|
|
First Net Print, Friday, March 21, 2003
Handelingen
Tweede Kamer
Irak Debat
ONGECORRIGEERD
STENOGRAM
(Aan dit verslag kunnen geen rechten worden ontleend)
2002-2003
50ste vergadering
Dinsdag 18 maart 2003
14.00 uur
Voorzitter: Weisglas
Tegenwoordig zijn de leden, te weten:
Van Aartsen, Adelmund, Albayrak, Algra,
Aptroot, Van Ardenne-Van der Hoeven, Arib, Van As, Atsma, Van Baalen,
Bakker, Balkenende, Van Beek, Blok, Blom, Van Bochove, Boelhouwer, Van
Bommel, Bos, Van den Brand, Van den Brink, Bruls, Buijs, Bussemaker, Van de
Camp, Cornielje, Çörüz, Crone, Van Dam, Depla, Van Dijken, Dijksma,
Dijsselbloem, Dittrich, Douma, Dubbelboer, Duivesteijn, Duyvendak, Eerdmans,
Eijsink, Eurlings, Ferrier, Fierens, Van Geel, Geluk, Van Gent, Gerkens,
Giskes, De Graaf, De Grave, Griffith, De Haan, Van Haersma Buma, Halsema,
Van der Ham, Hamer, Haverkamp, Heemskerk, Van Heemst, Herben, Hermans,
Hessels, Van Heteren, Hirsi Ali, Van der Hoeven, Hofstra, Hoogervorst, Ten
Hoopen, Huizinga-Heringa, Jager, Joldersma, Kalsbeek, Kamp, Kant, Karimi,
Van der Knaap, Koenders, Koopmans, Kortenhorst, Kraneveldt, De Krom,
Kruijsen, Van der Laan, Lazrak, Leerdam, Van Lith, Marijnissen, Mastwijk,
Meijer, Van Miltenburg, Mosterd, Nawijn, De Nerée tot Babberich, Nicolaï,
Van Nieuwenhoven, Nijs, Noorman-den Uyl, Van Oerle-van der Horst, Oplaat,
Örgü, Ormel, De Pater-van der Meer, Rambocus, Remkes, Rietkerk, Rijpstra,
Ross-Van Dorp, Rouvoet, De Ruiter, Rutte, Samsom, Schreijer-Pierik, Schultz
Van Haegen-Maas Geesteranus, Slob, Smeets, Smits, Spies, Van der Staaij,
Sterk, Straub, Stuurman, Terpstra, Tichelaar, Timmer, Timmermans, Tjon-A-Ten,
Tonkens, Varela, Van Velzen, Vendrik, Verbeet, Verburg, Verdaas,
Vergeer-Mudde, Verhagen, Vietsch, Van der Vlies, Vos, B.M. de Vries, J.M. de
Vries, K.G. de Vries, Van Vroonhoven-Kok, Waalkens, Weisglas, Wijn, Wilders,
Van Winsen, De Wit, Wolfsen en Zalm,
en de heren Balkenende, minister-president,
minister van Algemene Zaken, en De Hoop Scheffer, minister van Buitenlandse
Zaken.
De voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede
dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:
De Grave, De Graaf, Van As, Geluk,
Boelhouwer, Leerdam en Wolfsen, wegens verblijf in de Nederlandse Antillen,
de gehele week;
Sterk en Van Gent, wegens verblijf in het
buitenland, tot en met 28 maart aanstaande.
Deze berichten worden voor kennisgeving
aangenomen.
Aan de orde is het debat over de verklaring van de
minister-president en de behandeling van brieven van de
minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken over Irak
(23432, nrs. 93 en 94).
De beraadslaging wordt geopend.
Minister Balkenende: Mijnheer De voorzitter. De wereld staat aan de
vooravond van een oorlog die niemand heeft gewild. Ik weet dat een
oorlog hevige gevoelens zal losmaken. Ik zal geen moment ontkennen dat
ook ik heb geworsteld met het besef dat de militaire operatie nu
vrijwel onvermijdelijk is geworden. Geweld is geen werkelijke oplossing,
maar dat neemt niet weg dat geweld in specifieke gevallen nodig kan
zijn om recht en vrede te waarborgen. De situatie rond Irak
confronteert ons met de klemmende vraag of er nu sprake is van zo'n
specifiek geval.
De vraag die daarmee verband houdt, is of wij het ons, na alles wat er
is gebeurd, kunnen permitteren om Saddam Hoessein wederom aan het
langste eind te laten trekken. Het zou ons een lief ding waard zijn
geweest als er een oplossing via de weg van de Verenigde Naties had
kunnen worden gevonden. Het kabinet is zeer teleurgesteld dat het in de
Veiligheidsraad niet mogelijk is gebleken om tot een nieuwe
gemeenschappelijke verklaring te komen. Wij hebben daarop krachtig
ingezet en de meest betrokken leden van het kabinet hebben tot het
laatste moment gewerkt aan eenheid van de internationale gemeenschap.
Laten wij niet vergeten dat de Veiligheidsraad in november 2002 wel
unaniem kon instemmen met een stevige en heldere resolutie. Die
resolutie eist van Saddam Hoessein onmiddellijke, onvoorwaardelijke en
actieve medewerking bij het onschadelijk maken van zijn wapens. Wanneer
hij daarbij in gebreke blijft, is er volgens de resolutie sprake van
een wezenlijke schending die serieuze consequenties moet hebben. Aan
resolutie 1441 is zeer veel vooraf gegaan. De internationale
gemeenschap is het er volstrekt over eens dat er van Saddam Hoessein
een zeer grote dreiging uitgaat voor de wereld. Twee keer is hij een
buurland binnengevallen. Hij heeft chemische wapens, zenuwgas en
mosterdgas, ingezet tegen de Iraniërs en in zijn eigen land tegen de
Koerden. Uit rapporten van internationale wapeninspecteurs weten wij
dat hij ook grote voorraden biologische wapens heeft aangelegd.
Uit onder meer het zogenoemde clusterdocument dat Hans Blix op 6 maart
jongstleden onder de leden van de Veiligheidsraad heeft verspreid,
blijkt dat Bagdad op maar liefst 128 prangende vragen over ontwapening
geen afdoende antwoord heeft willen geven. Het betreft onder meer
vragen over zijn rakettenprogramma's, munitie, onder meer de
R-400-bommen, chemische wapens, waaronder VX, sarin en mosterdgas,
waarvan zo'n 80 ton zoek is en biologische wapens, waaronder minimaal
10.000 liter van het uiterst gevaarlijke anthrax.
Sinds 1991 heeft de internationale gemeenschap getracht Saddam op
vreedzame wijze te ontwapenen. In totaal zijn 17 veiligheidsresoluties
van de Veiligheidsraad aangenomen, waarin Irak in de meest duidelijke
termen is gemaand mee te werken. Uiteindelijk, twaalf jaar later,
blijkt dat het regime in Bagdad nog steeds geen gehoor wil geven aan de
dringende eis van de internationale gemeenschap. Volgens de
wapeninspecteurs heeft Saddam de laatste weken weliswaar procesmatig
enige medewerking gegeven, maar werkt hij substantieel volstrekt
onvoldoende mee.
De medewerking die wel werd gegeven, zo beaamden de wapeninspecteurs,
was ingegeven door de acute dreiging van een militaire actie door de
meer dan 200.000 militairen in de regio. De werkelijk gevraagde
medewerking is echter niet gekomen.
Wij kunnen niet anders dan constateren dat Saddam ruim vier maanden na
resolutie 1441 en twaalf jaar na de eerste VN-resolutie de
internationale gemeenschap niet serieus neemt. In lijn met resolutie
1441 betekent dit, dat serieuze consequenties nu aan de orde zijn. Het
kabinet is van oordeel dat Saddam de consequenties die nu op hem
afkomen, over zichzelf heeft afgeroepen. Hij is geen slachtoffer, hij
is aanstichter. Een eventuele actie tegen Saddam kan het kabinet daarom
politiek steunen.
Bij die beslissing betrekt het kabinet dat alle beschikbare
diplomatieke middelen intensief en langdurig zijn beproefd en helaas
vruchteloos zijn gebleken. Er bestaat al jarenlang een embargo, waarbij
overigens via het oil for food-programma de Irakese bevolking maximaal
is ontzien. Het regime is financieel en anderszins zeer onder druk
gezet. Tegoeden zijn bevroren, talloze politieke oproepen aan Irak, ook
van Arabische buurlanden, zijn onbeantwoord gebleven en ook de
inspecties hebben niet het gehoopte resultaat gehad. Ontwapening is van
het grootste belang. Zoals ik al zei: het regime in Bagdad heeft er
meermalen blijk van gegeven niet te aarzelen massavernietigingswapens
in te zetten.
Er komt nog iets bij. Er zijn op dit moment terroristische groeperingen
actief die er niet voor terugdeinzen dodelijke wapens in te zetten, met
als enig doel het maken van zoveel mogelijk slachtoffers. Van een
aantal van deze terroristen is bekend dat zij hebben geprobeerd
massavernietigingswapens te verwerven. Ofschoon ik nu niet wil beweren
dat er een directe link is tussen Bagdad en bijvoorbeeld Al Qaida, acht
ik het regime van Saddam evenmin betrouwbaar genoeg om te durven
garanderen dat toekomstige samenwerking niet zal plaatsvinden. Wij
zouden het onszelf nooit vergeven als dit horrorscenario werkelijkheid
zou worden.
Militair ingrijpen is door het kabinet steeds gezien als de ultieme
remedie: het instrument dat gebruikt moet worden als alternatieven niet
meer voorhanden zijn. Helaas lijkt dat moment nu aangebroken. De
regering heeft altijd gesteld dat, ofschoon een tweede resolutie
politiek zeer wenselijk was, resolutie 1441 op zich voldoende basis
vormt voor een eventueel militair optreden. Daaraan ligt ten grondslag
dat het uitblijven van een tweede resolutie niet tot gevolg mag hebben
dat helemaal geen actie mogelijk is en Saddam Hoessein geheel
verschoond blijft van de ernstige consequenties die hem door de
Veiligheidsraad unaniem in het vooruitzicht zijn gesteld bij het niet
nakomen van zijn verplichtingen.
De regering betreurt het dat het niet mogelijk is gebleken om tot een
nadere resolutie te komen. De regering constateert dat dit de Verenigde
Staten en het Verenigd Koninkrijk geen andere mogelijkheid openliet dan
om zonder nadere resolutie tot militaire actie over te gaan. Die actie
was op zichzelf uiteindelijk onvermijdelijk, bij gebrek aan medewerking
van Saddam Hoessein. Daarom steunt de regering de conclusie dat het
onvermogen van internationale besluitvorming er niet toe mag leiden,
dat Saddam Hoessein aan het langste eind trekt en de besluiten van de
internationale gemeenschap naast zich neer kan leggen. Dit is het punt
waar het om draait.
De regering van Nederland is daarom niet neutraal in haar afweging.
Gesteld voor de keuze "Saddam Hoessein of Bush en Blair",
kiest zij zonder aarzeling voor de laatste. Daarom ook de politieke
steun.
Een tweede keuze betreft die van een actieve militaire bijdrage aan het
mogelijk ingrijpen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
De regering heeft daartoe niet besloten, vanwege de overtuiging dat
deze verstrekkende keuze gebaseerd moet zijn op een zo breed mogelijk
draagvlak in de samenleving en in de Kamer.
De vraag die dan nog overblijft is, wat wij winnen voor de toekomst van
Irak. Een oorlog kan nodig zijn, maar je wint er geen vrede mee.
Die moet worden gewonnen door de wederopbouw van Irak wanneer de
wapens zwijgen. Nederland is ten volle bereid, onder de vlag van de
Verenigde Naties daaraan bij te dragen.
Het besluit van het kabinet is na zeer zorgvuldige afweging
totstandgekomen en in het volle besef dat velen in Nederland het
moeilijk hebben met het vooruitzicht op een oorlog. Ook de regering
deelt die gevoelens. Het regime in Bagdad laat ons echter geen andere
keuze.
De voorzitter: Bij de regeling van werkzaamheden hebben wij
afgesproken hedenmiddag een debat te voeren.
Voor de vergadering heeft mij via haar voorzitter het verzoek van de
vaste commissie voor Buitenlandse Zaken bereikt om na de verklaring van
de minister-president en na de ontvangst van de brief, ook nog niet zo
lang geleden, te schorsen alvorens met het debat te beginnen. Het
verzoek is om te schorsen tot halfvijf. Ik wil niet dat er nu een
ordedebat begint over het moment van de aanvang van het debat. Ik doe
vanuit mijn verantwoordelijkheid als voorzitter wel een poging om dat
moment te vervroegen. Mijn voorstel is om er halfvier van te maken.
Naar mij blijkt, gaan de fracties hiermee akkoord.
De vergadering wordt van 14.37 uur tot 15.30 uur geschorst.
|
|
Updated, vrijdag 24 december 2004
|
Today is The Day...
...AP Online
|
|