Daarom staat in het artikel geformuleerd dat als de rechter die mening is toegedaan, hij dat naast zich mag neerleggen. In die zin is het systeem helemaal afgedekt.

Mevrouw de voorzitter! Ik wil gaan spreken over de ongedocumenteerden. In 1998 is daarover een heftig debat gevoerd in de Kamer en is de Wet ongedocumenteerden aangenomen. Dat heeft tot een wijziging in de Vreemdelingenwet geleid. Een asielzoeker zonder documenten moet aannemelijk maken dat hij een geldige reden heeft, geen documenten of reispapieren te hebben. Heeft hij een ongeloofwaardig verhaal dan kan zijn verzoek in het aanmeldcentrum worden afgewezen.

De fractie van D66 heeft nooit zo geloofd dat door deze aanscherping - omkering van de bewijslast werd het ook genoemd - het aantal asielzoekers met documenten en reispapieren in aantal zou toenemen. De wet moet op dit punt nog geëvalueerd worden, maar uit de praktijk bereiken mij geluiden dat het percentage ongedocumenteerden eerder is toe- dan afgenomen. Dat is een heel zorgelijk gegeven. Te vaak komt het voor dat asielzoekers hun documenten zoek maken en dat zij zonder documenten hier komen. Als dat opzettelijk gebeurt, lijden ook degenen die zonder papieren moeten vluchten daaronder. Hoe het ook zij, mijn fractie is het ermee eens dat er iets gedaan moet worden om het aantal ongedocumenteerden terug te dringen. Bij de behandeling van de Wet arbeid vreemdelingen heeft de fractie van D66 voorgesteld om asielzoekers die ongedocumenteerd door de aanmeldprocedure komen, bijvoorbeeld omdat er geen taalexpert binnen 48 uur beschikbaar was, niet in aanmerking te laten komen voor betaalde arbeid na de periode van zes maanden. Daarover hebben wij gesproken met minister Vermeend, die heeft toegezegd dat de regering die suggestie zal onderzoeken. Daar is mijn fractie blij mee: dit kan een rem betekenen op het wegmaken van documenten en reispapieren, ook al is dat lastig omdat er altijd mensen zullen zijn die er echt niets aan kunnen doen dat zij geen papieren hebben. Er moet dus goed bekeken worden of en, zo ja, hoe een soort scheiding kan worden aangebracht. Mensen die er niets aan kunnen doen dat zij geen papieren hebben, moeten natuurlijk kunnen werken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Dit is de tweede keer dat er verwezen wordt naar een toezegging die ik mij niet kan herinneren. Ik kan mij wel herinneren dat de heer Vermeend zei dat dit volstrekt onhaalbaar was, omdat 90% van de asielzoekers dan niet aan het werk zou kunnen.

De heer Dittrich (D66)

Ik weet niet of de heer Vermeend dat heeft gezegd, maar ik heb wel de brief van de regering met de vastlegging van de toezeggingen gezien. Misschien luister ik anders naar een debat: ik luister met name naar de toezeggingen aan mijn fractie en ik heb opgeschreven dat de regering dat gaat onderzoeken. U zegt dat dat helemaal niet zo is; bij dezen vraag ik de regering, die immers "een en ondeelbaar" is, daarom of dit inderdaad onderzocht zal worden. Ik ga ervan uit dat dit zo is. Mijn fractie ziet dit als een van de manieren om een rem te zetten op het aantal asielzoekers die hun papieren opzettelijk wegmaken voordat zij in het aanmeldcentrum komen.

In de 48-uursperiode van het aanmeldcentrum kan overigens niet alles uitgezocht worden wat noodzakelijk is om een flinterdunne zaak te onderscheiden van andere zaken. Ik heb er bij de discussie over de Wet arbeid vreemdelingen al op gewezen dat het wel eens zo kan zijn dat er helemaal geen geschikte tolk beschikbaar is. Op zich vindt mijn fractie het dus mogelijk dat een verlengde onderzoeksmogelijkheid naar aspecten rond identiteit en reis nodig is. Dat kan ook in het belang van de vreemdeling zelf zijn. Wij krijgen immers nogal eens signalen dat in aanmeldcentra zaken worden afgedaan waar de uitgebreide procedure veel beter geschikt voor is. Wij denken dus dat een verlengde onderzoeksmogelijkheid kan bijdragen aan het beter selecteren van zwakke zaken voor onmiddellijke afdoening.

Overigens kan ik mij ook een andere variant voorstellen die ik nu aan de staatssecretaris voorleg. Waarom kunnen zaken waarvan men in het AC vermoedt dat zij zwak zijn, maar die niet binnen de 48 uur of binnen de verlengde onderzoeksperiode afgedaan kunnen worden, niet bij voorrang in de gewone asielprocedure worden afgedaan? Zou het niet handig en praktisch zijn om een soort "zwakkezakenbrigade" bij de IND in te stellen die zich uitsluitend met dit type zaken bezighoudt? Uit de aanmeldcentra kan die brigade al horen welke zaken zwak zijn, maar waarvoor de tijd ontbrak om ze daar goed te bekijken. Als die zwakke zaken bij voorrang worden afgedaan, is de logische consequentie dat in de gewone procedure de serieuze zaken overblijven. Graag krijg ik op dit punt een reactie.

Ik kom te spreken over het besluitmoratorium. Op asielaanvragen moet binnen zes maanden beslist worden met - in sommige situaties; daarover heb ik al vragen gesteld - een verlengingsmogelijkheid van nog eens zes maanden. Dat blijkt uit artikel 40. Toch zijn er drie redenen op grond waarvan niet binnen deze termijn beslist hoeft te worden. Artikel 41 regelt het besluitmoratorium. Daar is in allerlei overleggen al uitvoerig over gesproken. Ik beperk mij daarom tot de grond onder c van artikel 41. Het aantal op grond daarvan ingediende aanvragen is zo groot dat de staatssecretaris redelijkerwijs niet in staat is om daarop binnen zes maanden een beschikking te geven. Door ervaring met de IND wijs geworden, kan ook onder de vigeur van de nieuwe Vreemdelingenwet een grote achterstand ontstaan, hoezeer de regering dat ook wil voorkomen. Het aantal ingediende aanvragen kan dan zo groot zijn dat er geen tijdige beslissing meer te verwachten is. Mijn fractie vindt dat een dergelijke situatie, waarbij de organisatie van de lND de reden is voor niet tijdig kunnen beslissen, geen reden mag zijn voor het afkondigen van een moratorium. Wil de staatssecretaris onomwonden toezeggen dat bij deze grond alleen gedacht wordt aan grote aantallen gelijktijdig ingediende asielaanvragen van vreemdelingen, die in een kort tijdsbestek een bepaalde situatie in hun land ontvluchten? Ik denk hierbij aan de situatie in Kosovo. Wil de staatssecretaris tevens toezeggen dat hij een soort "voornemenprocedure" met de Tweede Kamer afspreekt? Dat zou dan moeten inhouden dat eerst het voorgenomen moratorium met de Kamer wordt besproken en dat het wordt afgekondigd als de Kamer ermee akkoord gaat. Het besluitmoratorium is een besluit van algemene strekking waartegen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep openstaat. Verwacht de regering dat veel asielzoekers tegen een besluitmoratorium in beroep gaan? Hoe kan worden voorkomen dat hierdoor een papierwinkel ontstaat, die verlammend werkt op de Raad van State? Kunnen alle beroepen worden aangehouden wanneer het eerste in behandeling is? Moet dat niet in deze wet geregeld worden of is hierop de AWB van toepassing?

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Hoe ziet de heer Dittrich toetsing door de Kamer in verhouding tot toetsing door de rechter? Ook hier is de verhouding tussen bestuur en rechter in het geding.

De heer Dittrich (D66)

Ik neem aan dat de rechter zorgvuldig zal lezen wat hierover in de Kamer is besproken en dat hij daarmee rekening zal houden in zijn oordeel. De rechter is uiteraard onafhankelijk, dus mag ik niet veronderstellen dat hij het besluit van de Kamer zal volgen. Er kunnen immers in het verkeer tussen Kamer en regering zaken over het hoofd worden gezien die volgens de rechter wel degelijk een rol dienen te spelen. Het kan natuurlijk ook zijn dat hij het een slag anders ziet dan de Kamer en het bezwaarschrift honoreert.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

U bent op dit punt een stuk aarzelender dan wanneer het gaat om het gedrag van de rechter bij de motiveringsplicht en het doorprocederen. Ik ben mijn gedachten nog aan het vormen, maar hecht aan uw oordeel op dit punt. Het besluitmoratorium wordt aan een politieke toetsing onderworpen als wij daarover discussiëren in de Kamer. Acht u het denkbaar dat het onttrokken wordt aan rechterlijke toetsing?

De heer Dittrich (D66)

Ik denk dat dat niet mogelijk is omdat het besluitmoratorium moet worden beschouwd als een besluit van algemene strekking waartegen volgens de AWB en de nieuwe Vreemdelingenwet beroep mogelijk is. Er zijn veel amendementen ingediend door de oppositie zonder dat daarover met mij overleg is gepleegd, dus ik weet niet of er een amendement is ingediend dat ertoe strekt het uit de Vreemdelingenwet te halen. Ik zou daar niet direct mee kunnen instemmen.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voorzover ik kan overzien, ligt er nog geen amendement met die strekking. Hoe de politieke toetsing zich verhoudt tot de rechterlijke toetsing blijf ik een interessante vraag vinden. Wij hebben het zo-even gehad over de REK en de problemen die zich daarbij kunnen voordoen, kunnen zich heel goed ook bij het besluitmoratorium voordoen. Ik zoek naar uw en mijn positie in dezen!

De heer Dittrich (D66)

Dat is een heel interessant punt en naarmate wij er verder over praten denk ik dat het erg belangrijk is dat de rechter rekening houdt met de politieke besluitvorming. Als wij hier uitgebreid over een voorgenomen besluitmoratorium gesproken hebben, kan dat door een rechter op basis van dezelfde gegevens toch niet op een andere manier worden ingeschat? Maar goed, een rechter is onafhankelijk!

De heer Wijn (CDA)

Heeft de heer Dittrich dit al in het coalitieoverleg besproken?

De heer Dittrich (D66)

U staat zo te lachen en het is inderdaad wel een grappige vraag. In het coalitieoverleg spreken wij over hoofdlijnen die voortkomen uit het regeerakkoord. Ik kan u verklappen dat wij in dat overleg niet overal over praten. Wij hebben, dit even te uwer geruststelling, al tig keer in het openbaar over dit soort onderwerpen gesproken. Het is jammer dat ik het moet zeggen, maar dit is niet de eerste keer dat ik dit punt namens D66 aan de orde stel. U hebt dat ook al eerder kunnen horen in een wetgevingsoverleg.

De heer Wijn (CDA)

Vindt u dit wel of niet een hoofdlijn? Als u zegt dat dit niet in een coalitieoverleg aan de orde is geweest, dan vindt u dit blijkbaar dus geen hoofdlijn.

De heer Dittrich (D66)

Ik vind het wel een hoofdlijn, want ik probeer in dit debat alleen op hoofdlijnen te praten!

De heer Wijn (CDA)

Als u in de coalitie over hoofdlijnen gesproken hebt en het blijkt dat het hier nog niet ligt, maar u brengt het nu aan de orde, dan was men het in het coalitieoverleg blijkbaar niet met u eens!

De heer Dittrich (D66)

U kijkt mij zo verlekkerd aan alsof uzelf bij dat coalitieoverleg aanwezig had willen zijn.

De heer Wijn (CDA)

Ik vind eerlijk gezegd dat u mij nogal dubieus aankijkt!

De heer Dittrich (D66)

Dubieus nog wel! In ieder geval is dit voor mijn fractie een hoofdlijn en wil ik dit punt inbrengen. In een goed dualisme hoor ik vervolgens graag wat de regering daarvan vindt. Ik moet zeggen - de heer Rouvoet zal dat met mij eens zijn - dat dit inderdaad een belangrijk punt is, zeker waar het gaat over het snijvlak tussen de onafhankelijke rechter en de politieke besluitvorming.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Ik heb nog een andere vraag ten aanzien van het besluitmoratorium en dat betreft de relatie tot het amendement-Kamp c.s. op stuk nr. 36 dat door u is medeondertekend. Dat gaat om de omkering van de bewijslast op de onveilige landen. Voortaan zal een asielzoeker aannemelijk moeten maken of hij inderdaad te vrezen heeft en zal er geen sprake meer zijn van een lijst van veilige en onveilige landen. Naar mijn idee is een onvoorziene consequentie van dat amendement dat het besluitmoratorium overbodig wordt. Zoudt u daar eens op in willen gaan?

De heer Dittrich (D66)

Ik ben het niet met u eens dat daardoor het besluitmoratorium overbodig wordt. Het amendement dat collega Kamp als eerste indiener ongetwijfeld uitgebreid zal toelichten, strekt ertoe dat de lijst van veilige landen kan worden uitgebreid. Nu is de hoofdregel dat iemand die uit een veilig land komt en zich in een AC aanmeldt bijzondere redenen moet aangeven waarom hij een asielverzoek indient en waarom hij denkt dat dit verzoek ook kans maakt. Kan hij dat niet, dan is er al die omkering van de bewijslast en wordt dat in het AC afgedaan. Ik noem maar een voorbeeld. Nu staat op de lijst van veilige landen Roemenië. Een asielverzoek van een Roemeen die zich bij het AC meldt wordt daar afgedaan, tenzij hij zegt dat hij homoseksueel is en dat hij in Roemenië wordt vervolgd omdat dit daar strafbaar is. In dat geval hoort dat verzoek uit de AC-procedure gelicht te worden en moet dat in een gewone procedure bekeken worden, hetgeen kan leiden tot een toewijzing. Door het amendement van collega Kamp wordt die systematiek uitgebreid naar meer landen die in onze optiek veilig zijn, die dus allerlei verdragen hebben ondertekend. U zegt dat het besluitmoratorium daar invloed op heeft, maar dat gaat, althans wat betreft grond C, over een enorme komst van mensen uit een bepaalde oorlogssituatie, zoals Kosovo. Een massale aanmelding dus. Het is dan logisch dat de IND dat niet aan kan en dat er dan door de staatssecretaris een besluitmoratorium wordt gepresenteerd. Hier gaat het meer om individuele asielverzoeken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Ik verwijs ook niet naar het C-criterium in het moratorium. Overigens hebben wij inderdaad een amendement ingediend om het moratorium in te perken. Het gaat om een van de andere criteria, namelijk de onzekere situatie in het land van herkomst. Dit is volgens mij een categoriaal criterium, maar dit valt mijns inziens weg als het amendement op stuk nr. 36 wordt aangenomen. Dit betekent dat een aantal van de redenen voor het instellen van het besluitmoratorium vervalt, waardoor de staatssecretaris dit minder vaak zal kunnen instellen.

De heer Dittrich (D66)

Volgens de redenering van mevrouw Halsema zou de staatssecretaris dan minder snel tot een besluitmoratorium kunnen komen. Dit staat echter nog te bezien. Ik wil die vraag doorleiden aan de regering, maar ik geloof dit eerlijk gezegd niet.

Mevrouw de voorzitter! Tijdens het wetgevingsoverleg heb ik namens mijn fractie bezwaar geuit tegen de regeling dat een eventuele vergunning pas ingaat op het moment van een beslissing op een aanvraag waarop het besluitmoratorium van toepassing is. De hoofdregel in andere zaken is dat de geldigheidsduur van de vergunning voor bepaalde tijd ingaat op het moment van aanvraag. Ik wil onze bedenkingen duidelijk maken aan de hand van een voorbeeld.

Ik ga er even van uit dat de wet op 1 januari 2001 in werking treedt. Een asielzoeker uit Tsjetsjenië vraagt op 1 januari 2001 asiel aan. Als de wet werkt zoals de regering verwacht en er gunstig wordt beslist, krijgt hij binnen zes maanden een asielvergunning voor bepaalde tijd. De looptijd van drie jaar gaat in op de dag van de aanvraag, dat wil zeggen op 1 januari 2001. Maar nu het voorbeeld dat niet binnen zes maanden kan worden beslist en per 1 juli 2001 - dus na zes maanden - een besluitmoratorium wordt vastgesteld voor Tsjetsjeense asielzoekers. Dan vindt er maximaal een jaar uitstel plaats en op uiterlijk 30 juni 2002 moet over zijn aanvraag worden beslist. Indien de aanvraag wordt toegewezen en betrokkene een asielvergunning voor bepaalde tijd krijgt, gaat de looptijd van drie jaar in per 30 juni 2002. Zo kan het dus voorkomen dat de ingangsdata van asielaanvragen die vlak na elkaar zijn ingediend, uiteindelijk vanwege het besluitmoratorium enorm uiteen zullen lopen. Is dit wel een te rechtvaardigen verschil? Ik heb dit punt al eerder in een wetgevingsoverleg aan de orde gesteld. Ik heb behoefte aan een nadere toelichting van de staatssecretaris op dit punt.

Mevrouw de voorzitter! Volgens artikel 27, lid 1, onder e, kan een asielvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die zijn echtgenoot of ouder binnen drie maanden nadat aan die echtgenoot of ouder de asielvergunning voor bepaalde tijd is verleend, is nagereisd.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

De heer Dittrich heeft grond C iets anders omschreven dan in de tekst van de wet. Zou hij er niet voor voelen om - zoals ik ook al tijdens het wetgevingsoverleg heb gesuggereerd - behalve gronden A en B, ook grond C expliciet categoraal te maken en te binden aan een massale instroom uit een bepaald land of een bepaalde regio? Hoe denkt hij hierover?

De heer Dittrich (D66)

Ik vind dit een interessante gedachte. Ik zal bezien hoe zij in het amendement wordt omschreven en hoe zij zich verhoudt tot de andere leden van dit artikel. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de regering op deze suggestie, maar ik zeg niet bij voorbaat dat wij dit niet zouden moeten doen.

Mevrouw de voorzitter! Ik vervolg mijn betoog over het nareiscriterium. De D66-fractie vindt de termijn in het wetsvoorstel van zes maanden alleszins redelijk. Men moet zich ook bedenken dat aan het moment van de asielvergunning nog een periode van minimaal zes maanden vooraf is gegaan. Maar is het wel zo redelijk het nareiscriterium te beperken tot echtgenoten en minderjarige kinderen? Wij zijn het op dit punt niet met de regering eens en daarom hebben wij het amendement van de fracties van de PVDA en de VVD mede ondertekend en ingediend. Waarom zouden bijvoorbeeld homoseksuele partners achter moeten worden gesteld bij echtgenoten? Waarom zouden meerderjarige kinderen die afhankelijk zijn van de vreemdeling die al een vergunning heeft gekregen van het nareiscriterium moeten worden buiten gesloten?

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Het zal u niet verbazen dat wij blij waren met dit amendement. Voor één verruiming is niet gekozen en dat verbaast mij een beetje. U was daar zeer kritisch over tijdens de wetgevingsoverleggen. Het betreft de eis dat partners van dezelfde nationaliteit moeten zijn.

De heer Dittrich (D66)

Ik heb daarover vragen gesteld. De regering heeft mij overtuigd. Het is niet nodig om over dezelfde nationaliteit te beschikken. Degene die een andere nationaliteit heeft, maar wel tot het gezinsverband behoort, kan op andere gronden in Nederland een vergunning tot verblijf krijgen. Dat heeft de regering geantwoord. Ik heb dat op mij laten inwerken. Ik kan mij daarin vinden. Er was geen aanleiding voor het indienen van een amendement.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Ik snap dat, eerlijk gezegd, niet. Ik snap ook niet hoe het zich verhoudt tot uw redenering van zo-even. U vind het gezinsleven belangrijk en er mag niet gediscrimineerd worden naar niet-getrouwden, homoseksuelen en meerderjarige kinderen. Waarom introduceert u dan wel een toch enigszins discriminerende eis, dat gezinshereniging eigenlijk alleen maar mogelijk is als partners dezelfde nationaliteit hebben? Er zijn tal van paren die een verschillende herkomst hebben, maar daarom wellicht niet minder van elkaar houden.

De heer Dittrich (D66)

Natuurlijk, maar u zegt dat het discriminatie is als je een onderscheid aanbrengt naar nationaliteit. Dat is geen discriminatie. Ik maak het met een voorbeeld duidelijk. Iemand uit Somalië is getrouwd met iemand uit Soedan. Als ze gelijktijdig vluchten, is er niets aan de hand. Zij dienen dan samen een verzoek in. De een komt eerder, krijgt een vergunning. Nu heeft de ander een andere nationaliteit. Kun je dan zeggen dat het nareiscriterium op die ander niet van toepassing is? Ik heb daarover vragen gesteld. Mijn eerste reactie was: wat raar, want is het toch een gezinsverband, en je moet het meenemen. De regering heeft geantwoord: het hoeft niet want die ander kan zelf die vergunning aanvragen. Hij krijgt die omdat hij in gezinsverband heeft geleefd, uit dezelfde situatie komt. Ik zie het probleem niet meer. Ik heb mij laten overtuigen en daar zijn de debatten voor.

Ik kom over hoger beroep te spreken. De kwaliteit van de beslissing in vreemdelingenzaken zal verbeteren door invoering van het hoger beroep. Eindelijk zal in deze wet ongedaan gemaakt worden wat indertijd door het CDA/PvdA-kabinet ten onrechte onmogelijk was gemaakt. D66 heeft zich toen en vanaf die tijd ook beijverd voor introductie van het hoger beroep. In het vorige regeerakkoord was nog een adviesaanvrage op dit punt van de Hoge Raad opgenomen. De Hoge Raad heeft - het was in 1995 - geadviseerd dat er een beperkte vorm van hoger beroep mogelijk moest zijn. Toen ook de VVD het verzet gestaakt had, kwam het vorige kabinet met een wetsvoorstel om hoger beroep in te voeren. Bij nadere beschouwing leek het beter het hoger beroep te regelen in het kader van de algehele herziening van de Vreemdelingenwet. Het andere wetsvoorstel is nog steeds bij de Kamer aanhangig. Mijn fractie vindt het voorstel van de regering nog steeds niet ver genoeg gaan. Wij vinden dat er een uitgebreidere regeling nodig is, met name op het punt van de vreemdelingenbewaring. Het is een vrijheidsontnemende maatregel met verstrekkende gevolgen. De vreemdeling wordt slechts om administratieve redenen van zijn vrijheid beroofd. Over die principiële beslissing moet de rechter in hoger beroep zijn oordeel kunnen geven. Dat is ook de reden waarom D66 samen met de twee andere fracties een amendement terzake heeft ingediend. Wij zijn overigens blij met het standpunt van de regering om in te gaan tegen de wens van de PvdA en de VVD om de vreemdelingenbewaring voor onbepaalde tijd mogelijk te maken. Vreemdelingenbewaring is en blijft een administratieve maatregel en het is geen straf. De bewaring dient om de vreemdeling te kunnen uitzetten. Als er geen enkel reëel vooruitzicht op uitzetting is, kan de bewaring niet voortduren en moet die worden opgeheven, hoe onbevredigend dat ook kan zijn. Maar administratieve opsluiting voor onbepaalde tijd past niet in ons land. Een dergelijke opsluiting zal ook in de ogen van de onafhankelijke rechter geen genade ondervinden.

De heer Middel (PvdA)

Voorzitter! Hoe sympathiek de meeste opvattingen van de D66-fractie ook zijn, ik heb er toch een beetje moeite mee dat nu al voor de tweede keer vanmiddag een punt waarvan ik dacht dat het uitgediscussieerd was, langs een omweg terugkomt. Dat gebeurt dan ook nog op een manier die niet geheel recht doet aan de werkelijkheid inzake de vreemdelingenbewaring. Wij hebben indertijd bijna Kamerbreed, met uitzondering van D66...

De heer Dittrich (D66)

Ik meen dat GroenLinks ook tegen was.

De heer Middel (PvdA)

Dat klopt. U bevond zich in gezelschap waarvoor u zich niet hoeft te schamen. Maar in ieder geval de drie grootste fracties hebben duidelijk gemaakt dat het zaak is om illegalen die crimineel gedrag vertonen, niet op straat te laten lopen, maar hen aan te houden, te veroordelen, hun straf uit te laten zitten en ondertussen er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat deze mensen het land verlaten. Voor die categorie was de motie bedoeld. En nu houdt u een generaliserend verhaal over de vreemdelingenbewaring, terwijl u weet dat dit niet de strekking was van de motie-Middel die indertijd is aangenomen. Ik wil dat toch even benadrukken, anders zou er een verkeerd beeld ontstaan in de discussie over deze wet, alsof de PvdA er een voorstander van zou zijn om onbeperkt tot vreemdelingenbewaring over te gaan. Dat is bepaald niet het geval.

De heer Dittrich (D66)

Het is goed dat u mij op dat punt interrumpeert. Wij moeten dat nog maar eens even uitdiscussiëren. Het gevolg van uw motie is wel dat mensen die een gevangenisstraf hebben gekregen omdat zij zich crimineel hebben gedragen, tijdens de straf of daarop volgend in vreemdelingenbewaring worden genomen om uitgezet te worden. In uw motie, die inderdaad door een meerderheid van de Kamer is ondersteund, heeft u aangegeven dat deze bewaring net zo lang moet duren tot de uitzetting plaats kan vinden. Ik heb u toen voorgehouden dat dit niet kan, omdat iemand dan twee, drie, vier, misschien wel vijf jaar in vreemdelingenbewaring blijft, als de uitzetting niet geëffectueerd kan worden. Over deze groep praten wij, laten wij daar duidelijk over zijn. Ik vond dat onterecht. Natuurlijk willen wij allemaal dat deze mensen het land verlaten en wij moeten van alles doen om de uitzetting mogelijk te maken. Maar de bewaring is een administratieve maatregel en u kunt niet volhouden dat die tot sint-juttemis moet duren. Uw motie is aangenomen en wij hebben daar in het wetgevingsoverleg over gesproken, onder andere naar aanleiding van het rapport over vreemdelingen in de strafrechtketen, het VRIS-rapport. De regering heeft vervolgens in een brief geschreven dat zij die motie niet zal uitvoeren. Ik zeg nogmaals dat ik dit een heel goed standpunt van de regering vind.

De heer Middel (PvdA)

Voorzitter! De winst van deze interruptie is in ieder geval dat de heer Dittrich aangeeft dat het om een beperkte groep gaat. Het gaat niet om de hele categorie vreemdelingen. Daarnaast is het juist dat de regering heeft aangetoond dat het om praktische redenen moeilijk is om de motie uit te voeren. De intentie van de motie was dat criminele illegalen niet meer door een draaideureffect op straat komen te staan, maar dat zij vastgehouden worden. In principe kan dit betekenen dat deze bewaring langer gaat duren dan aanvankelijk was voorzien. Wij moeten dat op de koop toenemen. Hoe het in de praktijk uitwerkt, zullen wij wel zien en daar zullen wij nog wel op terugkomen. Maar ik wil in dit debat graag duidelijkheid over de intentie die aan de motie ten grondslag lag. De motie beperkte zich tot de criminelen.

Voorzitter Het lijkt mij goed dat u dit punt straks in uw eigen betoog opneemt, waarmee ik maar wil zeggen dat dit eigenlijk geen interruptie was. Ik schijn dit altijd expliciet te moeten zeggen...

De heer Dittrich (D66)

Voorzitter! De intentie van de motie de heer Middel was wel duidelijk, maar uitvoering daarvan zou in de praktijk onmogelijk zijn. Ik heb toen al gezegd dat vreemdelingenbewaring volgens de jurisprudentie zo'n zes maanden duurt. In sommige situaties kan dit oplopen tot acht à negen maanden, als de vreemdeling echt tegenwerkt, maar dan houdt het op. De intentie van de motie van de heer Middel was om de vreemdelingenbewaring in sommige situaties voor onbepaalde tijd te laten duren en dat kan gewoon niet. Ik ben blij dat de heer Middel dat ook inziet.

Voorzitter! De status van de Rechtseenheidkamer in verband met de vreemdelingenbewaring is natuurlijk informeel. Rechters van alle nevenzittingsplaatsen kunnen participeren in de Rechtseenheidkamer.
Voorzitter: Weisglas

De heer Dittrich (D66)

Voorzitter! Als het wetsvoorstel is ingevoerd, inclusief het amendement van hoger beroep, zullen er zaken blijven liggen waartegen geen hoger beroep mogelijk is. Ik noem als voorbeelden de beschikking over visa voor een kort verblijf van minder dan drie maanden en besluiten over schadevergoeding voor onrechtmatige vrijheidsbeneming, bijvoorbeeld als iemand ten onrechte te lang in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Tegen deze zaken is geen hoger beroep mogelijk. Het is de vraag of voor dit soort zaken nog een Rechtseenheidkamer noodzakelijk is. Uiteraard is dit aan de rechters zelf ter beoordeling, maar mij lijkt dat er niets tegen is dat rechters van verschillende nevenzittingsplaatsen bij elkaar komen en proberen in dezelfde soort zaken tot rechtseenheid te komen. Voor zaken waartegen een hoger beroepen open staat, kan ik mij voorstellen dat er geen rol meer voor de Rechtseenheidkamer is weggelegd. Welke gedachten heeft de staatssecretaris hierover?

Volgens artikel 48, lid 1, zijn ambtenaren, belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd om op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De fractie van D66 vindt dat deze grond te ruim is geformuleerd. De huidige wet kent in artikel 19 als reden, concrete aanwijzingen over illegaal verblijf. Natuurlijk kennen wij de verhalen van de vreemdelingenpolitie dat het moeilijk is om met het criterium "concrete aanwijzingen" te werken en dat dit vleugellam maakt. In de praktijk zie je dan ook dat vreemdelingentoezicht niet veel voorstelt. Ik meen dat de heer Verhagen het redelijk vermoeden en de werking van het vreemdelingentoezicht op straat bij de vorige staatssecretaris aan de orde heeft gesteld. Ik begrijp niet dat de toenmalige staatssecretaris Schmitz toen zei dat na onderzoek bleek dat hier niet veel problemen mee waren, terwijl wij nu signalen van de vreemdelingenpolitie krijgen dat zij niet uit de voeten kan met de wettelijke omschrijving. Ik vraag deze staatssecretaris om daarop te reageren en dat te verklaren. De ene staatssecretaris zei dat er in de praktijk geen problemen waren, maar waarom is dan toch in het wetsvoorstel een heel nieuw criterium ingevoerd? Het voorgestelde criterium van redelijk vermoeden creëert de mogelijkheid dat de politie op straat mensen aanhoudt die opvallen omdat ze er bijvoorbeeld anders uitzien of een andere taal spreken. Vindt zo'n staandehouding dan plaats op grond van een vermoeden dat redelijk is? Die term "redelijk" is vaag en laat ruimte voor subjectieve interpretaties van de ambtenaar. Het risico bestaat dat de staandehouding dan ook op onterechte gronden gebeurt. Als de personen hun papieren laten zien en er is niets aan de hand, dan zullen wij daar bijna nooit achterkomen. De meeste mensen dienen niet gauw een klacht in en zullen gewoon doorlopen.

Toch kan door een te ruim geformuleerde bepaling in de wet, de sfeer op straat en dus in de samenleving, verslechteren. Wij willen geen samenleving waarin mensen bijvoorbeeld met een ander kleurtje de kans lopen dat ze op straat steeds om hun papieren gevraagd worden. Vanuit de gedachte dat de vreemdelingenpolitie voldoende armslag moet hebben om aan een effectief vreemdelingentoezicht te doen en in het achterhoofd dat niet al te gemakkelijk personen staande gehouden moeten kunnen worden, hebben de coalitiepartijen na lang beraad een wijzigingsvoorstel ingediend. Wij hebben "redelijk vermoeden" herschreven tot "feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren". Met die formulering ben ik ervan overtuigd dat onze bezwaren goeddeels worden ondervangen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Voorzitter!...

Voorzitter Mevrouw Halsema, u gaat met mijn toestemming nu uw vijftiende interruptie maken!

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Dan heb ik er waarschijnlijk nog een boel te gaan!

Voorzitter! Ik vind het interessant dat de heer Dittrich is teruggekomen van zijn eerdere stelling dat de formulering "concrete aanwijzingen" weer in de wet moest worden opgenomen. Hij zet nu de jurisprudentie rond "redelijk vermoeden" in de wet, zo begrijp ik althans. Hij wil vermijden dat mensen op grond van subjectieve criteria staande worden gehouden. Is huidskleur een subjectief of een objectief criterium?

De heer Dittrich (D66)

Wat door het amendement niet meer mogelijk is, is dat louter op basis van subjectieve gevoelens van de ambtenaar iemand op straat staande kan worden gehouden en gevraagd kan worden om zijn papieren te laten zien. Om die reden is het amendement ingediend, dat spreekt over feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf hebben. Dat betekent dat iemand met een andere huidskleur dus niet zo maar staande kan worden gehouden om zijn papieren te tonen. Er moeten feiten en omstandigheden plaatsvinden die objectiveerbaar zijn. Zo moet dat bijvoorbeeld te maken hebben met een huis, waarvan bekend is dat er vele vreemdelingen illegaal verblijven. Ook in de jurisprudentie is dat uitgemaakt en dat soort dingen willen wij in de wetstekst vastleggen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Nu komt u toch aan het punt. U zegt dat er een huis moet zijn waarvan bekend is dat er veel illegalen zijn. Dat is precies wat een "concrete aanwijzing" dekt! Als er een huis is waar illegalen verblijven, heeft de politie haar noodzakelijke concrete aanwijzing om te kunnen ingrijpen!

De heer Dittrich (D66)

Dan hebt u ook geen bezwaar tegen het amendement, want in uw optiek is er dan geen verschil tussen concrete aanwijzingen en dit amendement. Ik ben dankbaar voor de steun.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

Dat is heel slim maar u probeert een nieuwe categorie te introduceren tussen "redelijk vermoeden" en "concrete aanwijzingen". Mijns inziens is dat echter niet mogelijk en val je ofwel terug op "redelijk vermoeden" of op "concrete aanwijzingen". Ik begrijp overigens niet waarom u dit voorbeeld, dat overigens duidelijk binnen de "concrete aanwijzingen" valt, niet gewoon in de wet zet.

De heer Dittrich (D66)

Omdat dit voorbeeld valt onder de "objectieve maatstaven". U bent van mening dat er een keuze is tussen "redelijk vermoeden" en "concrete aanwijzingen" maar u doet net alsof het een digitale keuze is. Er zijn echter allerlei mogelijkheden. Wij hebben er lang over nagedacht na al die openbare debatten waarin dit punt aan de orde kwam en hebben een formulering gevonden die mijn fractie tevredenstelt. En dat is deze formulering.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voorzitter! Ik herinner mij dat ik de staatssecretaris hierover tijdens het wetgevingsoverleg vragen heb gesteld. Ik heb hem onder andere gevraagd of onder "redelijk vermoeden" hetzelfde niveau qua feitelijke grondslag worden aangenomen als bij artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De staatssecretaris heeft daar bevestigend op geantwoord. Met dit amendement voegt de heer Dittrich hieraan "feiten en omstandigheden" toe. Dat heeft artikel 27 Wetboek van Strafvordering ook staan en daar kan ik mij dus iets bij voorstellen. De heer Dittrich voegt er echter nog iets aan toe en wel "naar objectieve maatstaven gemeten". Wat voegt dat element toe aan wat er al in het Wetboek van Strafvordering staat? Zonder die terreinen door elkaar te halen, wil ik vragen of het om hetzelfde niveau van vermoeden, van feitelijkheid gaat als basis voor het redelijk vermoeden. Wekt de heer Dittrich daarmee niet de indruk meer en iets anders te willen dan wat in artikel 27 Wetboek van Strafvordering wordt gevraagd?

De heer Dittrich (D66)

Ja, er is aan toegevoegd "naar objectieve maatstaven gemeten". Dat is iets extra's dan alleen "feiten en omstandigheden". Iedereen kan zeggen dat het feiten en omstandigheden zijn, maar "naar objectieve maatstaven gemeten" is een stapje extra. Daarom staat dat ook zo in het amendement. Overigens geef ik de heer Rouvoet graag toe dat de praktijk nog moet leren om hiermee om te gaan. De rechtspraktijk moet weten of dit een te ruim of een te strak criterium is. Daarom vraag ik de staatssecretaris ook of hij met maatschappelijke organisaties zoals het Landelijk bureau racismebestrijding contact wil opnemen om te kijken of gemonitord kan worden of mensen, als zij klachten hebben omdat zij ten onrechte staande worden gehouden, de weg weten naar het Landelijk bureau racismebestrijding. Daarmee kan de werking van deze bepaling in de praktijk goed bekeken worden. Ik zou bovendien graag zien dat in de evaluatie van de nieuwe Vreemdelingenwet hierop verder wordt doorgegaan.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voorzitter! Ik ga nog een paar stappen terug. De heer Dittrich zegt dat er nu iets extra's wordt gevraagd. Niet alleen wordt naar de feiten en de omstandigheden gevraagd, maar die moeten ook nog eens naar objectieve maatstaven worden gemeten. Daarmee zegt hij dat dit in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering niet het geval is. Denkt de heer Dittrich vol te kunnen houden dat deze bepaling, anders dan in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, objectief wordt? Meent hij dat in alle oprechtheid?

De heer Dittrich (D66)

Wij behandelen nu niet het strafrecht en de strafvordering, maar het administratief recht, namelijk de Vreemdelingenwet. Daarom is het volkomen terecht dat de collega's Kamp en Middel en ik gezegd hebben dat wij de objectieve maatstaven moeten expliciteren in de wet.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Voorzitter! Mijn vraag was niet of de heer Dittrich het met mij eens is dat er een verschil is tussen het strafrecht en het vreemdelingenrecht, het bestuursrecht. Wij hebben het hier over het niveau van de feitelijke grondslag voor een redelijk vermoeden. De heer Dittrich suggereert in zijn interventie in dit debat dat hij dit heel objectief wil maken in het bestuursrecht, omdat het in het strafrecht niet objectief zou zijn. Hij heeft dus de term "naar objectieve maatstaven gemeten" nodig. Die stelling kan hij, denk ik, niet volhouden.

De heer Dittrich (D66)

Ik meen dat ik dit wel vol kan houden. Ik heb dat met argumenten aan de heer Rouvoet voorgehouden.

Mevrouw Halsema (Groenlinks)

Voorzitter! Ik heb nog een vraag over het tweede deel van het exposé van de heer Dittrich. Hij verzoekt de regering om het nieuwe criterium te laten monitoren door het Landelijk bureau racismebestrijding. Naar mijn idee spreekt daaruit de angst dat mensen onterecht aangehouden zullen worden, want anders zou zo'n verzwaard systeem van controle niet nodig zijn. Is die indruk terecht?

De heer Dittrich (D66)

Nee, die indruk is niet terecht. Ik ben niet zo bang aangelegd. Ik heb wel scherp de brief voor ogen die het Landelijk bureau racismebestrijding naar de gehele Kamer heeft gestuurd en die mevrouw Halsema dus ook gelezen zal hebben. Daarin staat dat het bureau denkt dat door het criterium dat de regering voorstelt, "redelijk vermoeden", veel mensen ten onrechte staande gehouden zullen worden. Wij hebben goed naar die redenering geluisterd en zijn met een strenger criterium gekomen, zodat het in de praktijk minder vaak voorkomt. Hoe je het echter ook wendt of keert, het is een nieuw criterium in de Vreemdelingenwet. Ik wil dan ook dat goed bekeken wordt op welke manier dit op straat gaat. Daarvoor hebben wij het Landelijk bureau racismebestrijding nodig.

Meneer de voorzitter! Ik kom op het punt van het binnentreden van een woning en van andere plaatsen. Door de aanpassing van het artikel over staandehouding moest ook het artikel over het binnentreden van woningen, artikel 51, worden gewijzigd. Ook daar verandert het criterium in: feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. Tijdens het wetgevingsoverleg heeft de staatssecretaris meegedeeld dat onder een woning ook valt een kerk of een andere plaats waar illegale vreemdelingen zijn ondergebracht door hulpverleners. Als het bijvoorbeeld bekend is dat een kerkelijke organisatie zich principieel verzet tegen het democratisch tot stand gekomen vreemdelingenbeleid en aan uitgeprocedeerde asielzoekers die van de overheid moeten vertrekken, opvang en ondersteuning biedt, kan, naar de letter, artikel 51 van toepassing zijn. De fractie van D66 vindt dat het sluitstuk van het vreemdelingenbeleid, de uitzetting, niet mag stuiten op actieve tegenwerking van derden. Wij willen echter ook niet dat de vreemdelingenpolitie kerken en andere opvangplaatsen met razzia-achtige invallen gaat schoonvegen. Ik vraag de staatssecretaris daarom welk beleid hij uitstippelt om in dit dilemma te opereren. Het vreemdelingentoezicht moet effectief zijn en mag niet onmenselijk zijn. Hoe gaat de staatssecretaris daar in de praktijk mee om, nu artikel 51 dit in wezen toelaat? Wanneer pleegt een organisatie of een gemeente die een illegale vreemdeling opvang biedt en ondersteunt, een strafbaar feit? Hoe gaat het openbaar ministerie daar in de praktijk mee om? Wordt daarvoor een vervolgingsrichtlijn opgesteld? Kortom, hoe zal dat er in de praktijk uitzien?

De heer Middel (PvdA)

Nu de heer Dittrich deze meer juridische kant aan de staatssecretaris voorlegt, wil ik hem vragen hoe hij daar politiek tegen aankijkt. Ik geef een voorbeeld om de zaak aan op te hangen. Op dit moment speelt in Zuidoost-Drenthe het geval van de Stichting India die via kerkasiel uitgeprocedeerde asielzoekers heeft opgevangen. Zij wist op een bepaald moment niet meer hoe zij daarmee moest omgaan en heeft het toen op het bordje van de samenleving gelegd. Tegen de gemeente Emmen heeft de stichting gezegd dat zij geld wil hebben en de gemeente overweegt om dat te geven. Wat is het politieke oordeel van de heer Dittrich over zo'n situatie?

De heer Dittrich (D66)

Politiek vind ik dat een onverstandige houding van de gemeente, want die gaat dan als het ware tegen het landelijk beleid in ondersteuning bieden. Ik sta er dan ook niet positief tegenover. Iets anders is echter hoe je daar in gaat grijpen. Ik zeg tegen de staatssecretaris: wees daar behoedzaam in. Bekeken moet worden hoe met dat soort lastige kwesties moet worden omgegaan.

Voorzitter! Artikel 43 regelt van rechtswege een aantal rechtsgevolgen, wanneer de verblijfsvergunning wordt afgewezen. Dit is de zogenaamde meeromvattende beschikking. D66 acht dit een grote vooruitgang in vergelijking met de huidige Vreemdelingenwet, waarbij een negatieve beslissing aanleiding geeft tot een waaier van procedures. Volgens artikel 43 vervalt de rechtsgrond om rechtmatig in Nederland te verblijven. De vreemdeling moet binnen vier weken Nederland verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet en hij verliest het recht op opvang. Volgens lid 4 kan de vreemdeling in afwijking van de hoofdregel nog opvang worden gegund. De naderhand genomen beslissing tot beëindiging van de opvang kan uiteraard niet meer in de eerdere procedure tegen de afwijzing worden meegenomen. Vormt die beslissing dan toch als het ware een zelfstandig besluit, waartegen beroep kan worden ingesteld?

Daarnaast ontbreekt in asielzaken een bepaling analoog aan artikel 70, lid 3. Dat houdt in dat feitelijke uitvoeringshandelingen die niet kunnen worden geacht in de afwijzende beschikking op te lossen - bijvoorbeeld uitzetting nadat de uitgeprocedeerde asielzoeker gedurende lange tijd uitstel van vertrek is verleend - en dat ze niet onder de competentie van de vreemdelingenrechter en ook niet onder die van de algemene administratieve rechter vallen, zodat een vordering bij de burgerlijke rechter om de uitzetting te verbieden, ontvankelijk lijkt. Hoe denkt de regering dit te voorkomen? Het zal toch niet de bedoeling zijn dat de burgerlijke rechter via een achterdeur bevoegd wordt.

In het terugkeerbeleid heeft de regering bepaald dat de vreemdeling, die buiten zijn schuld niet kan vertrekken, Nederland niet hoeft te verlaten en opvang behoudt. Waar is deze regel in de wetstekst terug te vinden? Zou het niet logisch zijn deze uitzondering op het hoofdbeginsel van artikel 59 aldaar in de wetstekst op te nemen? Waarom heeft de regering dat niet gedaan?

Bij de behandeling van de Wet arbeid vreemdelingen is een motie van D66 aangenomen, waarin staat dat de kosten van uitzetting van een vreemdeling die illegaal in Nederland heeft verbleven en voor een bepaalde werkgever heeft gewerkt, op die werkgever moet kunnen worden verhaald. Geeft dit de regering aanleiding om artikel 64 te wijzigen? Zo nee, waarom niet?

Volgens artikel 65 kan de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft en bij herhaling een bij deze wet strafbaar gesteld feit heeft begaan, ongewenst worden verklaard. Wil de regering een volledige opsomming geven van welke feiten bij de Vreemdelingenwet strafbaar zijn gesteld en die kunnen leiden tot een ongewenstverklaring? Is een ongewenstverklaring op al die overtredingen van de Vreemdelingenwet wel een proportionele sanctie? Dit klemt te meer, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling geen toegang meer heeft tot het gehele Schengengebied. Een ongewenstverklaring kan na tien jaar worden opgeheven volgens artikel 66, lid 2. Waarom staat niet in artikel 66 dat een ongewenstverklaring na vijf jaar kan worden opgeheven bij veroordelingen wegens niet-geweldsdelicten en niet-opiumdelicten? Waarom is dat belangrijke onderscheid niet in de wetstekst terug te vinden?

Over alleenstaande minderjarige asielzoekers heeft op 29 mei jl. een uitgebreid notaoverleg plaatsgevonden. Ik beperk me hier dan ook tot het maken van enkele opmerkingen. Collega Wijn heeft als eerste gesproken over alleenstaande minderjarige vreemdelingen in plaats van over alleenstaande minderjarige asielzoekers. Ik vond dat een goede suggestie en ik ga dat dan ook proberen te doen. Het gaat immers om alleenstaande vreemdelingen, die minderjarig zijn, maar wier asielverzoek is afgewezen. D66 maakt zich ernstige zorgen over het groeiend aantal AMV's dat naar Nederland komt. Een aantal jaren geleden werden de signalen steeds duidelijker dat een significant aantal minderjarigen doelbewust een lagere kalenderleeftijd opgaf om voor de AMA-procedure in aanmerking te komen. De fractie van D66 heeft er bij de vorige staatssecretaris op aangedrongen dat er bij gerede twijfel een leeftijdsonderzoek zou worden ingesteld. Jaren heeft dat maar mondjesmaat tot helemaal niet plaatsgevonden. Dit is volgens mij een van de oorzaken dat mensensmokkelaars minderjarigen naar Nederland brengen. In vergelijking met andere Europese landen vangt Nederland buitengewoon veel minderjarigen op. D66 steunt het streven van de regering om al in het aanmeldcentrum een leeftijdsonderzoek te verrichten wanneer aan de opgegeven leeftijd wordt getwijfeld.

In het notaoverleg is afgesproken dat de regering een onderzoek instelt naar adequate opvangmogelijkheden in diverse landen van herkomst. Er wordt ook nagegaan in welke landen een minderjarige van 16 jaar of ouder zich zonder bezwaar kan redden. Ik raad de staatssecretaris aan dat onderzoek ook daadwerkelijk in de herfst af te ronden. Het probleem van de steeds groeiende stroom minderjarigen naar Nederland is groot en wij kunnen ons het niet veroorloven om op dat terrein nog meer tijd te verliezen. Wij hebben al erg lang op de nota van de regering moeten wachten. Collega Hoekema heeft al tijdens het notaoverleg op spoed aangedrongen. Ik herhaal dit verzoek vandaag graag.

Het invoeren van de nieuwe Vreemdelingenwet moet zomin mogelijk leiden tot een vermeerdering van het aantal asielzoekers, die een beroep op het driejarenbeleid kunnen doen. Dat driejarenbeleid moet natuurlijk behouden worden, maar introductie van de nieuwe wet mag geen extra mogelijkheden genereren.

Voor mijn fractie is de evaluatie van de nieuwe Vreemdelingenwet essentieel. Ik stel voor, de wet al na drie jaar te evalueren, met daarna vervolgevaluaties. De opzet moet tevoren met de Kamer worden besproken, zodat alle fracties daarvoor punten kunnen aandragen. Ik heb in mijn betoog al enkele zaken genoemd die specifiek voor de evaluatie van belang zijn.

Voorzitter! Ik kom tot een voorlopige conclusie. Het wetsvoorstel heeft belangrijke verbeteringen in zich, maar het roept ook tal van vragen op. De regering moet met goede argumenten komen om de fractie van D66 ervan te overtuigen dat de IND het werk onder de nieuwe wet aan zal kunnen en dat geen nieuwe achterstanden zullen ontstaan. De chaos waarover in de kranten wordt geschreven, moet vermeden worden.

Tot slot merk ik op dat de wet uiteindelijk een stuk papier is met veel woorden erop. Waar het op aankomt, is hoe de afspraken uit de wet in de praktijk worden uitgevoerd en welk beleid de regering binnen het raamwerk van de wet weet te realiseren.

De heer Rouvoet (RPF/GPV)

Ik heb een vraag over de invoeringswet gerelateerd aan uw opmerkingen over het herstel van de motiveringsplicht. Verbindt u hier consequenties aan terzake van het voorzieningenpakket voor de verschillende categorieën van houders van een tijdelijke status? Wilt u daarin geen differentiatie meer aanbrengen?

De heer Dittrich (D66)

Ik blijf bij hetgeen ik daarover in het wetgevingsoverleg heb gezegd. Ik heb ingetekend voor een spreektijd van 60 minuten en bij mijn voorbereiding zag ik dat ik nog twee minuten over had. Ik heb een keuze moeten maken. Het door u genoemde punt heb ik niet genoemd. Daarover zijn, onder anderen door u, veel vragen gesteld. Met belangstelling wacht ik de reactie van de regering daarop af.

De heer De Wit (SP)

Een van de belangrijkste uitgangspunten van dit wetsvoorstel was voor de coalitie de snelheid van de procedures. De asielzoeker moet sneller duidelijkheid worden geboden. Ik weet niet of de heer Dittrich kennis heeft genomen van het artikel van mr. Grutters in NRC Handelsblad van gisteravond. Hij heeft uitgerekend dat wij toch al gauw op acht beslissingen uitkomen. Hij is overigens niet de enige die betwijfelt dat de snelheid gehaald zal worden. Hij vraagt zich af of wij het afschaffen van de bezwarenfase later niet moeten bekopen doordat degenen die doorprocederen naar de rechter gaan. Hij stelt dat juist door het hoger beroep en doordat wij twee soorten vergunningen krijgen, het aantal procedures verdubbelt. Daardoor zal verstopping optreden en zullen de snelheid en zekerheid afnemen.

De heer Dittrich (D66)

Ik heb dat artikel met belangstelling gelezen, maar ik ben het er niet mee eens. De berekening die daarin wordt gemaakt, wordt vanuit een soort doemscenario naar voren gebracht.

Als de IND onder vigeur van deze wet snel en goed werkt, kan het in orde komen. Kan de IND dat werk niet aan, dan is dat onder de huidige wet en onder de nieuwe wet een groot probleem. Dat is de essentie. De berekeningen die gisteren in het artikel naar voren zijn gebracht, vind ik echt overdreven. Het gaat erom dat duidelijke beslissingen worden genomen. Het is heel goed dat er ook een hoger beroep is. In het begin zullen er veel hogerberoepzaken zijn. Dat is altijd zo. Daar komt jurisprudentie uit voort die een uitstraling heeft op allerlei andere asielverzoeken en discussies bij de rechter in eerste aanleg. Omdat het hoger beroep er is - dat is echt een belangrijk winstpunt van dit wetsvoorstel - kan de rechter in eerste aanleg naar die jurisprudentie verwijzen. De hoogste rechter heeft dan gesproken en dat bespoedigt de procedures aanmerkelijk. Ik vond het artikel te pessimistisch. Ik ben het er niet mee eens.

De heer De Wit (SP)

Eerst is er een tijdelijke vergunning. Men kan procederen als de vergunning voor onbepaalde tijd wordt afgewezen. Daarbij kan in twee termijnen geprocedeerd worden. Daardoor wordt de rechter toch in aanmerkelijke mate belast.

De heer Dittrich (D66)

Dat gebeurt niet bij iedereen. Degenen die een vergunning voor bepaalde tijd krijgen, gaan niet procederen. Het geldt alleen voor een groep die eerst afgewezen wordt. Zij willen een vergunning voor bepaalde tijd. Stel, zij krijgen die vergunning. Van die mensen zal een deel een vergunning voor onbepaalde tijd krijgen. Zij hoeven ook niet te procederen. Alleen degenen die de vergunning niet krijgen - dat kunnen ook de mensen zijn die eerst afgewezen zijn, toen een vergunning kregen, maar na drie jaar worden afgewezen - zullen allicht opnieuw procederen. Ik vind dat het wetsvoorstel wat dat betreft qua structuur goed in elkaar zit. Dat betekent dat heel zorgvuldig naar de feiten en omstandigheden wordt gekeken die een asielzoeker naar voren brengt. En dan is er ook nog hoger beroep. Dan hebben de heer De Wit en ik daar toch niet over te klagen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

De heer Dittrich begon zijn betoog met te zeggen dat er meer aandacht moet komen voor de reguliere vreemdeling. Ik verheugde mij daarover en dacht "dat wordt tijd". Ik heb hem daar helemaal niet meer over gehoord.

De heer Dittrich (D66)

Dat is heel jammer. Dan heeft mevrouw Halsema niet goed geluisterd. Ik heb daar wel degelijk aandacht aan besteed. Volgens mij hebben wij al drie wetgevingsoverleggen gevoerd, naast de algemene overleggen. Daarin hebben wij daar uitgebreid aandacht aan besteed. Voorzover dat niet heeft geleid tot een discussie tussen de fractie van D66 en de regering of tot een discussie over hoofdpunten van politiek, wil ik daar nu niet over praten. Dat is immers al in eerder overleg afgewikkeld. Als ik het niet met de regering eens ben, moet ik dat hier natuurlijk naar voren brengen, maar dat is niet op die punten.

Voorzitter Ik stel voor, de inbreng van de VVD voor de dinerpauze te houden. Als ik het goed heb begrepen, hebben VVD en GroenLinks geruild. Ik ga ervan uit dat wij rond half acht voor de dinerpauze kunnen schorsen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter Voordat ik het woord geef aan de heer Kamp, benadruk ik nog even dat ik rond half acht wil schorsen voor de dinerpauze. Ik wil u niet aanmoedigen, maar als tegen die tijd blijkt dat het niet lukt de bijdrage van de VVD afgerond te hebben, zal ik nog in de spreektijd van de heer Kamp of de heer Niederer schorsen. Ik wil niet te lang doorgaan na half acht.

De heer Kamp (VVD)

Voorzitter